Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1171

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-10-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/04915
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1965
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het zich verschaffen en in voorraad hebben van valse bankbiljetten, art. 209 Sr. Tallon-criterium. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2020:1889 m.b.t. niet-ontvankelijkverklaring van het OM in het geval dat verdachte door opsporingsambtenaar dan wel door persoon voor wiens handelen politie of OM verantwoordelijk is, is gebracht tot begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht. Omstandigheid dat niet verdachte maar medeverdachte contact had met een opsporingsambtenaar of persoon voor wiens handelen politie of OM verantwoordelijk is, sluit niet uit de mogelijkheid dat (ook) verdachte door die opsporingsambtenaar of andere persoon is gebracht tot begaan van strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd. Hof heeft dat niet miskend, maar heeft kennelijk omstandigheid dat geen sprake was van direct contact tussen verdachte en de burgerinformant betrokken bij oordeel dat verdachte niet door opsporingsambtenaar of persoon voor wiens handelen politie of OM verantwoordelijk is, is gebracht tot begaan van het tlgd. en bewezenverklaarde strafbare feit. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. In aanmerking genomen hetgeen hof ook overigens heeft vastgesteld over wijze waarop verdachte bij dat feit betrokken is geraakt, is oordeel ook niet onbegrijpelijk. In dat verband heeft hof o.m. vastgesteld dat tweede medeverdachte aan eerste medeverdachte heeft gevraagd waarom de burgerinformant continu met die eerste medeverdachte belde, waarna tweede medeverdachte, toen die eerste medeverdachte hem dit had uitgelegd, niet op vraag van eerste medeverdachte maar geheel uit zichzelf, toezegde te informeren en na een of anderhalve week aan eerste medeverdachte duidelijk maakte dat de verdachte in ‘die business’ zat. Volgt verwerping. Samenhang met 19/04881 en 19/04974 . Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:637 en ECLI:NL:HR:2016:2777.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04915

Zitting 27 oktober 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 18 oktober 2019 de verdachte wegens 2 primair “medeplegen van: bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, zich verschaffen en in voorraad hebben” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/04881 (medeverdachte [medeverdachte 3]) en 19/04974 (medeverdachte [medeverdachte 2]). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. H. Oldenhof, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Deze zaak is twee keer eerder bij de Hoge Raad aan de orde geweest. In 2007 had het gerechtshof te ’s-Gravenhage, zitting houdende te Arnhem, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte. In HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:637, casseerde de Hoge Raad dit oordeel en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem. Dit hof besliste in 2015 tot bewijsuitsluiting van een deel van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en sprak de verdachte vrij. In HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2777, overwoog de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim in verband met het “niet tijdig en naar behoren” informeren van de verdachte over de inzet van een informant waardoor bewijsuitsluiting moet volgen, niet naar behoren met redenen was omkleed. De zaak werd wederom vernietigd en vervolgens verwezen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

  5. Thans klaagt het eerste middel over de verwerping van het hof van het namens de verdachte gevoerde verweer inzake de schending van de redelijke termijn.

  6. Blijkens de ter terechtzitting van het hof van 4 oktober 2019 overgelegde pleitnota is namens de verdachte toen het volgende verweer gevoerd (vetgedrukt in het origineel):

Schending beginselen van een goede procesorde

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard danwel de inleidende dagvaarding nietig behoord te worden verklaard vanwege een schending van de beginselen van een goede procesorde.

De redelijke termijn vangt aan in april 2005.

Inmiddels zijn er meer dan 14 jaren verstreken.

De verdediging meent dat nu er sprake van is dat nu de onderhavige strafprocedure ruim 14 jaren duurt er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces.

In de eerste plaats is het voor de verdediging niet meer mogelijk om 14 jaar naar dato nog verzoeken te doen ten behoeve van de verdediging.

In de tweede plaats is het dossier deels in het ongerede (zoek/vernietigd) geraakt.

Het bestaan van de redelijke termijn is niet alleen ingegeven door het gegeven dat iemand niet langer dan redelijk onder de dreiging van een strafvervolging mag leven.

Een andere belangrijke pilaar van het bestaan van de redelijke termijn is het gegeven dat door of namens een verdachte verzoeken tot nader onderzoek moeten kunnen worden gedaan ten behoeve van zijn verdediging.

Nu het dossier deels kwijt/vernietigd is, kan de verdediging niet beoordelen of, en zo ja welke, onderzoeken er nog gedaan zouden moeten worden. Daar komt bij dat enig onderzoek weinig kans zal hebben om succesvol te kunnen zijn, vanwege het feit dat in 14 jaar tijd getuigen zaken vergeten zijn en stukken niet meer beschikbaar zijn.

In zo'n situatie kan niet worden gezegd dat er dan nog sprake is van een eerlijk proces.

De verdediging realiseert zich dat in Nederland het standpunt wordt ingenomen dat een overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkheid van het OM zou mogen leiden.

Echter, de verdediging stelt zich op het standpunt dat gelet op de gigantische overschrijding van de redelijke termijn in combinatie met de omstandigheid dat het dossier deels in het ongerede is geraakt, het voortzetten van de vervolging in strijd maakt met de beginselen van een goede procesorde.

Het Hof moet 14 jaar na dato de ten laste legging beoordelen aan de hand van een incompleet dossier.

Het is de vraag of het Hof afdoende in staat zou kunnen zijn om op basis van de beschikbare stukken, en niet wetende wat de ontbrekende stukken omvatten, in staat is te beraadslagen en te beslissen op de grondslag van de tenlastelegging (ECLI:NL:HR:2009:BG4412).

De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard danwel de inleidende dagvaarding nietig behoord te worden verklaard.”

