Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1159

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-12-2020
Datum publicatie
14-01-2021
Zaaknummer
20/01662
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:700, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Rechterswissel tussen pleidooi en uitspraak. Schending onmiddellijkheidsbeginsel? Vgl. HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01662

Zitting 4 december 2020

CONCLUSIE

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

[de man]

(de man)

tegen

[de vrouw]

(de vrouw)

Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof het onmiddellijkheidsbeginsel heeft geschonden. In het cassatiemiddel wordt als feitelijk novum aangevoerd dat (i) voorafgaand aan het eindarrest geen mededeling is gedaan van vervanging van twee raadsheren die bij het pleidooi in de zetel zaten en (ii) ten tijde van het eindarrest het proces-verbaal ontbreekt van een voordien gehouden comparitie ten overstaan van één raadsheer waarbij partijen in de gelegenheid zouden zijn gesteld hun stellingen toe te lichten.

1 Feiten en procesverloop

Feiten 1

1.1

Partijen, die beiden zowel de Nederlandse als de Iraanse nationaliteit bezitten2, zijn op 1 juli 2001 in Iran met elkaar gehuwd.

1.2

Ter gelegenheid van het huwelijk hebben partijen naar Iraans recht een huwelijkscontract afgesloten waarin een door de man te betalen bruidsgave (door partijen genoemd ‘mehriye’) is opgenomen.

1.3

Op 17 september 2015 heeft de vrouw, vooruitlopend op een procedure tot echtscheiding, een verzoekschrift voorlopige voorzieningen ingediend bij de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle. Kort daarna is de man voor een familiebezoek naar Iran gereisd, waarna hij – in verband met de door de vrouw aldaar opgeëiste en door de man niet betaalde bruidsgave – het land niet meer mocht verlaten, en het voor hem niet mogelijk bleek om terug te reizen naar Nederland.

1.4

In oktober 2015 heeft de vrouw bij genoemde rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend.

1.5

In februari 2016 heeft de man, die toen nog steeds in Iran verbleef, via een advocaat bij de rechtbank een kort geding aanhangig gemaakt. Hij heeft daarin gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld tot het bewerkstelligen dat zijn gijzeling in Iran zou worden opgeheven. Tijdens de mondelinge behandeling op 11 februari 2016 zijn partijen (de man was niet aanwezig maar werd vertegenwoordigd door zijn advocaat, die telefonisch contact met hem had) het volgende overeengekomen:

- De man betaalt als voorschot op de mehriye een bedrag van tenminste € 60.000,00, af te betalen in maandelijkse termijnen van € 250,-, te beginnen vanaf 1 april 2016.

- De vrouw zal hier tegenover haar advocaat in Iran vandaag nog opdracht geven om te bewerkstelligen dat de man Iran kan verlaten.

- Over het restant van de mehriye zullen partijen verder onderhandelen of procederen, dat laatste in Iran als dat mogelijk is en als dat niet mogelijk is zal zo nodig in Nederland over het restant geprocedeerd worden.

- De vrouw geeft met het bovenstaande haar recht op partneralimentatie en kinderalimentatie niet prijs.

- De man zal bewerkstelligen dat de vrouw en de kinderen zelfstandig kunnen reizen, op eigen paspoort, naar Iran en andere landen.

1.6

De man heeft Iran op 22 februari 2016 verlaten.

1.7

Bij brief van 29 februari 2016 heeft de man aan de vrouw medegedeeld de vaststellingsovereenkomst van 11 februari 2016 buitengerechtelijk te ontbinden wegens wanprestatie van haar kant, bestaande uit het niet bewerkstelligen van zijn vrijlating op 11 februari 2016.

1.8

Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 15 juni 2016 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 2 november 2016 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage.

