Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1112

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
19/04191
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:218
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Concl. AG. Dodelijke woningoverval Gees. Veroordeling tot 13 jaren gevangenisstraf wegens medeplegen van gekwalificeerde doodslag en gekwalificeerde diefstal. 1. Art. 6 EVRM en art. 62b RO. Recht om door een onafhankelijke en onpartijdige rechter te worden berecht. Is de beslissing om de zaak niet te verwijzen naar een ander hof genomen door de zittingscombinatie tezamen met het management en het bestuur? 2. Art. 359a Sv. Beoordeling van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. 3. Art. 149a.2 Sv. Processtukken. Is het verzoek tot inzage in OM-journaals op goede gronden afgewezen? 4. Bewijsklacht medeplegen gekwalificeerde doodslag. 5. Vervangende hechtenis i.p.v. gijzeling verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel. Middel namens een benadeelde partij klaagt tevergeefs over de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van kosten voor gederfd levensonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04191

Zitting 24 november 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 25 juli 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, in de zaak met parketnummer 18-950074-16 primair wegens “medeplegen van doodslag, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren”, en in de zaak met parketnummer 18-950059-17 wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, inklimming en een valse sleutel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren met aftrek van voorarrest. Het hof heeft beslist op de vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zoals in het arrest is omschreven.1

2. Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 4] , nr. 19/03499. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep dat medeverdachte [medeverdachte 2] , nr. 19/03680, had ingesteld, is ingetrokken, zodat ik daarin niet zal concluderen.2 De zaak tegen een vierde verdachte, [medeverdachte 3] , is door het hof teruggewezen naar de rechtbank.3

3. Namens de verdachte heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, vijf middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde] , heeft mr. C.E. Jeekel, advocaat te Zwolle, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over schending van het recht om door een onafhankelijke en onpartijdige rechter te worden berecht, “doordat anderen dan rechters deel hebben genomen aan de beraadslaging en besluitvorming die hebben geleid tot de beslissing om de zaak niet te verwijzen naar een ander hof”. Dit zou in strijd zijn met art. 6 EVRM en art. 62b RO.

5. In de onderhavige zaak is door de verdediging voorafgaand aan de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep per e-mail de vraag opgeworpen of deze behandeling wel bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden moet plaatsvinden. Het middel heeft betrekking op de ter terechtzitting van het hof van 9 oktober 2018 door de voorzitter meegedeelde beslissing dat de zaak door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kan worden behandeld, omdat – zo wordt aangevoerd – deze beslissing door de voorzitter, het management en het gerechtsbestuur is genomen en niet door de zittingscombinatie.

6. In een e-mailbericht van 4 oktober 2018, aan onder anderen de voorzitter van het hof, heeft de raadsvrouwe van de verdachte het volgende naar voren gebracht:

“Een ander punt dat besproken zal moeten worden is het feit dat [betrokkene 2] , betreffende Officier van Justitie in eerste aanleg, blijkbaar werkzaam is in de functie van Advocaat Generaal bij het ressortsparket Arnhem / Leeuwarden en hoe hiermee om moet worden gegaan. Moet de behandeling wel bij uw hof plaatsvinden? Etc.. Mij is bekend dat de heer Posthumus werkzaam is bij het ressortsparket Amsterdam, maar het lijkt mij gezien de verdediging toch wel een punt van bespreking. Ik meld dit alvast middels deze mail.”

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 oktober 2018 houdt hierover het volgende in:

“De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De voorzitter brengt naar voren:

Mr. Kellouh heeft per e-mailbericht voorafgaand aan de zitting de vraag opgeworpen of de behandeling van deze zaak wel bij dit hof moet plaatsvinden.

Ik zal toelichten waarom de zaak Gees bij ons hof en bij deze zittingscombinatie is aangebracht. De ten laste gelegde feiten hebben in dit ressort plaatsgevonden, in het dorp Gees. Er is een lokaal belang bij het behandelen van deze zaak in Leeuwarden. Dit belang wordt ook onderkend in artikel 2, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dat de relatieve bevoegdheid van de rechter regelt. Dit lokale belang geldt niet alleen voor slachtoffers, nabestaanden, familie, vrienden, kennissen omwonenden en plaatsgenoten, maar ook voor getuigen. Voor deze laatste groep is het van belang dat zij niet naar bijvoorbeeld Den Haag moeten afreizen om een getuigenverklaring af te leggen.

