Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1135

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-09-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
19/01246
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1904
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen witwassen geldbedragen, art. 420bis Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AF7985 m.b.t. motiveringsvereisten voor redengevende f& in bewijsoverweging. Het hof heeft de in de bewijsoverweging onder de gedachtestreepjes genoemde f&o redengevend geacht voor de bewezenverklaring. Het betreft hier mede gegevens die niet in de b.m. zijn vermeld terwijl het hof in zijn overweging evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige b.m. heeft aangegeven waaraan het die f&o heeft ontleend. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/01270.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01246

Zitting 22 september 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 27 februari 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “medeplegen van witwassen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/01270. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen niet kan volgen uit de bewijsvoering.

4.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“zij op 25 mei 2016 te IJsselstein tezamen en in vereniging met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben zij, verdachte en haar mededader op 25 mei 2016 een groot geldbedrag in contanten overgedragen, terwijl zij, verdachte en haar mededader wisten, dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

4.3.

Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1444 e.v., voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :

op 24 mei 2016 (...)

V: Wat heeft uw man u gegeven als bewaargoed?

A: (...) Het bewaargoed, hij heeft mij 5 euro gegeven, daarmee ben ik naar de [b-straat] gegaan, ik moest dat geven aan de man die daar naar toe kwam. Het bewaargoed was dus 5 euro. (...) [medeverdachte] heeft wel een bewaargoed bij mij achtergelaten in plastic (...)

V: Waarom moest u, als u iemand in een auto zou zien, met uw hand een vijf (5) maken?

(...)

A: Ik moet laten toen wie ik ben, het is als teken bedoelt dat de persoon bij mij moest zijn denk ik. (...) Ik moest 5 euro aan mijn man gegeven. [medeverdachte] is niet naar huis gekomen, hij was onderweg en zei dat ik hem 5 euro moest brengen.

(...) die plastic tas was voor die grijze polo, die heb ik eerder aan de man van de grijze polo afgegeven. En later heb ik de 5 euro aan [medeverdachte] gegeven die voor een andere man was. (...)

O: De tolk leest de passage uit dit gesprek aan haar voor waar het gaat over bewaargoed.

A: Ze had daar €15.000 euro liggen en dat heeft de politie ook meegenomen.

V: Dus bewaargoed is geld?

A: Ja dat is haar eigen spaargeld. (...)

2. Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] , p. 1220, voor zover inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

Pagina 1220

V: Als het gehaald zou worden, was u daar alleen bij betrokken of soms ook andere?

A: Soms kreeg ik een telefoontje wanneer ik aan het werk was, en dan kon ik niet zelf het geld brengen. Maar het moest dan van de baas toch worden afgeleverd. Dan belde ik soms [verdachte] en vroeg dan of zij voor mij documenten wilde afleveren. (...) Als het [betrokkene 7] het deed voor mij dan wist hij wel wat ik deed. (...)

Pagina 1222

V: Dit is dus het schriftje waar de administratie in staat over de geldtransacties wat u moest doen?

A: Ja (...)

A: IN is het bedrag wat is binnengekomen en UIT geeft aan wat ik aan andere mensen heb gegeven.

V: Wat is de herkomst van de bedragen waar IN voor staat?

A: elke keer een andere staat, Rotterdam, Amsterdam. Rozendaal. Bergen op Zoom. Dat zijn de 4 steden waar ik het meestal moest halen. En dan meestal gewoon bij mensen op straat. (...)

Pagina 1223

V: Waar moesten de bedragen naar toe waar UIT voor staat?

A: Ik geef het aan de klanten waar ik opdracht van kreeg van de Baas. Ik kreeg vaak van Marokkanen maar ik gaf het aan Nederlanders, Indiërs, Pakistanen, zwarte mensen. Dat waren veel verschillende mensen. (...)

V: En als er 250 staat?

A: Dan is dat 250 duizend. Soms euro’s soms kronen. (...)

V: De derde kolom is opgeteld wat je op dat moment thuis hebt?

A: Ja klopt. (...)

