Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1156

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-11-2020
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
20/03080
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:107, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Maximale geldigheidsduur van machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel; art. 7:9 en 7:10 Wvggz. Moet betrokkene worden gehoord bij verlenging geldigheidsduur ingevolge art. 7:10, onder a, Wvggz? Berekening einddatum van zorgmachtiging die aansluit op de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03080

Zitting 23 november 2020

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[betrokkene],

verzoeker in cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

tegen

de Officier van Justitie in het arrondissementsparket Rotterdam,

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

In deze Wvggz-zaak wordt geklaagd dat de rechtbank een zorgmachtiging heeft verleend die niet aansluit op de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. Ook wordt geklaagd over de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum (te weten de datum van de beschikking waarin de zorgmachtiging is verleend) en de einddatum van de verleende zorgmachtiging. Ten slotte wordt geklaagd dat betrokkene niet gehoord is over de verlenging van de vrijheidsbeneming – door ‘nawerking’ van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel tot het moment waarop de zorgmachtiging is verleend – en de rechtmatigheid daarvan niet ter discussie heeft kunnen stellen.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Op 26 mei 2020 heeft de burgemeester van Rotterdam ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een crisismaatregel genomen als bedoeld in art. 7:1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

1.2

Op 28 mei 2020 heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) op verzoek van de officier van justitie in het arrondissementsparket Rotterdam (hierna: de officier van justitie) een machtiging tot voortzetting van deze crisismaatregel verleend voor het tijdvak tot en met 18 juni 2020.

1.3

Bij verzoekschrift van 18 juni 2020 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een zorgmachtiging te verlenen voor betrokkene voor de duur van zes maanden, voor de volgende vormen van verplichte zorg: toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening; beperken van de bewegingsvrijheid; insluiten; uitoefenen van toezicht op betrokkene; opnemen in een accommodatie.

1.4

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:

- betrokkene met zijn advocaat

- [betrokkene 1], sociaal psyciatrisch verpleegkundige; [betrokkene 2], co-assistent en [betrokkene 3] arts, allen verbonden aan [A].

1.5

Bij mondelinge uitspraak van 30 juni 2020, schriftelijk uitgewerkt op 9 juli 2020, heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend ten aanzien van betrokkene voor de volgende vormen van verplichte zorg: het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening; het beperken van de bewegingsvrijheid; het opnemen in een accommodatie. De overige verzochte vormen van verplichte zorg zijn niet toegewezen. Voorts is bepaald dat de machtiging geldt tot en met 30 december 2020.

1.6

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 30 juni 2020. Namens de officier van justitie is in cassatie geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Namens betrokkene is een cassatiemiddel voorgesteld dat uit twee onderdelen bestaat. Het middel is gericht tegen rov. 2.10, waarin de rechtbank het volgende heeft overwogen:

“2.10 Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden met ingang van vandaag.”

Voorts is het middel gericht tegen het dictum onder 3.3, waarin de rechtbank heeft bepaald dat de machtiging geldt tot en met 30 december 2020.

2.2

Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank, door zoals hiervoor onder 2.1 is weergegeven te overwegen en te beslissen, een zorgmachtiging heeft verleend die niet aansluit op de voortzetting van de crisismaatregel die tot en met 18 juni 2020 liep, althans dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een zorgmachtiging verleend zou kunnen worden voor de duur die de rechtbank heeft beslist. Het onderdeel klaagt dat dit in strijd is met de wet, nu uit art. 7:9 Wvggz volgt dat de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel een geldigheidsduur van drie weken na haar dagtekening heeft. Nu de rechtbank een zorgmachtiging heeft verleend tot en met 30 december 2020, heeft de rechtbank feitelijk beslist over een termijn van zes maanden en twaalf dagen, dus langer dan de geldigheidsduur van zes maanden die volgens de wet mogelijk is. Zelfs als de machtiging in zou kunnen gaan op 30 juni 2020, is de termijn tot en met 30 december 2020 nog zes maanden en één dag. De beslissing van de rechtbank is dus in strijd met art. 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM.

2.3

Voordat ik toekom aan de bespreking van de klachten in onderdeel 1, bespreek ik eerst de toepasselijke wettelijke bepalingen. Art. 7:10 onder a Wvggz bepaalt dat de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (drie weken na de dagtekening ervan, art. 7:9), tenzij de officier van justitie voor het verstrijken van de geldigheidsduur een verzoekschrift voor een zorgmachtiging die aansluit op de voortzetting van de crisismaatregel (art. 7:11 lid 1 Wvggz) bij de rechter heeft ingediend. In dat geval vervalt de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist, of door het verstrijken van de termijn waarbinnen de rechter uitspraak moet doen (uiterlijk drie weken na ontvangst van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging, art. 6:2 lid 1 onder b Wvggz). Art. 6:5 Wvggz bepaalt dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden, indien het een doel betreft als bedoeld in art. 3:4 onder b, c, d of e Wvggz (ernstig nadeel afwenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, of het stabiliseren of herstellen van de fysieke gezondheid van betrokkene in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychotische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor).