7. In het bestreden arrest heeft het hof hieromtrent het volgende overwogen (onderstreept in het origineel):

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

De verdediging heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld – kort samengevat – dat voortzetting van de strafvervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, omdat de strafprocedure al veertien jaren duurt, zodat sprake is van een enorme overschrijding van de redelijke termijn, in combinatie met het feit dat een deel van het dossier in het ongerede is geraakt. Volgens de verdediging dient dit te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging dan wel tot nietigheid van de inleidende dagvaarding.

Op grond van het bepaalde in artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gaat de vraag of de inleidende dagvaarding geldig is vooraf aan de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is in de strafvervolging (vgl. HR 10 april 1951, NJ 1951/394). Het hof zal daarom eerst de geldigheid van de inleidende dagvaarding onderzoeken.

In artikel 258 lid 1 Sv is bepaald dat de zaak ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt door een dagvaarding vanwege de officier van justitie aan de verdachte betekend. In art. 261 Sv zijn de inhoudelijke eisen opgenomen die aan een dagvaarding worden gesteld. De dagvaarding behelst een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Verder vermeldt zij de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld (lid 1). Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan (lid 2).

Gesteld noch gebleken is dat de inleidende dagvaarding niet aan een van deze vereisten zou voldoen. De inleidende dagvaarding is daarom geldig, zodat het verweer wordt verworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

De verdediging heeft, zoals hiervoor is overwogen, aan het verweer dat – zakelijk weergegeven – voortzetting van de strafvervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, omdat de strafprocedure al veertien jaren duurt, zodat sprake is van een enorme overschrijding van de redelijke termijn, in combinatie met het feit dat een deel van het dossier in het ongerede is geraakt, tevens de conclusie verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.

Dit verweer faalt reeds op de grond dat volgens vaste jurisprudentie een overschrijding van de redelijke termijn – waaronder de inzendingstermijn mede is begrepen – niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door de vermindering van de op te leggen straf (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358; HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9532 en meer recent HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558).

De – overigens betreurenswaardige – omstandigheid dat in de loop van de strafprocedure een deel van het strafdossier in het ongerede is geraakt, maakt dit oordeel niet anders.

Het hof stelt vast dat inderdaad een aantal delen van het dossier met de onderzoeksnaam 'Binchois' / 'Goudsnip' ontbreken en dat dit blijkens de stukken van de zaak reeds ten tijde van de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het geval was. Kennelijk zijn die delen op enig moment in de strafprocedure in het ongerede geraakt.

Tijdens de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de advocaat-generaal gesteld dat het klopt dat er gedeelten van het dossier van deze zaak ontbreken, maar dat er slechts voor verdachte belastende bescheiden zijn zoekgeraakt, zodat hij daardoor niet in zijn verdediging is geschaad. Deze stelling is door de verdediging niet, laat staan onderbouwd, weersproken. Door de verdediging is ook niet verzocht om geheel of gedeeltelijke aanvulling van het dossier door het openbaar ministerie. Evenmin heeft de verdediging zelf door haar van belang geachte stukken overgelegd die in het dossier van het hof ontbreken ter completering ervan. Het feit dat de stukken bij een van de gerechten in het ongerede is geraakt, brengt immers niet met zich mee dat de verdediging niet meer over deze documenten beschikt. Het hof gaat er daarom van uit dat voor zover er stukken uit het dossier kwijt zijn, dit geen voor verdachte ontlastende stukken zijn.

Het hof is van oordeel dat de thans voorliggende stukken voldoende zijn om op grondslag van de tenlastelegging de formele en materiële vragen van respectievelijk de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden. Het hof kan en zal bij de beantwoording van deze vragen geen andere stukken betrekken dan die thans nog deel uitmaken van het dossier en waarover de advocaat-generaal en de verdediging eveneens de beschikking hebben.

Het is het hof niet gebleken dat door het ontbreken van onderdelen van het dossier sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan. Een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de strafvervolging op deze grond is dan ook niet aan de orde.

Het verweer wordt bijgevolg verworpen.”

8. De steller van het middel betoogt dat de verdediging in hoger beroep “heeft aangevoerd dat juist de combinatie van de gigantische overschrijding van de redelijke termijn met de omstandigheid dat het dossier deels in het ongerede is geraakt, […] het voortzetten van de vervolging in strijd maakt met de beginselen van een goede procesorde en dat niet kan worden volstaan met het verdisconteren hiervan in de strafmaat omdat immers niet duidelijk is welke stukken ontbreken en het hof dit ook niet heeft kunnen beoordelen”. Het middel klaagt dat het hof “dit gevoerde verweer omtrent de schending van de redelijke termijn onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen”.

9. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 6, eerste lid, EVRM moet de berechting plaatsvinden binnen een redelijke termijn. Het IVBPR spreekt in art. 14, tweede lid onder c over een berechting zonder onredelijke vertraging. Deze bepalingen beogen te voorkomen dat de verdachte langer dan redelijk is moet leven onder de dreiging van een strafvervolging of – na het instellen van een rechtsmiddel – de voortzetting van die vervolging.1 Omtrent de regels en uitgangspunten inzake de redelijke termijn, heeft de Hoge Raad in 2008 een overzichtsarrest gewezen. Bij die gelegenheid is onder meer bepaald dat de overschrijding van de redelijke termijn, de inzendingstermijn daaronder begrepen, niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen.2 Dat is sindsdien niet veranderd.3 Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het dus.

10. Ik vat het middel zo op dat het ook klaagt dat het voortzetten van de vervolging in strijd is met de beginselen van de goede procesorde nu tevens een deel van het dossier is zoekgeraakt en dat het hof daarom niet kon volstaan met het verdisconteren hiervan in de strafmaat.