Procesverloop 3

1.9

Bij inleidende dagvaarding van 23 juni 20164 heeft de vrouw de man gedagvaard voor de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle. Zij heeft, na eiswijziging, gevorderd5:

- voor recht te verklaren dat de man op onjuiste gronden de buitengerechtelijke ontbinding heeft ingeroepen van de op 11 februari 2016 ten overstaan van de voorzieningenrechter te Zwolle tussen partijen tot stand gekomen schikkingsovereenkomst, en voorts voor recht te verklaren dat deze overeenkomst nog onverkort voortduurt totdat de rechtbank in de onderhavige procedure uitspraak heeft gedaan;

- voor recht te verklaren dat partijen zijn gebonden aan de onherroepelijk geworden uitspraken van de Iraanse rechtbank van 17 maart 2014 en 5 december 2015, waarbij de omvang van de aan de vrouw toekomende bruidsschat is vastgesteld op 1356 Bahar-e-Azadi gouden munten, omgerekend € 449.708,-, en de man te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting dit bedrag aan de vrouw te voldoen, te verminderen met de termijnen die de man reeds uit hoofde van het proces-verbaal van 11 februari 2016 heeft voldaan en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

1.10

De man heeft verweer gevoerd en heeft in reconventie – samengevat – primair gevorderd te bepalen dat de overeenkomst van 11 februari 2016 is ontbonden, subsidiair dat deze is vernietigd en (voorwaardelijk, indien de man wordt veroordeeld tot betaling van een geldbedrag) te bepalen dat het geldbedrag dient te worden verrekend met het aandeel van de vrouw in de hypotheek.

1.11

De rechtbank heeft bij vonnis van 8 maart 2017 in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie bepaald dat de overeenkomst tussen partijen van 11 februari 2016 is ontbonden en het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.12

De vrouw is van dit eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden en heeft de zaak ter rolle van 27 juni 2017 aangebracht. De man is bij advocaat verschenen.

Vervolgens heeft het hof bij arrest van 1 augustus 2017 (hierna: het tussenarrest) een comparitie van partijen gelast en bepaald dat deze op 8 december 2017 zou worden gehouden.

1.13

De vrouw heeft daarna bij memorie van grieven vijf grieven aangevoerd en – zakelijk weergegeven – gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en de vorderingen van de vrouw (in conventie) alsnog worden toegewezen, en die van de man (in reconventie) worden afgewezen.

1.14

De man heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw en tot bekrachtiging van het vonnis van 8 maart 2017 van de rechtbank.

1.15

Op 12 september 2019 heeft een pleidooi plaatsgevonden.

1.16

In het door het hof vermelde procesverloop is niets vermeld over een daarna, te weten op 5 november 2019, plaatsgevonden comparitie. Zie daarover hierna onder 2.4 en 2.18-2.19.

1.17

Na verdere aktewisseling (met producties) heeft het hof, voor zover thans van belang, bij arrest van 31 maart 2020 (hierna: het eindarrest):

- het vonnis van de rechtbank van 8 maart 2017 vernietigd, en opnieuw recht doende:

- voor recht verklaard dat de man op onjuiste gronden de buitengerechtelijke ontbinding heeft ingeroepen van de op 11 februari 2016 ten overstaan van de voorzieningenrechter te Zwolle tussen partijen tot stand gekomen schikkingsovereenkomst, en dat deze overeenkomst nog onverkort voortduurt tot 31 maart 2020;

- voor recht verklaard dat partijen zijn gebonden aan de beslissing van de Iraanse rechtbank van 17 maart 2014, waarbij de omvang van (een gedeelte van) de aan de vrouw toekomende bruidsgave is vastgesteld op 756 Bahar-e-Azadi gouden munten;

- de man veroordeeld om 756 Bahar-e-Azadi gouden munten aan de vrouw te voldoen, te verminderen met hetgeen de man uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst van 11 februari 2016 al aan de vrouw heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- het arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.18

De man heeft tegen dit eindarrest tijdig6 cassatieberoep ingesteld.

Tegen de vrouw is verstek verleend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat een inleiding en twee klachten (onderdelen).