Verzoek tijdig, beslissing tijdig

2.4

In deze zaak heeft de Officier van Justitie op 18 juni 2020 het verzoek ingediend om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen. Dit verzoek is tijdig1 namelijk vóór de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verviel, ingediend; de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel liep tot en met 18 juni 2020. De rechter heeft vervolgens eveneens tijdig2 op het verzoek een zorgmachtiging te verlenen, beslist: de bestreden beschikking is gegeven op 30 juni 2020, dus binnen de termijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift van de officier van justitie (art. 6:2 lid 1 onder b Wvggz). Voor de periode tussen de datum van afloop van de voortzetting van de crisismaatregel (18 juni 2020) en de beschikking waarbij de zorgmachtiging is verleend (30 juni 2020) heeft de Wvggz in dit geval (waarin een verzoekschrift voor verlening van een zorgmachtiging – tijdig – is ingediend) bepaald dat de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel doorloopt en pas vervalt op het moment dat de rechter op het verzoek om een zorgmachtiging te verlenen heeft beslist, danwel de termijn van drie weken om te beslissen is overschreden (art. 7:10 onder a Wvggz).3 De klacht dat de zorgmachtiging niet aansluit op de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, slaagt dus niet.

Dit geldt ook voor de klacht – voor zover betoogd – dat de machtiging niet kan ingaan op 30 juni 2020. Nu de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel doorloopt en pas vervalt op het moment dat de rechter op het verzoek om een zorgmachtiging te verlenen heeft beslist, volgt hieruit reeds dat de zorgmachtiging niet eerder ingaat dan het moment waarop de rechter deze verleent.4

‘Aftrek’

2.5

Voor zover het onderdeel heeft bedoeld te stellen dat sprake zou moeten zijn van ‘aftrek’ van dagen ten opzichte van de door de wet anders toegestane maximumduur, merk ik op dat de Hoge Raad in een uitspraak van 9 oktober 20205 – die betrekking had op de Wzd – heeft geoordeeld dat, in het geval sprake is van een overschrijding van de termijn om een verzoek tot het verlenen van een machtiging in te dienen, de rechter de termijnoverschrijding in mindering dient te brengen op de geldigheidsduur van de aansluitende machtiging. Over ‘aftrek’ van dagen onder de Wvggz heeft de Hoge Raad nog geen uitspraak gedaan. Dijkers6 wijst erop dat uit onder de Wet Bopz door de Hoge Raad gevormde rechtspraak voortvloeide dat in gevallen van termijnoverschrijding door het openbaar ministerie en/of de rechtbank, waardoor een beslissing houdende verlening van een rechterlijke machtiging later afkwam dan bij inachtneming van het wettelijke systeem het geval zou zijn geweest, de geldigheidsduur van de opvolgende machtiging evenredig kon (bij een verzoek voor expiratie) dan wel moest (bij een verzoek na expiratie) worden bekort door de ‘aftrek’ van dagen ten opzichte van de door de wet anders toegestane maximumduur. Onder de Wet Bopz vond ‘aftrek’ van dagen dus plaats in gevallen van termijnoverschrijding (aan de zijde van het openbaar ministerie en/of de rechtbank). Nu in deze zaak geen sprake is van overschrijding van een termijn (zoals in 2.4 uiteengezet), en de Hoge Raad voor de Wzd de rechtspraak gewezen onder de Wet Bopz (oud) reeds van toepassing heeft verklaard, zie ik in dit geval geen aanleiding om te komen tot ‘aftrek’ van dagen.7 Voor deze opvatting vind ik mede steun in de wetsgeschiedenis, waarin is bepaald dat de procedure voor de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel (de artikelen 7:7 tot en met 7:10 Wvggz) overeenkomstig het bepaalde in de Wet Bopz (oud) is voor de procedure voor een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling.8 De rechtspraak over ‘aftrek’ van dagen, gewezen onder de Wet Bopz (oud), kan daarom naar ik meen ook in dit geval haar gelding behouden.9

2.6

Ook de klacht dat de rechter heeft beslist over een termijn van zes maanden en twaalf dagen, dus langer dan de geldigheidsduur van zes maanden die volgens de wet mogelijk is voor een zorgmachtiging, kan niet slagen. Zoals ik hiervoor in 2.4 opmerkte, voorziet de Wvggz (in art. 7:10 onder a) in dit geval in het doorlopen van de termijn van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 30 juni 2020 een zorgmachtiging verleend tot en met 30 december 2020, welke termijn is ingegaan op de datum van de bestreden beschikking en derhalve zes maanden duurt. Gelet op deze wettelijke basis (art. 7:10 onder a Wvggz), heeft de rechtbank haar oordeel op dit punt evenmin onvoldoende gemotiveerd.

