Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1206

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-12-2020
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
20/03006
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:350, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Beroep tegen crisismaatregel (art. 7:6 Wvggz). Toelaatbaarheid nieuwe crisismaatregel direct volgend op een eerdere crisismaatregel. HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1808.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03006

Zitting 23 december 2020

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak van

[betrokkene]

tegen

1. 1. De burgemeester van Arnhem

2. De gemeente Arnhem

In deze zaak is op de voet van art. 7:6 Wvggz beroep ingesteld tegen een crisismaatregel. Tevens is een verzoek ingediend tot toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In cassatie is de vraag aan de orde of het mogelijk was, na het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerste crisismaatregel een nieuwe crisismaatregel te nemen.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Op 22 mei 2020 heeft de burgemeester van Arnhem ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geb. 1992, hierna: betrokkene) een crisismaatregel genomen voor het tijdvak van 22 mei 2020 te 11.45 uur tot 25 mei 2020 te 11.45 uur. Op grond van deze crisismaatregel is betrokkene gedwongen opgenomen in een accommodatie van Pro Persona, de zorgaanbieder die met de uitvoering van de maatregel werd belast. In deze crisismaatregel waren de volgende vormen van verplichte zorg opgenomen, als noodzakelijk is om de crisissituatie af te wenden:

 toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

 beperken van de bewegingsvrijheid;

 insluiten;

 uitoefenen van toezicht op betrokkene;

 onderzoek aan kleding of lichaam;

 controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

 opnemen in een accommodatie.

1.2

Op 25 mei 2020 te 17.05 uur heeft de burgemeester van Arnhem ten aanzien van betrokkene opnieuw een crisismaatregel genomen. Betrokkene verbleef toen in een accommodatie van Pro Persona. Deze tweede crisismaatregel verwijst naar een eerder1 op die dag uitgebrachte medische verklaring van een (andere) niet bij de behandeling betrokken psychiater. Als zorg die noodzakelijk is om de crisissituatie af te wenden zijn in de crisismaatregel van 25 mei 2020 dezelfde vormen van verplichte zorg opgenomen als in de crisismaatregel van 22 mei 2020, ditmaal aangevuld met het ‘aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’.

1.3

Op 12 juni 2020 heeft betrokkene op de voet van art. 7:6 lid 1 Wvggz bij de rechtbank Gelderland beroep ingesteld tegen de crisismaatregel van 25 mei 2020. Hij heeft de rechtbank tevens verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen ten laste van de gemeente Arnhem van minimaal € 2.000,- (zie art. 10:12 lid 1 Wvggz).2

1.4

Op 17 juni 2020 heeft de rechtbank het beroep tegen de crisismaatregel en het verzoek om een schadevergoeding gevoegd behandeld. De rechtbank heeft betrokkene en zijn advocaat, een arts van Pro Persona en een juridisch adviseur verbonden aan de gemeente Arnhem gehoord.3 Bij beschikking van 25 juni 2020 heeft de rechtbank het beroep tegen de crisismaatregel ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van schadevergoeding afgewezen (ECLI:NL:RBGEL:2020:3189).

1.5

Namens betrokkene is − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. Namens de burgemeester en de gemeente heeft een advocaat bij de Hoge Raad op 3 december 2020 een verweerschrift in cassatie ingediend.

2 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

De rechtbank heeft het beroep tegen de crisismaatregel (art. 7:6 Wvggz) en het verzoek van betrokkene om toekenning van een schadevergoeding (art. 10:12 lid 1 Wvggz) gevoegd behandeld. Het cassatiemiddel is gericht zowel tegen de ongegrondverklaring van het beroep van betrokkene tegen de crisismaatregel van 25 september 2020 als tegen de − daarmee samenhangende − afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

2.2

Tegen de beslissing van de rechtbank op het beroep van betrokkene tegen de crisismaatregel van de burgemeester staat geen hoger beroep open (zie art. 7:6 lid 6 Wvggz). Wel is beroep in cassatie mogelijk op grond van art. 78 RO in verbinding met art. 426 Rv. Op de behandeling van een beroep tegen een crisismaatregel zijn de bepalingen voor de verzoekschriftprocedure in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aanvullend van toepassing. Aan de burgemeester komt in deze procedure zelfstandig procesbevoegdheid toe.4