De rechtbank in Assen heeft in deze zaak in eerste aanleg uitspraak gedaan. Hiertegen is hoger beroep ingesteld. Toen de zaak bij ons hof binnenkwam hebben wij de kwesties die in het hoger beroep aan de orde komen gezien, onder andere het feit dat verzocht wordt de officier van justitie [betrokkene 2] als getuige te horen. Zij is momenteel als advocaat-generaal werkzaam in ons ressort. Dit aspect is door mij ook onder de aandacht gebracht van het management en het bestuur. De uitkomst is dat wij vinden dat deze zaak door het hof Arnhem-Leeuwarden kan worden behandeld. Verder hebben wij als zittingscombinatie besproken of wij ons vrij voelen om deze zaak te behandelen. Dat is het geval, anders zaten wij hier niet in deze samenstelling. Dit betekent - laat ik het maar een keer hardop zeggen - dat wij onpartijdig en onafhankelijk zijn en borg kunnen staan voor een eerlijk proces.

Mr. Kellouh geeft hierop aan dit zij dit punt niet nader aan de orde wil stellen.

Mr. Meijering, mr. Kuijper en mr. Drummen geven te kennen op dit punt geen opmerkingen te hebben.
[…]
Alle raadslieden en de advocaat-generaal hebben verzocht om voormalig zaaksofficier van justitie [betrokkene 2] en de advocaat van de getuige [betrokkene 1] mr. S. van der Eijk als getuige te horen. Het hof deelt u reeds thans mee dat het met u van oordeel is dat beide getuigen moeten worden gehoord. Dit verzoek wordt dus op voorhand gehonoreerd en hoeft u straks derhalve niet meer aan de orde te stellen. In welke vorm dit verhoor zal plaatsvinden zal nog moeten worden besloten en zal vandaag onderdeel uitmaken van het debat.”

8. Uit de overweging dat “wij vinden dat deze zaak door het hof Arnhem-Leeuwarden kan worden behandeld” wordt door de steller van het middel afgeleid dat deze beslissing – in strijd met art. 6 EVRM en art. 62b RO – is genomen door de zittingscombinatie tezamen met het “management en het bestuur”.

9. Art. 62b RO houdt in dat het hof een zaak ter verdere behandeling kan verwijzen naar een ander hof “indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is.” Art. 46b RO biedt een vergelijkbare mogelijkheid aan de rechtbank. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de Wet herziening gerechtelijke kaart, waarbij de art. 46b en 62b RO zijn ingevoegd, houdt in dat de verwijzingsbevoegdheid “aangezien het een rechtsprekende bevoegdheid betreft, […] aan de rechtbank zelf, dus niet aan het gerechtsbestuur [wordt] toegedeeld.”4

10. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 46b en 62b RO maken verwijzing ter verdere behandeling van een zaak naar een andere rechtbank of een ander gerechtshof mogelijk indien dat door de verwijzende rechtbank of het verwijzende hof gewenst wordt geoordeeld gelet op betrokkenheid van het gerecht bij die zaak. Blijkens de wetsgeschiedenis strekt de verwijzingsbevoegdheid mede ertoe te waarborgen dat de behandeling van een zaak plaatsvindt door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.5

11. De vraag rijst hoe de hiervoor weergegeven overwegingen van de voorzitter moeten worden gelezen. Wordt met “wij” steeds gedoeld op de zittingscombinatie of is dat in de zin “De uitkomst is dat wij vinden dat deze zaak door het hof Arnhem-Leeuwarden kan worden behandeld” anders en wordt daarin met “wij” gedoeld op de voorzitter, het management en het gerechtsbestuur, zoals de steller van het middel veronderstelt? De tekst van het proces-verbaal van de terechtzitting lijkt erop te wijzen dat vanuit de zijde van het management en het gerechtsbestuur geen doorslaggevende bezwaren tegen een behandeling van de zaak door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden naar voren zijn gebracht en dat de voorzitter vervolgens met de zittingscombinatie heeft besproken of eenieder zich vrij voelt om de zaak te behandelen, hetgeen het geval bleek te zijn. Daarmee bestond er voor het hof (de zittingscombinatie) geen reden om de zaak te verwijzen naar een ander hof en is het uiteindelijk (alleen) de zittingscombinatie die deze beslissing heeft genomen. In de overweging van het hof dat eenieder zich vrij voelt om de zaak te behandelen, ligt besloten dat het hof voldoende gewaarborgd acht dat de behandeling van de zaak plaatsvindt door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.

12. Uit de overwegingen blijkt dat de voorzitter de kwestie voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting “onder de aandacht [heeft] gebracht van het management en het bestuur”. Dit is evident iets anders dan dat het management en het bestuur de beslissing hebben genomen zoals het geval was in beide zaken van het EHRM waarnaar in de schriftuur wordt verwezen.

