Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1185

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-12-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
20/01517
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:592, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Familierecht. Verlenging uithuisplaatsing. Afwijzing verzoek om contra-expertise (art. 810a lid 2 Rv) en weigering producties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01517

Zitting 11 december 2020

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[de moeder]

(hierna: de moeder)

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. R.K. van der Brugge

Tegen

1. de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord-Nederland, Locatie Groningen (hierna: de Raad)

2. Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: de GI)

3. [de pleegouders] (hierna: de pleegouders)

4. [de vader] (hierna: de vader),

verweerders in cassatie.

Verschenen is de vader,

advocaat mr. E.F.A. Linssen-van Rossum.

Deze zaak betreft de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van twee kinderen en de beëindiging van het gezag van de moeder. Mocht het hof het verzoek van de moeder om een onderzoek naar haar opvoedingsvaardigheden (art. 810a lid 2 Rv) afwijzen? Tevens klaagt de moeder dat de beslissing van het hof stukken te weigeren die te laat waren ingebracht, gelet op de aard van de procedure, in strijd is met art. 279 lid 6 Rv (niet-digitaal procederen) en art. 8 in samenhang met 6 EVRM.

1. Feiten en procesverloop1

1.1 De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest van 21 december 2010 tot 26 juli 2017. Op 20 augustus 2011 is uit dit huwelijk een tweeling geboren: [kind 1] (hierna: [kind 1] ) en [kind 2] (hierna: [kind 2] en gezamenlijk: de kinderen). Als gevolg van het huwelijk zijn de ouders tijdens en na het huwelijk van rechtswege gezamenlijk belast geweest met het ouderlijk gezag. Nadat de vader en de moeder gescheiden zijn gaan leven, zijn de kinderen bij de moeder blijven wonen.

1.2 Bij beschikking van 19 april 2016 heeft de kinderrechter van de rechtbank Noord- Nederland, locatie Groningen (hierna: de kinderrechter) de kinderen onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. De kinderen hebben eerder, in 2013, ook onder toezicht gestaan.

1.3 Bij beschikking van 20 januari 2017 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 1 februari 2017 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 19 april 2017. De maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen zijn nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 18 april 2020, in de beschikking van de kinderrechter van 24 mei 2019.2

1.4 De kinderen wonen sinds mei 2017 respectievelijk april 2017 in het gezin van de pleegouders.

1.5 Bij beschikking van 30 juli 20193 heeft de rechtbank Noord-Nederland, overeenkomstig het verzoek van de Raad, het gezag van de ouders over de kinderen beëindigd en de GI benoemd tot voogd over de kinderen.

1.6 De moeder is tegen de beschikkingen van 24 mei 2019 en 30 juli 2019 in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden. In de zaak met nummer 200.264.990 heeft zij verzocht de beschikking van 24 mei 2019 te vernietigen voor zover het de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing betreft en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het verzoek van de GI af te wijzen dan wel toe te wijzen voor de duur van een half jaar, gedurende welk half jaar onderzoek gedaan wordt naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder.

In de zaak met nummer 200.268.573 heeft de moeder verzocht de beschikking van 30 juli 2019 te vernietigen voor zover het de beëindiging van het gezag van de moeder over de kinderen betreft en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de Raad in zoverre af te wijzen, althans te bepalen dat door de GI (dan wel een andere geschikte instantie) wordt onderzocht of en op welke wijze de moeder in staat moet worden geacht de kinderen zelf, eventueel met hulp, te verzorgen en op te voeden.

1.7 De Raad heeft het hof verzocht om de beschikking van 30 juli 2019 (beëindiging van het gezag van de moeder) te bekrachtigen.

1.8 Op 8 januari 2020 heeft in beide zaken gelijktijdig een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren: de moeder, haar advocaten, een medewerker van de Raad, een medewerker van de GI, de vader en de pleegmoeder.

1.9 De GI heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de verzoeken van de moeder met betrekking tot de beschikking van 24 mei 2019 (verlenging machtiging uithuisplaatsing) en geconcludeerd tot bekrachtiging van deze beschikking. Ook heeft de GI ter zitting verzocht de beschikking van 30 juli 2019 (gezagsbeëindiging) te bekrachtigen.

1.10 Namens de vader is ter zitting mondeling toegelicht dat hij berust in de beschikking van 24 mei 2019 (verlenging machtiging uithuisplaatsing), omdat hij ziet dat het goed gaat met de kinderen in het pleeggezin en dat hij, hoewel hij in eerste aanleg verweer heeft gevoerd tegen de beschikking van 30 juli 2019 (gezagsbeëindiging), nu eveneens berust in deze beschikking.

1.11 Bij beschikking van 6 februari 20204 heeft het hof de beschikkingen van 24 mei 2019 en 30 juli 2019, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd. Het verzoek van de moeder om onderzoek te laten verrichten naar haar verzorgings- en opvoedingsvaardigheden (dat het hof heeft opgevat als een art 810a lid 2 Rv verzoek) heeft het hof afgewezen.

1.12 Namens de moeder is – tijdig5 – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. Daarbij is een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het cassatiemiddel voor het geval dat het opgevraagde, maar ten tijde van de indiening van het cassatieverzoekschrift nog niet ontvangen proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof daartoe aanleiding zou geven. Na ontvangst van het op 29 mei 2020 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen proces-verbaal heeft de cassatieadvocaat van de moeder bij aanvullend verzoekschrift van 3 juni 2020 enkele aanvullende opmerkingen bij het cassatiemiddel gemaakt. Namens de vader is een verweerschrift ingediend.6

2 Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1

Namens de moeder zijn twee cassatiemiddelen voorgesteld.

Eerste middel: 810a lid 2 Rv

2.2

Het eerste middel heeft betrekking op de afwijzing door het hof van de verzoeken van de moeder tot benoeming van een deskundige ex art. 810a lid 2 Rv in zowel de procedure over de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing als in de procedure over de gezagsbeëindiging en bevat drie klachten gericht tegen rov. 5.5 t/m 5.8 en 5.13.

2.3

Ik citeer hierna naast rov. 5.5 t/m 5.8 en 5.13 ook rov. 5.3 en 5.4, omdat de navolgende rechtsoverwegingen daar mede op voortbouwen.

‘in de zaak met nummer 200.268.573/01

5.3

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. Dat geldt ook voor [kind 1] en [kind 2] .

5.4

Het hof is het eens met het oordeel en de overwegingen van de rechtbank in de beschikking van 30 juli 2019. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende. De opvoedingsomgeving bij de ouders is zodanig onveilig geweest en de ouders zijn zodanig ernstig tekort geschoten als het gaat om het bieden van stabiliteit, veiligheid, stimulans, structuur en adequate verzorging aan de kinderen, dat een uithuisplaatsing van de kinderen in januari 2017, nu drie jaren geleden, niet kon worden afgewend. Er was sprake van ernstige verwaarlozing van de kinderen, waarbij zij werden opgesloten in hun kamer, daar ook hun behoeften deden en onvoldoende te eten kregen. Al met al betrof het een zeer schrijnende situatie voor de kinderen. Beide ouders kamp(t)en met persoonlijke problematiek en middelengebruik. De ouders hadden bovendien relatieproblemen die gepaard gingen met huiselijk geweld waarvan de kinderen getuige zijn geweest.

