Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1188

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-11-2020
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
20/00939
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:649, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Nalatenschap. Afgifte legaat. Verjaring vordering tot afgifte? Art. 3:306 BW en art. 3:313 BW. Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Art. 6:2 lid 2 BW. Uitzonderlijk geval? HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00939

Zitting 20 november 2020

CONCLUSIE

W.L. Valk

In de zaak

1. [de weduwe]

2. [kind 1]

3. [kind 2]

tegen

1. [legataris 1]

2. [legataris 2]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als [de weduwe en kinderen van de zoon] respectievelijk [de legatarissen]

1 Inleiding en samenvatting

1.1

Deze zaak betreft de verjaring van de rechtsvordering tot opeising van een legaat. Het hof heeft de objectieve verjaringstermijn van art. 3:306 BW op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid ter zijde gesteld. Dat oordeel berust op (niet meer dan) de aanname dat de legatarissen voor het eerst na voltooiing van de verjaring van de aan hen toegekende legaten kennis hebben gekregen.

1.2

Het cassatiemiddel van de weduwe en kinderen van de broer van de legatarissen komt met een rechtsklacht en diverse motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof op. Mijns inziens treft het middel doel.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

(i) Op […] 1986 is [oma] (hierna: oma), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1902, overleden te Zwolle. Oma was de niet hertrouwde weduwe van [opa] (hierna: opa), met wie zij in gemeenschap van goederen getrouwd was. Dit huwelijk is in 1955 ontbonden door het overlijden van opa.

(ii) Uit het huwelijk van oma en opa zijn drie kinderen geboren, te weten [legataris 1] , [legataris 2] (hiervoor tezamen aangeduid als: [de legatarissen] ) en [de zoon] (hierna: [de zoon] ), wijlen echtgenoot van [de weduwe] en vader van [kind 2] en [kind 1] (hiervoor tezamen aangeduid als [de weduwe en kinderen van de zoon] ).

(iii) [de zoon] heeft bij akte van 19 december 1980 van oma een boerderij met aanhorigheden aan de [a-straat 1] te [plaats 1] gekocht en geleverd gekregen. De door hem verschuldigde koopsom werd omgezet in een lening. In de akte staat daarover onder meer vermeld:

‘(...) 1. Van gemelde hoofdsom ad (...) f. 539.319,— of het restant daarvan, zal een rente worden voldaan zoals door partijen jaarlijks in de maand januari in onderling overleg zal worden vastgesteld of bij gebreke van overleg berekend tegen een percentage gelijk aan het percentage hetwelk de Coöperatieve Raiffeisen-Boerenleenbank W.A. te [plaats 1] vergoedt over spaargelden met een opzegtermijn van één jaar, ingaande op één januari negentienhonderd één en tachtig en jaarlijks bij achteraf betaling te voldoen, voor het eerst op één januari negentienhonderd twee en tachtig. (...)

4. De hoofdsom of het restant daarvan is te allen tijde opeisbaar en aflosbaar met inachtneming van een opzegtermijn van één maand.

5. In afwijking van het vorenstaande zal de hoofdsom of het restant daarvan met de rente tot de dag der terugbetaling en een maand extra-rente terstond en zonder enige waarschuwing kunnen worden opgeëist in de volgende gevallen: bij niet-prompte betaling van de rente op een verschijndag, (...).’

(iv) Bij testament van 10 maart 1981 heeft oma onder herroeping van alle daarvoor door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen, legaten toegekend aan haar voornoemde kinderen ( [de legatarissen] en [de zoon] ) en hen vrijgesteld van de verplichting tot inbreng in haar nalatenschap van de door ieder van hen gedurende oma's leven ontvangen schenkingen. In het testament zijn geen erfstellingen opgenomen, zodat ieder van de kinderen erfgenaam is voor een derde deel. Ten aanzien van de legaten is het volgende in het testament van oma bepaald:

‘(...) Ik legateer aan ieder van mijn dochters, of bij vooroverlijden aan haar afstammelingen (...), een bedrag in contanten van éénhonderdduizendgulden (f. 100.000,—) welk bedrag echter verminderd zal worden met de door mij aan ieder van mijn dochters na heden te doene formele en/of materiële schenkingen.

Ik bepaal dat deze gelegateerde bedragen zullen moeten worden uitgekeerd binnen zes maanden na mijn overlijden, zonder bijberekening van enige rente, mits alsdan mijn onroerend goed, zijnde een boerderij met aanhorigheden, erf, bouw- en weiland te [plaats 2] aan de [b-straat] is verkocht en de koopsom daarvan is ontvangen.

Mocht dit onroerend goed alsdan nog niet zijn verkocht, zo zullen vorenbedoelde gelegateerde bedragen worden uitgekeerd eveneens zonder bijberekening van enige rente, na de verkoop van vorenbedoeld onroerend goed en wel terstond nadat de koopsom daarvan is ontvangen.