2.2

Onderdeel 1 klaagt dat het hof het recht heeft geschonden door van de vervanging van twee raadsheren na het pleidooi van 12 september 2019, niet voorafgaand aan de uitspraak van 31 maart 2020 mededeling te doen aan partijen, onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum. Het hof heeft het partijen daarmee ten onrechte onmogelijk gemaakt om gebruik te maken van het recht om een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de raadsheren door wie de uitspraak zou worden gewezen. In het onderhavige geval zou een verzoek daartoe niet hebben mogen worden afgewezen, omdat van de eerdere pleidooizitting geen proces-verbaal was opgemaakt dat uiterlijk tegelijk met de hiervoor bedoelde mededeling aan partijen ter beschikking is gesteld, aldus het onderdeel.7

2.3

Volgens onderdeel 2 heeft het hof het recht geschonden omdat geen proces-verbaal is opgemaakt van de comparitie van 5 november 2019 (die mede tot doel had, althans is gebruikt om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, en die plaatsvond in een meervoudig te beslissen zaak ten overstaan van één raadsheer(-commissaris)), en omdat zodanig proces-verbaal niet voorafgaand aan de uitspraak van 31 maart 2020 aan partijen is gezonden en ter beschikking is gesteld van de meervoudige kamer door welke de uitspraak zou worden gewezen.8

2.4

In de inleiding op beide onderdelen wordt in de eerste plaats gesteld dat voor het cassatieberoep feiten van belang zijn die niet uit het arrest van het hof blijken, en dat de processen-verbaal waaruit die feiten wel zouden kunnen blijken, ondanks een daartoe strekkend verzoek, niet beschikbaar zijn gekomen.

Vervolgens wordt opgemerkt dat de in hoger beroep op 12 september 2019 gehouden pleidooien (zie hiervoor onder 1.15), blijkens door de cassatieadvocaat bij mevrouw Gea Jonker van de locatie Leeuwarden van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ingewonnen informatie, hebben plaatsgevonden voor mrs. J.D.S.L. Bosch, G.M. van der Meer en M. Weissink.

Verder blijkt uit het roljournaal (bijlage 2 bij de procesinleiding), aldus de inleiding bij de cassatieklachten, dat na het pleidooi van 12 september 2019 en vóór het eindarrest van 31 maart 2020 nog een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, namelijk op 5 november 2019. Mr. M. van der Burg, destijds advocaat van de man, heeft de cassatieadvocaat van de man meegedeeld: (1) dat bij pleidooi is afgesproken dat die comparitie nog zou plaatsvinden; (2) dat partijen er tijdens de pleidooizitting mee hebben ingestemd dat de comparitie zou plaatsvinden ten overstaan van één raadsheer(-commissaris); (3) dat de comparitie inderdaad plaatsvond ten overstaan van één raadsheer(-commissaris): mr. J.D.S.L. Bosch, die volgens mr. Van der Burg tijdens het voorafgaande pleidooi tevens fungeerde als voorzitter; en (4) dat partijen ter comparitie de gelegenheid hebben gekregen hun stellingen (nader) toe te lichten.9 Zoals vermeld is, aldus de procesinleiding, van deze comparitie geen proces-verbaal beschikbaar.

2.5

Vervolgens is op 31 maart 2020 eindarrest gewezen door mrs. C. Koopman, J.D.S.L. Bosch en J.G. Knot. Van de combinatie, ten overstaan van wie het pleidooi had plaatsgevonden, had dus alleen mr. Bosch tevens zitting in de combinatie die het eindarrest van 31 maart 2020 heeft gewezen. Over de vervanging van mrs. G.M. van der Meer en M. Weissink zijn partijen niet voorafgaand aan de uitspraak ingelicht. Van een opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum is dus evenmin sprake, aldus de inleiding op de onderdelen.

2.6

Alvorens op de feitelijke grondslag van het cassatieberoep in te gaan, behandel ik, kort, het toepasselijk juridisch kader.

Onmiddellijkheidsbeginsel en rechterswisseling

2.7

In de afgelopen jaren is in de rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad een belangrijke plaats toegekend aan het onmiddellijkheidsbeginsel. Op 31 oktober 201410 wees de Hoge Raad – in een onteigeningszaak – het voor de behandeling van alle civiele zaken richtinggevende arrest Verhoeven c.s./Staat. Daarin werd vooropgesteld dat (i) het recht van partijen hun standpunten mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten, een fundamenteel beginsel van burgerlijk procesrecht is (rov. 3.4.1) en (ii) een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling (daaronder begrepen een comparitie van partijen of pleidooi in dagvaardingszaken), behoudens bijzondere omstandigheden11 behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing. Mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting kan van wezenlijke invloed zijn op de oordeelsvorming van de rechter, en kan niet altijd volledig in een proces-verbaal worden weergegeven, nog daargelaten dat het opmaken van een proces-verbaal niet in alle gevallen wettelijk is voorgeschreven (rov. 3.4.2).