3. Een schriftelijk stuk, te weten de bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen geldoverdrachten onderzoek WICKER (p. 421 e.v.), p. 443., voor zover inhoudende het tapgesprek TA09, sessienr. 119:

[medeverdachte] belt NN3048 en moet 30 overhandigen. (...)

4. Een schriftelijk stuk, te weten een pagina van het schrift van verdachte [medeverdachte] , p. 403, voor zover inhoudende de aantekening:

25-05 uit 30 (...)

5. Een schriftelijk stuk, te weten bijlage 7B bij het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1460, voor zover inhoudende het tapgesprek met sessienummer 1991:

datum 25-05-2016 19:04:09 (...) [medeverdachte] belt uit met [verdachte] . (...) A. de man is daar bij nummer [...] . Hij is met een grijze polo.

As. is goed

A. luister je moet snel terug want de ander komt ook voor die 5 euro

As. oke is goed

A. ga hem dat plastiek tas geven

As. oke dag

6. Een schriftelijk stuk, te weten bijlage 7C bij het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1461, voor zover inhoudende het tapgesprek met sessienummer 1993:

datum 25-05-2016 19:15:43 (...) [medeverdachte] belt uit met [verdachte] . (...) [medeverdachte] vraagt of het klaar is met die ene. [verdachte] antwoord bevestigend. [medeverdachte] zegt dat de ander tegen hem zei dat hij over 15 mn daar zal zijn. (...)

7. Een schriftelijk stuk, te weten bijlage 7D bij het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1462, voor zover inhoudende het tapgesprek met sessienummer 1994:

datum 25-05-2016 19:17:47 (...) [medeverdachte] belt uit [verdachte] . (...) [medeverdachte] vraagt [verdachte] om daar een rondje te gaan doen en om te kijken of iemand daar staat.

[verdachte] : Ja maar hoe moet het weten

A: als je iemand in een auto ziet dan vraagje wachtje op mij.. of je maakt 5 met je hand. (...)

8. Een schriftelijk stuk, te weten bijlage 7E bij het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1463, voor zover inhoudende het tapgesprek met sessienummer 882:

datum 25-05-2016 19:21:32 (...) [verdachte] belt met [medeverdachte]

Er is niemand bij nummer [...] en ook bij nummer [...]

[verdachte] kan terug.

9. Een schriftelijk stuk, te weten bijlage 7F bij het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1464, voor zover inhoudende het tapgesprek met sessienummer 1996:

datum 25-05-2016 19:25:05 (...) [medeverdachte] belt uit met [verdachte] . [verdachte] is terug naar huis. (...) [medeverdachte] vraagt aan [verdachte] om nog een keertje te gaan kijken. [verdachte] gaat nog een keer kijken.

10. Een schriftelijk stuk, te weten bijlage 7G bij het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1465, voor zover inhoudende het tapgesprek met sessienummer 884:

datum 25-05-2016 19:30:24 (...) [verdachte] belt met [medeverdachte] . Er is niemand zegt [verdachte] . (...) [medeverdachte] zegt dat [verdachte] naar huis kan.

11. Een schriftelijk stuk, te weten bijlage 7H bij het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1466, voor zover inhoudende het tapgesprek met sessienummer 2001:

datum 25-05-2016 19:50:36 (...) [medeverdachte] belt uit met [verdachte] . [verdachte] moet nu gaan want de persoon staat daar te wachten en hij is met iemand.”

4.4.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde

Verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 15 oktober 2015 tot en met 4 juni 2016 IJsselstein, Amsterdam, Dronten, elders in Nederland en in België in vereniging geldbedragen heeft witgewassen en daarvan een gewoonte heeft gemaakt. De verdediging heeft in eerste aanleg en in hoger beroep vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet kon hebben geweten dat zij geld overdroeg of in ontvangst nam en dat er geld in haar huis aanwezig was.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt in het vonnis van 26 april 2017 ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde als volgt:

“Voor een veroordeling voor witwassen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat het geld, dat door verdachte is overgedragen in opdracht van haar echtgenoot, uit (...) enig misdrijf afkomstig is.