Ik legateer aan mijn zoon [de zoon] , of bij diens vooroverlijden aan zijn afstammelingen (...) een zodanig bedrag in contanten, te verrekenen met zijn schuld wegens geleende gelden in hoofdsom oorspronkelijk groot vijfhonderd negen en dertigduizend driehonderd negentien gulden (f. 539.319,—) dat met dit gelegateerde bedrag en de reeds door mij op die schuld kwijt gescholden bedragen tezamen een bedrag van tweehonderdzesduizend driehonderd twee en dertig gulden (f. 206.332,—) van die schuld is verrekend.

Ik stel mijn kinderen vrij van de verplichting tot inbreng in mijn nalatenschap van de door ieder van hen gedurende mijn leven ontvangen schenkingen. (...)’

(v) [de legatarissen] en [de zoon] hebben de nalatenschap van oma zuiver aanvaard. [de legatarissen] hebben aan [de zoon] op 18 juni 1986 een schriftelijke algemene volmacht gegeven om hun belangen waar te nemen en hen te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de nalatenschap van oma.

(vi) Bij notariële akte van 29 december 1986 heeft [de zoon] voor zich en als lasthebber van [de legatarissen] verklaard over te gaan tot aangifte voor het recht van successie voor de nalatenschap van oma. In deze akte heeft [de zoon] aangegeven dat de nalatenschap van oma op haar sterfdag als volgt was samengesteld (samengevat weergegeven):

ACTIEF

Boerderij te [plaats 2] ( [b-straat 1] ) ƒ 520.000,—

Woonhuis te [plaats 1] ( [a-straat 1] ) ƒ 50.000,—

Inboedelgoederen ƒ 6.000,—

Vordering op [de zoon] wegens geleende gelden, pro resto ƒ 200.000,—

Contanten ƒ 150,—

Rekening-courant Rabobank […] ƒ 11.166,59

Rekening-courant Amro-Bank […] ƒ 930,51

Obligatie ƒ 580,—

Premierestitutie OLM verzekeringen ƒ 246,03

Uitkering AOW ƒ 664,74

Totaal actief ƒ 789.737,87

PASSIEF

Vermogensbelasting 1986 ƒ 3.136,—

Onroerendgoedbelasting 1986 ƒ 213,—

Begrafeniskosten ƒ 9.985,09

Totaal passief ƒ 13.334,09

Het totale saldo der nalatenschap bedraagt ƒ 776.403,78

waarvan is gelegateerd aan [de legatarissen] , elk € 100.000,— ƒ 200.000,—

zodat resteert ƒ 576.403,78

waarin ieder der erfgenamen is gerechtigd voor één/derde of ƒ 192.134,59

(vii) Voorts heeft [de zoon] in gemelde akte van 29 december 1986 onder meer het volgende verklaard:

‘(…) dat na de datum van tien maart negentienhonderd één en tachtig door de erflaatster geen formele en/of materiële schenkingen aan de lastgevers sub 1 en 2 zijn gedaan; dat van gemelde vordering wegens geleende gelden ten laste van de comparant tijdens het leven van erflaatster reeds een zodanig bedrag is kwijtgescholden dat gemeld legaat geen effect meer sorteert (…)’

(viii) Bij notariële akte van 5 december 1986 hebben [de legatarissen] en [de zoon] – kort samengevat – de weilanden van het perceel aan de [b-straat 1] te [plaats 2] verdeeld tussen de erfgenamen. In deze akte staat tevens vermeld:

‘(...) dat de erflaatster niet bij testament houdende erfstellingen over haar nalatenschap heeft beschikt, zodat zij ingevolge de bepalingen der wet tot haar enige erfgenamen heeft achtergelaten haar drie kinderen (…)

Hiermede verklaarden de comparanten de door hen te scheiden onverdeeldheid bij deze te hebben gescheiden en gedeeld, waarbij ieder hunner het hem of haar toegedeelde heeft ontvangen en tot zich genomen zodat er uit hoofde van deze scheiding, onverminderd het hierna bepaalde ten aanzien van verrekeningen, niets meer van elkaar te vorderen is en zij mitsdien dan ook elkaar kwiteren en dechargeren. Tenslotte verklaarden de comparanten: dat eventuele verrekeningen tussen partijen ten aanzien van de waarden van de toegescheiden gedeelten van het onroerend goed zullen plaats hebben bij de scheiding en deling van de overige bestanddelen van erflaatster; (…)’

(ix) Bij notariële akte van 1 juni 1987 hebben [de legatarissen] en [de zoon] – kort samengevat – de boerderij aan de [b-straat 1] te [plaats 2] met een resterend deel van het in die akte vermelde weiland verkocht en overgedragen.

(x) [de zoon] is op 2 april 2004 overleden. [de weduwe en kinderen van de zoon] hebben de nalatenschap van [de zoon] zuiver aanvaard. [de zoon] heeft bij zijn testament van 4 oktober 1976 een ouderlijke boedelverdeling gemaakt. Alle tot zijn nalatenschap behorende baten zijn toegedeeld aan [de weduwe] , met onder meer de verplichting voor haar om aan [kind 2] en [kind 1] hun zuiver erfdeel uit te keren op het tijdstip als in het testament nader aangeduid.