Einddatum zorgmachtiging

2.7

Ten aanzien van de klacht dat de termijn tot en met 30 december 2020 zes maanden en één dag is, zodat de beslissing van de rechtbank in strijd is met art. 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM, wijs ik op het volgende. Art. 1:6 lid 4 Wvggz bepaalt dat de beschikking van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad is, en dus direct nadat de beschikking waarin een machtiging is opgenomen is gegeven, ten uitvoer kan worden gelegd. De Hoge Raad heeft echter in HR 8 juni 200710 geoordeeld dat voor de berekening van de einddatum van de machtiging de dag waarop de beschikking is gedagtekend, niet wordt meegeteld. Nu in de wetsgeschiedenis van de Wvggz niets te vinden is over de berekening van de einddatum van een machtiging11, meen ik dat deze jurisprudentie gewezen onder de Wet Bopz op dit punt onverkort van toepassing kan zijn.12 Hierbij merk ik op dat in de praktijk door bijna alle rechtbanken (niet door de rechtbank Gelderland, zo lijkt het, die een termijn hanteert zoals door het onderdeel wordt voorgestaan13) de termijn van de zorgmachtiging ook op deze wijze lijkt te worden opgevat.14

2.8

Nu de klachten in onderdeel 1 niet slagen, is de beslissing van de rechtbank evenmin in strijd met art. 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM.

2.9

Het tweede onderdeel klaagt dat, voor zover ervan uit zou worden gegaan dat art. 7:10 Wvggz inhoudt dat door het verzoek van de Officier van Justitie de vrijheidsbeneming via de voortzetting van de crisismaatregel automatisch verlengd kan worden met maximaal drie weken, waarna een zorgmachtiging verleend kan worden voor de duur van zes maanden, deze bepaling in strijd zou zijn met art. 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM, art. 5 lid 2 EVRM in verbinding met art. 5 lid 4 en art. 6 lid 1 EVRM, nu betrokkene niet gehoord is over de verlenging van de vrijheidsbeneming en de rechtmatigheid daarvan niet ter discussie heeft kunnen stellen15.

2.10

Voor zover onderdeel 2 klaagt dat betrokkene niet gehoord is over de verlenging van de vrijheidsbeneming, en de rechtmatigheid daarvan (dus) niet ter discussie heeft kunnen stellen, merk ik het volgende op. Uit het proces-verbaal van de zitting van 30 juni 2020 volgt dat betrokkene en zijn advocaat op die zitting zijn gehoord en zich hebben kunnen uitspreken over het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging. De beschikking waarbij een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van betrokkene is verleend, bevindt zich niet in het procesdossier, zodat niet valt na te gaan of betrokkene (of diens advocaat) op die zitting zijn gehoord. Het onderdeel heeft op dit punt echter geen klacht geformuleerd. Bovendien was op dat moment nog geen sprake van een verzoek om een (aansluitende) zorgmachtiging te verlenen, zodat van een ‘verlenging van de vrijheidsbeneming’ door ‘nawerking’ van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, evenmin sprake was. Voor zover het onderdeel erop doelt dat betrokkene zich bij aanvang van de periode van ‘nawerking’ van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel niet heeft kunnen uitspreken over deze verlengde vrijheidsbeneming (dat wil zeggen de periode van 19 juni 2020 tot en met het moment dat de zorgmachtiging werd verleend op 30 juni 2020), merk ik op dat deze periode is vastgelegd in art. 7:10 onder a Wvggz, en in die zin “rechtmatig” ofwel “lawful” is in de zin van art. 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM.

