Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1139

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-11-2020
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
20/00926
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:646, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Huwelijk in Iran. Vrouw verzoekt echtscheiding en betaling van de naar Iraans recht overeengekomen bruidsgave. Verweer dat partijen al gescheiden zijn en dat de bruidsgave reeds is betaald. Passeren bewijsaanbod. Prognose. Motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2021/68
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00926

Zitting 27 november 2020

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[de man]

verzoeker tot cassatie,

(hierna: de man),

advocaat: mr. N.C. van Steijn

tegen

[de vrouw]

verweerster in cassatie,

(hierna: de vrouw),

advocaat: mr. A.H.H. Conradi-Vermeulen.

In deze zaak verzoekt de vrouw de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de man te veroordelen tot betaling van de bruidsgave. De man stelt dat partijen jaren geleden in Iran al gescheiden zijn en dat hij de bruidsgave al betaald heeft. De man klaagt in cassatie dat het hof zijn bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd, of de toepassing van Iraans (bewijs)recht daarbij onvoldoende gemotiveerd heeft. Tevens klaagt de man dat het hof verzuimd heeft essentiële stellingen te behandelen.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1

(i) Partijen zijn gehuwd op [datum] 1981 te Teheran (Iran).

(ii) De man heeft de Nederlandse en de Iraanse nationaliteit en de vrouw heeft de Iraanse nationaliteit.

1.2

Bij inleidend verzoekschrift van 23 augustus 2017 heeft de vrouw de rechtbank Den Haag verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en nevenvoorzieningen te treffen. De vrouw heeft verzocht:

- Iraans recht van toepassing te verklaren op het huwelijksgoederenregime;

- te bepalen dat de man haar een bedrag van € 12.647,27, zijnde de bruidsgave, dient te voldoen.

1.3

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling op 18 mei 2018 verweer gevoerd. Hij heeft gesteld dat hij al geruime tijd geleden – na ongeveer tien jaar huwelijk – is gescheiden van de vrouw.

1.4

De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 15 juni 20182 bepaald dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding en dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten over het al dan niet gescheiden zijn nader te onderbouwen.

1.5

Nadat de mondelinge behandeling op 19 maart 2019 is voortgezet, heeft de rechtbank bij beschikking van 16 april 20193 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 12.647,27 – zijnde de bruidsgave – dient te voldoen.

1.6

Bij op 12 juli 2019 ingekomen beroepsschrift heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag tegen de beschikking van 16 april 2019. Hij heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de vrouw af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen, met een veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

1.7

Nadat op 13 november 2019 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden heeft het hof bij beschikking van 11 december 20194 de bestreden beschikking bekrachtigd en de kosten van het hoger beroep gecompenseerd in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

1.8

De man heeft tegen de beschikking van 11 december 2019 – tijdig5 – cassatieberoep ingesteld. Hij heeft daarbij een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het cassatiemiddel voor het geval dat het door hem opgevraagde, maar ten tijde van de indiening van het cassatieverzoekschrift nog niet ontvangen proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof daartoe aanleiding zou geven. Nadat het proces-verbaal door de griffie bij de Hoge Raad was ontvangen, is het aan de cassatieadvocaat van de man doorgestuurd met vermelding van een termijn voor reactie. Van het gemaakte voorbehoud is vervolgens geen gebruik gemaakt. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De man heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat is uitgewerkt in drie onderdelen. Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 5.6 over het verzoek tot betaling van de bruidsgave. Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 5.3 waarin het hof oordeelt over de stelling van de man dat partijen al ruim dertig jaar geleden gescheiden zijn. Onderdeel 3 bevat geen zelfstandige klacht.

2.2

Het hof overweegt in rov. 5.6:

(…) Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. (…) Voorts is niet komen vast te staan dat de man de bruidsgave al betaald heeft. Ten aanzien van het bewijsaanbod biedt de man slechts aan om zijn zoon te laten getuigen en de vrouw betwist dat betekenis moet worden gehecht aan deze verklaring omdat zij reeds jaren met de zoon niet op goede voet leeft. Bij deze stand van zaken kan de getuigenis van de zoon naar het oordeel van het hof niet leiden tot een andere beslissing.

2.3

Onderdeel 1 bevat twee klachten. De eerste klacht6 houdt in dat het oordeel van het hof waarin het het bewijsaanbod passeert van de man om zijn zoon te laten getuigen onjuist of onbegrijpelijk is. Het oordeel is onjuist, omdat het hof in strijd met het prognoseverbod op grond van de waardering van een schriftelijke verklaring van de zoon vooruit loopt op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden. Daarnaast is onjuist of onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat de getuigenis van de zoon niet kan leiden tot een andere beslissing, op de grond dat de vrouw stelt dat zij reeds jaren niet met de zoon op goede voet leeft. Volgens het onderdeel valt niet in te zien op grond waarvan of waarom het gegeven dat een getuige niet op goede voet zou leven met een procespartij reden is om deze niet te horen of daaraan voorbij te gaan.