2.8

Deze vooropstellingen leidden vervolgens tot de volgende regels met betrekking tot een rechterswisseling in de periode tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak (rov. 3.4.4):

- partijen, alsmede – in verzoekschriftprocedures – de belanghebbenden worden daarover voorafgaand aan de uitspraak ingelicht, onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum;

- elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen en belanghebbenden zal in dat geval een nadere mondelinge behandeling mogen verzoeken ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen;

- dit verzoek mag in geen geval worden afgewezen indien niet een proces-verbaal van de eerdere mondelinge behandeling is opgemaakt en uiterlijk tegelijk met de hiervoor bedoelde mededeling aan partijen en belanghebbenden ter beschikking is gesteld. Anders is onvoldoende gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen, wordt meegewogen bij de totstandkoming van de uitspraak;

- is van die mondelinge behandeling wel (tijdig) een proces-verbaal opgemaakt en aan partijen en belanghebbenden ter beschikking gesteld, dan kan de rechter het verzoek afwijzen in het belang van een voortvarende procesvoering. Hij dient in dat geval in de – alsdan zonder nadere mondelinge behandeling volgende – uitspraak te motiveren waarom dit belang in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om zijn standpunt te mogen uiteenzetten ten overstaan van de rechter(s) die over de zaak zal (zullen) oordelen.

2.9

Genoemde regels, die van toepassing zijn op mondelinge behandelingen die ná het arrest (dus ná 31 oktober 2014) hebben plaatsgevonden12, zijn van belang voor de behandeling van onderdeel 1.

2.10

In latere rechtspraak van de Hoge Raad zijn de regels met betrekking tot een rechterswisseling na een mondelinge behandeling verfijnd en verduidelijkt.

In het arrest van 15 april 2016 (Muetstege/Gemeente Amsterdam)13 heeft de Hoge Raad allereerst de beperking aangebracht dat de regels van het arrest Verhoeven c.s./Staat niet gelden indien sprake is van een wisseling van een van de rechters na een op een eerdere mondelinge behandeling gevolgde uitspraak, en aan de verdere beoordeling van het geschil een tweede mondelinge behandeling voorafgaat. Dan kunnen partijen, aldus de Hoge Raad, in die tweede behandeling desgewenst de geschilpunten waarop in de vorige uitspraak nog niet was beslist, opnieuw of nader aan de orde stellen ten overstaan van de rechters die over die geschilpunten zullen beslissen. Daarna heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat de verplichting van het gerecht om na een mondelinge behandeling aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling, vervalt na de eerste uitspraak die op de mondelinge behandeling volgt (rov. 3.7.3). Verder is overwogen dat het uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, dient te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, blijft gelden zolang niet is beslist op de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen, maar dat het gewicht van dit uitgangspunt afneemt naarmate in tussenuitspraken verdergaand is beslist op de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling ter sprake zijn gekomen (rov. 3.8).

2.11

Een volgende aanpassing is aangebracht in het arrest van 20 maart 2020 (To Concept/CZ).14 Daarin heeft de Hoge Raad benadrukt dat de in bovengenoemde arresten van 31 oktober 2014 en 15 april 2016 genoemde verplichting van het gerecht om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling, alleen betrekking heeft op de situatie dat een rechterswisseling plaatsvindt na een mondelinge behandeling. Er is geen uit het onmiddellijkheidsbeginsel voortvloeiende algemene regel die inhoudt dat het niet is toegestaan om rechters te vervangen zonder partijen daarover op voorhand te informeren en zonder opgave van een reden, terwijl er ook geen kenbare reden is voor de rechterswisselingen.