De kinderen hadden ten tijde van de uithuisplaatsing elk zodanige problematiek dat zij een bovengemiddeld beroep deden op de opvoedingsvaardigheden van hun verzorgers. Er waren grote zorgen over de kinderen en zij kwamen onvoldoende tot ontwikkeling. [kind 1] functioneerde op een laagbegaafd en [kind 2] op een benedengemiddeld niveau. Uit recent onderzoek is gebleken dat [kind 2] een gemiddeld cognitief niveau heeft. Ook voldoet hij aan de kenmerken van een ontremd-sociaalcontactstoomis en zijn er kenmerken van foetaal alcohol syndroom (FAS). Bij [kind 1] was sprake van forse gedragsproblemen met onder meer broekpoepen. Uit onderzoek komt naar voren dat zij gemiddeld intelligent is, maar met een lage verwerkingssnelheid. Zij vindt het moeilijk om zich te concentreren. De langdurige blootstelling aan huiselijk geweld maakt dat gesproken kan worden van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Ook bij [kind 1] is een ontremd-sociaalcontactstoomis vastgesteld en zij vertoont kenmerken van FAS.

5.5

Anders dan de moeder heeft betoogd, heeft de raad naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat de moeder niet binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen. De eerste zorgen over het voormalig gezin dateren uit 2012, waarna in 2013 hulpverlening in het gedwongen kader is ingezet. Er waren (ook toen) forse zorgen op het gebied van de basale zorg en veiligheid van de kinderen in de opvoedingssituatie. De raad heeft reeds toen een uithuisplaatsing in overweging genomen maar besloten is om de ouders een kans te bieden om met hulpverlening de situatie te verbeteren. De verbetering die ingezet leek is niet bestendig gebleken met als gevolg dat er opnieuw hulpverlening, eerst in het vrijwillig kader en nadien in het gedwongen kader, is ingezet. Het is de ouders, ondanks een dreigende uithuisplaatsing van de kinderen, niet gelukt om met hulpverlening de opvoedingssituatie ten goede te keren. De ouders werden te veel in beslag genomen door hun eigen problemen op diverse leefgebieden. De GI heeft er vanaf de uithuisplaatsing in januari 2017 op ingezet dat naast de kinderen ook de beide ouders zich zouden laten onderzoeken zodat er zicht zou komen op hun opvoedingsvaardigheden. Tot aan januari 2018 is door de GI aan de ouders voorgehouden dat een gezinsopname bij GGZ-kliniek De Bron noodzakelijk is om de mogelijkheden van terugplaatsing van de kinderen te beoordelen. Deze opname heeft niet plaatsgevonden omdat de ouders niet (onvoorwaardelijk) mee wilden werken. Verder is de ouders verteld dat zij zichzelf moesten laten onderzoeken voor hun eigen problematiek, zodat vervolgens gekeken kon worden wat de ouders nodig zouden hebben bij de opvoeding van deze kinderen die ieder hun eigen problematiek hebben. Een dergelijke beoordeling is niet van de grond gekomen onder andere doordat de moeder het onderzoeksrapport van Interpsy met de daarin gestelde diagnose niet wilde delen met de GI, of met Accare. Accare heeft gelet hierop het onderzoek naar het perspectief van de kinderen niet af kunnen ronden.

5.6

Ter zitting heeft de moeder toegelicht dat het inmiddels veel beter met haar gaat. Het krijgen van de diagnose ASS heeft haar inzicht gegeven in haar eigen functioneren. Zij heeft met professionele hulp geleerd hoe zij rust en structuur kan aanbrengen in haar leven en hoe zij onverwachte gebeurtenissen beter kan opvangen. De bij haar betrokken hulpverlening is inmiddels afgerond. Hoewel deze ontwikkelingen van de moeder positief zijn te noemen, is dit naar het oordeel van het hof onvoldoende om het gezag van de moeder in stand te laten. De kinderen kennen een fors belast verleden en zijn beschadigd door hetgeen zij hebben meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder (en de vader). Intussen verblijven [kind 2] en [kind 1] al bijna drie jaar in het pleeggezin, waar het naar omstandigheden heel goed met ze gaat. Dat het daar goed met ze gaat wordt ook door de vader zo benoemd. De kinderen komen voor het eerst in lange tijd toe aan hun eigen ontwikkeling. [kind 1] ’s probleemgedrag is dusdanig gereduceerd dat er niet meer van probleemgedrag gesproken kan worden. [kind 2] heeft ook zijn plek gevonden in het pleeggezin; zijn zelfvertrouwen ontwikkelt zich ten goede. De neutrale en positieve benadering van pleegouders doet [kind 1] en [kind 2] goed. Als de kinderen een terugval in hun problematiek laten zien, zijn de pleegouders in staat hierop adequaat te reageren. Er is een start gemaakt met therapie om hechting te bevorderen en nu al is waar te nemen dat de kinderen een voorzichtig begin maken met hechting aan de pleegouders.

5.7

Dit alles leidt ertoe dat, zoals ook door de rechtbank is overwogen in de bestreden beschikking, de aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:266 lid 1, onder a, BW waarbinnen gewerkt kan worden aan terugplaatsing van de kinderen bij de ouders inmiddels is verstreken. Het is in het belang van de kinderen dat zij de duidelijkheid krijgen dat zij mogen opgroeien in het voor hen vertrouwde pleeggezin, waar ze gewend zijn en waar ze op hun behoeften afgestemde zorg ontvangen. Het perspectief van de kinderen ligt dan ook niet meer bij de moeder. Het hof weegt het belang van de kinderen bij duidelijkheid over en zekerheid en continuïteit van de opvoedingssituatie zwaarder dan het belang van de moeder bij behoud van het gezag.

5.8

De moeder heeft het hof verzocht om alsnog onderzoek te doen instellen naar haar opvoedingsvaardigheden. Het hof begrijpt dit als een verzoek op grond van artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit verzoek zal worden afgewezen. Het hof acht een dergelijk onderzoek in strijd met de belangen van de kinderen. Het belang van de kinderen dat nu duidelijkheid wordt gegeven over hun opvoedperspectief weegt voor het hof zwaar. Zoals hiervoor is overwogen is de voor [kind 1] en [kind 2] aanvaardbaar te achten termijn verstreken. De kinderen ontwikkelen zich positief in de pleeggezinnen en hechten zich goed. Het is belangrijk dat die ontwikkeling en de goede hechting ongestoord worden voortgezet.

