Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:116

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-02-2020
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
19/00755
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:541
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Betekening verstekarrest, art. 588 en 366 Sv. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat binnen één jaar na het wijzen van het verstekarrest pogingen zijn ondernomen om de verstekmededeling op rechtsgeldige wijze te betekenen. De verstekmededeling is dus niet zo spoedig mogelijk ex art. 366 lid 1 Sv aan de verdachte betekend, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De AG adviseert de Hoge Raad het bestreden arrest te vernietigen voor wat betreft de hoogte van opgelegde straf en deze te verminderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00755

Zitting 11 februari 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

Het gerechtshof Den Haag heeft bij verstekarrest van 26 juli 2013 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2013, met aanvulling en verbetering, bevestigd. Bij dit vonnis is de verdachte wegens onder 1 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en onder 2 “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 197 dagen, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr, en waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren en voorwaarden zoals nader in het vonnis is vermeld.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, nadien opgevolgd door mr. I. van Straalen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat de artikelen 366 jo. 415 Sv en 6 EVRM zijn geschonden, doordat na het wijzen van het arrest bij het betekenen van de verstekmededeling onvoldoende voortvarendheid is betracht, als gevolg waarvan de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

2.2.

In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3638 overwoog de Hoge Raad:

“3.3.1. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.

Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:

a. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend

1. hetzij aan de verdachte in persoon,

2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.

b. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, en indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv (vgl. HR 17 juli 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.19).

3.3.2.

Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat een verdachte, die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen, zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht kan beroepen op schending van de hiervoor genoemde verdragsbepaling.”

2.3.

Uit de zich op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat binnen één jaar na het wijzen van het verstekarrest op 26 juli 2013 pogingen zijn ondernomen om de betreffende verstekmededeling op de wijzen voorzien in art. 588 Sv te betekenen. Uit deze stukken kan ik enkel opmaken dat pas op 12 mei 2017 is getracht een verstekmededeling uit te reiken aan de verdachte. De verstekmededeling is dus niet met de nodige voortvarendheid als bedoeld in art. 366 lid 1 Sv aan de verdachte betekend, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.1 Dit dient te leiden tot strafvermindering naar de gebruikelijke maatstaf.2

2.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Conclusie

3.1.

Het middel slaagt.

3.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, en tot vermindering daarvan door de Hoge Raad naar diens gebruikelijke maatstaf.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 2 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:3475.

2 Vgl. HR 17 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358.