2.3

In de procedure die volgt op het verzoek om schadevergoeding ten laste van de gemeente (art. 10:12 lid 1 Wvggz), geldt de gemeente – de rechtspersoon − als verweerster. Nu de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op een Wvggz-procedure als deze aanvullend van toepassing zijn en de Wvggz hier hoger beroep niet uitsluit, stond op grond van art. 358 lid 1 Rv hoger beroep bij het gerechtshof open tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot schadevergoeding. Dit betekent, gelet op art. 78 lid 6 RO, dat betrokkene niet kan worden ontvangen in dit cassatieberoep voor zover het betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank over het verzoek tot schadevergoeding. Op grond van art. 358 lid 2 Rv in verbinding met art. 340 Rv kan betrokkene alsnog hoger beroep instellen tegen de bestreden beschikking voor zover daarin op het verzoek tot schadevergoeding is beslist.5

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Onderdeel 1 is in het cassatierekest geplaatst onder het kopje: “Herhaalde crisismaatregel in strijd met (het systeem van) de wet en de bedoeling van de wetgever” en is gericht tegen rov. 2.5 - 2.7. De relevante gedeelten luiden als volgt:

“2.5 (…) Het enkele feit dat er geen voor[t]zetting van de eerste crisismaatregel van 22 mei 2020 is verzocht en dat de tweede crisismaatregel direct gevolgd is op de eerste crisismaatregel, maakt niet dat deze crisismaatregel of de voortzetting daarvan onrechtmatig is. De wet biedt geen aanleiding voor de conclusie dat het elkaar laten opvolgen van verschillende crisismaatregelen onrechtmatig moet worden geacht.

2.6.

Nu naar het oordeel van de rechtbank bij het afgeven van de crisismaatregel de wettelijke bepalingen in acht zijn genomen, zal het beroep ongegrond worden verklaard.”

3.2

De klacht onder 1.1 houdt in dat deze overwegingen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn zonder een nadere motivering. De subonderdelen 1.2 - 1.4 dienen ter inleiding. Zij houden het betoog in dat een crisismaatregel kan worden gevolgd door een machtiging tot voortzetting daarvan, die op haar beurt kan worden gevolgd door een zorgmachtiging. Gelet op het systeem van de wet en de daarin opgenomen termijnen – maximaal drie dagen voor de crisismaatregel (art. 7:4 Wvggz) en maximaal drie weken voor de machtiging tot voortzetting daarvan (art. 7:9 Wvggz) − is het niet de bedoeling van de wetgever, het op elkaar ‘stapelen’ van crisismaatregelen te faciliteren. Een crisismaatregel mag slechts worden genomen indien de crisissituatie op dat moment zo ernstig is dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht. In de subonderdelen 1.5 e.v. is de klacht uitgewerkt in de volgende standpunten:

 Vanaf 22 mei 2020 verbleef betrokkene in de accommodatie van Pro Persona op grond van de eerste crisismaatregel. De officier van justitie heeft zijn verzoek om een machtiging tot voortzetting van de eerste crisismaatregel (die van 22 mei 2020) te laat ingediend, als gevolg waarvan aan betrokkene vanaf 25 mei 2020 de vrijheid is ontnomen zonder een daartoe strekkende verlengde maatregel (1.5);

 de beschikking van de burgemeester van 25 mei 2020 houdt een direct op de eerste volgende crisismaatregel in; dat is in strijd met de wet. Vanaf 25 mei 2020, 11.45 uur, was de vrijheidsontneming dus onrechtmatig (1.6);

 ook de vrijheidsbeneming van betrokkene vanaf 28 mei 2020 was onrechtmatig, omdat “de vernietiging van de litigieuze crisismaatregel d.d. 25 mei 2020 ertoe leidt dat de Officier van Justitie, gelet op de daarvoor in artikel 7:7 Wvggz opgenomen termijn van drie dagen, niet-ontvankelijk was in zijn verzoek tot een machtiging voortzetting crisismaatregel, althans dit verzoek had moeten worden afgewezen, omdat de enige (rechts)geldige crisismaatregel op 25 mei 2020 te 11.45 uur reeds vervallen was en het verzoek van de Officier van Justitie eerst op 26 mei 2020 bij de Rechtbank is binnengekomen.” (1.7).