2.11

Het middel verwijst naar EHRM 21 februari 199016, in welke zaak een betrokkene reeds vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef. Op verzoek van haar echtgenoot werd een machtiging tot plaatsing in hetzelfde ziekenhuis verleend voor een periode van zes maanden, echter de kantonrechter had betrokkene niet gehoord, terwijl uit de medische verklaring (overgelegd bij het verzoek) niet bleek dat horen van betrokkene door de rechter zinloos of medisch onverantwoord zou zijn. Bovendien werd de beschikking waarin de machtiging was opgenomen, niet ter kennis van betrokkene gebracht. Onder deze omstandigheden achtte het EHRM art. 5 lid 1, art. 5 lid 2, en art. 5 lid 4 geschonden. Zoals onder 2.10 weergegeven, is betrokkene in de huidige zaak echter gehoord op het verzoek om een zorgmachtiging te verlenen en was hij aanwezig bij de (mondelinge) uitspraak. Een parallel met EHRM 21 februari 1990 zie ik dan ook niet.

2.12

Dit alles leidt ertoe dat geen sprake is van strijd met de in het onderdeel genoemde artikelen van het EVRM. Onderdeel 2 faalt.

2.13

Nu beide onderdelen falen, kom ik tot een verwerping van het beroep.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie hiervoor onder 2.3.

2 Zie eveneens onder 2.3 hiervoor.

3 Onder de Wet Bopz was de titel van het voortgaande (onvrijwillige) verblijf van betrokkene niet helder (art. 48 lid 1 onder b Wet Bopz (oud)); deze onduidelijkheid is nu door de wetgever weggenomen. Zie R.H. Zuijderhoudt, SDU Commentaar Gedwongen Zorg bij art. 7:10 Wvggz, nr. 1.

4 In HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842, rov. 3.4.3 is t.a.v. de Wet Bopz (oud) geoordeeld dat het stelsel van de Wet Bopz niet voorziet in de mogelijkheid dat de rechter een voorlopige machtiging laat ingaan op een datum die is gelegen voor die van de beschikking waarbij die machtiging wordt verleend.

5 HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1601, rov. 3.1.5.

6 W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen Zorg bij art. 6:5 Wvggz, nr. 3.1.

7 Daarbij komt dat de rechtbank de zorgmachtiging in dit geval heeft toegewezen.

8 Kamerstukken II, 2015-2016, 32 399, nr. 25, blz. 176.

9 Zie ook W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Gedwongen Zorg bij art. 6:5 Wvggz, nr. 3.4; “Als de OvJ dat verzoek vóór expiratie van de lopende machtiging heeft gedaan, geldt voor de rechter een beslistermijn van drie weken (zie art. 6:2 lid 1 sub b Wvggz); gedurende die drie weken (totdat is beslist) vervalt de machtiging voortzetting crisismaatregel nog niet (zie art. 7:10 aanheft en sub a Wvggz). Als de rechter binnen de hem bemeten beslisperiode van ten hoogste drie weken het verzoek toewijst, is er sowieso geen grond voor bekorting van de geldigheidsduur (‘aftrek’) van de nieuwe maatregel.”

10 HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3535, BJ 2007/35, m.nt. W.J.A.M. Dijkers.

11 Dat de beschikking van de rechter uitvoerbaar bij voorraad is, stond aanvankelijk in art. 1:7 lid 4, en is met de tweede nota van wijziging (Kamerstukken II, 2015-2016, 32 399, nr. 25, blz. 4) in art. 1:6 lid 4 geplaatst. De nota van wijziging (Kamerstukken II, 2013-2014, 32 399, nr. 10, blz. 77) vermeldt bij art. 1:7 lid 4 echter alleen “dat de beschikking van de rechter bij voorraad uitvoerbaar is”.

12 Voor een onderbouwing van deze zienswijze t.a.v. de Wet Bopz (oud), verwijs ik naar de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 8 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA3535, nrs. 2.11-2.14.

13 Zie bv. ECLI:NL:RBGEL:2020:4844; ECLI:NL:RBGEL:2020:5274; ECLI:NL:RBGEL:2020:4301.

14 Zie bv. ECLI:NL:RBNHO:2020:4729; ECLI:NL:RBNNE:2020:1861; ECLI:NL:RBOBR:2020:2982; ECLI:NL:RBMNE:2020:3966; ECLI:NL:RBROT:2020:9119; ECLI:NL:RBDHA:2020:10354; ECLI:NL:RBAMS:2020:4590; ECLI:NL:RBZWB:2020:217; ECLI:NL:RBOVE:2020:1140; ECLI:NL:RBLIM:2020:5009.

15 Op dit punt verwijst het onderdeel naar EHRM 21 februari 1990, Van de Leer/Nederland, NJ 1991/624, m.nt. E.A.A.

16 EHRM 21 februari 1990, nr. CEDH SERIE A VOL 170, NJ 1991/624, m.nt. E.A. Alkema.