5.10

Het hof benadrukt ten slotte dat de ontwikkelingen die de moeder op het persoonlijke vlak heeft gemaakt haar relatie met de kinderen alleen maar ten goede zal komen. Het is en blijft voor de kinderen van groot belang dat de moeder (en de vader), ook na beëindiging van het gezag, een rol in het leven van de kinderen vervult als ouder op afstand.

(…)

in de zaak met nummer 200.264.990/01

5.13

Het hof zal ook in deze zaak de bestreden beschikking bekrachtigen en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de moeder aanvoert, de gronden voor uithuisplaatsing voor de aan de orde zijnde periode nog steeds aanwezig zijn. In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter geoordeeld dat de ouders niet in staat waren [kind 1] en [kind 2] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit en veiligheid in hun dagelijkse verzorging en opvoeding is gewaarborgd. Het hof is van oordeel dat bij het uitblijven van de verlenging de continuïteit van en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] niet zou zijn gewaarborgd en beoordeelt de verlenging van de uithuisplaatsing dan ook noodzakelijk.

Zoals hiervoor ten aanzien van de gezagsbeëindigende maatregel is overwogen, is de aanvaardbare termijn waarbinnen sprake zou kunnen zijn van een terugplaatsing van [kind 1] en [kind 2] verstreken, en was deze eveneens verstreken op 18 juni 2019, de ingangsdatum van de machtigingen. Om die reden zal het hof het verzoek van de moeder om een onderzoek in de zin van artikel 810a lid 2 Rv ook in deze zaak afwijzen.’

2.4

De moeder klaagt onder randnr. 1 dat het hof ten onrechte het verzoek van de moeder tot benoeming van een deskundige7 ex art. 810a leden 1 en 2 Rv heeft afgewezen, omdat toewijzing daarvan in strijd zal zijn met de belangen van de kinderen zoals overwogen en beslist in rov. 5.7. Volgens de moeder zijn deze overwegingen onjuist, waaronder in strijd met art. 6 en 8 EVRM, en/of onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. In dit eerste randnummer van het cassatieverzoekschrift lees ik geen zelfstandige klacht, maar een inleiding op de in randnrs. 2-4 geuitte klachten, omdat in dit randnummer niet is aangegeven waarom het oordeel van het hof in strijd is met art. 6 en 8 EVRM en onder randnr. 3 is opgemerkt dat het hof in rov. 5.5 t/m 5.7 heeft getoetst aan een juiste afwijzingsmaatstaf (het belang van de kinderen).

2.5

Ik behandel eerst de klachten in randnrs. 2 en 3 van het cassatieverzoekschrift en daarna de klacht onder randnr. 4. Onder randnr. 2 klaagt het middel dat art. 6 en 8 EVRM verlangen dat voldoende mogelijkheid aan de moeder moet worden geboden om tegenwicht te bieden aan de stellingen en rapportages van de GI/de Raad, gelet op het ingrijpende karakter van een, voortdurende, uithuisplaatsing, de beslissing dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de ouders ligt en de verzochte beëindiging van het ouderlijk gezag. In deze zaak heeft het hof verzuimd om de moeder deze gelegenheid voldoende te bieden. Onder randnr. 3 klaagt de moeder dat de rov. 5.5-5.7 ten onrechte vooruit lopen op de uitkomst van de verzochte second opinion. In zoverre is sprake van een, niet toegestane, prognose op de afweging door het hof van de uitkomst van het verzochte tegenonderzoek enerzijds, en alle overige vaststaande feiten en omstandigheden, waaronder de zwaarwegende, belangen van de kinderen.

2.6

In de toelichting bij het middel stelt de moeder dat de verzoeken van de moeder ex art. 810a Rv de kern van de zaak raken en de uitkomst van de in te winnen second opinion van belang kan zijn bij de beslissing van de zaak. Mocht de uitkomst van de second opinion zijn dat de moeder inmiddels wèl over voldoende vaardigheden en capaciteiten beschikt om de opvoeding van de kinderen op een verantwoorde wijze ter hand te nemen, dan zal deze door het hof moeten worden meegewogen bij de beantwoording van de vraag of de uithuisplaatsing verlengd moet worden en het ouderlijk gezag beëindigd moet worden.8
Verder vermeldt de toelichting dat van belang is dat de moeder in hoger beroep niet heeft verzocht om een second opinion waarbij de kinderen ook betrokken moeten worden, maar om een onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder, dat binnen een half jaar moet plaatsvinden. Zij heeft niet meer verzocht om een gezinsopname in “De Bron”.9

2.7

Voordat ik overga tot beoordeling van de klachten, schets ik hierna eerst het juridisch kader.

2.8

Art. 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Uw Raad heeft onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis overwogen dat met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken.10 Onder het tweede lid van art. 810a Rv vallen ook zaken over uithuisplaatsing, omdat de hiervoor genoemde ratio van de bepaling bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol speelt dan bij de enkele ondertoezichtstelling.11

2.9

Uit de parlementaire geschiedenis valt af te leiden dat de achtergrond van de bepaling moet worden gezocht in het recht doen aan het beginsel van equality of arms.12 Het beginsel van equality of arms, een onderdeel van het in art. 6 lid 1 EVRM bedoelde recht op een eerlijk proces, wordt in vaste rechtspraak van het EHRM omschreven als:

‘(…) each party must be afforded to be given a reasonable opportunity to present his or her case — including evidence — under conditions that do not place him/her at a substantial disadvantage vis-à-vis his/her opponent’.13

2.10

In een uitspraak van 5 september 2014 overwoog Uw Raad:

‘Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.’14

2.11

Wortmann merkt in haar annotatie bij deze uitspraak op dat de voorwaarde dat het belang van het kind zich niet tegen een onderzoek verzet, op uiteenlopende situaties ziet, waaronder de situaties waarin de spoedeisendheid van een in het belang van het kind te nemen maatregel, het belastende karakter van de door het kind aan het onderzoek te verlenen medewerking, of het te lang uitblijven van een beslissing zich tegen verdere aanhouding van de zaak verzet.15

2.12

In de uitspraak van 29 mei 202016 overwoog uw Raad dat, hoewel volgens de tekst van art. 810a lid 2 Rv de daarin aan een ouder toegekende bevoegdheid de benoeming van een deskundige te verzoeken, niet is beperkt tot tegenonderzoek ten opzichte van een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of een gecertificeerde instelling, gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling uitgangspunt is dat een ouder om het in die bepaling bedoelde onderzoek kan vragen indien een door of in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling opgesteld onderzoeksrapport voorhanden is. En voorts:

‘Een uitleg waarbij een ouder nooit om een onderzoek kan vragen zolang niet een zodanig onderzoeksrapport ter tafel ligt, zou echter in sommige gevallen onvoldoende recht doen aan het beginsel van equality of arms. Zo moet een ouder het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling over de gronden voor en noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel waaraan geen onderzoeksrapport ten grondslag ligt, met toepassing van art. 810a lid 2 Rv kunnen weerspreken indien de desbetreffende instantie verder onderzoek niet noodzakelijk acht of om een andere reden daarvan afziet. Voor een onderzoek op verzoek van een ouder is uit een oogpunt van equality of arms (nog) geen plaats indien de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling onderzoek noodzakelijk acht, maar dat onderzoek nog niet heeft kunnen plaatsvinden of nog loopt. (…).’17

2.13

Zoals ik in mijn conclusie van 2 oktober 2020 uiteen heb gezet,18 is het EHRM het belang van het kind steeds uitdrukkelijker gaan meewegen in zijn oordeel in zaken waarin een scheiding tussen kind en ouders speelde. Uit onder andere Strand Lobben/Noorwegen blijkt dat dit niet wegneemt dat de zienswijze van de ouders voldoende in een procedure moet worden betrokken:

‘In cases relating to public-care measures, the Court will further have regard to the authorities’ decision-making process, to determine whether it has been conducted such as to secure that the views and interests of the natural parents are made known to and duly taken into account by the authorities and that they are able to exercise in due time any remedies available to them. […] What has to be determined is whether, having regard to the particular circumstances of the case and notably the serious nature of the decisions to be taken, the parents have been involved in the decision-making process, seen as a whole, to a degree sufficient to provide them with the requisite protection of their interests and have been able fully to present their case.’19

Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de belangen van een ouder voldoende in het besluitvormingsproces zijn betrokken.20 Daarbij geldt dat het over het algemeen aan de nationale rechter is de feiten en omstandigheden te waarderen en te beslissen over de noodzaak van het al dan niet uitbrengen van een deskundigenrapport:

Whether the decision-making process sufficiently protected a parent's interests depends on the particular circumstances of each case. (…) ‘as a general rule it was for the national courts to assess the evidence before them, including the means to ascertain the relevant facts.’21

En:

While it would generally be for the domestic authorities to decide whether expert reports were needed (…), the Court considers that the lack of a fresh expert examination substantially limited the factual assessment of the first applicant's new situation and her caring skills at the material time.22

2.14

Dan ga ik nu over tot beoordeling van de klachten. Daarbij merk ik ten eerste op dat het middel refereert aan lid 1 van art. 810a Rv. Dat lid is in deze zaak niet van toepassing en in de bestreden uitspraak ook niet toegepast.23 Voor zover de klachten op dit lid betrekking hebben, slagen ze dus niet.

Equality of arms

2.15

Naar het oordeel van het hof is in deze zaak sprake van feiten en omstandigheden op grond waarvan het benoemen van een deskundige in strijd zou zijn met de belangen van de kinderen. Het hof overweegt in rov. 5.8 dat het voor het hof zwaar weegt dat de kinderen nu duidelijkheid wordt gegeven over hun opvoedperspectief, dat de voor de kinderen aanvaardbaar te achten termijn is verstreken en dat van belang is dat de goede ontwikkeling van de kinderen en de hechting in het pleeggezin ongestoord wordt voortgezet. Het hof verwijst daarbij naar de voorgaande overweging(en) waarin het tot het oordeel komt dat de aanvaardbaar te achten termijn inmiddels is verstreken. In rov. 5.13 wijst het hof het deskundigenonderzoek in de zaak over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ook af vanwege het verstrijken van de aanvaardbare termijn waarbinnen teruggeplaatst zou kunnen worden. In met name rov. 5.8 ligt besloten dat het hof het belang van de kinderen dat nu duidelijkheid wordt gegeven over hun opvoedperspectief niet alleen zwaar, maar ook zwaarder weegt dan de belangen van de moeder bij de uitvoering van een deskundigenonderzoek. Met dit oordeel heeft het hof mijns inziens niet de strekking van art. 810 lid 2 Rv miskend en ook niet de aan het artikel ten grondslag liggende equality of arms gedachte. Evenmin is naar mijn mening sprake van schending van art. 8 EVRM, doordat de zienswijze van de moeder onvoldoende in de procedures is betrokken. Uit het procesdossier blijkt dat de moeder op diverse momenten haar zienswijze heeft kunnen geven. Op verzoek van de moeder is haar begeleider bij het onderzoek van de Raad betrokken.24 Ook met de moeder is in het kader van het onderzoek van de Raad een gesprek gevoerd en zij heeft haar reactie op het raadsrapport kunnen geven evenals op het OTS rapportageplan van 21 januari 2019.25 De moeder en haar advocaten hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep tijdens de mondelinge behandelingen hun zienswijze kunnen toelichten. Het hof heeft de zienswijze van de moeder blijkens rov. 5.6 en 5.7 ook betrokken in zijn beoordeling, maar overwogen dat, hoewel de ontwikkelingen van de moeder positief zijn te noemen, de aanvaardbare termijn zoals bedoeld in art. 1:266 lid 1 onder a BW, waarbinnen gewerkt kan worden aan terugplaatsing van de kinderen bij de ouders, inmiddels is verstreken. Hiermee heeft de moeder mijns inziens voldoende mogelijkheden gehad om haar zienswijze te geven. Tevens acht ik van belang hetgeen het hof overweegt in rov. 5.5, dat zowel de uithuisplaatsing als de daarop volgende procedure tot beëindiging van het gezag een lange aanloop kennen waarbij, in 2012-2013 en daarna vanaf 2016 eerst in vrijwillig en later in gedwongen kader, hulpverlening is ingezet om te proberen de opvoedingssituatie ten goede te keren en uithuisplaatsing te voorkomen en dat de GI vanaf de uithuisplaatsing in 2017 tot begin 2018 heeft ingezet op een onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de ouders, maar dat zij daaraan niet (onvoorwaardelijk) wilden meewerken.

Het oordeel over de afwijzing van het verzoek een deskundige te benoemen bouwt in zekere zin voort op het oordeel dat de aanvaardbare termijn is verstreken, dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt en dat het hof het belang van de kinderen bij duidelijkheid over en zekerheid en continuïteit van de opvoedingssituatie zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij behoud van het gezag. Het hof heeft dit oordeel onderbouwd in rov. 5.4 t/m 5.7, waarin het de voorheen bestaande onveilige situatie bij de ouders beschrijft, de problematiek waar [kind 2] en [kind 1] mee kampen, het traject van tweemaal ondertoezichtstelling tot uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging en de uiteindelijke uithuisplaatsing en de goede ontwikkelingen van de kinderen in het pleeggezin. In rov. 5.8 wijst het hof het verzoek op de juiste grond en gemotiveerd af: namelijk in strijd met de belangen van de kinderen.