3.3

Subonderdeel 1.8 voegt hieraan toe dat het oordeel in rov. 2.5 – hiervoor geciteerd – blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, omdat de rechtbank niet kenbaar in haar oordeel heeft betrokken dat namens de gemeente is erkend dat er geen sprake was van een nieuwe crisissituatie6: de crisismaatregel van 25 mei 2020 is slechts genomen om de procedurele fout - het niet tijdig aanvragen van een machtiging tot voortzetting van de eerste crisismaatregel - te sauveren.7

3.4

Vooropgesteld: het strookt met het stelsel van de Wvggz, in het bijzonder met art. 7:11 Wvggz, dat de officier van justitie verzoekt om een zorgmachtiging die aansluit op de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel indien verplichte zorg ook noodzakelijk is na afloop van de geldigheidsduur van laatstgenoemde machtiging. Desalniettemin staat het stelsel van de Wvggz niet eraan in de weg dat een nieuwe crisismaatregel op de voet van art. 7:1 Wvggz wordt genomen nadat de geldigheidsduur van de machtiging tot voortzetting van een eerdere crisismaatregel is verstreken, mits op dat tijdstip is voldaan aan de voorwaarden van art. 7:1 Wvggz en dus onder meer sprake is van een crisissituatie die dermate ernstig is dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.8 Deze regel kan worden doorgetrokken naar de situatie waarin een tweede crisismaatregel in de tijd aansluit op de eerste crisismaatregel of kort na het verstrijken daarvan wordt genomen.

3.5

De juridisch adviseur van de gemeente heeft ter zitting verklaard dat een systeemfout in de destijds gebruikte versie van het Khonraad-systeem de oorzaak ervan was dat de eerste crisismaatregel op 25 mei 2020 te 11.45 uur verviel zonder dat de officier van justitie tijdig een machtiging tot voortzetting daarvan had verzocht.9 Over de verdere gang van zaken heeft de juridisch adviseur van de gemeente het volgende verklaard:

“(…) Er is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid gehandeld waarbij de psychiater wederom contact heeft opgenomen met de burgemeester. De burgemeester heeft doorgevraagd over de noodzaak voor de crisismaatregel en betrokkene mocht ook gehoord worden, maar dat heeft betrokkene toen geweigerd. Dat blijkt tevens ook uit de tweede medische verklaring. Uit de tweede medische verklaring blijkt ook duidelijk het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en betrokkene verbleef toen ook nog in de separeerruimte. Aan het einde van de eerste crisismaatregel was het niet veilig genoeg om betrokkene naar de afdeling te laten gaan. De burgemeester was dan ook van mening dat er voldoende gronden waren om een tweede crisismaatregel op te leggen. Er is geen sprake van een aaneenrijging van crisismaatregelen. Er is voldaan aan de zelfstandig[e] beoordeling voor de noodzaak van een crisismaatregel. (…) Uit de tweede medische verklaring bleek naar het oordeel van de burgemeester de noodzaak voor een nieuwe crisismaatregel.”10

3.6

Vooraf noteer ik dat onjuist is de veronderstelling dat de Officier van Justitie tardief heeft verzocht om een machtiging tot voortzetting van de eerste crisismaatregel (die van 22 mei 2020). In het overgelegde procesdossier (bijlage 3) bevindt zich een afschrift van het verzoekschrift van de officier van justitie van 26 mei 2020, dat blijkens het stempel op diezelfde dag is ingekomen ter griffie van de rechtbank. Daarin verzoekt de officier van justitie een machtiging te verlenen tot voortzetting van de op 25 mei 2020 genomen crisismaatregel. Ook de rechtbank gaat ervan uit dat een machtiging tot voortzetting van die crisismaatregel is verleend (zie rov. 2.1) en dat geen machtiging tot voortzetting van de eerste crisismaatregel is verzocht (zie rov. 2.5).