2.12

Vervolgens heeft de Hoge Raad, deels afwijkende, regels geformuleerd met betrekking tot de verplichting van het gerecht om mededeling te doen van een rechterswisseling.15 Deze nieuwe regels ten aanzien van de mededelingsplicht van het gerecht bij een na een mondelinge behandeling volgende rechterswisseling, zijn – gelet op de door de Hoge Raad in rov. 3.4.6 geformuleerde overgangsbepaling – niet van toepassing op mondelinge behandelingen die voor 20 maart 2020 hebben plaatsgevonden. Ik laat deze hier dus buiten beschouwing.

Onmiddellijkheidsbeginsel en enkelvoudige zitting

2.13

Het tweede uitgangspunt van het arrest Verhoeven c.s./Staat (zie hierboven onder 2.7) is ook van belang in meervoudige zaken waarin de mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van één van de raadsheren, die de uiteindelijke beslissing nemen. De strekking van deze regel brengt volgens de beschikking van de Hoge Raad van 22 december 2017 (SIPOR)16 als hoofdregel mee (rov. 3.5.1) dat indien een zaak meervoudig wordt beslist, een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de drie rechters of raadsheren die de beslissing zullen nemen. Heeft de mondelinge behandeling niet mede dat doel, dan kan de mondelinge behandeling plaatsvinden ten overstaan van een rechter-commissaris respectievelijk raadsheer-commissaris, in plaats van ten overstaan van de drie rechters of raadsheren door wie de beslissing zal worden genomen, aldus de Hoge Raad in rov. 3.5.2.

2.14

De Hoge Raad omschreef vervolgens de volgende afwijkingen van de hoofdregel:

“3.6.2 Indien in een meervoudig te beslissen zaak in eerste aanleg of in hoger beroep wordt bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris en die mondelinge behandeling mede tot doel heeft partijen de gelegenheid te geven hun stellingen toe te lichten, gelden, gelet op het voorgaande en de eisen van een goede procesorde, de volgende regels.

3.6.3

Uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling zal (schriftelijk of elektronisch) aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris. Aan partijen dient gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Voor het doen van dit verzoek kan een termijn worden gesteld.

3.6.4

Zojuist bedoeld verzoek zal, gelet op de hiervoor in 3.5.1 vermelde hoofdregel, in beginsel moeten worden ingewilligd. Het verzoek kan derhalve alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.

3.6.5

Indien op de voet van art. 15 lid 2 Rv of art. 16 lid 3 Rv verwijzing van een zaak van de enkelvoudige kamer naar de meervoudige kamer plaatsvindt na een mondelinge behandeling waarin partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun stellingen toe te lichten en die voorafgaat aan de eerstvolgende uitspraak, dient van de verwijzing mededeling aan partijen te worden gedaan. Aan partijen dient gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Voor het doen van dit verzoek kan een termijn worden gesteld. Voor afwijzing van dit verzoek geldt op overeenkomstige wijze hetgeen in rov. 3.4.4 van het hiervoor in 3.3.1 vermelde arrest van 31 oktober 2014 is overwogen.”

2.15

Van een mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten en die plaatsvindt in een meervoudig te beslissen zaak ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris, dient een proces-verbaal te worden opgemaakt. Dat proces-verbaal dient voorafgaand aan de uitspraak te worden gezonden aan partijen en ter beschikking te worden gesteld van de meervoudige kamer. Anders is onvoldoende gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen bij de totstandkoming van de uitspraak door de meervoudige kamer wordt meegewogen.17

2.16

De hiervoor weergegeven regels met betrekking tot het onmiddellijkheidsbeginsel en de enkelvoudige zitting – die verschillende keren in de rechtspraak zijn herhaald en nader verfijnd18 – zijn van belang voor de behandeling van onderdeel 2.

Ambtshalve onderzoek

2.17

Op mijn verzoek zijn door de griffie van de Hoge Raad de volgende documenten bij het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opgevraagd:

- de rolkaart van de zaak;

- indien aanwezig: het proces-verbaal van het pleidooi gehouden op 12 september 2019;.

- indien aanwezig: het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 5 november 2019;

- enige correspondentie met partijen over het doel van de comparitie op 5 november 2019 en enige correspondentie met partijen over de samenstelling van de meervoudige kamer die het eindarrest op 31 maart 2020 heeft gewezen.

