Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1138

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
19/05747
Formele relaties
Oorspronkelijke conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:924
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1898
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr) en diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend (art. 311 Sr) in een café in Rotterdam waarbij verdachte is veroordeeld tot 10 jaar en 6 maanden gevangenisstraf en TBS. Middelen over het oogmerk en de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. HR: art. 81.1 RO en omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr (vgl. ECLI:NL:HR:2020:914). Schriftuur ingediend namens de b.p. voldoet niet aan de eisen en blijft onbesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05747

Zitting 10 november 2020

AANVULLENDE CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

hierna: de verdachte.

  1. Op 13 oktober 2020 heb ik in de onderhavige zaak een conclusie genomen. Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft mr. F.J.M. Hamers, advocaat te Rotterdam, binnen de daarvoor geldende termijn een schriftuur ingediend. In deze aanvullende conclusie zal ik mij beperken tot de bespreking van het als ‘middel’ van de benadeelde partij gepresenteerde.

  2. De schriftuur bevat twee klachten, die kennelijk gericht zijn tegen de beslissing van het hof de benadeelde partij (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

  3. Het hof heeft in het arrest ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] het volgende overwogen:

    “In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële of immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot bedragen van:

    (…)
    - [benadeelde] tot een bedrag van primair € 118.464,03 en subsidiair € 88.400,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente; in hoger beroep zijn de gevorderde bedragen aangepast tot € 32.692,- respectievelijk € 27.000,-; ten aanzien van overige schade zou (slechts) de schadevergoedingsmaatregel moeten worden opgelegd. Daarnaast is een tweetal nieuwe schadeposten opgevoerd ter grootte van € 16.300,- en € 15.000,-.
    (…)
    Overwegingen van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

    De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering voor materiële schade ingediend welke het oog had op derving van levensonderhoud.

    In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering ten aanzien van derving van levensonderhoud gehandhaafd, maar wel een nieuwe berekening van de gestelde schade gegeven welke lager uitkomt dan in eerste aanleg is gevorderd. In zoverre staat niets aan de ontvankelijkheid in die vordering in de weg.
    In hoger beroep heeft de benadeelde partij echter een tweetal nieuwe schadeposten gevorderd: de kosten van studievertraging ad € 16.300,- en immateriële schade ad € 15.000,-. Deze uitbreiding van de vordering in hoger beroep is in het licht van het bepaalde in artikel 421 Wetboek van Strafvordering niet toegelaten. De benadeelde partij is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk in haar vordering.
    De raadsman van de benadeelde partij heeft bepleit dat, bij niet-ontvankelijkheid als zojuist weergegeven, het wettelijk systeem niet in de weg staat aan het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot deze beide hiervoor genoemde schadeposten, met het verzoek om deze schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot deze beide schadeposten dan ook op te leggen.

    Het hof oordeelt daar anders over. Hoewel binnen het wettelijk systeem niet uitgesloten is dat, onder omstandigheden, een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor schade die niet is gevorderd dan wel niet zonder meer toewijsbaar is als vordering benadeelde partij, heeft deze mogelijkheid niet tot doel om de wettelijke beperking van niet-verhoging en niet- aanvulling in hoger beroep van een in eerste aanleg ingediende vordering te omzeilen. In het onderhavige geval is van dit laatste sprake. Daar komt bij, dat deze nieuwe, niet onaanzienlijke, schadeposten eerst twee dagen vóór de behandeling in hoger beroep aan de verdediging kenbaar zijn gemaakt, zodat ook het verwijt van de verdediging dat zij zich met betrekking tot deze gestelde schadeposten niet behoorlijk heeft kunnen voorbereiden en dus beperkt is in de mogelijkheid van verweer, terecht is gemaakt. In zoverre zou het “toewijzen” van de gestelde schadeposten in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel in strijd zijn met regels van een goede en eerlijke procesorde.
    Een en ander betekent, dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering voor zover die de posten studievertraging en immateriële schade betreft, en dat met betrekking tot deze gestelde schadeposten niet een schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.
    Resteert de beoordeling van de post derving levensonderhoud.

    Deze post is in eerste aanleg ook gevorderd, maar thans is een nieuwe berekening ervan gegeven, welke lager uitkomt dat in eerste aanleg is gevorderd.

    Het hof overweegt bij de beoordeling van deze schadepost het volgende.

    De vordering is gebaseerd op de aanname dat de benadeelde partij na haar huidige HBO-opleiding de universitaire opleiding fiscaal recht zal gaan volgen en deze ook zal afmaken. Vervolgens is een schatting van de totale kosten gemaakt, waarbij is aangehaakt bij min of meer objectieve gegevens over gemiddelde en gangbare kosten van levensonderhoud en studie. Bij de ene berekening is uitgegaan van begrote feitelijke kosten (€ 65.384,- : 2 = € 32.692,-), bij de andere, subsidiaire, berekening is uitgegaan van de ouderlijke inkomens (€ 54.400,- : 2 = € 27.200,-).
    Het hof heeft geen twijfels over de oprechte intentie van de benadeelde partij om het beoogde studietraject in te gaan, en evenmin over de vraag of zij over de capaciteiten beschikt die haar in staat moeten stellen om dat traject positief af te ronden. Het is echter geenszins voldoende zeker dat een en ander een verloop zal gaan hebben als thans gesteld en verwacht wordt. Omstandigheden kunnen gemakkelijk wijzigen, in allerlei opzichten, zeker wanneer gesproken wordt over een traject van vele jaren. Met andere woorden: dat de kosten van levensonderhoud en studie, ook indien uitgegaan zou worden van de redelijkheid van de berekening als gedaan, ook werkelijk zullen worden gemaakt als omschreven, staat niet voldoende vast.
    Daarnaast kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld, of de vader van de benadeelde partij, het slachtoffer in de onderhavige zaak, gedurende de gehele gestelde nog komende periode in staat zou zijn geweest het gestelde aandeel (-50 %) in de kosten van levensonderhoud en studie te voldoen, terwijl daarnaast de omvang van het door de ouders van de benadeelde partij te leveren aandeel in de kosten mede bepaald wordt door thans onzekere bijdragen uit studiefinanciering of uit eigen inkomsten van de benadeelde partij.