(xi) In mei 2005 is de woning aan de [a-straat 1] te [plaats 1] verkocht en overgedragen door [de legatarissen] en [de weduwe] aan een derde. In de betreffende notariële akte is onder meer opgenomen:

‘Erflaatster heeft niet bij uiterste wil over haar nalatenschap beschikt en heeft mitsdien krachtens de wet als haar enige erfgenamen achtergelaten haar drie kinderen voornoemd.’

2.2

Bij inleidende dagvaarding van 12 december 2016 hebben [de legatarissen] onder meer gevorderd:

‒ een verklaring voor recht dat [de legatarissen] ieder uit de nalatenschapsgemeenschap uit hoofde van het door oma aan hen toegekende legaat een bedrag van € 45.378,02 tegoed hebben en dat dat bedrag uit de nalatenschapsgemeenschap aan hen moet worden voldaan;

‒ een verklaring voor recht dat [de weduwe en kinderen van de zoon] een bedrag van € 90.756,04, te vermeerderen met een rente van 6% per jaar vanaf 30 april 1986 aan de nalatenschapsgemeenschap verschuldigd zijn;

‒ vaststelling van de verdeling van de nalatenschap van oma.

2.3

De rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 30 augustus 2017 voor recht verklaard dat [de legatarissen] ieder uit de nalatenschap van oma uit hoofde van het aan hen toegekende legaat een bedrag van € 45.378,02 tegoed hebben en dat bedrag uit de nalatenschapsgemeenschap aan hen moet worden voldaan. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

2.4

Door [de weduwe en kinderen van de zoon] is hoger beroep ingesteld. Door [de legatarissen] is incidenteel hoger beroep ingesteld en op onderdelen hun eis gewijzigd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij eindarrest van 10 december 2019 het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw recht doende voor recht verklaard dat [de legatarissen] ieder uit de nalatenschap van oma uit hoofde van het door oma aan hen toegekende legaat een bedrag van € 45.378,02 uit die nalatenschap tegoed hebben en dat dit bedrag uit de nalatenschapsgemeenschap aan hen dient te worden voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof heeft bovendien [de weduwe en kinderen van de zoon] veroordeeld om ter voldoening van hun aandeel in de schuld uit hoofde van voornoemde legaten, aan ieder van [de legatarissen] een bedrag van € 15.126,— te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 december 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.2

2.5

Bij procesinleiding van 10 maart 2020 – en daarmee tijdig – hebben [de weduwe en kinderen van de zoon] cassatieberoep ingesteld. [de legatarissen] zijn in cassatie niet verschenen.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel richt uitsluitend klachten tegen de rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19 van het arrest van het hof. Het hof heeft daar verworpen het beroep van [de weduwe en kinderen van de zoon] met betrekking tot de door oma aan [de legatarissen] toegekende legaten op de verjaring van art. 3:306 BW. De bedoelde overwegingen luiden als volgt:

‘5.18. Het hof laat in het midden of de vorderingen van [de legatarissen] ter zake van de legaten zijn verjaard.

Het hof is namelijk, met [de legatarissen] en anders dan [de weduwe en kinderen van de zoon] , van oordeel dat ook wanneer dat het geval mocht zijn, het beroep van [de weduwe en kinderen van de zoon] op verjaring van die vorderingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.19.

Wat betreft de daarmee verband houdende stelling van [de weduwe en kinderen van de zoon] dat [de legatarissen] bekend waren met de bedragen die oma hen na haar overlijden wilde doen toekomen en dat zij, door desondanks jarenlang te zwijgen, niet te goeder trouw zijn, overweegt het hof als volgt. In voornoemde vermogensopstelling van 1981 is weliswaar vermeld dat het toen de wens van oma was dat haar erfgenamen na haar overlijden en na ontvangst van de verkoopopbrengst van de onroerende zaak aan de [b-straat] , aan ieder van [de legatarissen] een bedrag van f 100.000,— zouden uitbetalen, maar [de legatarissen] hebben daarin redelijkerwijs geen aanleiding hoeven te vinden om te onderzoeken of zij na het overlijden van oma nog aanspraak op die bedragen konden maken. Immers zonder testament waarin oma dit als last aan de erfgenamen heeft opgelegd, hebben [de legatarissen] aan de vermogensopstelling geen rechten kunnen ontlenen. Dat [de legatarissen] al bekend waren met het bestaan van het testament van oma voordat zij in 2014 daarvan een afschrift van [de weduwe en kinderen van de zoon] ontvingen, blijkt niet uit de stukken. In de onderhandse akte van 18 juni 1986, waarin [de legatarissen] [de zoon] machtigen om mede namens hen de nalatenschap af te wikkelen, wordt immers geen melding gemaakt van het testament. Vervolgens is het [de zoon] geweest die, mede namens [de legatarissen] , ten overstaan van de notaris de aangifte successierecht heeft verzorgd. Uit een brief van notaris [betrokkene 1] van 22 april 2016 blijkt dat [de legatarissen] pas in 2016 een afschrift van de aangifte, waarin het testament wordt genoemd, hebben ontvangen. Verder wordt in de notariële akten van 5 december 1986 en mei 2005, betreffende de verdeling en verkoop van tot de nalatenschap van oma behorende onroerende zaken, niet vermeld dat oma een testament had gemaakt. [de zoon] was, gezien de aangifte successierecht, wel bekend met het testament. Het ligt dan, temeer nu [de zoon] als gemachtigde de afwikkeling van de nalatenschap van oma zou verzorgen en [de legatarissen] erop mochten vertrouwen dat hij dat ook zou doen, op de weg van [de weduwe en kinderen van de zoon] , als rechtsopvolgers onder algemene titel van [de zoon] , om te bewijzen dat [de legatarissen] het testament al voor 2014 hadden ontvangen.