11. De vraag die in cassatie voorligt, is of de beslissing van het hof op het verweer, mede gezien hetgeen door de verdediging aan dat verweer ten grondslag is gelegd, begrijpelijk is. Ik meen dat dit het geval is. Het hof heeft onder ogen gezien dat in de loop van de strafprocedure een deel van het strafdossier in het ongerede is geraakt. Het hof stelt vast dat dit reeds gedurende de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (in 2015) het geval was. Destijds gaf de advocaat-generaal al aan dat delen van het dossier ontbraken, maar dat het daarbij slechts ging om voor de verdachte belastende bescheiden en dat de verdachte daardoor niet in zijn verdediging werd geschaad. Het hof heeft vastgesteld dat die stelling door de verdediging niet is weersproken, noch dat is verzocht om gehele of gedeeltelijke aanvulling van het dossier door het openbaar ministerie. Ook heeft de verdediging zelf geen stukken overgelegd die in het dossier van het hof ontbraken. Dat die stukken bij het hof ontbraken, wil naar het oordeel van het hof immers niet zeggen dat de verdediging ze óók niet meer had. Aldus is het hof van oordeel dat voor zover er stukken in het dossier ontbreken, dit geen voor de verdachte ontlastende stukken zijn. Het hof acht zich op grond van het voorliggende dossier voldoende ingelicht om de formele en materiële vragen van art. 348/350 Sv te beantwoorden en overweegt dat het daar geen andere stukken bij zal betrekken dan de stukken die thans deel uit maken van het dossier en waarover de verdediging en de advocaat-generaal ook de beschikking hebben. In zoverre is thans niet sprake van een situatie die vergelijkbaar is met de situatie die ten grondslag lag aan HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4412, waarop de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep een beroep heeft gedaan. In die zaak had de Hoge Raad alleen de beschikking over het verkorte arrest van het hof, het verkorte proces-verbaal van een terechtzitting en de akte waarbij het cassatieberoep is ingesteld en waren de overige stukken in het ongerede geraakt. Dit bracht mee dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak in cassatie niet kon toetsen. De Hoge Raad heeft de zaak om doelmatigheidsredenen vervolgens zelf afgedaan en de inleidende dagvaarding nietig verklaard.

12. Gelet op het voorgaande is het hof – niet onbegrijpelijk – van oordeel dat het gevoerde verweer moet worden verworpen.

13. Het eerste middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt over (de motivering van) de verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer dat het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte wegens schending van het Tallon-criterium.

15. Het hof is van oordeel dat het Tallon-criterium ten aanzien van de verdachte niet is geschonden en heeft hieromtrent het volgende overwogen (cursief in het origineel):

“De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Er is namelijk gebruik gemaakt van een burgerinformant, die verdachte heeft bewogen tot het plegen van strafbare feiten die hij anders niet zou hebben gepleegd. Er is daarom sprake van schending van het zogenoemde Tallon-criterium. Dit dient in de visie van de verdediging primair te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de strafvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt het volgende voorop (vgl. de twee bovengenoemde arresten van de Hoge Raad der Nederlanden in deze zaak van 18 maart 2014, nr. S 13/03122, en van 6 december 2016, nr. S 15/05848). Ingeval sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is 'het belang dat het geschonden voorschrift dient'. De tweede factor is 'de ernst van het verzuim'. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is 'het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt'. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim. Indien de rechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

Het vorenoverwogene brengt mee dat een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376.) Daarvan is onder meer sprake ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht (vgl. het hiervoor in deze zaak als eerst gewezen arrest van de Hoge Raad: HR 29 juni 2010 nr S 07/10545 ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441).

Voor de beoordeling van het verweer gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

a. Volgens een bericht van de CIE zou op 8 april 2005 tussen 13.30 en 14.30 uur bij het Shell-tankstation in de buurt van de nieuwe woonwijk Zeeburg te Amsterdam een overdracht plaatsvinden van een grotere partij valse eurobiljetten. Naar aanleiding van die informatie werd een observatie- en een arrestatieteam geformeerd. Dit laatste team arresteerde op 8 april 2005 bij dat tankstation vijf personen, te weten [betrokkene 1], [verdachte] (verdachte), [betrokkene 2], [medeverdachte 2] en [betrokkene 3]. In één van de voertuigen werd een partij van € 59.000,- aan valse 500 euro-biljetten aangetroffen. Een aantal weken later werd [medeverdachte 3] aangehouden en op 13 september 2005 [betrokkene 4].

b. Op 9 april 2005 verklaarde [betrokkene 1] bij de politie dat hij ongeveer twee weken daarvoor door [betrokkene 4] was benaderd. [betrokkene 4] had hem gevraagd of hij mensen wist die kopietjes van euro’s konden leveren. [betrokkene 1] had daarop geantwoord dat hij in zijn omgeving gezocht had en dat hij was terechtgekomen bij [medeverdachte 3]. Deze [medeverdachte 3] had hem in contact gebracht met [verdachte]. [betrokkene 1] zou er voor zorgen dat deze [verdachte] en [betrokkene 4] elkaar op 8 april 2005 om 13.00 uur bij het (hiervoor genoemde) benzinestation zouden ontmoeten.