2.16

In rov. 5.8 in samenhang met 5.6 en 5.7 ligt naar mijn mening tevens besloten dat het hof van oordeel is dat een onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder niet tot beslissing van de zaak kan leiden.26 Dat oordeel volgt eveneens uit rov. 5.13, waarin het hof verwijst naar de overwegingen ten aanzien van de gezagbeëindigende maatregel dat de aanvaardbare termijn waarbinnen sprake zou kunnen zijn van een terugplaatsing van de kinderen is verstreken. In rov. 5.6 en 5.7 ligt besloten dat ook als uit het onderzoek zou blijken dat de moeder thans wel over goede opvoedingsvaardigheden beschikt, het verstrijken van de aanvaardbare termijn op dit moment aan behoud van het gezag in de weg staat. Het hof noemt in die rechtsoverwegingen dat de kinderen een fors belast verleden kennen, beschadigd zijn door hetgeen zij hebben meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder (en de vader), het feit dat de kinderen al bijna drie jaar in het pleeggezin verblijven, waar het naar omstandigheden heel goed met ze gaat en het belang voor de kinderen van zekerheid en continuïteit van de opvoedingssituatie, dat zij duidelijkheid krijgen dat zij mogen opgroeien in het voor hen vertrouwde pleeggezin, waar ze gewend zijn en waar ze op hun behoeften afgestemde zorg ontvangen. Deze omstandigheden en belangen wegen volgens het hof zwaarder dan het belang van de moeder bij behoud van het gezag. Het perspectief van de kinderen ligt volgens het hof niet meer bij de moeder. De afwijzing van het verzoek van de moeder tot benoeming van een deskundige op de grond dat het onderzoek niet tot beslissing van de zaak kan leiden, omdat de aanvaardbare termijn is verstreken, acht ik noch in strijd met de strekking van art. 810a lid 2 Rv noch in strijd met de artt. 6 en 8 EVRM.

2.17

Ik kom tot de slotsom dat de klacht in randnr. 2 faalt.

(Ongeoorloofde) prognose

2.18

Ook de klacht dat het hof in rov. 5.5-5.7 vooruit loopt op de uitkomst van het verzochte onderzoek treft geen doel. Het hof maakt in die rechtsoverwegingen een afweging tussen het belang van de moeder bij behoud van het gezag, mede in het licht van de door haar gestelde positieve ontwikkelingen en de belangen van de kinderen. Het hof komt daarbij en mede in rov. 5.8 tot het oordeel dat de aanvaardbare termijn zoals bedoeld in art. 1:266 onder a BW is verstreken, dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt en dat het belang van de kinderen bij duidelijkheid over en zekerheid en continuïteit van de opvoedingssituatie gezien de geschetste voorgeschiedenis en problematiek van de kinderen aan toewijzing van benoeming van een deskundige in de weg staat. Het hof geeft geen (ontoelaatbare) prognose van het deskundigenonderzoek, maar komt impliciet tot de conclusie dat een onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder niet kan leiden tot een andere beslissing. Zoals hiervoor aangegeven acht ik die afweging niet in strijd met art. 810a lid 2 Rv, art. 6 en/of 8 EVRM, noch onbegrijpelijk.

Gezag van gewijsde

2.19

In randnr. 4 klaagt de moeder dat de beslissing van het hof in rov. 5.7 onjuist is indien het hof in die rechtsoverweging tot uitdrukking heeft gebracht dat de eerdere beschikking van het hof van 29 maart 2018,27 inzake de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 19 april 2018, gezag van gewijsde heeft gekregen. Het hof oordeelde in de beschikking van 29 maart 2018 dat de aanvaardbare termijn waarbinnen een terugplaatsing nog mogelijk is, is verstreken en dat de ouders de kansen die hen zijn geboden niet binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn hebben aangegrepen.28

2.20

De lezing waar de klacht van uitgaat mist feitelijke grondslag en faalt daarom reeds.

Tweede middel: weigering stukken

2.21

Het tweede middel betreft alleen de beslissing tot beëindiging van het gezag van de moeder. Het middel richt zich tegen rov. 2.3 en de beslissing ter zitting op 8 januari 2020 inhoudende dat het hof de stukken, overgelegd door de advocaat van de moeder bij brief van 7 januari 2020, heeft geweigerd. Het hof overweegt daartoe in rov. 2.3:

‘(…) Desgevraagd hebben de raad, de GI en mr. Pool (namens mr. Krol) ter mondelinge behandeling te kennen gegeven bezwaar te maken tegen overlegging van voornoemde stukken, aangezien zij onvoldoende gelegenheid hebben gehad om daarvan kennis te nemen. De pleegmoeder (hierna te noemen) heeft desgevraagd verklaard bedoelde stukken niet te hebben ontvangen. Het hof heeft daarop beslist dat op die stukken geen acht wordt geslagen, omdat deze zonder noodzaak één dag voor de mondelinge behandeling zijn ingekomen ter griffie van het hof en de raad, mr. Pool, de GI en de pleegmoeder in redelijkheid niet voldoende hebben kunnen kennisnemen van deze stukken en zich onvoldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.’

2.22

Het middel klaagt dat het hof op grond van het bepaalde in art. 279 lid 6 Rv had moeten onderzoeken of de aard van deze procedure te weten beëindiging van het ouderlijk gezag (en voortgezette uithuisplaatsing), zich verzet tegen een beslissing om de stukken te weigeren, ondanks dat deze te laat zijn ingediend en niet door de Raad en de overige belanghebbenden tijdig werden ontvangen en zij geen verweer daartegen hebben kunnen voorbereiden. Het middel wijst er daarbij op dat het hof de moeder op grond van art. 8 EVRM, in samenhang met art. 6 EVRM, voldoende mogelijkheden had moeten bieden om tegenwicht te bieden aan de opvatting en rapportages van de Raad. Alternatief klaagt het middel dat de beslissing van het hof de stukken te weigeren onbegrijpelijk is, of onvoldoende gemotiveerd. In de toelichting wijst het middel erop dat het om in totaal een twintigtal bladzijden gaat en dat niet gezegd kan worden dat de te overleggen stukken zodanig ingewikkeld en omvangrijk zijn dat het redelijkerwijs niet mogelijk zou zijn geweest voor de aanwezigen bij de zitting om, na een schorsing van 15 minuten, van de inhoud kennis te nemen en daar een mening over te vormen. Het betreft verslagen van de logopediste en IQ-testen, afkomstig van een logopediepraktijk met een diagnose van de kinderen en vanuit [A], het medisch kinderdagverblijf waar beide kinderen in [plaats] op zaten.29

2.23

Bij de beoordeling van deze klacht acht ik het volgende van belang. Uit art. 362 jo. 279 lid 6 Rv volgt dat art. 87 lid 6 Rv op de procedure in hoger beroep met betrekking tot beëindiging van het gezag van overeenkomstige toepassing is, tenzij de aard van de zaak of de procedure zich hiertegen verzet. Art. 87 lid 6 Rv bepaalt:

‘Onverminderd artikel 85, worden processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij dagvaarding dan wel conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet.’