13. In de zaak Agrokompleks t. Oekraïne hadden de president en vicepremier beiden druk uitgeoefend op de president van het gerecht dat de rechtszaak behandelde, die zijn plaatsvervangers had opgedragen de beslissing van het gerecht te heroverwegen.6 Naar het oordeel van het EHRM was dat in strijd op het recht op berechting door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. In de zaak Miracle Europe Kft t. Hongarije was de rechtszaak door een bestuurder, op verzoek door de president van het relatief bevoegde gerecht, toegewezen aan een ander gerecht waarbij die bestuurder gebruikte maakte van zijn discretionaire bevoegdheid en zich beriep op de werkdruk van de gerechten.7 Naar het oordeel van het EHRM was dit in strijd met het recht op berechting door een bij de wet ingesteld gerecht. In de onderhavige zaak is niets van dit alles aangevoerd en is evenmin aannemelijk geworden dat de behandeling van de zaak door de betreffende zittingscombinatie strijd oplevert met het recht op een berechting door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Daarmee faalt het middel.

14. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat tegen de beslissing van de zittingscombinatie om de zaak niet te verwijzen, geen inhoudelijke bezwaren worden aangevoerd, niet in cassatie en ook niet ter terechtzitting van het hof.

15. Het middel faalt.

16. Het tweede middel komt met drie klachten op tegen de beslissing van het hof waarbij het verweer werd verworpen dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging. De eerste klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat met de inwerkingtreding van art. 359a Sv vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek enkel binnen het kader van art. 359a Sv beoordeeld kunnen worden. Daarmee heeft het hof de naleving verzuimd van de rechtspraak van de Hoge Raad. De tweede klacht houdt in dat de verwerping door het hof van het verweer, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar behoren is gemotiveerd. De derde klacht houdt in dat het oordeel van het hof, dat er geen sprake is van een onherstelbaar verzuim in het voorbereidend onderzoek, onbegrijpelijk is.

17. Het hof heeft het verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging, als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging8

1. De standpunten

1.1. Verzoek raadslieden met betrekking tot het pleiten

Mrs. Van der Werf, Nillisen en Kellouh (raadslieden van respectievelijk de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] ) hebben voorafgaand aan hun pleidooien laten weten zich te willen aansluiten bij hetgeen mr. Kuijper (raadsvrouw bijstand verlenend aan verdachte [medeverdachte 3] ) zal gaan opmerken omtrent de door de verdediging bestreden ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Dit om onnodige herhalingen in de pleidooien te voorkomen. Het hof heeft in dit verzoek bewilligd en toegezegd dat wat door de ene advocaat bij pleidooi over de ontvankelijkheidsvraag naar voren zal worden gebracht, als herhaald en ingelast zal worden beschouwd in het pleidooi van de ander. Dit heeft tot gevolg dat in het onderhavige arrest standpunten van meerdere raadslieden zullen worden verwoord.

1.2. Standpunt verdediging

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. De rechter is misleid, bij deze misleiding is de rol van het openbaar ministerie bepalend geweest en het handelen van het openbaar ministerie is zodanig doelbewust en grof geweest, de misleiding is zo groot en het vertrouwen is zo beschaamd, dat herstel niet meer mogelijk is. In de onderhavige zaak, waar het gaat om valsheid van een proces-verbaal, op instigatie van de officier van justitie en in weerwil van de protesten van opsporingsambtenaren tegen het inbrengen van dit proces-verbaal is van misleiding sprake.

Subsidiair dient voor de niet-ontvankelijkheid te worden aangehaakt bij artikel 359a Sv. De met opsporing en vervolging belaste ambtenaren hebben zich tijdens het voorbereidend onderzoek schuldig gemaakt aan zeer kwalijke schendingen van normen, waardoor ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Door aldus te handelen is tevens doelbewust aan het recht van verdachten op een eerlijke behandeling van hun zaak tekort gedaan, met onherstelbare schade aan hun belangen tot gevolg.

Meer subsidiair hebben mrs. Van der Werf, Nillesen en Kellouh zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal inhoudende de verklaring van de getuige [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) van het bewijs moet worden uitgesloten dan wel dat de vormverzuimen moeten leiden tot strafvermindering. Hierbij is opgemerkt dat de schendingen niet zijn hersteld, en voor zover deze wel zijn hersteld, dit te danken is aan de inspanningen van de verdediging.

De aan deze verweren ten grondslag liggende argumenten van de zijde van de verdediging volgen hierna.