c. Op 12 juli 2005 verklaarde [betrokkene 1] bij de politie dat hij bij de zaak betrokken was geraakt door [betrokkene 4]. [betrokkene 4] had hem in december 2004 of januari 2005 al gevraagd of hij aan vals geld kon komen. [betrokkene 4] bleef [betrokkene 1] daarom vragen. Via [medeverdachte 3] heeft hij [verdachte] leren kennen, waarna hij een afspraak heeft geregeld tussen [betrokkene 4] en die [verdachte]. [betrokkene 4] zou € 80.000,- aan valse bankbiljetten kopen voor 35% van de nominale waarde. [betrokkene 1] had aan [betrokkene 4] een proefbiljet overhandigd. Na de overhandiging van dat proefbiljet belde [betrokkene 4] dat hij geleverd wilde hebben. [betrokkene 1] zou voor zijn bemiddeling een percentage van [betrokkene 4] ontvangen. Het initiatief was van [betrokkene 4] uitgegaan. [betrokkene 1] heeft met [betrokkene 4] de afspraak gemaakt om elkaar op vrijdag 8 april 2005 bij het tankstation te ontmoeten.

d. [verdachte] heeft op 9 april 2005 verklaard dat hij door [medeverdachte 3] was benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals geld handelden. Een kennis van hem had vrienden die in vals geld handelden en via die kennis kreeg hij het telefoonnummer van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] vertelde aan hem, [verdachte], dat hij valse euro's kon leveren voor 35% van de nominale waarde. [verdachte] heeft op verzoek van [betrokkene 1] geregeld dat [betrokkene 2] naar Amsterdam zou komen. Bij het tankstation was [betrokkene 2] met nog twee andere personen (hof: [medeverdachte 2] en [betrokkene 3]).

e. Reeds kort na zijn aanhouding op 13 september 2005 heeft [betrokkene 4] verklaard over zijn rol in deze kwestie. Op 13 september 2005 verklaarde hij dat hij [betrokkene 1] had gevraagd een (vals) proefbiljet van € 500,- te leveren. Bij de levering deelde [betrokkene 1] mee dat er een partij van € 80.000,- aan valse biljetten beschikbaar was. [betrokkene 4] zou tegen [betrokkene 1] hebben gezegd dat hij mogelijk belangstelling had. [betrokkene 4] hield een slag om de arm, omdat het doorgaan van de transactie afhing van wat de CIE hiermee wilde. [betrokkene 4] had de CIE-man verteld dat hij een afspraak kon maken waarbij € 80.000,- aan valse euro's aan hem geleverd kon worden. [betrokkene 4] heeft afspraken gemaakt over het tijdstip en moment van levering, waarna hij de CIE meedeelde dat de valse biljetten van de straat gehaald konden worden. De CIE ging daarmee akkoord. [betrokkene 4] zou op 7 april 2005 telefonisch contact met de CIE hebben gehad. De CIE zou volgens hem hebben gevraagd of hij voor elkaar zou kunnen krijgen dat de € 80.000,- aan valse euro's daadwerkelijk geleverd konden worden. De CIE zou dan een 'plan de campagne' maken om in te grijpen. [betrokkene 4] heeft tenslotte verklaard dat hij na de actie van 8 april 2005 van de CIE € 1.750,- heeft ontvangen.

f. De CIE-man met wie [betrokkene 4] op en vóór 8 april 2005 contact had, de zogenoemde runner, wordt ‘de Oudste' genoemd. De Oudste heeft in de loop van deze procedure verschillende verklaringen afgelegd en heeft volgehouden dat hij niet wist dat [betrokkene 4] een initiërende en centrale rol had gespeeld bij de levering van de valse 500 euro-biljetten.

g. [betrokkene 4] is in 2004 en 2005 als burgerinformant in twee verschillende rayons in meerdere zaken tegen betaling voor de CIE werkzaam geweest. Hij stond bij die dienst bekend als een initiatiefrijke, 'pro-actieve' en ervaren informant.

h. Op 6 april 2005 informeerde [betrokkene 4] zijn CIE-runner 'de Oudste’ tussen 14.45 en 14.50 uur telefonisch over een partij van € 80.000,- aan valse 500 euro-biljetten, waarmee 'iemand rond rijdt' en het feit dat hij zelf in bezit is van een vals 500 euro-biljet en 'een gedeelte' weet van 'de identiteit'.

i. De door 'de Oudste' en [betrokkene 4] met betrekking tot het valse 500 euro-biljet gegeven verklaringen lopen uiteen over de inhoud van het advies c.q. de opdracht van de runner aan de informant met betrekking tot het valse biljet, maar komen in essentie hierin overeen dat [betrokkene 4] zich zo spoedig mogelijk ('als de weerga') van het valse biljet moest ontdoen.

j. Het CIE-journaal van 6 april 2005 bevat in zeven regels een weergave van het contact tussen runner en informant en eindigt met de woorden 'Gezegd hierop terug te komen'. Het bevat geen specifieke vragen, nadere afspraken of opmerkingen van de runner over het feit dat [betrokkene 4] in het bezit was van een vals 500 euro-biljet, over de wijze waarop hij in het bezit daarvan was gekomen en zijn wetenschap over en/of betrokkenheid bij de partij van € 80.000,- aan valse euro's.

k. Over de vraag of en hoe hierop later nog is teruggekomen en over de frequentie van het contact tussen de CIE-runner en zijn informant over deze kwestie verschillen de verklaringen van beiden aanzienlijk. [betrokkene 4] verklaart dat tussen 6 april 14.50 uur en 8 april 2005 te 11.05 uur een aantal telefonische contacten tussen hen beiden hebben plaatsgevonden, terwijl 'de Oudste' verklaart dat er in die periode geen contact (meer) is geweest.

l. In strijd met de binnen de CIE geldende regels ter waarborging van een rechtmatige gang van zaken en een adequate controleerbaarheid is [betrokkene 4] met betrekking tot zijn inzet niet gerund door een koppel van twee runners, maar solo door 'de Oudste'.