Art. 87 lid 6 en 279 lid 6 Rv zijn ingevoerd met de Spoedwet KEI en zijn van toepassing op bijvoorbeeld verzoekschriften ingediend na 1 oktober 2019, zoals in deze zaak.30

Uit de memorie van toelichting bij de Spoedwet KEI volgt dat de wetgever beoogd heeft in art. 87 lid 6 Rv dezelfde regeling voor niet-digitaal procederen in te voeren als in art. 30k lid 5 Rv is opgenomen voor digitaal procederen.31 Onder het voorheen geldende recht waren termijnen voor het indienen van stukken alleen in procesreglementen en niet in de wet opgenomen. Met de invoering van art. 87 lid 6 resp. 30k lid 5 Rv is dat veranderd.32 Uit de memorie van toelichting bij zowel het wetsvoorstel Vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht als de Spoedwet KEI blijkt dat beoogd is met deze bepalingen de regel aan te scherpen dat stukken tijdig voor de zitting moeten worden ingediend,33 al blijkt uit de navolgende citaten en de wettekst ook dat de wettelijke termijn alleen niet beslissend is: toelaten of weigeren van stukken kan in strijd zijn met de goede procesorde.34 In de memorie van toelichting bij art. 30k lid 5 Rv is opgemerkt:

‘Voorkomen moet worden dat partijen elkaar of de rechter kunnen overvallen met stukken voorafgaand aan of tijdens de mondelinge behandeling. Beide partijen en de rechter moeten zich behoorlijk kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling. Het voorkomt vertraging wanneer een partij niet op nieuwe onderbouwingen van de wederpartij behoeft te reageren.’ (…)

Het kan echter gebeuren dat een stuk niet tijdig voorhanden was, maar wel relevant is in de procedure. Als bijvoorbeeld acht dagen voor de zitting een foto, kort filmfragment of een ander kort stuk wordt ingediend dat niet eerder beschikbaar was en waarvan de indiening volgens de rechter niet tot strijd met de goede procesorde leidt, kan de rechter het stuk alsnog toelaten. Voor zover de andere partij niet reeds tijdens de mondelinge behandeling heeft kunnen reageren op het stuk, kan de rechter partijen in de gelegenheid stellen om zich schriftelijk over het stuk uit te laten. Als anderzijds bijvoorbeeld elf dagen voor de mondelinge behandeling een zeer omvangrijk rapport wordt ingediend, dat de indiener al geruime tijd voor handen had, kan de rechter op grond van de goede procesorde beslissen dat het stuk buiten beschouwing wordt gelaten vanwege het late moment van indiening. De bestaande jurisprudentie biedt handvatten voor de invulling van de goede procesorde in dit geval.’35

(…) en voorts:

Het doel van deze termijn is dat de rechter en partijen voldoende gelegenheid hebben de stukken, conclusies en akten voor aanvang van de mondelinge behandeling te bestuderen. Door voldoende voorbereidingstijd te geven, is de kans groter dat de zaak met één mondelinge behandeling kan worden afgerond. (…)

Wanneer stukken te laat worden overgelegd, laat de rechter deze buiten beschouwing (vijfde lid). Dit is anders indien de goede procesorde zich daartegen verzet. Zo kan het doelmatig zijn dat partijen nog later dan tien dagen voor de mondelinge behandeling stukken indienen wanneer een omgangsregeling of alimentatie wordt gevorderd en een van de ouders enkele dagen voor de zitting is verhuisd of van baan is veranderd. In dergelijke gevallen is het van belang dat deze informatie in de procedure kan worden betrokken. Indien als gevolg van een technische storing, bijvoorbeeld aan de kant van de gerechten, een partij een stuk niet op tijd kan indienen, is artikel 30c, tiende lid, van toepassing en wordt dit stuk niet wegens termijnoverschrijding buiten beschouwing gelaten.’36

2.24

Uit deze laatste passage leidt De Bock af dat een situatie waarin het buiten beschouwing laten van stukken die zijn ingediend buiten de tiendagentermijn in strijd is met de goede procesorde, zich kan voordoen indien de stukken nieuwe informatie bevatten die zodanig van belang is bij de beoordeling van het geschil, dat het in strijd met de goede procesorde (in feite: het belang van waarheidsvinding) zou zijn wanneer deze buiten beschouwing zou blijven.37

2.25

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet wanneer ‘de aard van de zaak’ zich verzet tegen toepassing van art. 87 lid 6 Rv in verzoekschriftprocedures. In de memorie van toelichting bij de Spoedwet KEI is alleen opgemerkt:

‘Aan het slot van artikel 279 wordt een verwijzing naar de artikelen 87–90 opgenomen, zodat ook in verzoekschriftprocedures kan worden geprofiteerd van de versterkte regiefunctie van de rechter en de uitgebreidere mogelijkheden op de mondelinge behandeling, zoals ook is beoogd in de wetgeving uit 2016.’38

2.26

Ackermans-Wijn schrijft dat in andere familiezaken dan echtscheiding en alimentatie, zoals afstammingszaken, kinderbeschermingsmaatregelen en gezagsbeëindiging, de tiendagentermijn niet gehanteerd wordt – althans niet ten tijde van schrijven/publicatie – en

‘dat zelfs tijdens de mondelinge behandeling nog stukken kunnen worden overgelegd, als maar hoor en wederhoor kan worden toegepast en de goede procesorde zich daartegen niet verzet (het stuk kon bijvoorbeeld niet eerder worden overgelegd).’

Zij schrijft dat deze uitzonderingspositie voortvloeit uit het feit dat het in familiezaken

veelal gaat om zaken waarvan de rechtsgevolgen niet ter vrije bepaling van partijen staan, en waarbij recht van openbare orde van toepassing is. Daarbij past een actieve rechter die gaat voor de materiële waarheid en bijvoorbeeld stukken nog toelaat of zelf opvraagt die hij van belang vindt voor een goede beslissing. Zij is van mening dat op grond van de tenzij-bepaling in art. 279 lid 6 Rv de tiendagentermijn en het criterium van art. 87 lid 6 Rv niet van toepassing zijn in andere familiezaken dan echtscheiding en alimentatie, waarbij de rechtsgevolgen waar men zich op beroept niet ter vrije bepaling van partijen staan.39

2.27

In de uitspraak van 3 december 2010 overwoog Uw Raad in een zaak waarin producties buiten de in het toepasselijke procesreglement opgenomen termijn waren ingediend:

‘3.3.1. Bij de beoordeling van de hiertegen gerichte klachten wordt vooropgesteld dat (…) de in het genoemde Landelijk procesreglement gestelde termijn van vier dagen voor de pleitzitting niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of het overleggen van het rapport in dat stadium van de procedure (zeventien dagen voor het pleidooi) in strijd is met de goede procesorde. De procesreglementen geven aanwijzingen voor het tijdig indienen van stukken, maar dat wil niet zeggen dat indien de aanwijzingen zijn gevolgd per definitie is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor waarop de hier in acht te nemen regels zijn gebaseerd (…)