[de weduwe en kinderen van de zoon] hebben geen aanbod daartoe gedaan. Het is weliswaar aannemelijk dat [de weduwe en kinderen van de zoon] door het overlijden van [de zoon] en door het tijdsverloop worden bemoeilijkt in hun bewijslevering, maar dat weegt in de gegeven omstandigheden niet zo zwaar dat dit ten nadele van [de legatarissen] kan werken. Het hof houdt het er daarom op dat [de legatarissen] pas in 2014 bekend waren met de door oma aan hen gelegateerde bedragen en dat zij binnen een redelijke termijn daarna de onderhavige vorderingen hebben ingesteld. Uit de wijze waarop de waarde van de onroerende zaak aan de [b-straat 1] geacht moet worden tussen de erfgenamen van oma te zijn verdeeld, blijkt dat geen uitvoering is gegeven aan de uitbetaling van de legaten op de wijze als oma in het testament had bepaald. Dat die legaten op andere wijze zijn voldaan kan, anders dan [de weduwe en kinderen van de zoon] menen, niet blijken uit de in de akte van 5 december 1986 overeengekomen finale kwijting, nu die akte geen enkele verwijzing naar de legaten bevat. [de weduwe en kinderen van de zoon] hebben geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat de legaten toch zijn voldaan. Er is dan ook niet gebleken van feiten of omstandigheden die het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken dat [de legatarissen] alsnog betaling van de gelegateerde bedragen aan hen vorderen. In tegendeel. Uit de successieaangifte blijkt dat [de zoon] de door oma aan hem gelegateerde bedragen al had verkregen. Het zou dan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid juist onaanvaardbaar zijn wanneer [de legatarissen] de aan hen toegekende legaten niet zouden krijgen.’

3.2

Voordat ik de diverse klachten van het cassatiemiddel bespreek, enkele opmerkingen vooraf.

3.3

Volgens art. 3:306 BW verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren indien de wet niet anders bepaalt. De wet bepaalt voor allerlei categorieën van rechtsvorderingen inderdaad wat anders, onder meer voor rechtsvorderingen tot nakoming van verbintenissen uit overeenkomst (art. 3:307 BW), voor rechtsvorderingen tot betaling van periodieke vorderingen (art. 3:308 BW), voor rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling (art. 3:309 BW), voor rechtsvorderingen tot vergoeding van schade (art. 3:310 BW) en voor rechtsvorderingen tot ontbinding op grond van een tekortkoming of tot herstel van een tekortkoming (art. 3:311 BW). Dit alles nog afgezien van bijzondere verjaringstermijnen buiten titel 11 van Boek 3 BW. Aldus is art. 3:306 BW vooral in theorie de hoofdregel; de uitzonderingen zijn aanzienlijk talrijker.

3.4

De rechtsvordering tot afgifte van een legaat valt bij gebreke van een bijzondere verjaringstermijn onder art. 3:306 BW.3 Een bijzondere verjaringstermijn geldt slechts met betrekking tot de rechtsvordering tot uitkering van de vruchten van het gelegateerde (art. 4:124 BW).

3.5

Hoewel er naast de zogenaamde hoofdregel van art. 3:306 BW vele bijzondere verjaringstermijnen bestaan, bestaat er tussen de termijn van art. 3:306 BW en andere, bijzondere verjaringstermijnen wel een duidelijk systematisch verband. Veelal geldt een korte verjaringstermijn van vijf jaar, die zijn beginpunt heeft in subjectieve bekendheid met de vordering en de persoon van de schuldenaar, en daarnaast een lange termijn van twintig jaar, die zijn beginpunt heeft in het objectieve gegeven van het ontstaan respectievelijk de opeisbaarheid van de vordering. Vergelijk art. 3:309, 3:310 lid 1 en 3:311 BW. Welnu, voor de restcategorie waarop art. 3:306 BW van toepassing is, ontbreekt een korte verjaringstermijn, maar bestaat wel een verjaringstermijn van twintig jaar. Die termijn vangt in een geval als hier aan de orde (er is sprake van een rechtsvordering tot nakoming van een verplichting om te geven), daags na de dag waarop voor het eerst onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd aan (art. 3:313 BW). Op grond van het hiervoor bedoelde systematische verband ligt het voor de hand om aan te nemen dat wat bijvoorbeeld met betrekking tot de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW geldt – met betrekking tot die termijn bestaat er meer rechtspraak – veelal ook voor de verjaringstermijn van art. 3:306 BW zal gelden.