2.18

Uit de daarop door het hof bij e-mailbericht toegestuurde rolkaart en de aantekeningen van de griffier van het pleidooi van 12 september 201919, kan het volgende worden opgemaakt:

1. Op 12 september 2019 heeft om 11.30 uur een pleidooi plaatsgevonden ten overstaan van de raadsheren mrs. J.D.S.L. Bosch (voorzitter), G.M. van der Meer en M. Weissink. Van deze zitting is geen proces-verbaal opgemaakt. Wel zijn er aantekeningen van de hand van de griffier.

2. Op 5 november 2019 heeft om 10.00 uur een comparitie plaatsgevonden ten overstaan van raadsheer mr. J.D.S.L. Bosch. Op de rolkaart staat bij deze datum vermeld: comparitie na aanbrengen. Dat lijkt mij een evidente vergissing. De comparitie na aanbrengen is in het tussenarrest gelast en heeft op 8 december 2017 plaatsgevonden.20 Van de zitting van 5 november 2019 is geen proces-verbaal opgemaakt en er zijn ook geen aantekeningen van de griffier meer te vinden.

Het dossier van het hof bevat geen correspondentie met partijen over het doel van de comparitie (voor zover die er is geweest).

3. Volgens het hof is er geen correspondentie met partijen over de samenstelling van de meervoudige kamer in het dossier aanwezig (voor zover die er geweest is).

2.19

Gelet op het voorgaande is er m.i. voldoende hypothetische feitelijke grondslag21 voor de stellingen in de procesinleiding dat:

- de processen-verbaal van de zittingen op 12 september 2019 en op 5 november 2019 niet beschikbaar zijn dan wel nooit zijn opgemaakt;

- tussen de mondelinge behandeling op 12 september 2019 en de daaropvolgende uitspraak (het eindarrest) twee raadsheren (te weten: mrs. G.M. van der Meer en M. Weissink) zijn vervangen, waarover het hof partijen niet voorafgaand aan de uitspraak heeft ingelicht, onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum;

- er op 5 november 2019 een comparitie heeft plaatsgevonden, en wel ten overstaan van één raadsheer (te weten: mr. J.D.S.L. Bosch).

Behandeling onderdeel 1

2.20

In het licht van hetgeen ik over de hypothetische feitelijke grondslag van de stellingen in de procesinleiding heb opgemerkt, is in deze zaak niet voldaan aan de hoofdregel van het arrest Verhoeven c.s./Staat.22 Het hof heeft immers eindarrest gewezen in een samenstelling van drie raadsheren, van wie slechts één raadsheer de mondelinge behandeling (pleidooi) op 12 september 2019 heeft bijgewoond.

2.21

Het hof heeft ook het door de Hoge Raad in het arrest Verhoeven c.s./Staat geformuleerde ‘stappenplan’ niet gevolgd23 nu het partijen niet voorafgaand aan de uitspraak over de vervanging heeft ingelicht, onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum. Elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen had vervolgens in dat geval een nadere mondelinge behandeling mogen verzoeken ten overstaan van de raadsheren door wie het eindarrest zou worden gewezen. Dit verzoek had vervolgens niet mogen worden afgewezen aangezien geen proces-verbaal van de eerdere mondelinge behandeling was opgemaakt, en dus eveneens niet is voldaan aan de eis dat het proces-verbaal uiterlijk tegelijk met de hiervoor bedoelde mededeling (die evenzeer ontbrak) aan partijen ter beschikking is gesteld.24

2.22

Dat tussen het pleidooi en het wijzen van het eindarrest een comparitie heeft plaatsgevonden ten overstaan van de raadsheer die bij het pleidooi in de zetel zat en die tevens het eindarrest heeft meegewezen, betekent niet dat in het onderhavige geval de regel van rov. 3.4 van het arrest Muetstege/Gemeente Amsterdam van toepassing is (zie hiervoor onder 2.10). Zelfs al zouden partijen ter gelegenheid van de comparitie de geschilpunten waarover was gepleit opnieuw of nader aan de orde hebben gesteld, dan is dit niet geschied ten overstaan van de rechters die over die geschilpunten in het eindarrest hebben beslist. Daarnaast is met betrekking tot de comparitie in ieder geval niet de hoofdregel van de beschikkingen van de Hoge Raad van 22 december 2017 in acht genomen (zie de behandeling van onderdeel 2).