Ten tweede klaagt het onderdeel7 dat als het hof in zijn oordeel vreemd (Iraans) recht heeft toegepast, zijn oordeel onvoldoende is gemotiveerd, omdat nergens uit blijkt dat en hoe dat recht is toegepast, althans waarom op grond van dat recht de getuigenis van de zoon niet kan leiden tot een andere beslissing.

Passeren bewijsaanbod

2.4

Bij de beoordeling van de eerste klacht van onderdeel 1 is het volgende van belang. Op grond van vaste rechtspraak geldt met betrekking tot het bewijsaanbod in hoger beroep het navolgende.

‘Uitgangspunt is dat een partij in hoger beroep in een verzoekschriftprocedure op grond van het bepaalde in art. 353 Rv tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden.

Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.

In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.

Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.’8

2.5

In de verzoekschriftprocedure is art. 166 Rv op grond van art. 362 jo. 284 Rv van toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.

2.6

De rechter dient het passeren van een bewijsaanbod te motiveren.9

2.7

Uit de bestreden beschikking blijkt niet waaruit het hof het bewijsaanbod heeft afgeleid en wat het inhoudt. In de brief van 31 oktober 2019, waarbij de man als productie 11 een verklaring van de zoon overlegt, staat dat de zoon tijdens de behandeling van de zaak aanwezig zal zijn in het Paleis van Justitie om – indien door het hof gewenst – zijn schriftelijke verklaring inzake de terugbetaling van de bruidsgave van zijn vader aan zijn moeder nader toe te lichten. In het proces-verbaal van de zitting van 13 november 2019 is vermeld dat de advocaat van de man heeft gezegd, kennelijk refererend aan de zoon:

‘Hij heeft herseninfarcten gehad en kreeg het niet voor elkaar. Maar de zoon zou over de ‘mishandeling’ kunnen verklaren.’

In het cassatieverzoekschrift is in een voetnoot opgemerkt dat het bewijsaanbod ‘kennelijk ter zitting [is] gedaan.’ Wat daarvan zij, het hof overweegt in rov. 5.6 dat de man heeft aangeboden zijn zoon te laten getuigen. Daar moet in cassatie van uit worden gegaan.

2.8

Mijns inziens getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof er op voorhand van uitgaat dat de getuigenis van de zoon niet kan leiden tot een andere beslissing. Het hof loopt met dat oordeel vooruit op de waardering die aan de getuigenverklaring moet worden gehecht, omdat het de verklaring(en) van alleen de zoon op voorhand onvoldoende acht en/of daaraan op voorhand geringe bewijskracht toekent gezien de stelling van de vrouw dat zij reeds jaren niet op goede voet leeft met de zoon. Indien het hof door het gebruik van het woord ‘slechts’ tot uitdrukking heeft getracht te brengen dat het bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd, omdat de man niet nader heeft aangegeven in hoeverre de zoon meer of anders zou kunnen verklaren dan hij al heeft gedaan,10 is het onvoldoende gemotiveerd.

2.9

Gelet op het voorgaande behoeft de klacht, dat niet valt in te zien op grond waarvan of waarom het gegeven dat een getuige niet op goede voet zou leven met een procespartij reden is om deze niet te horen of daaraan voorbij te gaan, geen behandeling.

Motivering toepassing Iraans recht

2.10

Over de toepassing van Iraans recht en de motivering daarvan in rov. 5.6 merk ik het volgende op. De rechtbank heeft in haar beschikking van 16 april 2019 beslist dat Iraans recht op het verzoek tot betaling van de bruidsgave van toepassing is. De man heeft daartegen niet gegriefd, zodat het hof van de toepasselijkheid van Iraans recht uit moest gaan.11 Uit rov. 5.5 en 5.6 blijkt mijns inziens dat het hof inderdaad Iraans recht heeft toegepast op het verzoek tot betaling van de bruidsgave.

2.11

Op grond van art. 10:3 BW is op de wijze van procederen voor de Nederlandse rechter Nederlands recht (de lex fori) van toepassing. Een uitzondering geldt onder meer voor kwesties van materieel bewijsrecht. In lijn hiermee is in art. 10:13 BW bepaald dat het recht dat een rechtsverhouding of rechtsfeit beheerst (lex causae) van toepassing is voor zover het ten aanzien van die rechtsverhouding of dat rechtsfeit wettelijke vermoedens vestigt of regels over de verdeling van de bewijslast bevat.12

2.12

Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat de beslissing van het hof om de zoon niet te laten getuigen (mede) stoelt op naar Iraans recht geldende regels van materieel bewijsrecht. De bewoordingen van rov. 5.6 sluiten dat mijns inziens ook niet uit. Mocht de beslissing van het hof het bewijsaanbod te passeren (mede) steunen op Iraans materieel bewijsrecht, dan is het oordeel onvoldoende gemotiveerd.