3.6

Aan de objectieve verjaringstermijnen van meest twintig jaar ligt (vooral) de waarde van de rechtszekerheid ten grondslag, anders dan de kortere, subjectieve verjaringstermijnen, die mede (sterk) in de sleutel van de billijkheid staan.4 Smeehuijzen5 onderscheidt met betrekking tot die rechtszekerheid mijns inziens terecht twee aspecten: (1) door het verloren gaan van bewijsmateriaal is het bezwaarlijk om over meer dan twintig jaar oude feiten in rechte debat te moeten voeren; (2) het honoreren van een aanspraak gegrond op feiten van meerdere decennia oud zou een sterke inbreuk zijn op de individuele rechtszekerheid van de wederpartij, die met een dergelijke vordering doorgaans in het geheel geen rekening meer zal hebben gehouden.

3.7

In verband met beide is een eventuele relativering van de twintigjarige verjaringstermijn op grond van overwegingen van billijkheid op voorhand bijzonder problematisch. Zoals uw Raad in het bekende mesothelioom-arrest met betrekking tot de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW heeft overwogen (rechtsoverweging 3.3.1):

‘[Deze] termijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat, hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden, het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij – waarbij in het bijzonder valt te denken aan de moeilijkheden die bij het loslaten van deze termijn voor deze kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten – meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden (vgl. HR 3 november 1995, nr. 15801, NJ 1998, 380).’6

3.8

Zoals bekend, gaat deze overweging verder met een beperkte opening voor de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Voordat ik dat vervolg bespreek, wil ik nog iets toevoegen. Niet alleen maakt het ervaringsgegeven dat door verloop van de tijd bewijsmateriaal verloren gaat, deel uit van de ratio van de objectieve verjaringstermijn – het werkt ook nog anders. Het bestaan van de termijn van twintig jaar bevórdert het verlies van bewijsmateriaal: omdat men veilig meent te zijn voor aanspraken, wordt bewijsmateriaal na afloop van die termijn veelal actief vernietigd. Dit zal niet alleen voor de wederpartij zelf kunnen gelden, maar ook voor diens adviseurs of, zoals in het onderhavige geval, een notaris die met de kwestie bemoeienis heeft gehad. Ook zulke adviseurs en in ieder geval het notariaat stemmen de termijn gedurende welke (documenten uit) dossiers worden bewaard, nauwkeurig op de toepasselijke objectieve verjaringstermijnen af.7 Dit betekent dat met nuancering van objectieve verjaringstermijnen, indien deze ertoe leidt dat verjaring langer uitblijft dan eerder verwacht, in feite een nieuwe, ernstige inbreuk op de rechtszekerheid wordt gemaakt. Verder merk ik nog op dat bij de rechtszekerheid die verjaringstermijnen beoogt te dienen, slecht past om in individuele gevallen te nuanceren op grond van een inschatting van de kans dat daadwerkelijk relevant bewijsmateriaal verloren is gegaan en/of van een waardering van de ernst van de inbreuk op de individuele rechtszekerheid in concreto. Een andere opvatting leidt ertoe dat tóch een inhoudelijk debat nodig wordt over decennia oude feiten. Ik meen dat dit alles kan worden begrepen onder de door uw Raad bedoelde moeilijkheden zoals die voor de wederpartij bij het loslaten van een objectieve verjaringstermijn kunnen ontstaan (de zojuist aangehaalde overweging uit het mesothelioom-arrest, tussen de aandachtstreepjes). Alleszins terecht worden die moeilijkheden niet alleen in verband gebracht met de waarde van rechtszekerheid, maar ook met die van billijkheid, nu ten opzichte van de wederpartij, en ook niet als tegenpool van de rechtszekerheid, maar juist gelijkgestemd.

3.9

Ik kom nu toe aan het vervolg van het mesothelioom-arrest, waarin tóch de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid toepassing vindt. Ik citeer wat op het voorgaande citaat direct volgt (eveneens rechtsoverweging 3.3.1; cursiveringen overeenkomstig het origineel):

‘Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken – hier: de blootstelling aan asbest – inderdaad tot schade – hier: de ziekte mesothelioom – zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken.

Bij het voorgaande is mede van betekenis dat blijkens de parlementaire geschiedenis van de geldende verjaringsregeling als karakteristiek van de bevrijdende verjaring is genoemd het tenietgaan van een rechtsvordering, en dat niet blijkt dat de wetgever zich ook het geval voor ogen heeft gesteld waarin de schade pas na het verstrijken van de verjaringstermijn is ontstaan, zodat de benadeelde in het geheel geen vordering tot schadevergoeding zou kunnen instellen: vóór het verstrijken van de termijn niet, omdat er toen nog geen schade was, en na het verstrijken van de termijn niet omdat toen de rechtsvordering verjaard was. Dit geval zou hierop neerkomen dat de verjaring het ontstaan van een rechtsvordering verhindert, en dat het daarna voorvallen van de schade niet meer dan een natuurlijke verbintenis in het leven roept.’