Onderdeel 1 is dus in zoverre terecht voorgesteld.

Behandeling onderdeel 2

2.23

In de procesinleiding (pag. 3) is wat betreft de comparitie op 5 november 2019 gesteld dat mr. M. van der Burg, destijds advocaat van de man, de cassatieadvocaat van de man heeft meegedeeld: (1) dat bij pleidooi is afgesproken dat die comparitie nog zou plaatsvinden; (2) dat partijen er tijdens de pleidooizitting mee hebben ingestemd dat de comparitie zou plaatsvinden ten overstaan van één raadsheer(-commissaris); (3) dat de comparitie inderdaad plaatsvond ten overstaan van één raadsheer(-commissaris): mr. J.D.S.L. Bosch, die volgens mr. Van der Burg tijdens het voorafgaande pleidooi tevens fungeerde als voorzitter; en (4) dat partijen ter comparitie de gelegenheid hebben gekregen hun stellingen (nader) toe te lichten.

2.24

Zoals hiervoor vermeld, is er voldoende hypothetisch feitelijke grondslag voor de stelling dat er op 5 november 2019 een comparitie heeft plaatsgevonden, en wel ten overstaan van één raadsheer (te weten: mr. J.D.S.L. Bosch). Uit het door mij verrichte ambtshalve onderzoek is gebleken dat het hof niet beschikt over correspondentie met partijen over het doel van de comparitie (voor zover die er is geweest).

Op grond van een en ander lijkt mij de stelling dat tijdens deze comparitie van 5 november 2019 inhoudelijk over de zaak is gesproken omdat nadien nog (inhoudelijke) aktes zijn gewisseld, niet onaannemelijk.

2.25

Daarvan uitgaande is in deze zaak de hoofdregel van de beschikkingen van de Hoge Raad van 22 december 2017 (namelijk dat deze mondelinge behandeling in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing zullen nemen)25 niet nageleefd.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of is voldaan aan de regels die gelden indien in afwijking van de hoofdregel in een meervoudig te beslissen zaak is bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten overstaan van een raadsheer-commissaris en die mondelinge behandeling mede tot doel heeft partijen de gelegenheid te geven hun stellingen toe te lichten.26

2.26

Voor zover in deze zaak relevant, luiden deze regels als volgt27:

1. uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling zal (schriftelijk of elektronisch) aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris. Aan partijen dient gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Voor het doen van dit verzoek kan een termijn worden gesteld; en

2. van een mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten en die plaatsvindt in een meervoudig te beslissen zaak ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris, dient een proces-verbaal te worden opgemaakt. Dat proces-verbaal dient voorafgaand aan de uitspraak te worden gezonden aan partijen en ter beschikking te worden gesteld van de meervoudige kamer.

2.27

Onderdeel 2 richt zich uitsluitend op de schending van de hiervoor weergegeven regel 2. Van de comparitie op 5 november 2019 is blijkens de informatie van het hof geen proces-verbaal opgemaakt. Dat is in strijd met hetgeen in rov. 3.7 onder (i) van de beschikkingen van de Hoge Raad van 22 december 2017 is vermeld.

Ook onderdeel 2 is daarmee terecht voorgesteld

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 maart 2020 en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 31 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2639 (hierna : het eindarrest) , rov. 3.2-3.9.

2 Zie het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 8 maart 2017, rov. 2.1.

3 Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de vonnissen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 14 december 2016 en van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RBOVE:2017:945), beide rov. 1. Zie voor het procesverloop in hoger beroep het tussenarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden van 1 augustus 2017 en het eindarrest, beide rov. 2.