3.3.2

Wel kan aan de in een procesreglement gestelde termijn voor indiening van nadere stukken het uitgangspunt worden ontleend dat in het algemeen indiening van nadere stukken (ruimschoots) voor het in het procesreglement bedoelde tijdstip heeft te gelden als zodanig tijdig dat de wederpartij er voldoende van kennis zal kunnen nemen om er adequaat op te kunnen reageren, zo nodig met een gemotiveerd verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak, dan wel om bij nadere akte op de ingediende stukken te mogen reageren. Dit brengt mee dat de rechter op binnen de geldende termijn overgelegde nadere stukken bij de beoordeling acht dient te slaan, tenzij de rechter — naar aanleiding van het door de wederpartij daartegen gemaakt bezwaar of ambtshalve — gemotiveerd anders beslist op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval, waarvan uit de uitspraak of het proces-verbaal van de zitting dient te blijken. Daarbij zal de rechter hebben te beoordelen of het gaat om stukken waarvan de aard en omvang een beletsel vormen om daarvan binnen de beschikbare tijd kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, en, zo dat niet van de wederpartij kon worden gevergd, of aanleiding bestaat een maatregel te treffen teneinde een voldoende kennisneming en voorbereiding van een reactie alsnog mogelijk te maken. Hierbij kan van belang zijn of met het oog op het belang van de wederpartij verwacht had mogen worden dat de stukken bij een eerdere gelegenheid in de procedure werden overgelegd, en dat, zeker in de procedure in hoger beroep, de pleitzitting in het algemeen de laatste gelegenheid zal zijn tot nadere feitelijke onderbouwing van een vordering of verweer.’40

2.28

Op de onderhavige procedure betreffende de beëindiging van het gezag was het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, 10e versie van september 2019, van toepassing (hierna: het procesreglement). In dit procesreglement is bepaald:

‘1.4.5 Een belanghebbende die tijdens de mondelinge behandeling nog een proceshandeling wenst te verrichten of stukken in het geding wenst te brengen, zorgt ervoor dat het hof en iedere overige belanghebbende zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen de in artikel 87 lid 6 in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv genoemde termijn, een afschrift van het in te dienen processtuk of de in het geding te brengen bewijsstukken hebben ontvangen. (..)

Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof ter mondelinge behandeling of daarna, na toepassing van hoor en wederhoor, anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de in artikel 87 lid 6 Rv in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv vermelde termijn worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.’

‘2.4.1 Op jeugdzaken zijn de bepalingen in hoofdstuk 1 (Algemeen Deel) van overeenkomstige toepassing, behoudens indien en voor zover daarvan in deze paragraaf wordt afgeweken.’

‘2.4.2 Onder jeugdzaken worden verstaan zaken betreffende gezag, verblijfplaats, omgang, informatie en consultatie ten aanzien van minderjarigen, alsmede maatregelen van kinderbescherming.’

‘2.4.6 In afwijking van het bepaalde in artikel 1.4.5 kunnen in zaken betreffende een maatregel van kinderbescherming ook binnen de in dit artikel genoemde termijn van tien kalenderdagen nog stukken worden overgelegd die van belang zijn en niet eerder konden worden ingediend.’

2.29

Anders dan Ackermans-Wijn ben ik van mening dat zaken over gezagsbeëindiging en jeugdbeschermingszaken niet in zijn algemeenheid gelet op hun aard van de werking van art. 87 lid 6 Rv moeten worden uitgezonderd. Wel zal zich wellicht eerder dan in andere zaken een situatie voordoen waarin de goede procesorde zich tegen het niet toelaten van stukken verzet, mede gelet op de uit art. 8 EVRM voortvloeiende regel dat de zienswijze van alle betrokkenen voldoende in de besluitvorming moet worden betrokken41 en het feit dat deze zaken dikwijls rechtsgevolgen betreffen die niet ter vrije bepaling van partijen staan en waarop recht van openbare orde van toepassing kan zijn.

2.30

De bepalingen uit het toepasselijke procesreglement lijken me in overeenstemming met art. 279 lid 6 jo. 87 lid 6 Rv. In art. 2.4.6 van het procesreglement is uitdrukking gegeven aan het feit dat de aard van de jeugdzaak zich tegen toepassing van art. 1.4.5 zou kunnen verzetten. Niet ondenkbaar lijkt me evenwel dat het in een jeugdzaak in strijd met de goede procesorde zou kunnen zijn als een stuk dat van belang is en wèl eerder kon worden overgelegd geweigerd wordt, met name als dit stuk beslissend zou kunnen zijn voor de zaak.

2.31

Rov. 2.3 van de bestreden uitspraak en hetgeen de voorzitter op p. 2 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 8 januari 2020 heeft opgemerkt laten zich lezen als toepassing van art. 1.4.5 en 2.4.6 procesreglement. Volgens de hoofdregel van art. 87 lid 6 Rv dient overlegging van de stukken te worden afgewezen, omdat, zoals ook het hof overweegt, de stukken te laat zijn overgelegd, zij niet door iedere belanghebbende zijn ontvangen en tegen de indiening ervan bezwaar is gemaakt. De uitzondering van art. 2.4.6 gaat hier niet op, nu niet gebleken is dat de stukken niet eerder konden worden ingediend. Het hof heeft in rov. 2.3 van de bestreden beschikking overwogen dat de stukken ‘zonder noodzaak’ één dag voor de mondelinge behandeling zijn ingekomen ter griffie. In het proces-verbaal van de zitting op 8 januari 2020 is opgenomen dat de voorzitter heeft gezegd dat de stukken ‘(veel) eerder hadden kunnen worden ingezonden’. De moeder en haar advocaten hebben niet gesteld dat zij de stukken niet eerder in konden dienen. Uit de stukken blijkt dat zij in of voor 2016 zijn opgesteld. Door of namens de moeder is ook niet aangegeven wat het belang van de stukken is voor de procedure en/of het standpunt van de moeder over de gezagsbeëindiging. Bij kennisname van de stukken (die zich in het procesdossier bevinden) is dat belang mij ook niet duidelijk geworden. Hiervoor, onder randnr. 2.15 heb ik reeds aangegeven dat de zienswijze van de moeder voldoende in de procedure is betrokken. Gelet op het voorgaande is de beslissing van het hof mijns inziens dan ook niet in strijd met art. 279 lid 6 Rv of art. 8 (in samenhang met 6) EVRM en evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

2.32

Ook het tweede middel treft dus geen doel.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 februari 2020, zaaknrs. 200.264.990/01 en 200.268.573/01, rov. 2.4-4.9 en de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 30 juli 2019, p.2.

2 C/18/190349/ JE RK 19-126.

3 C/18/191703 / FA RK 19-1158.

4 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 februari 2020, zaaknrs. 200.264.990/01 en 200.268.573/01.