3.10

Uit dit citaat is duidelijk hoezeer de ruimte voor toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid op de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW door uw Raad beperkt bedoeld is. Die ruimte ziet op schade die naar haar aard verborgen is gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad, met als gevolg dat de verjaring in feite het ontstaan van de rechtsvordering verhindert. Zoals bekend volgen er in het mesothelioom-arrest nog zeven gezichtspunten die bij de beoordeling van het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid door de rechter die over de feiten oordeelt bovendien moeten worden betrokken. Dat de schade naar haar aard verborgen is gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad, is op zichzelf dus niet voldoende. Diverse van die gezichtspunten hebben klaarblijkelijk de strekking om de wederpartij te beschermen tegen een voor haar al te bezwaarlijke toepassing van de beperkende werking.8

3.11

Naar aanleiding van het mesothelioom-arrest ligt het voor de hand om aan te nemen dat de ruimte voor een toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid op andere objectieve verjaringstermijnen dan art. 3:310 lid 1 BW, op vergelijkbare wijze beperkt is. Gelet op de belangen die deze termijnen beogen te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn indien de feiten waarop het ontstaan van de desbetreffende aanspraak berust, naar hun aard verborgen zijn gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad, met als gevolg dat de verjaring in feite het ontstaan van de rechtsvordering verhindert. Ook in dat geval dient echter mede op de overige omstandigheden te worden gelet, en dient de rechter zich de vraag te stellen of het terzijde stellen van de verjaringstermijn voor de wederpartij niet te zeer bezwaarlijk is.

3.12

Het mesothelioom-arrest is inmiddels twintig jaar oud. Is er mogelijk sprake van een ontwikkeling in de rechtspraak die het relevante bereik van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid ook met betrekking tot de lange, objectieve verjaringstermijnen9 wezenlijk heeft vergroot? Het enige dat in die richting gaat is het arrest van het gerechtshof Den Haag inzake […] .10 Die zaak betreft echter een zeer uitzonderlijk geval, zoals het hof ook benadrukt, namelijk de aansprakelijkheid van de Staat voor standrechtelijke executies in voormalig Nederlands-Indië. Het betreft overigens niet een twintigjarige verjaringstermijn, maar een voorheen geldende bijzondere vijfjarige verjaringstermijn van objectieve aard, namelijk voor vorderingen tot voldoening van een geldschuld door de Staat.11

3.13

Ik voeg nog twee nuances toe. In de eerste plaats wijs ik op het bestaan van verlengingsgronden. Deze verlengingsgronden leiden ook met betrekking tot objectieve verjaringstermijnen ertoe dat de bijl van de verjaring niet steeds valt. De opsomming van verlengingsgronden is echter limitatief bedoeld.12 Recent heeft uw Raad dit ietwat gerelativeerd, door een buitenwettelijke verlengingsgrond te erkennen in een geval dat past in het stelsel van de wet en aansluit bij de in de wet geregelde gevallen.13 Hoezeer diverse verlengingsgronden ook met overwegingen van billijkheid in verband kunnen worden gebracht, aan het bestaan van die gronden valt mijns inziens geen argument te ontlenen voor een ruimere toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid dan hiervoor bedoeld. In verband met het hiervoor bedoelde wezenlijke belang van rechtszekerheid zoals dat door de objectieve verjaringstermijnen wordt gediend, is essentieel dat verlengingsgronden rechtstreeks uit de wet voortvloeien14 en dus voor de schuldenaar vooraf kenbaar zijn. Een toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid naar aanleiding van de omstandigheden van het geval, is naar zijn aard niet vooraf kenbaar.

3.14

In de tweede plaats nog een korte opmerking over de verdeling van de bewijslast. Een beroep op de beperkende werking, voor zover volgens het voorgaande al mogelijk, is een bevrijdend verweer, zodat volgens de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de voor dat beroep relevante feiten op de schuldeiser rusten.15 Een uitzondering op de bewijslastverdeling volgens de hoofdregel is niet onmogelijk, maar toepassing van die uitzondering kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden.16 Ik meen dat het evident is dat het oordeel van de rechter die de bewijslast in de context van een objectieve verjaringstermijn omkeert – ondanks de hiervoor besproken rechtszekerheidsargumenten tégen nuancering van zo’n termijn – daarvoor uitzonderlijke, klemmende redenen dient op te geven die die omkering kunnen rechtvaardigen.

3.15

Na deze opmerkingen kom ik toe aan de klachten van het cassatiemiddel.

3.16

Volgens onderdeel 1 is onjuist het oordeel van het hof dat indien de rechtsvorderingen van [de legatarissen] ter zake van de legaten verjaard zijn, het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Kort samengevat komt de klacht van het onderdeel erop neer dat het hof heeft miskend dat voor toepassing van de beperkende werking in het geval van de objectieve verjaringstermijn van art. 3:306 BW slechts in (hoogst) uitzonderlijke gevallen plaats is.