Vermogensbestanddelen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf in de zin van artikelen 420bis, 420ter en/of 420quater van het Wetboek van Strafrecht indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdragen daarvan (HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044). Het geld dat via het ondergronds bankieren door verdachte is overgedragen (etc.) zou weliswaar gezien kunnen worden als voorwerp van een strafbaar feit, namelijk overtreding van de wetgeving die ondergronds bankieren strafbaar stelt, maar deze omstandigheid brengt op zichzelf noodzakelijkerwijs niet mee dat het geld ook uit misdrijf afkomstig is (zie HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3380).

In politieonderzoek [...] is geen direct bewijs voor een criminele herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen gevonden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om geldbedragen die verdachte voor anderen heeft ontvangen en overgedragen in het kader van het ondergronds bankieren.

Gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad is de rechtbank van oordeel dat geld dat afkomstig is vanuit de ondergrondse bankierwereld niet per definitie van misdrijf afkomstig is, het geld kan immers ook een legale herkomst hebben. Hoewel verdachte, door zich bezig te houden met ondergronds bankieren, de wet heeft overtreden (namelijk voornoemde Wet op het financieel toezicht), zegt dit nog niets over de herkomst van het geld. Daarmee is dus (nog) niet voldaan aan het criterium dat sprake moet zijn van een voorafgaand misdrijf zoals de jurisprudentie voorschrijft.

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen?

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat direct bewijs voor een criminele herkomst van het geld ontbreekt, ligt de vraag voor of er op basis van de feiten en omstandigheden, zoals deze uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij concreet en min of meer verifieerbaar verklaart over een legale herkomst van het geld, welke verklaring niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk moet zijn aan te merken.”

Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen van de rechtbank en neemt deze over.

Het hof leidt in het bijzonder uit de volgende feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang gezien - af dat het niet anders kan zijn dan dat de door medeverdachte [medeverdachte] overgedragen contante geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn:

- Medeverdachte [medeverdachte] heeft op grote schaal grote contante geldbedragen vervoerd;

- Medeverdachte [medeverdachte] ontving het contante geld in een plastic zak en verpakte het contante geld vervolgens in stapels met cellofaan en plastic;

- Medeverdachte [medeverdachte] verborg de contante geldbedragen achter de wasmachine op zolder in de woning van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ;

- In het getapte telefoonverkeer tussen medeverdachte [medeverdachte] en de andere medeverdachten en onbekend gebleven personen over de over te dragen geldbedragen, werd in versluierde taal over (het transport van) deze geldbedragen gesproken. In deze gesprekken werden bedragen afgekort tot ‘50’, ‘200’, of ‘een meter’;

- Bij het op 5 april 2016 op heterdaad aantreffen van medeverdachte [betrokkene 1] in een witte bestelbus van Renault met kenteken [kenteken] is in een verborgen ruimte in deze bestelbus een groot contant geldbedrag en een pistool aangetroffen;

- Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij bang was voor de mensen waarmee hij werkte;

- Medeverdachte [medeverdachte] wilde niet verklaren over bepaalde personen met wie hij werkte;

- Medeverdachte [medeverdachte] heeft een geheime ruimte in zijn auto laten inbouwen om de contante geldbedragen in op te bergen gedurende het vervoer voor de overdracht;

- Medeverdachte [medeverdachte] moest wel eens naar coffeeshops om geld op te halen;

- Medeverdachte [medeverdachte] ontving volgens zijn eigen verklaring gemiddeld € 2.000,- à € 5.000,- per maand als vergoeding voor de geldoverdrachten;

- Medeverdachte [medeverdachte] telde de geldbedragen niet;

- De geldoverdrachten vonden plaats op een openbare plaats;

- Bij de geldoverdracht werd een uniek kenmerk (token) gebruikt als afgiftebewijs, bijvoorbeeld het woord ‘Messi’, ‘Pepsi’, ‘Audi’ of een serienummer van een bankbiljet van kleine coupure, namelijk

€ 5,-;