m. Volgens het CIE-journaal van die dag lichtte [betrokkene 4] zijn runner op 8 april 2005 om 11.05 uur telefonisch in over een overdracht van een partij vals geld van € 80.000,- op diezelfde dag om 13.45 uur bij een tankstation bij de Zeeburgerdijk te Amsterdam, waarbij een zekere '[betrokkene 5]' en een blauwe Opel Vectra, waarin zich het valse geld zou bevinden, zouden zijn betrokken.

n. De verklaringen van de runner en zijn informant lopen uiteen over het tijdstip van de overdracht, in het bijzonder over het verzetten/verlaten van dat tijdstip om voldoende tijd en gelegenheid te hebben voor het treffen van politiële maatregelen rond de overdracht van de partij vals geld en het ingrijpen daarbij door de politie.

o. Het journaal van de runner van 8 april 2005 bevat voorts de strofe: 'Op mijn vraag wat de rol van info (naar het hof begrijpt: informant) is antwoordde hij hier geen enkele rol in te spelen', en de opmerking van informant geen enkel gevaar te duchten te hebben, gevraagd naar zijn afscherming.

p. Op basis van deze informatie werd door [verbalisant], die de coach was van runner 'de Oudste' en die tevens fungerend chef van de CIE was, en met wie op 8 april 2005 telefonisch voor het eerst over deze zaak was gesproken, 'er op geïnvesteerd', een proces-verbaal opgemaakt en per fax verzonden aan de CIE van de afdeling Nationale Recherche Randstad Noord.

q. Volgens hetzelfde dag-journaal lichtte [betrokkene 4] zijn runner 'de Oudste' om 14.15 uur telefonisch in - na een daaraan voorafgegaan SMS-bericht van [betrokkene 4] - dat hij gebeld werd 'dat men er al 45 minuten staat en dat er niemand is, dat de kopers de zaak niet vertrouwd hebben en door zijn gereden'.

r. Een (observatie)team van de politie, dat na het onder p. genoemde proces-verbaal van [verbalisant] op de hoogte is gesteld van de vermoedelijke overdracht van een partij vals geld, observeerde diezelfde middag de ontmoeting bij bedoeld tankstation, waarbij [betrokkene 4] niet aanwezig was, hield de verdachten aan, doorzocht de betrokken voertuigen en nam een partij van € 59.000.- aan valse biljetten van € 500,- in beslag.

s. In het CIE-journaal van 8 april 2005 is vermeld dat [betrokkene 4] is gevraagd naar zijn rol en afscherming in deze zaak. Voorts is in dit journaal vermeld (mutatie 11.12 uur) dat na het telefoongesprek van 14.15 uur (?) informant 'kennelijk meer er bij betrokken' is dan in het eerste gesprek werd gesuggereerd, waarop evenwel niet meer is teruggekomen in het gesprek dat op de avond van 8 april 2005 tussen [verbalisant], [betrokkene 4] en 'de Oudste' plaatsvond. In elk geval blijkt daarvan niet uit het journaal.

t. [betrokkene 4] is vervolgens in de periode van april tot september 2005 ongewijzigd als informant voor de CIE werkzaam geweest, tot het moment van zijn aanhouding medio september 2005 in deze zaak op verdenking van betrokkenheid bij de handel in vals geld.

u. Het openbaar ministerie heeft de verdachten en de overige procesdeelnemers, onder wie ook de rechters van de rechtbank die over de vrijheidsbeneming van de verdachten te beslissen hadden, in dat stadium van de strafrechtelijke procedure niet ingelicht over deze aan de aanhoudingen voorafgegane, met bijstand van een burgerinformant ondernomen, opsporingsactiviteiten noch anderszins in het strafdossier verslag gedaan van de in nauw overleg tussen de runner en de informant bepaalde gedragslijn die leidde tot de onderschepping van de partij vals geld, de aanhouding van verdachte en medeverdachten en tot het daarop gevolgde strafrechtelijk onderzoek.

v. Pas maanden na de aanhouding van de verdachte(n), maar vóór de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg, is dankzij de proceshouding van [betrokkene 4] de in deze zaak gevolgde bijzondere opsporingsmethode bekend geworden aan (mede)verdachte(n) en hun raadslieden. De aangehouden verdachten zaten in dat stadium van de strafprocedure allemaal in voorlopige hechtenis.

Het hof overweegt voorts het volgende.

In de zaak van medeverdachte [betrokkene 1] heeft het gerechtshof 's-Gravenhage bij arrest van 25 juni 2007 (ECLI:NL:GHSGR:2007:BA8171) onder meer het volgende geoordeeld: 'Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest in verband met de delicten inzake de handel en gebruik van vals geld. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte de strafbare feiten zou hebben gepleegd als [betrokkene 4] (die optrad als informant voor de CIE) hem daartoe niet had overgehaald. Onder andere het feit dat [betrokkene 4] door de overheid kreeg betaald voor het verstrekken van informatie over strafbare feiten heeft hem er kennelijk toe gebracht verdachte over te halen om te bemiddelen bij de vals geld transactie. [betrokkene 4] heeft kunnen handelen zoals hij gehandeld heeft, omdat het toezicht van de CIE faalde. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte als gevolg van aan de overheid toe te rekenen omstandigheden is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet was gericht en dat alleen al om die reden geen veroordeling kan volgen.'

Het tegen dit arrest ingestelde beroep in cassatie is verworpen (zie HR 29 juni 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL0655).

Het hof gaat er daarom van uit dat tegen medeverdachte [betrokkene 1] sprake is geweest van schending van het Tallon-criterium, in die zin dat CIE-informant [betrokkene 4], die kan worden aangemerkt als een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, [betrokkene 1] heeft gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd. Dat [betrokkene 4] dat op eigen initiatief heeft gedaan en niet in opdracht van de politie of het openbaar ministerie doet daar niet aan af.