    Tenslotte wijst het hof ook hier op de omstandigheid dat de aangepaste vordering van de benadeelde partij en de berekeningen ervan eerst twee dagen vóór de behandeling in hoger beroep zijn ingebracht, zodat het verweer daartegen reeds om die reden ernstig bemoeilijkt is. Ook dat staat in de weg aan onverkorte toewijzing van het gevorderde.
    Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat thans noch kan worden berekend noch kan worden geschat wat de omvang is of zal zijn van de door de benadeelde partij geleden schade in de vorm gemiste bijdragen van het slachtoffer in de kosten van haar levensonderhoud en studie.
    Dat er, zeker in de afgelopen en nabij liggende jaren, wel bijdragen als bedoeld van de kant van het slachtoffer zijn of zullen worden gemist, acht het hof overigens wel voldoende aannemelijk. De benadeelde partij vormde immers één huishouden met het slachtoffer, haar vader. Het hof zal op die grond aan de benadeelde partij een bedrag toewijzen waarvan het hof inschat dat het slachtoffer in elk geval, en wel op de wat kortere termijn dan de gehele gestelde voorgenomen studieperiode, in enige mate zou hebben bijgedragen in de kosten van levensonderhoud en studie, te weten € 12.000,-. Voor het overige kan de vordering niet voldoende op juistheid worden beoordeeld. De benadeelde partij wordt door het overige deel dan ook niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.”

    4. Als een middel van cassatie als bedoeld in de wet kan slechts gelden een duidelijke en stellige klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De formulering van het middel, waarmee slechts wordt opgekomen tegen “de motivering van het hof”, voldoet daaraan niet. Ook de toelichting in de schriftuur biedt geen redding. Ik merk daarover het volgende op.

    5. De eerste klacht is gericht tegen de beslissing van het hof ter zake van de schadeposten studievertraging en immateriële schade. Omdat vergoeding van deze schade in eerste aanleg niet is gevorderd, heeft het hof de benadeelde partij in de vordering in zoverre op grond van art. 421 Sv niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om in dat geval niettemin een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen heeft het hof afgewezen. Het hof heeft in dat verband overwogen dat in het onderhavige geval de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel het in art. 421 Sv besloten liggende verbod op verhoging en aanvulling in hoger beroep van een in eerste aanleg ingediende vordering zou omzeilen en dat de verdediging terecht heeft aangevoerd dat zij zich ten aanzien van de gestelde schadeposten niet behoorlijk heeft kunnen voorbereiden en dus beperkt is in de mogelijkheid van verweer.

    6. Met de eerste klacht wordt opgekomen tegen deze laatste overwegingen. Daarmee keert het middel zich tegen (de motivering van) de beslissing van het hof om ter zake van de gestelde schade niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

    7. Ingevolge art. 437, derde lid, Sv is de benadeelde partij bevoegd bij de Hoge Raad door een advocaat een schriftuur te doen indienen, houdende haar middelen over een rechtspunt “hetwelk uitsluitend haar vordering betreft”. De beslissing tot het al dan niet toewijzen van een schadevergoedingsmaatregel kan niet worden aangemerkt als een rechtspunt hetwelk uitsluitend de vordering van de benadeelde partij betreft.1 Dat betekent dat de beslissing al dan niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen door de benadeelde partij in cassatie niet kan worden bestreden.

8. Het als tweede klacht gepresenteerde is gericht tegen de beslissingen van het hof ten aanzien van de schadepost derving levensonderhoud. De toelichting daarop houdt niet meer in dan dat hetgeen naar voren is gebracht bij de eerste klacht als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, “[e]n dan met name het moment van indiening van de gewijzigde vordering met betrekking tot derving levensonderhoud.”

9. Het als tweede klacht gepresenteerde bevat geen stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering.

10. Als een namens de benadeelde partij voorgesteld cassatiemiddel als bedoeld in art. 437, derde lid, Sv kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering. Het als ‘middel’ gepresenteerde, voldoet niet aan deze vereisten, zodat het onbesproken moet blijven.

11. Deze aanvullende conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur onbesproken laat.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1422. Vgl. voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2012:BX5470, onder 17 tot 21) voorafgaand aan HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5470 (HR: art. 81, eerste lid, RO) en de conclusie van toenmalig A-G Silvis (ECLI:NL:PHR:2011:BO5351, onder 9), voorafgaand aan HR 11 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5351 (HR slaat geen acht op schriftuur omdat deze niet is ondertekend).