Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1174

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-09-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
19/00420
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:2022
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Betekening oproeping tz. in h.b. Laatst opgegeven woon- of verblijfplaats achterhaald door latere inschrijving in BRP op ander adres? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/00419.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00420 P

Zitting 15 september 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de betrokkene.

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 21 december 2016 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 8.034,- en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.

2. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (19/00419). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel keert zich tegen het in het arrest besloten liggende oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. Volgens de steller van het middel had de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep moeten worden uitgereikt aan het laatst opgegeven woon- of verblijfadres van de betrokkene.

5. Uit de op de voet van artikel 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken kan het volgende worden afgeleid:

(i) De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, heeft bij uitspraak van 12 januari 2016 bij verstek het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 8.035,-.

(ii) De betrokkene heeft op 13 april 2016 zelf hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Op de akte instellen rechtsmiddel staat geen BRP-adres van de betrokkene vermeld. Evenmin heeft de betrokkene van de mogelijkheid gebruik gemaakt een adres op te geven dat afwijkt van het BRP-adres. Blijkens de uitdraai uit de Strafrechtsketendatabank (SKDB) stond de betrokkene op 13 april 2016 inderdaad niet ingeschreven op een BRP-adres (vanaf 17 februari 2015 BRP-adres: onbekend).

(iii) De akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de oproeping van de betrokkene in hoger beroep, houdt in dat op 24 oktober 2016 de oproeping voor de terechtzitting van het hof van 7 december 2016 tevergeefs is aangeboden op het laatst bekende BRP-adres ( [a-straat 1] te [plaats] ) van de betrokkene. Op dat adres kon de oproeping echter niet worden uitgereikt omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond, de betrokkene daar niet woonde noch verbleef. Op 31 oktober 2016 is de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant uitgereikt. Daarbij heeft een controle op basis van de SKDB-gegevens plaatsgevonden. Immers, de uitdraai uit de SKDB van 31 oktober 2016 houdt in dat de betrokkene op dat moment niet is gedetineerd en dat hij met ingang van 17 februari 2015 is “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”.Tevens is een afschrift van de oproeping naar het laatst bekende BRP-adres van de betrokkene ( [a-straat 1] te [plaats] ) gezonden.

(iv) Uit de aan het dubbel van de oproeping van de betrokkene in hoger beroep gehechte uitdraai uit de SKDB van 31 oktober 2016 kan worden afgeleid dat de betrokkene vanaf 5 april 2013 tot 12 juni 2014 stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Tevens vermeldt de SKDB dat op 30 april 2014 het adres [b-straat 1] te [plaats] is geregistreerd als laatst opgegeven woon- of verblijfadres. Van 12 juni 2014 tot 17 februari 2015 stond de betrokkene ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Voorts is vermeld dat de betrokkene met ingang van 17 februari 2015 is “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”.

(v) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2016 kan worden afgeleid dat de betrokkene noch een raadsman is verschenen. Tegen de betrokkene is verstek verleend.

6. Op grond van artikel 588 lid 1 aanhef, onder b sub 3 (oud) Sv geschiedt de uitreiking van een dagvaarding aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden.1

7. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. Gelet op de inhoud van de hiervoor onder 5 weergegeven stukken, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Het adres [b-straat 1] te [plaats] , dat blijkens de uitdraai uit de SKDB op 30 april 2014 is geregistreerd als laatst opgegeven woon – of verblijfplaats en op welk adres de betrokkene op dat moment ook in de basisregistratie personen stond ingeschreven, is achterhaald door de latere inschrijving van de betrokkene in de basisregistratie personen op het adres [a-straat 1] te [plaats] .2 Nu de betrokkene in de appelakte geen adres heeft doen opnemen en hij op het moment van uitreiking van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep niet stond ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend was, kon de oproeping aan de griffier worden uitgereikt.

8. Het eerste middel faalt.

9. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

10. Namens de verdachte is op 28 januari 2019 beroep in cassatie ingesteld. Per abuis heeft de strafgriffie van de Hoge Raad in de ontnemingszaak de betrokkene en zijn raadsman medegedeeld dat de stukken van het geding op 24 oktober 2019 zijn ontvangen. Echter, even als in de samenhangende strafzaak, waarin wel de juiste datum van ontvangst is medegedeeld, zijn ook in de ontnemingszaak de stukken van het geding daadwerkelijk reeds op 4 september 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden niet is overschreden.

11. Het tweede middel faalt.

12. De middelen falen en kunnen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken.

2 Vgl. o.m. HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:304, en HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:626.