Dat het Tallon-criterium jegens [betrokkene 1] is geschonden, betekent echter niet dat dat ook jegens verdachte het geval is. Uit de hiervoor onder a. tot en met v. weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat [betrokkene 4] medeverdachte [betrokkene 1] heeft benaderd met de vraag of hij mensen wist die kopietjes van euro's konden leveren. [betrokkene 1] heeft op zijn beurt, uit eigen beweging, contact gezocht met verdachte en verdachte heeft [verdachte] benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals geld handelde. [verdachte] heeft vervolgens via een kennis contact gezocht met [betrokkene 2], die valse euro’s kon leveren.

Verdachte heeft (in dit stadium) dus geen direct contact gehad met CIE-informant [betrokkene 4]. Verdachte is dan ook niet door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, gebracht tot het begaan van dé strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd. Het zogenoemde Tallon-criterium is ten aanzien van verdachte derhalve niet geschonden.

Het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt derhalve verworpen.

Ook overigens zijn er geen gronden gebleken of aannemelijk geworden die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging in de weg staan. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de strafvervolging.”

16. De steller van het middel klaagt dat het hof het namens de verdachte gevoerde verweer dat sprake is van schending van het Tallon-criterium, niet begrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Met de redenering dat schending van het Tallon-criterium in de zaak van de medeverdachte ([betrokkene 1]) niet met zich meebrengt dat dit criterium ook in de zaak van de verdachte geschonden, miskent het hof dat als de informant geen contact had gezocht met [betrokkene 1], [betrokkene 1] op zijn beurt geen contact had gezocht met de verdachte en dat de verdachte dan geen strafbaar feit zou hebben gepleegd. Uit het dossier blijkt immers niet dat de verdachte reeds plannen had om een strafbaar feit te plegen. De enkele vaststelling van het hof dat de verdachte geen direct contact heeft gehad met de informant, rechtvaardigt dus niet de conclusie dat geen sprake is van schending van het Tallon-criterium, aldus het middel.

17. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. In HR 4 december 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7429, NJ 1980/356 m.nt. Th.W. van Veen, heeft de Hoge Raad het standaardcriterium voor uitlokking geformuleerd, het zogenoemde Tallon-criterium. In de zaak die voorafging aan deze uitspraak, sloot de verdachte, Bruce Tallon, die al enige tijd in drugs handelde, een deal met twee personen die later (undercover)agenten van het Amerikaanse Drug Enforcement Agency bleken te zijn. Zij deden zich voor als (mede)criminelen en (mede)handelaren in verdovende middelen, om in overleg met hun chef en in samenwerking met de politie en de officier van justitie op een later tijdstip de aanhouding van één of meer verdachten te bewerkstelligen. In de strafprocedure werd het verweer gevoerd dat de verdachte door de agenten tot de deal zou zijn aangezet en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Door zowel de rechtbank als het hof werd dit optreden echter aanvaard.4 Omdat het openbaar ministerie het van belang achtte dat ook de Hoge Raad zich over deze opsporingsmethodiek zou uitspreken, werd cassatie in het belang der wet ingesteld. Nu de verdachte door het optreden van de beide agenten niet was gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds was gericht, oordeelde ook de Hoge Raad dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet aan de orde was. Aldus mag volgens het (Tallon-)criterium een infiltrant zijn wederpartij niet tot andere handelingen brengen dan hij reeds van plan was. Zou de infiltrant dat wel doen, dan zou de overheid criminaliteit bevorderen. Dat zou niet alleen in strijd zijn met het Tallon-criterium, maar ook met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM.5

18. Tot aan de dag van vandaag wordt infiltratie in de kern genormeerd door het Tallon-criterium, dat voor deze bijzondere opsporingsmethode inmiddels in art. 126h, tweede lid, Sv is verankerd. De wetgever heeft dit criterium tevens voor andere in het Wetboek van Strafvordering geregelde bijzondere opsporingsbevoegdheden in de wet opgenomen.6 En ook als sprake is van een niet specifiek in de wet geregelde wijze van opsporing, moet worden aangenomen dat de opsporingsautoriteiten alleen bevoegd zijn haar in te zetten indien zij geen disproportionele inbreuk maakt op grondrechten van burgers en de gebruikte methode niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.7 In geval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht, is door de opsporingsambtenaar dan wel de persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, ernstig inbreuk gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.8

19. Het “opzet” als bedoeld in het Tallon-criterium moet worden opgevat als ‘intentie’. Dat heeft tot gevolg dat het uitlokken tot bijvoorbeeld een concrete drugstransactie van iemand die reeds tot over zijn oren in de drugshandel zit, ook al is dit in juridisch-technische zin uitlokking, niet onrechtmatig is.9 Uitlokking op zichzelf is dus nog niet voldoende om tot het oordeel te komen dat iemand is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. Het kan immers zijn dat ook zonder het handelen van de vermeende uitlokker de verdachte bepaalde misdrijven zou hebben gepleegd.10 Voorts is niet vereist dat de verdachte reeds een begin heeft gemaakt met de gedragingen die hem (uiteindelijk) worden verweten.