- Medeverdachte [medeverdachte] gebruikte een PGP-Blackberry, teneinde versleutelde berichten te kunnen verzenden.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de door medeverdachte [medeverdachte] overgedragen contante geldbedragen en het door verdachte op 25 mei 2016 overgedragen contante geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Niet is gebleken dat de verdachte op de hoogte was van alle hierboven opgesomde feiten en omstandigheden. Zo is niet gebleken dat zij op de hoogte was van de aanwezigheid van een vuurwapen in de bestelbus van medeverdachte [betrokkene 1] . Niettemin is het hof op grond van de aan de verdachte wél kenbare feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het witwassen van het contante geldbedrag dat zij heeft overgedragen op 25 mei 2016. Het hof overweegt daartoe dat de verdachte in opdracht van haar echtgenoot, medeverdachte [medeverdachte] , op 25 mei 2016 naar eigen zeggen ‘bewaargoed’ in een plastic tas (met daarin een contant geldbedrag van € 30.000,-) heeft afgegeven aan een onbekend gebleven persoon in een grijze Volkswagen Polo. Ze moest daarbij een € 5,- biljet dat zij van medeverdachte [medeverdachte] had gekregen aan de onbekende man gegeven, dan wel een teken met haar hand geven. Ook de plek waar dat gebeurde, namelijk niet in of voor haar woning, maar een plek iets van de woning verwijderd, is niet voor de hand liggend bij een legale transactie. Een en ander past volledig in het beeld dat uit de hierboven opgesomde feiten en omstandigheden omtrent de herkomst van het geld naar voren komt. Door te handelen zoals zij heeft gedaan, heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het door haar overgedragen goed (een plastic tas die een geldbedrag bleek te bevatten) van enig misdrijf afkomstig was en dat zij zich dus schuldig zou maken aan witwassen. Het hof is bovendien van oordeel dat verdachte dit witwassen tezamen en in vereniging met anderen heeft gedaan.”

4.5.

Het middel valt uiteen in meerdere klachten. Het middel klaagt allereerst dat de door het hof bij zijn oordeel dat de door de medeverdachte [medeverdachte] overgedragen contante geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, niet blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen, terwijl het hof niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen heeft aangeduid waaraan het deze heeft ontleend.

4.6.

Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld “uit enig misdrijf afkomstig is” kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.1 Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.2

4.7.

Het hof heeft zijn oordeel dat “het niet anders kan dan dat de door medeverdachte [medeverdachte] overgedragen contante geldbedragen en het door verdachte op 25 mei 2016 overgedragen contante geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn” gegrond op de in zijn onder 4.4 weergegeven bewijsoverweging opgesomde “feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien”. Het middel klaagt terecht dat deze feiten en omstandigheden niet blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen en dat het hof evenmin de bewijsmiddelen heeft aangeduid waaraan het hof deze feiten en omstandigheden heeft ontleend.3 Nu i) het “uit enig misdrijf afkomstig” zijn van het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag een delictsbestanddeel is van de bewezenverklaring en de in cassatie gewraakte feiten en omstandigheden derhalve redengevend zijn voor de bewezenverklaring en niet van ondergeschikte betekenis zijn4 en ii) uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid waarop het hof dit “uit enig misdrijf afkomstig” zijn overigens heeft kunnen gronden, is de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.5 Gelet op het volgende meen ik dat dit echter niet tot cassatie behoeft te leiden.

4.8.

In gevallen waarin niet alle redengevende feiten of omstandigheden kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen en evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel is aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend, kan het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - aanleiding zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering. In dergelijke gevallen kan zo een klacht met toepassing van art. 81, eerste lid, RO of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO worden afgedaan.6

4.9.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt mee dat de behandeling van de zaak tegen verdachte op praktische gronden gelijktijdig geschiedt met de behandeling van de zaak onder parketnummer 21-002547-17 tegen de wel verschenen medeverdachte [medeverdachte] , bijgestaan door mr. I.N. Weski, advocate te Rotterdam.”

4.10.