1.3. Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal betoogt dat het optreden van de officier van justitie [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) niet zonder fouten was, maar wel dat de fouten die zijn gemaakt niet de conclusie rechtvaardigen dat de officier van justitie de rechtbank heeft misleid. Er was geen kwade trouw bij de officier van justitie. Wel is er - behalve bij verdachte [verdachte] - sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek doordat het verhoor van [betrokkene 1] niet overeenkomstig de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van aangevers, getuigen en verdachten (hierna: Aanwijzing) is opgenomen op een geluidsdrager. De advocaat-generaal concludeert tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank in de zaak van verdachte [medeverdachte 3] en vordert terugwijzing van deze zaak naar de rechtbank Noord-Nederland. In de zaken van de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] moet de verklaring van [betrokkene 1] worden uitgesloten van het bewijs. Verder is er geen aanleiding om in de zaken van laatstgenoemde verdachten enig (rechts)gevolg te verbinden aan de kwestie [betrokkene 1] , derhalve ook geen strafvermindering.

2. Inleiding

2.1. Aanleiding voor het bestrijden van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Steen des aanstoots voor de verdediging is een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] , waarin - anders dan het geval zou zijn - staat weergegeven dat dit verhoor ‘abusievelijk’ niet is opgenomen en voorts dat dit proces-verbaal is opgemaakt op 30 januari 2017 te Pijnacker, terwijl dit op een andere datum en plaats heeft plaatsgevonden. Ook de vermelding dat de getuige haar verklaring niet heeft doorgelezen en dat zij heeft geweigerd de verklaring te ondertekenen, zou in strijd zijn met de feitelijke gang van zaken. [betrokkene 2] is van deze gebreken op de hoogte gesteld door de advocaat van [betrokkene 1] , mr. Van der Eijk (hierna: Van der Eijk), die bij het getuigenverhoor aanwezig is geweest. Desondanks heeft zij het van het verhoor opgemaakte proces-verbaal toegevoegd aan het strafdossier en verzuimd op de zitting melding te maken van voornoemde tekortkomingen. Daarbij komt ook nog dat de officier van justitie wist dat er bij de politie twijfels bestonden over de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 1] .

2.2. De aan de kwestie verbonden gevolgen

Het voorgaande is in het kort de opmaat geweest voor wat gaandeweg ‘de kwestie [betrokkene 1] ’ is gaan heten, en die bij de rechtbank Noord-Nederland heeft geleid tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in de zaak van verdachte [medeverdachte 3] , en in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] tot bewijsuitsluiting van de verklaring van [betrokkene 1] en een substantiële strafvermindering.

Om aan te geven welke omvang de kwestie [betrokkene 1] heeft gekregen, volgt een kort overzicht van de gebeurtenissen, onderzoeken en afdoeningen die zijn gevolgd na het vonnis van de rechtbank.

Door een drietal raadslieden is aangifte gedaan tegen het verhoorkoppel [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [betrokkene 2] . Naar aanleiding van deze aangiften is er strafrechtelijk onderzoek gedaan naar een eventuele overtreding van de artikelen 207 (meineed) en 225 (valsheid in geschrift) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit onderzoek is verricht door de Rijksrecherche en is gericht tegen [betrokkene 2] , [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Deze zijn als verdachten gehoord. Het onderzoek heeft geleid tot een lijvig procesdossier, waarvan de conclusie luidt dat de officier van justitie een op ambtsbelofte valselijk opgemaakt proces-verbaal d.d. 30 januari 2017 heeft gebruikt, terwijl ze wist dat er onjuistheden in dit proces-verbaal stonden. Het proces-verbaal is vals, in die zin dat het niet de juiste gang van zaken weergeeft. [betrokkene 2] is door voornoemde Van der Eijk en door de teamleider van het TGO Gees [verbalisant 3] gewezen op deze onjuistheden in het proces-verbaal, maar zij heeft geen afstand genomen van de inhoud van het proces-verbaal doch het proces-verbaal opzettelijk gebruikt. Het proces-verbaal is namelijk op gezag van de officier van justitie onderdeel van het procesdossier geworden, gebleven en overgelegd aan de rechtbank en de verdediging zo luidt de conclusie van het onderzoek.

De zaak tegen de officier van justitie is door het arrondissementsparket Noord-Holland geseponeerd omdat een strafrechtelijke vervolging een te zware reactie zou zijn op hetgeen haar in deze zaak kan worden verweten, aldus de officier van justitie mr. Van der Heijden in zijn sepotbrief gericht aan [betrokkene 2] . Wel wordt de oplegging van een disciplinaire maatregel aanbevolen. Blijkens een aan de advocaat-generaal gericht schrijven van hoofdofficier van justitie, mr. Schram, heeft laatstgenoemde naar aanleiding van de aanbeveling tot oplegging van een disciplinaire maatregel de Adviescommissie Afdoening lntegriteitsincidenten gevraagd om advies uit te brengen omtrent de disciplinaire afdoening. De gezamenlijke conclusie luidt dat [betrokkene 2] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Bij de bepaling van een passende disciplinaire maatregel is meegewogen dat het oordeel van de rechtbank, de uitgebreide negatieve berichtgeving in de media en het strafrechtelijke onderzoek grote impact op [betrokkene 2] hebben gehad. Op 28 februari 2019 heeft voornoemde hoofdofficier van justitie [betrokkene 2] berispt.