2.13

Onderdeel 1 slaagt.

2.14

Het tweede onderdeel heeft betrekking op rov. 5.3, waarin het hof overweegt:

‘5.3 Het hof overweegt als volgt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. De rechtbank heeft overwogen dat de man geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zijn stelling dat partijen al zijn gescheiden, nader te onderbouwen. Ook in hoger beroep heeft de man geen enkel stuk overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling. Dit had in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw wel op zijn weg gelegen.’

2.15

Het onderdeel klaagt ten eerste dat het slagen van onderdeel 1 mede tot gevolg heeft dat rov. 5.3 niet in stand kan blijven, omdat het bewijsaanbod van de man verwees naar de verklaring van de zoon en die verklaring mede toezag op de echtscheiding.13 Dat is juist, ervan uitgaande dat het bewijsaanbod mede betrekking had op de stelling van de man dat hij reeds gescheiden was. Of dat zo is, blijkt niet uit rov. 5.6, maar de schriftelijke verklaring van de zoon heeft wel mede op de echtscheiding betrekking.

2.16

Voor het geval Uw Raad van oordeel is dat het eerste onderdeel niet slaagt, behandel ik ook de overige klacht(en) van het tweede onderdeel. Het onderdeel klaagt dat het gelet op de door de man overgelegde schriftelijke verklaring van de zoon onbegrijpelijk is dat het hof overweegt dat in hoger beroep geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die tot een andere beslissing leiden en de man geen enkel stuk heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling. Verder heeft het hof verzuimd gemotiveerd op de volgende essentiële stellingen en overgelegde schriftelijke (getuigen)verklaringen te responderen, omdat deze zelfstandig en/of in onderling verband relevant zijn voor de onderbouwing van de stelling van de man dat de man en de vrouw al gescheiden waren in Iran en de oordeelsvorming daarover:

a) een uittreksel basisregistratie personen afgegeven door de gemeente Den Haag op 5 juli 2019, waarin is vermeld dat het huwelijk is ontbonden op 30 juli 1996 te Teheran, Iran;14

b) de twee schriftelijke verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dat ze aanwezig waren bij de echtscheiding van partijen in Iran;15

c) de verklaring getekend door tien getuigen dat de vrouw de echtelijke woning geleverd heeft gekregen en verkocht “as her marriage portion upon dissolving their marriage and seperation”;16

d) de stelling dat een gehuwde Iraanse vrouw niet naar het buitenland kan afreizen zonder toestemming van haar man en dat een gehuwde Iraanse vrouw slechts een paspoort kan verkrijgen met toestemming van haar man;17 ook de zoon heeft in zijn verklaring erop gewezen dat de vrouw over een eigen Iraans paspoort beschikt hetgeen naar Iraans recht alleen kan na echtscheiding omdat anders toestemming van de man nodig is;18

e) De stelling van de man dat i) hij de echtscheidingspapieren aan de toenmalige advocaat van de vrouw had gegeven om een verblijfstatus te kunnen krijgen en om een bijstandsuitkering bij de gemeente te kunnen aanvragen, ii) de vrouw, indien zij gehuwd was met de man, niet op schrijnendheid maar op familiehereniging een verblijfsvergunning had moeten aanvragen, iii) indien zij gehuwd was met de op dat moment in Nederland verblijvende man zij geen bijstandsuitkering had kunnen ontvangen en iv) om in aanmerking te komen voor een verblijf op grond van schrijnendheid en om een bijstandsuitkering te krijgen de vrouw met succes heeft aangetoond dat zij gescheiden was van de man, althans dat zij ongetrouwd was.

2.17

Mijns inziens heeft het hof in rov. 5.3 onvoldoende inzage gegeven in zijn gedachtegang door te overwegen dat de man ‘geen enkel stuk [heeft] overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling.’ Deze overweging gaat eraan voorbij dat de man wel stukken heeft overgelegd, waaronder de schriftelijke verklaringen van de zoon en de onder b) en c) genoemde schriftelijke verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en tien getuigen. Aan de verklaringen van de zoon en de tien getuigen refereert het hof in het geheel niet in rov. 5.1 t/m 5.3. De verklaring van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] noemt het hof in rov. 5.1 wel, maar het hof gaat alleen in op de relevantie ervan voor zijn oordeel over de betaling van de bruidsgave (rov. 5.6). In zoverre slaagt de klacht.

