Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1201

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-12-2020
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
20/01825
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1007, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Nationaliteitsrecht. Art. 4 RWN. Verkrijging van het Nederlanderschap door bekrachtiging van een nietige erkenning?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01825

Zitting 18 december 2020

CONCLUSIE

P. Vlas

In de zaak

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst)

tegen

[verweerder] , wonende in [woonplaats]

(hierna: [verweerder] )

Deze Caribische zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). In cassatie is de vraag aan de orde of de nietigheid van de erkenning van een kind door een man die ten tijde van de erkenning was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind, kan worden bekrachtigd op grond van art. 3:58 lid 1 van het BW van Sint Maarten (BW-SM). Het middel stelt de vraag aan de orde of voor bekrachtiging het vereiste geldt van bekendheid van de onmiddellijk belanghebbenden (het bevolkingsregister en de burgerlijke stand van Sint Maarten) met de relevante feiten en omstandigheden op grond waarvan de erkenning nietig was. Ook rijst de vraag of het blote rechtsfeit van het overlijden van de man die de erkenning heeft gedaan, kan leiden tot bekrachtiging.

1. Feiten1 en procesverloop

1.1 In cassatie kan kort samengevat van het volgende worden uitgegaan. [verweerder] is op [geboortedatum] 1992 in Sint Maarten geboren uit een Dominicaanse moeder. Hij is op 26 januari 1993 in Sint Maarten erkend door [de man] (hierna: de man). Ten tijde van de erkenning had de man de Nederlandse nationaliteit. Hij was toen getrouwd met een andere vrouw dan de moeder van [verweerder] , welk huwelijk in de Dominicaanse Republiek was gesloten. Het bevolkingsregister en de burgerlijke stand van Sint Maarten zijn van dit huwelijk niet op de hoogte gekomen. De man is op [datum] 1997 overleden. Pas omstreeks 2018 heeft zijn weduwe mededeling van dit huwelijk gedaan.

1.2 [verweerder] heeft op 30 november 2018 op de voet van art. 17 RWN een verzoekschrift tot vaststelling van het Nederlanderschap ingediend, waarin hij heeft aangevoerd dat hij het Nederlanderschap heeft verkregen doordat hij door de man is erkend en de man ten tijde van die erkenning de Nederlandse nationaliteit had.

1.3 Bij beschikking van 20 maart 2020 heeft het hof het verzoek ingewilligd en vastgesteld dat [verweerder] het Nederlanderschap bezit vanaf 26 januari 1993. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie nog van belang, het volgende overwogen. Ten tijde van de erkenning van [verweerder] door de man (op 26 januari 1993) bepaalde art. 4 lid 1 (oud) RWN dat ‘Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend’ (rov. 2.3). Uit het tot 15 januari 2001 in Sint Maarten geldende art. 330 lid 1, aanhef en onder b, (oud) BW-NA volgt dat een erkenning nietig is indien zij is gedaan ‘door een gehuwde man, wiens huwelijk meer dan 306 dagen voor de geboortedag van het kind is voltrokken’ (rov. 2.4). Nu de man op 17 november 1997 is overleden, is de nietigheidsgrond van art. 330, aanhef en onder b, (oud) BW-NA weggevallen. Geen van de onmiddellijk belanghebbenden heeft zich in het tijdvak tussen de erkenning en de vervulling van een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste (dat de man niet is gehuwd met een ander dan de moeder) op de nietigheid van de erkenning beroepen of zich gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de geldigheid van de erkenning. Het is geen voorwaarde dat het bevolkingsregister en de burgerlijke stand van Sint Maarten van een en ander op de hoogte waren en zij de geldigheid ook effectief hebben kunnen betwisten. De enkele afwezigheid van contraire gedragingen is voldoende.2 Voor bekrachtiging van de erkenning is uit hoofde van art. 3:58 lid 1 BW-SM niet vereist een op herstel van het gebrek gerichte rechtshandeling. Een bloot rechtsfeit, zoals het overlijden, kan daartoe ook leiden, aldus het hof (rov. 2.10).

1.4 Tegen deze beslissing heeft de Staat (tijdig) cassatieberoep ingesteld.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 2.9-2.11 en rov. 3 van de bestreden beschikking. Het middel houdt in dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de vereisten voor bekrachtiging, omdat van bekrachtiging slechts sprake kan zijn indien alle onmiddellijk belanghebbenden bekend waren of geacht kunnen worden bekend te zijn geweest met de relevante feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtshandeling nietig was. Verder betoogt het middel dat onjuist is het oordeel van het hof dat het blote rechtsfeit van overlijden tot bekrachtiging kan leiden.