Tegen dit sepot is door mr. Kuijper op 8 april 2019 namens verdachte [medeverdachte 3] beklag gedaan ex artikel 12 Sv.

2.3. Volgorde van de te bespreken onderwerpen

Hieronder wordt eerst ingegaan op de aan het verweer ten grondslag gelegde grieven (3) gevolgd door een schets van het wettelijk toetsingskader (4). Vervolgens volgt een beschrijving van de kwestie [betrokkene 1] (5) waarna ingezoomd wordt op het veelbesproken proces-verbaal van getuigenverhoor (6). Na het plaatsen van enkele kanttekeningen bij een aantal gevolgtrekkingen (7) volgt toetsing van de vastgestelde feiten aan het beoordelingskader (8).

Wanneer hierna verder wordt gesproken over ‘ontvankelijkheid’, wordt steeds gedoeld op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolgingsrecht.

3. De aan het beroep op niet-ontvankelijkheid ten grondslag liggende bezwaren

3.1 .De onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid in de zaak van verdachte [medeverdachte 3] bii monde van mr. Kuiiper

Mr. Kuijper heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht of zij voor haar feitenvaststelling mag verwijzen naar haar in eerste aanleg gevoerde pleidooi, en wel voor zover zij deze in haar pleitnota onder de nummers 6 tot en met 32 heeft beschreven. Het hof heeft dit verzoek toegewezen en zal dit deel van het pleidooi in eerste aanleg beschouwen als te zijn herhaald en ingelast in hoger beroep. In het pleidooi wijst de raadsvrouw op een groot aantal tekortkomingen in het optreden van de beide zaaksofficieren.

In essentie gaat het om:

- het gebruik door [betrokkene 2] van de verklaring van [betrokkene 1] in het kader van het voortduren van de voorlopige hechtenis, hetgeen ertoe heeft geleid dat de voorlopige hechtenis onrechtmatig is voortgezet;

- het ‘wanhopige gevecht van woorden’ waarmee het openbaar ministerie tracht de kwestie te bagatelliseren in plaats van serieus te nemen;

- het niet geven van de achtergrondinformatie die bij [betrokkene 2] bekend was over de tekortkomingen van het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] ;

- het nimmer door haar of door haar opvolger officier van justitie mr. Kappeyne van de Coppello (hierna: Kappeyne van de Coppello) gegeven opdracht tot nader verhoor van [betrokkene 1] ;

- het verzet van [betrokkene 2] tegen het horen van [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris;

- het achterhouden door [betrokkene 2] van belangrijke informatie en het feitelijk voorliegen van de rechtbank over de mogelijkheid [betrokkene 1] te horen bij de politie;

- het vermoeden dat [betrokkene 2] het nader horen van [betrokkene 1] niet zozeer wilde om de politie kritische vragen te laten stellen aan [betrokkene 1] over de redenen van wetenschap van [betrokkene 1] , maar om de verdediging - en daarmee kritische vragen over haar eigen rol bij het inbrengen van de verklaring - buiten de deur te houden;

- het nadere politieverhoor dat niet heeft plaatsgevonden vóór 23 maart 2017;

- Kappeyne van de Coppello die wel een heel lijdelijke opstelling heeft gehad en die de raadsvrouw alleen maar kan duiden als het schoonvegen van zijn eigen straatje;

- het handelen van het openbaar ministerie dat - alles overziend - in dit strafproces jegens niet alleen haar cliënt (verdachte [medeverdachte 3] ), maar ook jegens de rechterlijke macht, zo uitzonderlijk onbehoorlijk is geweest dat hierop alleen zijn niet-ontvankelijkheid in de vervolging een adequate reactie is;

- een valsheid, op instigatie van de officier van justitie en in weerwil van de protesten tegen het inbrengen van dat proces-verbaal van de opsporingsambtenaren, die moet leiden tot niet-ontvankelijkheid als ultieme afstraffing van misleidend gedrag van het openbaar ministerie.

Subsidiair wordt een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging op grond van artikel 359a Sv. Dit in het geval dat het hof de niet-ontvankelijkheid als ultieme afstraffing van misleidend gedrag van het openbaar ministerie niet wenst uit te spreken, vanuit het idee dat er een segment vormverzuimen bestaat dat nog erger is dan waarvan in de onderhavige zaak sprake is. De raadsvrouw besteedt vervolgens aandacht aan de voor toewijzing van dit beroep door de wet en rechtspraak gestelde eisen.