2.18

Het onder a) genoemde uittreksel basisregistratie personen hoefde het hof niet apart te vermelden. Het onderdeel lijkt te betogen dat uit het uittreksel zou blijken dat het huwelijk tussen partijen in 1996 is ontbonden. Het uittreksel ziet echter op Marzieh Sadeghi, de tweede echtgenote van de man, en vermeldt dat zij van 1990 tot 30 juli 1996 met de man getrouwd was.

2.19

Voor wat betreft de onder d) en e) genoemde stellingen geldt mijns inziens dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat de man deze stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, gelet op de over en weer ingenomen standpunten.19 Het hof hoefde deze stellingen daarom niet uitdrukkelijk in de motivering te betrekken. Op dit punt faalt de klacht.

2.20

Uit het voorgaande volgt dat het tweede onderdeel gedeeltelijk slaagt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 15 juni 2018 in samenhang met de beschikking van het hof Den Haag d.d. 11 december 2019, rov. 3.1.

2 FA RK 17-6556, C/09/538501.

3 ECLI:NL:RBDHA:2019:3753.

4 ECLI:NL:GHDHA:2019:3294.

5 Het cassatieverzoekschrift is ingediend op 9 maart 2020.

6 Cassatieverzoekschrift, randnr. 5.

7 Cassatieverzoekschrift, randnr. 6.

8 HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270, m.nt. W.D.H. Asser, AA 2005/0270, m.nt. G.R. Rutgers, JPBR 2004/67, m.nt. M.A.J.G Janssen (OZ Export Planten/ […]), rov. 3.6. Herhaald in onder meer HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9991, NJ 2005/512, m.nt. H.B. Krans (X/Cofely), rov. 3.7; HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3075, JIN 2014/224, m.nt. M.A.J.G. Janssen, rov. 3.3.2 en 3.3.4; HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, JBPR 2015/68, m.nt, G.C.C. Lewin, rov. 3.5; HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49, JBPR 2016/32, m.nt. C.S.G. Janssens, JIN 2016/38, m.nt. M.A.J.G. Janssen, rov. 3.4.1; HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1313, JIN 2020/122, m.nt. M.A.J.G. Janssen, rov. 3.2.1. Zie o.a. Asser Procesrecht/Asser 3 2017/221-225; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/208, 209, 212, 214; A.M. van Aerde, in: H.W.B. Thoe Schwartzenberg e.a., Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk. Apeldoorn: Maklu 2020, p. 252-270; G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15) 2015/70; G.R. Rutgers, H.B. Krans & Pitlo, Bewijs (Nederlands burgerlijk recht / Pitlo, Dl. 7), Deventer: Kluwer 2014, nr. 117; H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht. Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr 221; H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel (Burgerlijk proces & praktijk, 2), Deventer: Kluwer 2009, nr. 207; D. Reisig, Het aanbod van getuigenbewijs (diss. UvA), Overveen 2005, nr. 123-127 en 145-147.

9 H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel (Burgerlijk proces & praktijk, 2), Deventer: Kluwer 2009, nr. 208; D. Reisig, Het aanbod van getuigenbewijs (diss. UvA), Overveen 2005, nr. 115 en 170.

10 Vgl. HR 13 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2579, NJ 1999/560, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.1.2, waarover o.a. Asser Procesrecht/Asser 3 2017/226.

11 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/175.

12 Zie nader o.a. Parl. Gesch. BW Boek 10 2014/II.5 en II.15; Vonken, in: T&C BW, art. 10:3 en art. 10:13 BW (actueel t/m 1 augustus 2020); Asser/Vonken 10-I 2018/188-195; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/17-19; De Boer, in: Th. M. de Boer & F. Ibili, Nederlands internationaal personen- en familierecht : wegwijzer voor de rechtspraktijk. (Recht en praktijk. Personen- en familierecht, PFR3), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 29-30; P. Vlas, IPR en BW (Monografieën BW. A-serie, A27), Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 28; B.J. van het Kaar, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging (Recht en praktijk, 163), Deventer: Kluwer 2008, p. 39-49.

13 Cassatieverzoekschrift, randnr. 7, onder verwijzing naar productie 11 bij de brief van de advocaat van de man van 31 oktober 2019.

14 Appelschrift, p. 1, productie 1.

15 Appelschrift, p. 2, productie 7.

16 Productie 12 bij de brief van 31 oktober 2019.

17 Appelschrift, p. 1.

18 Productie 11 bij brief van 31 oktober 2019.

19 Zie appelschrift p. 1-2; de verklaring van de zoon overgelegd als productie 11 bij de brief van 31 oktober 2019; verweerschrift van de vrouw, p. 1-2 en het proces-verbaal van de zitting op 13 november 2019.