De Hoge Raad beschikt over het dossier in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] . Het hof heeft in zijn arrest in de onderhavige zaak met betrekking tot zijn oordeel dat het niet anders kan dan dat de overgedragen contante geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, dezelfde bewijsoverweging gebezigd als in zijn arrest in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] . Het hof heeft met andere woorden in beide zaken bij dat oordeel de hiervoor onder 4.4 weergegeven feiten en omstandigheden in aanmerking genomen. Deze feiten en omstandigheden kunnen allemaal zonder meer worden afgeleid uit de in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] gebezigde bewijsmiddelen. Naar mijn oordeel kan er geen twijfel over bestaan dat het hof ook de in zijn arrest in de onderhavige zaak in aanmerking genomen feiten en omstandigheden heeft ontleend dan wel - bij hernieuwde behandeling - zal kunnen ontlenen aan dezelfde bewijsmiddelen. Dan komt de vraag op welk rechtens te respecteren belang de verdachte heeft bij vernietiging en terugwijzing op dit punt, nu niet te verwachten valt dat het oordeel van het hof daardoor anders zal worden.7 In aanmerking genomen dat ook de schriftuur geen melding maakt van een rechtens te respecteren belang bij cassatie8, kan het middel in zoverre niet tot cassatie leiden.

4.11.

Het middel klaagt in de tweede plaats over het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat “niet is gebleken dat de verdachte op de hoogte was van alle door het hof in het arrest opgesomde feiten en omstandigheden maar dat zij niettemin op grond van de aan de verdachte wel kenbare feiten en omstandigheden voorwaardelijk opzet heeft gehad op het witwassen van het contante geldbedrag dat zij heeft overgedragen op 25 mei 2016”.

4.12.

Geklaagd wordt dat het hof heeft verzuimd te vermelden van welke omstandigheden de verdachte op de hoogte zou zijn geweest terwijl dit evenmin, althans niet zonder meer, uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof namelijk direct na zijn overweging “dat het hof niettemin op grond van de aan de verdachte wel kenbare feiten en omstandigheden van oordeel is dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad (…)” uiteengezet van welke feiten en omstandigheden de verdachte naar het oordeel van het hof op de hoogte was. Het hof concludeert daarna dat “een en ander volledig in het beeld past dat uit de hierboven opgesomde feiten en omstandigheden omtrent de herkomst van het geld naar voren komt”.

4.13.

Het middel klaagt voorts dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen “dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zich met de overdracht van de tas (die een geldbedrag bleek te bevatten) schuldig zou maken aan witwassen”. Het hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de verdachte in opdracht van haar echtgenoot naar eigen zeggen ‘bewaargoed’ in een plastic tas (met daarin een contant geldbedrag van € 30.000,-) heeft afgegeven aan een onbekend gebleven persoon in een grijze Volkswagen Polo, waarbij ze een € 5,- biljet dat zij van haar echtgenoot had gekregen aan de onbekende man moest geven dan wel een teken met haar hand moest geven en dat de plek waar dat gebeurde, namelijk niet in of voor haar woning maar een plek iets van de woning verwijderd, niet voor de hand liggend is bij een legale transactie. Anders dan de stellers van het middel menen, heeft het hof gelet op deze vastgestelde feiten en omstandigheden zijn oordeel dat de verdachte door zo te handelen welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het door haar overgedragen goed van enig misdrijf afkomstig was en dat zij zich dus schuldig zou maken aan witwassen, toereikend gemotiveerd.

4.14.

De stellers van het middel menen “dat in dit kader nog van belang is dat het hof als bewijsmiddel heeft opgenomen de door verdachte afgelegde verklaring naar aanleiding van een voorgelezen gesprek, waarna de verbalisanten aan de verdachte vragen of bewaargoed geld is en verdachte heeft geantwoord: "ja dat is haar eigen spaargeld", zodat het oordeel van het hof - dat het overgedragen geld afkomstig is uit enig misdrijf – innerlijk tegenstrijdig is met de gebezigde bewijsmiddelen”.

4.15.

Het bewijsmiddel waarop de stellers van het middel doelen betreft het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van verhoor van de verdachte. Dat bewijsmiddel houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“V: Wat heeft uw man u gegeven als bewaargoed?