4 Deze datum wordt in de memorie van grieven genoemd. In de overgelegde inleidende dagvaarding zelf ontbreekt een datum.

5 Zie rov. 4.1 van het eindarrest.

6 De procesinleiding, die twee bijlagen bevat, is op 26 mei 2020 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.

7 Het onderdeel verwijst hierbij naar HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472, en HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076.

8 Verwezen wordt naar HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264.

9 In de procesinleiding, pagina 3, voetnoot 2, wordt vermeld dat dat laatste wordt bevestigd door het feit dat er na de comparitie nog verder is gedebatteerd: op 26 november 2019 hebben beide partijen nog een akte genomen, en op 10 december 2019 hebben beide partijen een antwoordakte genomen.

10 ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.4.1-3.4.5.

11 In rov. 3.4.3 wordt overwogen dat aan het belang dat de op een mondelinge behandeling volgende uitspraak wordt gewezen door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, niet onder alle omstandigheden zal kunnen worden tegemoet gekomen, bijvoorbeeld indien een rechter in de loop van de behandeling van een zaak defungeert, overlijdt of langdurig ziek wordt.

12 HR 31 oktober 2014, vindplaats hiervoor, rov. 3.4.6.

13 HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662, NJ 2019/144 m.nt. W.D.H. Asser, JBPR 2016/46, m.nt. G. van Rijssen (Muetstege/Gemeente Amsterdam), rov. 3.4.

14 HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472 (To Concept/CZ), rov. 3.3.6.

15 Arrest To Concept/CZ, vindplaats vorige voetnoot, rov. 3.4.3-3.4.5.

16 HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264 (Verzoekster/Stichting Islamitisch primair onderwijs Rijnmond), NJ 2019/145, m.nt. W.D.H. Asser. Zie ook HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, JBPR 2018/30 m.nt. G. van Rijssen (Stichting Maatschappelijke Ondersteuning Voor Elkaar), rov. 3.4.5 en 3.5.1-3.5.2.

17 Rov. 3.7 onder (i) van de beschikking SIPOR, vindplaats hiervoor.

18 Zie de vindplaatsen die A-G Hartlief in voetnoot 27 van zijn conclusie vóór HR 20 maart 2020 noemt. Daaraan kan nog worden toegevoegd: HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472, JIN 2020/62, m.nt. N.A. van Loon, NJB 2020/818, Prg. 2020/109, RBP 2020/36, RvdW 2020/405 (To Concept/CZ); HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, RvdW 2020/545, RBP 2020/42; HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1140, RvdW 2020/813 (art. 81 RO); HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1712, RvdW 2020/1147; HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1711, RvdW 2020/1142 en HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1735 (art. 81 RO).

19 In het e-mailbericht van het hof wordt m.i. bij vergissing vermeld dat er aantekeningen van de griffier van de comparitie van 5 november 2019 zijn en dat van het pleidooi van 12 september 2019 geen aantekeningen van de griffier meer te vinden zijn. De meegestuurde aantekeningen van de griffier zijn ongedateerd, maar betreffen onmiskenbaar het pleidooi op 12 september 2019 en niet de comparitie van 5 november 2019.

20 Zie ook de opmerking in de procesinleiding, p. 3, voetnoot 1.

21 Zie over (hypothetische) feitelijke grondslag: A.E.H. van der Voort Maarschalk in: Van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20) 2019/53-55.

22 Zie hiervoor onder 2.7.

23 HR 31 oktober 2014, vindplaats hiervoor, rov. 3.4.4. Zie hiervoor onder 2.8.

24 Zie HR 31 oktober 2014, vindplaats hiervoor, rov. 3.4.4.

25 HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, NJ 2019/145, TvPP 2018/2 (Verzoekster/Stichting Islamitisch primair onderwijs Rijnmond) en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, RvdW 2018/86 en JBPR 2018/30 m.nt. G. van Rijssen (Stichting Maatschappelijke Ondersteuning Voor Elkaar), beide rov. 3.5.1.

26 Zie de twee beschikkingen van de Hoge Raad van 22 december 2017, vindplaatsen hiervoor, rov. 3.6.2.

27 Zie de twee beschikkingen van de Hoge Raad van 22 december 2017, vindplaatsen hiervoor, rov. 3.6.3 en rov. 3.7 onder (i).