3.2. De onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid in de zaak van verdachte [medeverdachte 2] bij monde van mr. Nillesen

Mr. Nillesen heeft in aanvulling op de door mr. Kuijper genoemde gronden nog opgemerkt dat de uitspraken van [betrokkene 1] in haar verhoor van 30 januari 2017, onmiskenbaar belastende informatie bevatten. Informatie die zich telkens in het hoofd nestelt van de lezer van het proces-verbaal. Het is ook nog eens informatie die telkens met elkaar in lijn is: normaal een teken van betrouwbaarheid of waarachtigheid. Als men maar lang genoeg roept dat iets waar is, dan wordt het dat op enig moment ook, aldus de raadsman. Pas na het voegen van het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] en op verzoek van de verdediging zijn uiteindelijk de tapgesprekken aan het strafdossier toegevoegd. Uit deze tapgesprekken blijkt dat [betrokkene 1] juist niet via [medeverdachte 2] is geïnformeerd over wat er op 30 juni 2016 in Gees is gebeurd. Onder het geven van een aantal andere voorbeelden van (naar de mening van de raadsman) inhoudelijk niet kloppende processtukken, komt hij tot de conclusie dat er op meerdere momenten tijdens de voorfase van het strafproces aan de rechtbank onjuiste informatie is voorgeschoteld. De officier van justitie heeft een actieve dan wel prominente betrokkenheid gehad bij het voegen van deze stukken. Onder het mom van beweerdelijke transparantie wordt de rechtbank - net als de verdediging - voorgelogen door de officier van justitie, aldus de raadsman.

Na beschouwingen over de onherstelbaarheid van het vormverzuim, het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het veroorzaakte nadeel, sluit de raadsman aan bij het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een ernstig vormverzuim waarbij doelbewust tekort is gedaan aan de belangen van de verdachte op een eerlijk proces. Anders dan de rechtbank en mede gelet op het gegeven dat de kwalijke gang van zaken de rechtspleging in de kern raakt, meent de raadsman dat hieraan de ultieme consequentie van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dient te worden verbonden. Subsidiair bepleit de raadsman strafvermindering.

3.3. De onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid in de zaak van verdachte [verdachte] bij monde van mr. Kellouh

Mr. Kellouh heeft in aanvulling op de door mr. Kuijper genoemde gronden nog opgemerkt dat zij de rechtbank volledig volgt in haar constatering met betrekking tot de vormverzuimen. Maar haar cliënt is - in tegenstelling tot de conclusie van de rechtbank - wel door de werkwijze van het openbaar ministerie in zijn verdediging geschaad.

Feit blijft - aldus de raadsvrouw - dat men de fouten wilde wegmoffelen door [betrokkene 1] tussen neus en lippen door de verklaring te laten ondertekenen. Ook maakt de raadsvrouw er melding van dat de methode van verhoor als getuige bij de politie niet fijn was. [betrokkene 1] is onder druk gezet gemanipuleerd en angst aangejaagd, hetgeen de raadsvrouw baseert op de verklaring van [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris. De raadsvrouw meent dat dit aspect in de zaak in hoger beroep onderbelicht is gebleven.

De grove fouten die zijn gemaakt kunnen niet alleen worden afgedaan met bewijsuitsluiting en strafvermindering. Het oordeel van de rechtbank dat haar cliënt niet in zijn belangen is geschaad en dat daarmee het openbaar ministerie ontvankelijk is, kan en mag volgens de raadsvrouw in hoger beroep niet gelden.

De raadsvrouw stelt dat dit een dusdanig bijzonder geval is dat dit niet valt onder de noemer van factor 3 bij artikel 359a Sv. Dit artikel is niet op dit soort gevallen van toepassing.

Immers, de wetgever kan nooit op een soortgelijk geval hebben geanticipeerd. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de vormverzuimen van dusdanige aard zijn dat er zich geen artikel in onze wetten bevindt waar de normering, bestraffing, nadeel en dergelijke van dit gevolg in is beschreven. Het betreft een unicum.

Aangezien er sprake is van vormverzuimen - waaronder een aantal dat door het openbaar ministerie is erkend in beide requisitoiren - die tevens onherstelbaar zijn, dient het openbaar ministerie met-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Dit staat volgens de raadsvrouw geheel los van de vraag naar het nadeel voor haar cliënt.

Tot slot gaat de raadsvrouw kort in op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst en de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan, alsmede de verwijtbaarheid van het verzuim en het nadeel voor haar cliënt.