2.2

Bij de bespreking van het middel stel ik voorop dat in cassatie terecht niet is bestreden dat bekrachtiging in de zin van art. 3:58 lid 1 BW-SM kan worden toegepast ten aanzien van de erkenning van een kind.3 Evenmin is in cassatie bestreden de overweging van het hof waarin wordt verwezen naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 20 december 2019, waarin is bepaald dat bekrachtiging van een nietige erkenning leidt tot het Nederlanderschap.4

2.3

Art. 3:58 lid 1 BW-SM (dat gelijkluidend is aan art. 3:58 lid 1 BW) bepaalt het volgende:

‘1. Wanneer eerst na het verrichten van een rechtshandeling een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste wordt vervuld, maar alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op dit gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de handeling en de vervulling van het vereiste liggende tijdsruimte de handeling als geldig hebben aangemerkt, is daarmede de rechtshandeling bekrachtigd’.

2.4

Van bekrachtiging van een erkenning kan volgens de Staat pas sprake zijn indien alle onmiddellijk belanghebbenden bekend waren of geacht kunnen worden bekend te zijn geweest met de relevante feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtshandeling nietig was. Het bevolkingsregister en de burgerlijke stand van Sint Maarten zijn volgens de Staat terecht beschouwd als onmiddellijk belanghebbenden ten aanzien van de erkenning door de man. Zij waren echter niet op de hoogte van het feit dat de man ten tijde van de erkenning gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van [verweerder] , welk feit de nietigheid van de erkenning tot gevolg had. Van dat feit kunnen zij ook niet worden geacht op de hoogte te zijn geweest, omdat zij van dat feit pas omstreeks 2018 kennis kregen. Van bekrachtiging kan dan ook geen sprake zijn geweest en dus evenmin van verkrijging van het Nederlanderschap door bekrachtiging, met terugwerkende kracht tot aan de erkenning, aldus de Staat.

2.5

De Staat neemt tot uitgangspunt dat voor bekrachtiging is vereist dat de onmiddellijk belanghebbenden zich op het gebrek hadden kunnen beroepen (en dus wetenschap hadden van het gebrek) en dat zij de handeling als geldig hebben aangemerkt in de periode tussen de handeling en de vervulling van het vereiste. Ter onderbouwing heeft de Staat verwezen naar het voorbeeld dat wordt genoemd in de MvA II bij art. 3:58 BW:

‘De Commissie heeft zich afgevraagd, of men aan de woorden „als geldig hebben aangemerkt” niet ter verduidelijking zou moeten toevoegen „althans op nietigheid geen beroep hebben gedaan”. De ondergetekende meent deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Het komt hem ongewenst voor te suggereren dat bekrachtiging alleen dan uitgesloten zou zijn, indien vóór de vervulling van het vereiste op de ongeldigheid van de rechtshandeling uitdrukkelijk een beroep zou zijn gedaan. Men bedenke niet alleen dat in het algemeen een ongeldige rechtshandeling het daarmede beoogde rechtsgevolg mist, maar ook dat het kan voorkomen dat een onmiddellijk belanghebbende dit beroep achterwege laat, omdat hij van de ongeldige rechtshandeling niet op de hoogte is. Zo zal het kunnen gebeuren dat iemand beslag op een goed legt of zich een beperkt recht daarop doet verschaffen zonder te weten dat het goed reeds te voren naar de mening van de daarbij betrokken partijen geldig aan een ander was overgedragen of te diens behoeve met een beperkt recht was bezwaard, ofschoon daarbij niet alle voor een geldige levering gestelde vereisten waren vervuld. De beslaglegger of beperkt gerechtigde zal moeilijk een beroep op deze ongeldigheid kunnen doen, zolang hij van de levering zelf niet op de hoogte is. Hij hoeft dat ook niet, want de levering is ook zonder dat jegens hem ongeldig. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat hij, indien hem de aanvankelijk ongeldige levering wordt tegengeworpen op een ogenblik dat het ontbrekende vereiste alsnog is vervuld, deze ongeldigheid niet meer zou mogen inroepen op de enkele grond dat hij dat niet vóór de vervulling van dat vereiste heeft gedaan. In de tekst van Meijers leveren deze gevallen geen moeilijkheden op. Niet kan immers worden gezegd dat degeen die op het goed beslag legde of daarop een beperkt recht deed vestigen, de daarmee strijdige ongeldige levering van oudere datum „als geldig heeft aangemerkt”.’ 5