3.17

Ik meen dat deze klacht doel treft. Het oordeel van het hof komt erop neer dat toepassing van art. 3:306 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is op de enkele grond dat, volgens wat het hof heeft aangenomen, [de legatarissen] pas in 2014 bekend waren met de door oma aan hen gelegateerde bedragen en dat hieraan niet afdoet dat [de weduwe en kinderen van de zoon] door het overlijden van [de zoon] en door het tijdsverloop in hun bewijslevering worden bemoeilijkt. Terecht voert de steller van het middel aan dat een en ander voor het terzijde stellen van de objectieve verjaringstermijn van art. 3:306 BW onvoldoende is. Gelet op de belangen die deze termijn beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Hier doet zich niet het geval voor dat de feiten waarop het ontstaan van de desbetreffende aanspraak berust, naar hun aard verborgen zijn gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad. [de legatarissen] wisten dat oma was overleden. Of oma een testament had gemaakt, en zo ja wat de inhoud daarvan was, hadden zij kunnen onderzoeken. Door het hof zijn ook geen andere feiten en omstandigheden vastgesteld die een uitzonderlijk karakter dragen.

3.18

Ten overvloede nog: het hof is ervan uitgegaan dat het op de weg van [de weduwe en kinderen van de zoon] lag om te bewijzen dat [de legatarissen] het testament van oma al voor 2014 hebben ontvangen. Dat komt neer op een omkering van de bewijslast, want dat [de legatarissen] dat testament niet eerder dan in 2014 hebben ontvangen, is een omstandigheid waarop [de legatarissen] zich hebben beroepen voor het rechtsgevolg dat toepassing van de verjaringstermijn van art. 3:306 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Die omkering wordt in verband met de strekking van de verjaringstermijn mijns inziens niet gerechtvaardigd door de enkele omstandigheid dat vaststaat dat [de zoon] met het testament van oma bekend was en ook als gemachtigde de afwikkeling van de nalatenschap heeft verzorgd. Tegen een en ander richt het onderdeel echter géén klacht. Ook afgezien van de kwestie van de bewijslast geeft het oordeel van het hof echter blijk van een onjuiste rechtsopvatting en in zoverre richt het onderdeel daartegen wél een klacht.

3.19

Heeft het eerste onderdeel het karakter van een rechtsklacht, met onderdeel 2 presenteert de steller van het middel ons een reeks van vooral motiveringsklachten. Mijns inziens is het na het voorgaande niet zinvol om die klachten alle nog te bespreken. Ik beperk mij tot de eerste twee klachten.

3.20

Subonderdeel 2.1.1 wijst erop dat [de weduwe en kinderen van de zoon] hebben aangevoerd17 dat de notaris, [betrokkene 2] , [de legatarissen] (in 1986) een boedelvolmacht heeft laten ondertekenen en dat hij op grond van de oude Notariswet bij die gelegenheid ambtshalve verplicht was om de inhoud van het testament aan de erfgenamen kenbaar te maken18 en bovendien op grond van beroepsregels verplicht was partijen gelijkelijk te informeren.19 Ook heeft de notaris de aangifte successierecht opgesteld, waarin de legaten duidelijk worden genoemd, en, aldus [de weduwe en kinderen van de zoon] , is het buitengewoon onwaarschijnlijk dat de notaris geen kopie van de aangifte aan [de legatarissen] heeft verstrekt.

3.21

Het subonderdeel klaagt er terecht over dat het hof, dat ervan is uitgegaan dat [de legatarissen] de inhoud van het testament en van de aangifte successierecht destijds niet kenden, op deze essentiële stellingen niet heeft gerespondeerd. Dat deze essentiële stellingen een uitdrukkelijke respons verdienden, wordt mijns inziens niet weggenomen door de omstandigheid dat het hof heeft vastgesteld dat in de notariële akten van 5 december 1986 en mei 2005, betreffende de verdeling en verkoop van tot de nalatenschap van oma behorende onroerende zaken, niet is vermeld dat oma een testament had gemaakt. Dit sluit immers niet de mogelijkheid uit dat [de legatarissen] door de notaris – volgens de essentiële stellingen van [de weduwe en kinderen van de zoon] overeenkomstig de op hem rustende verplichting – op andere wijze op het bestaan van het testament zijn gewezen. Wat betreft de notariële akte van 5 december 1986 merk ik nog op dat die mogelijk bij eerste lezing lijkt te zeggen dat oma geen testament heeft gemaakt, maar dat dit niet is wat er staat. In de akte staat dat er geen testament is dat erfstellingen inhoudt (zodat overeenkomstig het versterferfrecht alle drie de kinderen erfgenamen zijn). Dit is geheel juist. Uit de akte van 5 december 1986 kan dus ook niet worden afgeleid dat de notaris toen niet voor ogen stond dat oma een testament had gemaakt waarbij aan [de legatarissen] elk een bedrag van f 100.000,— was gelegateerd.

3.22

Subonderdeel 2.1.2 klaagt erover dat onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt dat uit de brief van notaris [betrokkene 1] van 22 april 201620 blijkt dat [de legatarissen] pas in 2016 een afschrift van de successierechtaangifte hebben ontvangen. Volgens de klacht kan dit uit die brief niet worden afgeleid. De brief houdt alleen in dat de notaris een kopie van de aangifte heeft gezonden en dat hij niet meer stukken heeft.