3.4. De onderbouwing van het beroep op niet-ontvankelijkheid in de zaak van verdachte

[medeverdachte 4] bij monde van mr. Van der Werf

Mr. Van der Werf heeft in aanvulling op de door mr. Kuijper genoemde gronden nog opgemerkt dat de aanzienlijke schendingen van een belangrijk vormvoorschrift, zoals deze door mr. Kuijper in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 3] zijn benoemd, niet zijn hersteld. En voor zover deze gedeeltelijk zijn hersteld, is dat te danken aan de inspanningen van de verdediging en niet aan de inspanningen van het openbaar ministerie. Zijn cliënt heeft nadeel ondervonden van deze schendingen doordat zijn recht op een eerlijk proces doelbewust en met veronachtzaming van zijn belangen is geschaad, aldus de raadsman. Primair schaart de raadsman zich achter de conclusie tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, zoals beargumenteerd door mr. Kuijper. Subsidiair verzoekt de raadsman het hof om de verklaring van [betrokkene 1] uit te sluiten van het bewijs en om bij een eventuele strafoplegging de straf te matigen, zoals de rechtbank dat heeft gedaan.

4. Het juridisch toetsingskader

Het hof verstaat de verdediging aldus dat zij primair aan de niet-ontvankelijkheid de al wat oudere jurisprudentie van de Hoge Raad ten grondslag legt. Het gaat om een destijds door de Hoge Raad zelf al als uitzonderlijk aangeduide situatie waarin het de handelswijze betrof van een officier van justitie, die in strijd was met de grondslagen van het strafproces en met name met de wettelijk voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de rechter, waardoor het wettelijk systeem in de kern werd geraakt.

In deze zaak, de zaak Karman, was het fundamentele belang dat de gemeenschap heeft bij inachtneming van de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter aan de orde, zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat. Bij niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op deze grond gaat het om extreme gevallen waarin moedwillig door politie dan wel openbaar ministerie is geprobeerd de controlerende taak van de rechter te frustreren. Als onderscheidend criterium tussen deze en de op artikel 359a Sv gebaseerde grond voor niet-ontvankelijkheid wordt genoemd dat in de eerste variant niet de eis wordt gesteld dat de belangen van de verdachte in concreto zijn geschaad.

Het hof is van oordeel dat met de inwerkingtreding van artikel 359a Sv er - zeker in het onderhavige geval - geen aanleiding is om in kwesties van normschendingen bij de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden (onder verantwoordelijkheid van politie of openbaar ministerie) terug te vallen op een buitenwettelijke categorie. Al deze vormverzuimen - ook als men die onder de noemer ‘misleiding van de rechter’ wil rubriceren - kunnen worden onderworpen aan het regiem van het toetsingskader van artikel 359a Sv. Dit oordeel heeft tot gevolg dat waar de verdediging een tweesporenbenadering volgt op de weg naar de betoogde niet-ontvankelijkheid, het hof alle tegen de ontvankelijkheid aangevoerde bezwaren langs de lat zal leggen van het toetsingskader ex artikel 359a Sv. Inhoudelijk gezien maakt het voor de toetsing als zodanig in dit geval ook nauwelijks enig verschil.

In de opvatting van het hof appelleren daarmee alle door de verdediging in dit kader aangevoerde grieven aan het in artikel 359a, eerste lid, aanhef en onder c Sv genoemde - meest vergaande - rechtsgevolg. Het gaat daarbij om de gevallen waarin door toedoen van een onherstelbaar vormverzuim begaan in het voorbereidend onderzoek geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die voldoet aan de beginselen van een goede procesorde, waartoe het hof ook rekent het verbod van misleiding van de rechter.

Bij de toepassing van artikel 359a Sv dient naar vaste rechtspraak het navolgende te worden vooropgesteld:

Indien binnen de door artikel 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid, van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.

De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim[’]. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Van belang is voorts dat - gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv - het wettelijk stelsel aldus moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot één van de daar omschreven rechtsgevolgen.

Artikel 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht, en biedt de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld, de mogelijkheid af te zien van het toepassen van één van de daar bedoelde rechtsgevolgen en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. De strekking van de regeling van artikel 359a Sv is immers niet dat een vormverzuim hoe dan ook moet leiden tot enig voordeel voor de verdachte.

Indien de feitenrechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan één van de in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt op grond van het bovenstaande slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.

Opmerking verdient nog dat indien de rechter tot strafvermindering besluit, hij in zijn beslissing niet alleen moet aangeven dat en waarom hij dit rechtsgevolg aan het verzuim verbindt, maar ook in hoeverre hij de straf in verband met het begane vormverzuim vermindert.