3.7

Het gestelde feit dat het onvrijwillig verblijf van betrokkene in de accommodatie is voortgezet nadat de grondslag daarvoor door het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerste crisismaatregel was vervallen, doet niet af aan de bevoegdheid van de burgemeester om vervolgens een tweede crisismaatregel te nemen, mits op dat moment aan de wettelijke vereisten voor een crisismachtiging is voldaan. Het gestelde in de subonderdelen 1.5 en 1.6 stuit hierop af. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat op 25 mei 2020 nog altijd sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en van een ernstig vermoeden dat dit nadeel werd veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis van betrokkene. Dát oordeel is in cassatie niet bestreden.

3.8

Wat betreft subonderdeel 1.7: de vraag of (op 28 mei 2020) de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel van 25 mei 2020 terecht of ten onrechte door de rechtbank is verleend, is niet aan de orde in de beroepsprocedure op grond van art. 7:6 Wvggz. Wanneer betrokkene van mening is dat die machtiging – waarvan in dit geding geen afschrift is overgelegd – niet had mogen worden verleend, kan hij daartegen het openstaande rechtsmiddel (beroep in cassatie) aanwenden. Omgekeerd wordt de rechtmatigheid van het besluit van de burgemeester niet beoordeeld in de procedure waarin een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel is verzocht.11

3.9

Wat betreft subonderdeel 1.8, verwijs ik naar de conclusie in ECLI:NL:PHR:2020:799 (alinea’s 3.12 – 3.13). Per saldo meen ik dat de burgemeester kort na het vervallen van de op 22 mei 2020 genomen crisismaatregel op basis van de concrete noodsituatie een nieuwe crisismaatregel kon nemen, ook al was van een substantiële wijziging van omstandigheden geen sprake. Mijn slotsom is dat onderdeel 1 faalt.

3.10

Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel in rov. 2.7 dat, nu het beroep ongegrond wordt verklaard, de rechtbank niet toekomt aan een eventuele toekenning van een schadevergoeding aan verzoeker. Betrokkene heeft de rechtbank verzocht om hem op de voet van art. 10:12 Wvggz een schadevergoeding toe te kennen van minimaal € 2.000,-. Onder verwijzing naar het eerste middelonderdeel klaagt betrokkene dat de crisismaatregel (van 25 mei 2020) op onjuiste gronden is genomen, dat het beroep van betrokkene daarom gegrond verklaard had moeten worden en dat de rechtbank heeft miskend dat de verzochte schadevergoeding toewijsbaar is.

3.11

Zoals gezegd, is het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot schadevergoeding hoger beroep openstaat.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep, voor zover gericht tegen de beslissing op het verzoek om toekenning van schadevergoeding, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 In de medische verklaring vermeldt de psychiater dat hij betrokkene op 25 mei 2020 te 16.15 uur heeft onderzocht.

2 Het bedrag is toegelicht als volgt: 25 dagen onrechtmatige vrijheidsbeneming à € 80,-.

3 Ter bescherming tegen het virus COVID-19 heeft de mondelinge behandeling via beeldbellen plaatsgevonden; zie rov. 1.1 (bis).

4 Vgl. HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1807 (rov. 3.1 en 3.2).

5 Vgl. HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806 (rov. 3.2.2 en 3.3), herhaald in HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1808 (rov. 3.1.1 – 3.1.2).

6 Het onderdeel verwijst op dit punt naar de verklaring van de adviseur van de gemeente ter zitting van 17 juni 2020 (proces-verbaal, blz. 2).

7 Subonderdeel 1.9 bevat geen klacht.

8 Zie HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1808 (rov. 4.1.2).

9 Zie art. 7:5 Wvggz en het proces-verbaal, blz. 2: als gevolg van een systeemfout in het communicatiesysteem werd bij een e-mailadres langer dan 50 tekens het verzoek niet doorgestuurd.

10 Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 juni 2020, blz. 2.

11 Vgl. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1314 (rov. 3.2).