3.23

Ook deze klacht treft doel. Naslaan van de brief van 22 april 2016 leert dat die niet meer inhoudt dan dat de notaris, die klaarblijkelijk de praktijk van [betrokkene 2] heeft voortgezet, naar aanleiding van een verzoek om inlichtingen aan [de legatarissen] twee stukken toezendt, namelijk een akte van verdeling van grasland van 5 december 1986 en de successieaangifte van 29 december 1986, en daarbij laat weten dat hij voor hen niet meer schriftelijke stukken heeft. Aldus blijkt uit de brief wel dat [de legatarissen] in 2016 een afschrift van de aangifte hebben ontvangen, maar niet dat zij dat afschrift pas in 2016 hebben ontvangen (en niet reeds eerder). In verband met het tijdsverloop – mede in verband met wat onder 3.8 is gezegd over het verband tussen verjaringstermijnen en de duur waarvoor stukken door het notariaat worden bewaard – is zeer wel mogelijk dat het dossier van de notaris aanvankelijk méér stukken heeft omvat.

3.24

Onderdeel 3 behelst uitsluitend een voortbouwklacht en behoeft geen bespreking.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vergelijk het arrest van het hof van onder 2.

2 Hof Arnhem-Leeuwarden, 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10619.

3 P.J.F.M. Le Cat, GS Erfrecht, art. 4:124 BW, aant. 5.

4 HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 m.nt. C.E. du Perron (VU-Ziekenhuis), onder 3.4. De door mij tussen haakjes toegevoegde woordjes ‘vooral’ en ‘sterk’ houden verband met de omstandigheid dat de waarden van rechtszekerheid en billijkheid niet in alle opzichten een tegenstelling vormen. Vergelijk het citaat onder 3.7 uit het mesothelioom-arrest uit 2000 en onder meer H.J. Snijders, Verjaring van aan de schuldeiser onbekende rechtsvorderingen, NTBR 2009/48 en D.L. Barbiers, Rechtszekerheid als ratio van subjectief verjaringsrecht, MvV 2020/10, p. 343 e.v.

5 NJ 2019/388, onder 5. Vergelijk ook hoofdstuk 8 van zijn proefschrift: J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring, diss. VU, Deventer: Kluwer 2008.

6 HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430 (mesothelioom). Vergelijk Asser/Sieburgh 6-II 2017/385 en 380.

7 Vergelijk Melis/Waaijer, De Notariswet 2019/16.2.

8 In het bijzonder de gezichtspunten onder d, e en f.

9 Voor een recent voorbeeld van toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid met betrekking tot een korte, subjectieve verjaringstermijn, zie HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2047, NJ 2019/246 m.nt. J.B.M. Vranken.

10 Hof Den Haag, 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2524, NJ 2020/88 ( […] ).

11 Op grond van de per 1 januari 1992 vervallen wet van 31 oktober 1924, Stb. 1924/482.

12 Asser/Sieburgh 6-II 2017/430.

13 HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1310, RvdW 2020/926. Men herkent de maatstaf van het klassieke Quint/Te Poel-arrest: HR 30 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AI1600, NJ 1959/548 m.nt. D.J. Veegens.

14 Zo niet geheel rechtstreeks dan toch vrijwel rechtstreeks. Vergelijk het zojuist genoemde arrest van 17 juli 2020.

15 Onder meer HR 12 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1581, NJ 2007/371 m.nt. M.M. Mendel (Gemeente Eindhoven/Allianz). Vergelijk W.L. Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:248 BW, met verdere bronvermeldingen.

16 Onder meer HR 17 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2955, NJ 2009/196.

17 Conclusie van antwoord onder 24.

18 Dit ziet klaarblijkelijk op art. 39 Wet op het Notarisambt (oud), dat bepaalde: ‘De notarissen zijn gehouden, om, in geval van overlijden of afwezigverklaring van den testateur, binnen veertig dagen, nadat zij daarvan kennis dragen, de belanghebbenden te verwittigen, dat de uiterste-wilsbeschikkingen van den overledene of afwezige onder hunne minuten berusten. Hetzelfde is van toepassing op akten, waarbij een uiterste wil is herroepen en op huwelijkscontracten, voor zoo verre dezelve schenkingen ter zake des doods behelzen.’ De steller van het middel wijst nog op art. 990 BW (oud), dat bepaalde: ‘De notaris, die onder zijne minuten eenen uitersten wil, van welken aard ook, heeft, moet daarvan, na den dood van den erflater, aan de belanghebbende personen kennis geven.’

19 Zie het huidige art. 17 Wet op het notarisambt, volgens welke bepaling de notaris zijn ambt in onafhankelijkheid uitoefent en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze behartigt. Vergelijk Melis/Waaijer, De Notariswet 2019/3.2 en 3.3.

20 Door [de legatarissen] overgelegd als productie M bij memorie van grieven in incidenteel appel, mede houdende wijziging van eis, tevens memorie van antwoord in principaal appel.