20. Het Tallon-criterium kwam eveneens aan de orde in drie met de onderhavige zaak samenhangende uitspraken van de Hoge Raad uit 2010 (NJ 2010, 440-442 m.nt. T.M. Schalken). De feitelijke gang van zaken is door de annotator Schalken als volgt kernachtig samengevat:

“De CIE krijgt een tip over een op stapel staande valsgeldtransactie in Amsterdam waar een auto met valse biljetten van € 500 zou rondrijden. De tip was afkomstig van een bekende, ervaren, initiatiefrijke en ‘pro-actieve’ burgerinformant die tegen betaling de politie geregeld van informatie voorzag. Deze informant was van de voorgenomen transactie op de hoogte geraakt, nadat hij zelf een Turkse man (zaak NJ 2010/440) diverse malen had benaderd met de vraag hoe hij aan vals geld kon komen. De Turk liet zich overhalen en kwam via via in contact met enkele Bulgaren, waarna hij de informant in het bezit stelde van een proefbiljet van € 500. Deze informeerde de CIE over twee Bulgaren die in de auto met vals geld in Amsterdam rondreden. Bij hun arrestatie op de plaats van afspraak werd een partij van € 59.000 aan valse biljetten van € 500 in beslag genomen (zaken NJ 2010/441 en 442).”11

21. De zaak HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655, NJ 2010/440 draaide om medeverdachte [betrokkene 1], de zojuist genoemde Turkse man die door de burgerinformant was benaderd. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441 en HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0656, NJ 2010/442, betroffen de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 3], de twee Bulgaren. In al deze zaken had het hof geoordeeld dat de runner het reële risico onder ogen had moeten zien van een mogelijke betrokkenheid van de informant bij de overdracht van vals geld, die “gelijkenis vertoonde met die van de burgerpseudo-koper ex art. 126ij Sv, zonder dat aan enige daaraan in dat artikel gestelde formele voorwaarde was voldaan.”

22. De Hoge Raad stelde in alle drie de zaken het volgende voorop:

“2.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Ingeval sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient". De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt". Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.

Indien de rechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

Het vorenoverwogene brengt mee dat een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (Vgl. HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376).

Daarvan is sprake ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht.”12

23. In HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655, NJ 2010/440 ([betrokkene 1]) oordeelde de Hoge Raad daarop als volgt:

“'s Hofs overwegingen geven niet blijk van miskenning van hetgeen onder 2.4 is vooropgesteld. Zijn oordeel (dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging verklaard dient te worden, D.P.) is in het licht van de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden toereikend gemotiveerd. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.”

24. In HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441 ([medeverdachte 2]) oordeelde de Hoge Raad als volgt:

“'s Hofs oordeel dat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, is niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd.”

25. In HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0656, NJ 2010/442 ([betrokkene 3]) oordeelde de Hoge Raad ten slotte als volgt:

“In aanmerking genomen dat het Hof zijn beslissing mede heeft doen steunen op de omstandigheid dat de verdachte "niet tijdig [is] geïnformeerd door het OM over de handelwijze van [betrokkene 4] en dat had wel gemoeten omdat die informatie (zoals blijkt uit het vonnis van de rechtbank) van invloed had kunnen zijn op de te nemen eindbeslissing en (daardoor) op beslissingen inzake de voorlopige hechtenis", en dat volgens het Hof niet gezegd kan worden dat de verdachte "door toedoen van de informant is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet gericht was", is 's Hofs oordeel dat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, niet begrijpelijk. Daarbij verdient opmerking dat hetgeen het Hof voorts nog heeft overwogen en in het bijzonder zijn keuze van "de zwaarst mogelijke sanctie, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het OM" teneinde "zowel de CIE als het OM te doordringen van de ernst van de situatie", onvoldoende grond oplevert voor de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.”

26. De zaak van de verdachte in de onderhavige zaak is enkele jaren later door de Hoge Raad behandeld (HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:637). Zijn rol in het geheel was, kort gezegd, dat de medeverdachte [betrokkene 1] – gelet op de vraag van de informant – in zijn omgeving is gaan zoeken naar mensen die kopietjes van euro’s konden leveren en daardoor bij de medeverdachte [medeverdachte 3] uitkwam. Die [medeverdachte 3] heeft op zijn beurt de verdachte benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die vals geld konden leveren. Dat was het geval, waarop de verdachte op verzoek van [betrokkene 1] heeft geregeld dat de leverancier van het valse geld ([betrokkene 2]) naar Amsterdam zou komen voor een ontmoeting met de informant. Onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad in voornoemde zaken uit 2010 (NJ 2010, 440-442 m.nt. T.M. Schalken) had vooropgesteld, overwoog de Hoge Raad in de zaak van de verdachte het volgende:

“2.4.

‘s Hofs oordeel dat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, is niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd.”

27. Resumerend kan uit het voorgaande worden opgemaakt dat een verdachte die is uitgelokt met schending van het Tallon-criterium vanaf de start geen eerlijk proces heeft gehad, waardoor de sanctie van niet-ontvankelijkheid in beeld komt. Van een schending van het Tallon-criterium is echter geen sprake in het geval een verdachte wordt uitgelokt terwijl hij zich reeds inlaat met criminele activiteiten en/of indien zijn opzet reeds gericht was op het strafbare feit. Daarbij komt verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak ook niet in het gedrang indien niet is vastgesteld dat hij door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd.

28. Terug naar het onderhavige geval. De feitelijke gang van zaken staat niet ter discussie. Zoals ik reeds (deels) besprak – en voor zover hier relevant – komt die er op neer dat medeverdachte [betrokkene 1] door een informant (van de politie) is gevraagd of hij iemand wist die kopietjes van eurobiljetten kon leveren, waarop die [betrokkene 1] in zijn omgeving is gaan rondvragen en bij de medeverdachte [medeverdachte 3] is uitgekomen. [medeverdachte 3] heeft [betrokkene 1] daarop in contact gebracht met de verdachte. [betrokkene 1] zou er daarna weer voor zorgen dat de verdachte en de informant elkaar zouden ontmoeten. Het hof heeft hieromtrent overwogen dat ten aanzien van [betrokkene 1] sprake is van schending van het Tallon-criterium, in die zin dat de informant, die kan worden aangemerkt als persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, [betrokkene 1] heeft gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd. Dat geldt volgens het hof echter niet voor de verdachte. De informant heeft [betrokkene 1] benaderd met de vraag of hij mensen wist die kopietjes van euro’s konden leveren. [betrokkene 1] heeft op zijn beurt en uit eigen beweging contact gezocht met de medeverdachte [medeverdachte 3] en die heeft de verdachte benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals gelde handelde. De verdachte heeft vervolgens via een kennis contact gezocht met [betrokkene 2] die de valse euro’s kon leveren. De verdachte heeft dus geen direct contact gehad met de informant en is dus ook niet door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, gebracht tot het begaan van strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd, aldus het hof.