5 Het cassatieverzoekschrift is ingediend op 6 mei 2020.

6 In het A dossier ontbreken de bijlagen bij het raadsrapport van 26 april 2019. In het B dossier ontbreken het inleidend verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van 22 februari 2019; de brief van het Leger des Heils met bijlage d.d. 27 februari 2019, het verweerschrift van 21 maart 2019, het verzoekschrift in hoger beroep van 23 augustus 2019, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (rechtbank) van 26 maart en 8 mei 2019, de brief met bijlagen van 19 december 2019 en de brief met producties van 7 januari 2020.

7 Onder verwijzing naar het beroepschrift van 23 augustus 2019, alinea’s 25-26 en op p. 5 onder ‘redenen waarom’; het beroepschrift van 28 oktober 2019, betreffende de gezagsbeëindiging, grieven III tm VI en de alinea’s 8-14; proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 8 januari 2020, p. 2-3 (advocaten Lfil en Helmantel).

8 Cassatieverzoekschrift, randnr. 5, onder verwijzing naar HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469, m.nt. S.F.M. Wortmann en HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, NJ 2019/185.

9 Cassatieverzoekschrift, randnr. 7, onder verwijzing naar het beroepschrift van 23 augustus 2019, onder ‘Redenen waarom’.

10 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, NJ 2019/185, rov. 3.3.3, onder verwijzing naar Kamerstukken II, 1993/94, 22487, nrs. 15 en 18 en Handelingen II, 1993-1994, 22487, p. 4135-4161. Zie ook o.a. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.3.2; HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:961, NJ 2020/292, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2.2.

11 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, NJ 2019/185, rov. 3.3.3; HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:961, NJ 2020/292, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2.1; Handelingen II 1993–1994, 22487, p. 4152 en 4157); B.E.S. Chin-A-Fat, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv (2017), aant. 4.

12 Handelingen II, 1993-1994, 22 487, nr. 55, p. 4137; HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:961, NJ 2020/292, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2.3. Zie ook mijn conclusie van 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:897, par. 21.

13 Zie bijv.: EHRM 19 mei 2005, appl.no. 63151/00, EHRC 2005/68 (Steck-Risch e.a./Liechtenstein), rov. 54.

14 HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, m.nt. S.F.M. Wortmann, NJ 2014/469, rov. 3.3.3. Herhaald in HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, NJ 2019/185, rov. 3.3.4.

15 S.F.M. Wortmann, annotatie bij: HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469, par. 2. Wortmann verwijst in dit verband naar de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 16 november 1993, Kamerstukken II 1993/94, 22487 en 22003, nr. 13. Het gewijzigd amendement Van der Burg is van later datum (Kamerstukken II 1993/94, 22487 en 22003, nr. 18). Zie nader over de in art. 810a Rv gegeven afwijzingsgronden ook Kamerstukken II 1993/94, 22 487, nr. 14 (waar de laatste door mij genoemde grond niet wordt genoemd); par. 2.5-2.8 van de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2445, RvdW 2017/987. Zie ook R.Y. Nauta, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 810a Rv (2020), aant. 2.

16 HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:961, NJ 2020/292, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2.3.

17 HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:961, NJ 2020/292, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2.3. Zie over de situatie dat nog geen onderzoek voorhanden is ook kort Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/284 en mijn conclusie voor HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1028, RFR 2018/120.

18 Concl. A-G Lückers 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:897, par. 2.6-2.8 en 2.23.

19 EHRM 10 september 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313 (Strand Lobben/Noorwegen), RAV 2019/91, EHRC 2019/12, nr. 235, m.nt. M.R. Bruning, par. 212.

20 EHRM 10 september 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313 (Strand Lobben/Noorwegen), RAV 2019/91, EHRC 2019/12, nr. 235, m.nt. M.R. Bruning, par. 213

21 EHRM 10 september 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313 (Strand Lobben/Noorwegen), RAV 2019/91, EHRC 2019/12, nr. 235, m.nt. M.R. Bruning, par. 213, onder verwijzing naar EHRM 8 juli 2003, no. 31871/96, ECHR 2003-VIII (Sommerfeld/Germany), par. 68 en 71.

22 EHRM 10 september 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313 (Strand Lobben/Noorwegen), RAV 2019/91, EHRC 2019/12, nr. 235, m.nt. M.R. Bruning, par. 223.

23 Zie rov. 5.8.

24 Raadsrapport 24 april 2019, p. 7-8, 14.

25 Raadsrapport 24 april 2019, p. 9-10, 17; de mail van de moeder van 15 april 2019 en de reactie van de moeder op de concepten van 21 januari, beide als bijlage bij het rapport gevoegd. De reactie op de concepten van 21 januari is tevens bij het verzoek van LJ&R van 21 februari 2019 tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing gevoegd.

26 Vgl. concl. A-G Langemeijer voor HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2183, RvdW 2016/965 (81 RO), par. 4.11. In die zaak heeft het hof wel expliciet overwogen dat het onderzoek niet tot beslissing van de zaak kan leiden.

27 ECLI:NL:GHARL:2018:3041.

28 Rov. 5.5.

29 Cassatieverzoekschrift, randnr. 9.

30 Stb. 2019, 241.

31 Kamerstukken II 2018/19, 35175, nr. 3, p. 3, 8.

32 Zie ook De Bock, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 30k Rv (2016), aant. 12. Zie nader over art. 87 lid 6 Rv tevens o.a.: P.E. Ernste, Het Wetsvoorstel Spoedwet KEI: een verruiming van regie van de rechter en de mogelijkheden rondom de mondelinge behandeling?, TCR 2019-3, p. 132.

33 Kamerstukken II 2018/19, 35175, nr. 3, p. 2; Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 6; Zie ook De Bock, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 30k Rv (2016), aant. 12; J.C.E. Ackermans-Wijn, ‘Kroniek familieprocesrecht,’ TCR 2020-3, p. 142; H.M.M. Steenberghe & J.D.A. den Tonkelaar (red.), Commentaar & Context KEI. Het gewijzigde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering becommentarieerd vanuit de parlementaire geschiedenis van de KEI-wetgeving, Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 107.

34 Vgl. G. de Groot, ‘Rechtsregels met betrekking tot de mondelinge behandeling’, in: G. de Groot & H.M.M. Steenberghe, De mondelinge behandeling in civiele zaken, Den Haag: Boom Juridisch 2019, p. 162.

35 Kamerstukken II 2014/15, 34059, 3, p. 26.

36 Kamerstukken II 2014/15, 34059, nr. 3, p. 72.

37 R.H. de Bock, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 30k Rv (2016), aant. 12.2.

38 Kamerstukken II 2018/19, 35175, nr. 3, p. 10.

39 Ackermans-Wijn 2020, p. 142-143.

40 HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0197, NJ 2010/650, JBPr 2010/16 m.nt. K. Teuben (Van Rens/Van Waalwijk van Doorn), rov. 3.3.1-3.3.2.

41 Zie hiervoor, onder randnr. 2.13.