A:(...) Het bewaargoed, hij heeft mij 5 euro gegeven, daarmee ben ik naar de [b-straat] gegaan, ik moest dat geven aan de man die daar naar toe kwam. Het bewaargoed was dus 5 euro. (...) [medeverdachte] heeft wel een bewaargoed bij mij achtergelaten in plastic (...)

V: Waarom moest u, als u iemand in een auto zou zien, met uw hand een vijf (5) maken?

(...)

A: Ik moet laten toen wie ik ben, het is als teken bedoelt dat de persoon bij mij moest zijn denk ik. (...) Ik moest 5 euro aan mijn man gegeven. [medeverdachte] is niet naar huis gekomen, hij was onderweg en zei dat ik hem 5 euro moest brengen.

(...) die plastic tas was voor die grijze polo, die heb ik eerder aan de man van de grijze polo afgegeven. En later heb ik de 5 euro aan [medeverdachte] gegeven die voor een andere man was. (...)

O: De tolk leest de passage uit dit gesprek aan haar voor waar het gaat over bewaargoed.

A: Ze had daar €15.000 euro liggen en dat heeft de politie ook meegenomen.

V: Dus bewaargoed is geld?

A; Ja dat is haar eigen spaargeld. (...)”

4.16.

Ik moet de stellers van het middel toegeven dat dit bewijsmiddel niet uitblinkt in helderheid over wat de verdachte met ‘bewaargoed’ bedoelt. Allereerst doelt de verdachte daarmee op de € 5,- die zij aan de man van de grijze Polo dan wel aan haar echtgenoot moest geven, en ten tweede doelt zij daarmee op een groot geldbedrag dat bij een ander door de politie in beslag is genomen en dat als het ‘spaargeld’ van die ander moet worden gezien. Hieruit valt in ieder geval af te leiden dat de verdachte met ‘bewaargoed’ doelt op geld. Het hof heeft als het in de plastic tas aangetroffen geldbedrag van € 30.000,- aangemerkt als ‘bewaargoed’. Ik meen dat de onduidelijkheid over het begrip ‘bewaargoed’ niet afdoet aan de begrijpelijkheid en toereikendheid van de motivering van het bewezenverklaarde feit. Uit dit bewijsmiddel blijkt dat de verdachte een plastic tas met inhoud én € 5,- moest afgeven aan een voor haar onbekende persoon in een grijze Polo, waarbij de verdachte een teken moest geven en waarbij zij € 5,- van die man zou krijgen, welk geld zij aan haar echtgenoot moest brengen en welk geld voor een andere man bestemd was. Deze vaststellingen zijn, tezamen met wat uit de overige gebezigde bewijsmiddelen blijkt, toereikend voor het oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft (mede)gepleegd. Daaraan kan niet afdoen dat de verdachte het bij een ander in beslag genomen geldbedrag als ‘bewaargoed’ en ‘spaargeld’ heeft aangeduid. Van innerlijke tegenstrijdigheid is daarom geen sprake. Het middel faalt ook in zoverre.

4.17.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

5.2.

Namens de verdachte is op 8 maart 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 4 februari 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met bijna drie maanden is overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de straf verminderen in de mate die hem goeddunkt. Het middel is terecht voorgesteld.

6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld.

7. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van die straf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456, rov. 2.5

2 Vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. Reijntjes.

3 Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:846.

4 Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515 m.nt. Reijntjes, rov. 5.4., waarin de door het hof in aanmerking genomen, in cassatie gewraakte, omstandigheid “van zo ondergeschikte betekenis” was dat de klacht niet tot cassatie behoefde te leiden.

5 Vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0679.

6 Vgl. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, NJ 2013/383 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4 en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:202, rov. 2.3.3.

7 Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:202, rov. 2.3.4 waarin de Hoge Raad verwijst naar de aan het arrest voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Spronken van 2 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2754 onder 10.

8 De cassatieschrifturen zijn in beide zaken ingediend door mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker. In de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] wordt niet geklaagd dat de betreffende feiten en omstandigheden niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.