29. De steller van het middel betoogt – in weerwil van het oordeel van het hof – dat door het handelen van de informant “de bal is gaan rollen”. Als de informant geen contact had gezocht met [betrokkene 1], had die [betrokkene 1] op zijn beurt geen contact gezocht met de verdachte en had de verdachte het strafbare feit niet gepleegd. Aldus miskent het hof dat het enkele feit dat de verdachte geen direct contact heeft gehad met de informant niet de conclusie rechtvaardigt dat geen sprake is van schending van het Tallon-criterium, aldus het middel.

30. Gezien hetgeen ik voorop heb gesteld, vergt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het Tallon-criterium dat de verdachte i) is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl het opzet van de verdachte tevoren niet reeds op het begaan van het strafbare feit was gericht en ii) dat hij hiertoe is gebracht door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is.

31. Gezien het oordeel van het hof, stuit een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het Tallon-criterium in de onderhavige zaak reeds af op het hiervoor onder ii) genoemde vereiste. Het hof heeft immers aangegeven dat en waarom het van oordeel is dat de verdachte in de onderhavige zaak niet door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd. Het heeft daartoe vastgesteld dat [betrokkene 1] uit eigen beweging (hetgeen ik begrijp als: zonder specifieke sturing door de politie of de informant) eerst de medeverdachte [medeverdachte 3] en daarna de verdachte heeft benaderd, waarop de verdachte op zijn beurt met weer een ander contact heeft gezocht, en dat de verdachte dus geen direct contact met de informant heeft gehad.13 Het oordeel van het hof is daarmee niet onbegrijpelijk. Voor zover de steller van het middel tracht te betogen dat het hof bij zijn beoordeling niet had mogen betrekken dat de verdachte geen direct contact met de informant heeft gehad, terwijl een schending van het Tallon-criterium ten aanzien van [betrokkene 1] automatisch zou doorwerken in daarop volgende schakels, geldt dat dit standpunt geen steun vindt in het recht. Het middel faalt in zoverre.

32. De vraag of en in hoeverre bij de verdachte reeds bestaand opzet aanwezig was voor het plegen van een strafbaar feit, heeft het hof – gezien het voorgaande – vervolgens niet-onbegrijpelijk in het midden gelaten. Die vraag wordt, in aanmerking genomen hetgeen ik heb vooropgesteld, eerst relevant indien de verdachte door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd, terwijl het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat hiervan geen sprake is. Ook voor zover de steller van het middel daarover klaagt, faalt die klacht.

33. Het tweede middel faalt.

34. Het eerste en het tweede middel falen en het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

35. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

36. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst in Handboek Strafzaken, 45.7.3.3 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging (online bijgewerkt tot 1 mei 2018).

2 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis (Redelijke termijn II), r.o. 3.5.1.

3 Een poging daartoe werd gedaan door mijn ambtgenoot Spronken in het geval de verdachte een jeugdige betrof. De Hoge Raad bleef echter bij zijn standpunt dat bij een overschrijding van de redelijke termijn – ook bij jeugdigen – niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie volgt, zie HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465, NJ 2016/40 m.nt. P.A.M. Mevis. In 2018 strandde vervolgens ook een nieuwe poging van mijn voormalige ambtgenoot Vellinga. Zie HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558, NJ 2019/82 m.nt. P.A.M. Mevis.

4 Zie: R. ter Haar en G.H. Meijer, Vormverzuimen, Wolters Kluwer: Deventer 2011, p. 128.

5 Zie: P.M. Frielink, ‘Een kwart eeuw infiltratie. Een beperkte update en een enkele terugblik’ in E.J. Hofstee, O.J.D.M.L. Jansen & A.M.G. Smit (red), Kringgedachten: opstellen van de Kring Corstens, Wolters Kluwer: Deventer 2014, p. 141.

6 Zie o.a. voor burgerpseudo-koop en pseudodienstverlening: art. 126ij, derde lid, Sv.

7 Vgl. HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:298, r.o. 4.3.2.

8 Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376.

9 Zie wederom R. ter Haar en G.H. Meijer, Vormverzuimen, Wolters Kluwer: Deventer 2011, p. 129. Zie ook (wederom) P.M. Frielink, ‘Een kwart eeuw infiltratie. Een beperkte update en een enkele terugblik’ in E.J. Hofstee, O.J.D.M.L. Jansen & A.M.G. Smit (red), Kringgedachten: opstellen van de Kring Corstens, Wolters Kluwer: Deventer 2014, p. 142.

10 Zie: E.M. Moerman, Inburgeren in de opsporing, Over de juridische positie van de burger in de opsporing van strafbare feiten, Gildeprint: Enschede 2016, p. 136.

11 Zie de noot onder HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655, NJ 2010/442 van T.M. Schalken, onder punt 1.

12 Zie: HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655, NJ 2010/440; HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441 en HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0656, NJ 2010/442. Zie ook HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:637, RvdW 2014/506 (de medeverdachte [verdachte]).

13 Deze laatste vaststelling is mogelijk ingegeven door de aan HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:637 voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2014:163) onder punt 6 en 7.