2.6

Uit dit voorbeeld volgt dat de wetgever expliciet het vereiste heeft opgenomen dat de onmiddellijk belanghebbenden ‘de handeling als geldig hebben aangemerkt’. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 november 2014 overwogen dat voldoende is dat de onmiddellijk belanghebbenden zich niet op de nietigheid hebben beroepen of zich hebben gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de geldigheid van de desbetreffende rechtshandeling.6 Onjuist is volgens de Hoge Raad de rechtsopvatting dat een rechtshandeling door de onmiddellijk belanghebbenden die zich op het gebrek hadden kunnen beroepen slechts in de zin van art. 3:58 lid 1 BW als geldig kan zijn aangemerkt door een daarop gerichte, of daartoe strekkende, uitlating, handeling of gedraging. Voor bekrachtiging verlangt art. 3:58 BW (en art. 3:58 BW-SM) dat alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op het gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de handeling en de vervulling van het voor de geldigheid gestelde wettelijke vereiste, de handeling als geldig hebben aangemerkt. Voor het ‘als geldig aanmerken’ is niet vereist dat de betrokkenen van de ongeldigheid op de hoogte waren.7 Dit betekent voor het onderhavige geval dat kennis van de omstandigheid dat de man ten tijde van de erkenning met een andere vrouw dan de moeder van [verweerder] was gehuwd, geen vereiste is voor het aannemen van een bekrachtiging op de voet van art. 3:58 BW-SM. Het hof heeft dus terecht overwogen dat het geen voorwaarde is dat het bevolkingsregister en de burgerlijke stand van Sint Maarten van een en ander op de hoogte waren en zij de geldigheid van de erkenning ook effectief hebben kunnen betwisten, maar dat afwezigheid van contraire gedragingen voldoende is. De door het middel bepleite opvatting is naar mijn mening onjuist.

2.7

Het middel klaagt verder dat het oordeel van het hof onjuist is, omdat in de omstandigheden van dit geval het blote rechtsfeit van overlijden niet tot bekrachtiging leidt.

2.8

Het middel betoogt terecht dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 3:58 BW blijkt dat voor bekrachtiging is vereist dat men op het ogenblik van de bekrachtiging de bevoegdheid moet hebben om de rechtshandeling te verrichten.8 In dit geval is hieraan niet voldaan, omdat de man die de erkenning heeft gedaan is overleden. Van een handelingsbekwaam persoon die bevoegd is om een rechtshandeling dan wel een erkenning te verrichten, is derhalve geen sprake meer. Het hof is daarom uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de vereisten voor bekrachtiging in de zin van art. 3:58 BW-SM door te overwegen dat door het overlijden van de man (het relevante blote rechtsfeit) het gebrek in de erkenning is geheeld. Het middel slaagt dus.

2.9

De Hoge Raad kan, gelet op het slagen van het middel, de zaak zelf afdoen door de beschikking van het hof te vernietigen en het inleidend verzoek alsnog af te wijzen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening van de zaak zoals omschreven onder 2.9 van deze conclusie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1 van de bestreden beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) van 20 maart 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:46. Zie ook JV 2020/130, m.nt. H. de Voer.

2 Het hof heeft hierbij verwezen naar HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460, NJ 2016/90, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.6.2.

3 Zie HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:179, rov. 3.4; HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.4, NJ 2015/106, m.nt. S.F.M. Wortmann.

4 HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, rov. 2.9.1 en 2.9.2, zoals door het hof is aangehaald in rov. 2.9 van de bestreden beschikking.

5 Zie Parlementaire Geschiedenis, Boek 3, M.v.A. II, p. 249, eerste alinea.

6 ECLI:NL:HR:2014:3460, NJ 2016/90, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.6.2.

7 Zie ook T&C Burgerlijk Wetboek, art. 3:58 BW, aant. 3 (Hijma); Jac. Hijma & M.M. Olthof, Compendium Nederlands Vermogensrecht 2020/62; Asser/Sieburgh 6-III 2018/663-664.

8 Zie Parlementaire geschiedenis, Boek 3, T.M., p. 248.