Bewijsuitsluiting kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Ook bij bewijsuitsluiting gaat het overigens om een bevoegdheid van de rechter, waarvan de uitoefening in de eerste plaats moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van artikel 359a, tweede lid, Sv en van de omstandigheden van het geval. Terzijde zij opgemerkt dat artikel 359a Sv niet van belang is voor vormverzuimen waardoor de betrouwbaarheid van het aldus verkregen onderzoeksmateriaal wezenlijk is beïnvloed. Dan zal het onderzoeksmateriaal immers reeds om die reden door de rechter buiten beschouwing worden gelaten.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

5. Het verhoor van [betrokkene 1]

5.1. Voorafgaande opmerking

Door het onderzoek van de Rijksrecherche is een omvangrijk aantal processtukken aan het strafdossier gevoegd. Dit onderzoek heeft als gezegd plaatsgevonden ná de uitspraak in eerste aanleg. De rechtbank heeft van deze stukken dus geen kennis gehad bij haar oordeelsvorming. Ook heeft het hof - anders dan in eerste aanleg - [betrokkene 2] en Van der Eijk ter zitting als getuigen gehoord en kennis kunnen nemen van hun verklaringen over de kwestie.

Op basis van de zich op dit moment in het strafdossier bevindende processtukken, waaronder bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen en de daarop voortbordurende verhoren in het Rijksrechercheonderzoek, het grote aantal beschikbaar gekomen e-mails, zittingsaantekeningen en andere documenten, is het hof van oordeel dat met een grote mate van nauwkeurigheid kan worden vastgesteld wat bij de betrokken politie- en justitiefunctionarissen voor ogen heeft gestaan bij het horen van [betrokkene 1] en de nasleep hiervan.

De periode in het opsporingsonderzoek in de zaak Gees die hierna - wellicht wat ongebruikelijk uitvoerig - wordt beschreven beslaat de tijdspanne van 27 januari 2017 tot en met de voor de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tweede pro forma zitting op 23 maart 2017. Op laatstgenoemde datum verrichtte [betrokkene 2] haar laatste ambtshandelingen in dit onderzoek. Vanaf 24 maart 2017 is Kappeyne van de Coppello de voor het onderzoek verantwoordelijke (zaaks)officier van justitie. Op de door de verdediging op hem uitgeoefende kritiek zal hierna ook nog, maar wel veel korter, worden ingegaan.

5.2. Volgorde van bespreking

Bij de beschrijving van de gang van zaken voor zover deze relevant is wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan de navolgende aspecten van het verhoor van [betrokkene 1] :

- de reden van haar verhoor (5 .3),

- de omstandigheden waaronder het verhoor plaatsvond (5.4),

- de inhoud van de bestreden verklaring (5.5),

- de afspraken die met [betrokkene 1] bij het verhoor (zouden) zijn gemaakt (5.6),

- de vorm waarin het verhoor van [betrokkene 1] uiteindelijk is gegoten (5.7),

- de inhoud van de tussen de advocaat van [betrokkene 1] en de officier van justitie verzonden e-mails (5.8),

- de inhoud van de e-mail van de advocaat van [betrokkene 1] d.d. 22 maart 2017 aan de officier van justitie (5.9) en

- de pro forma zitting van 23 maart 2017 (5.10).

5.3. Het doel van het getuigenverhoor van [betrokkene 1]

De teamleider van TGO Gees heeft tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris het doel van het getuigenverhoor van [betrokkene 1] als volgt verwoord:

‘Het verhoor van [betrokkene 1] heeft in januari plaatsgevonden. Ze kwam naar voren als een contact van [betrokkene 3] tegen wie een onderzoek liep. Zij woonde in een appartementencomplex in Pijnacker en [betrokkene 3] had onderdak bij [betrokkene 4] , de buurvrouw van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] was een contact van [medeverdachte 2] , één van de verdachten van het onderzoek Gees. Zij stond op de bezoekerslijst van het Huis van Bewaring waar [medeverdachte 2] verbleef. Op die manier zagen wij een relatie. We wilden [betrokkene 1] bevragen over [betrokkene 3] . We verwachtten dat dat mogelijk ruis zou veroorzaken en er dan over Gees gesproken zou worden. (...) Het klopt dat [verbalisant 1] die opdracht heeft gekregen. Ik weet niet of die van mij is gekomen, maar dat zou kunnen. Ik heb haar verteld dat [betrokkene 1] gehoord moest worden als onderdeel van een ruisstrategie’.

Het doel van het verhoor van [betrokkene 1] was, zo begrijpt het hof, het veroorzaken van enige beroering in een wat ruimere kring van mogelijke betrokkenen bij de overval te Gees.

5.4. De gang van zaken tijdens het verhoor: geen auditieve registratie

Kort samengevat blijkt uit de stukken dat het verhoor van [betrokkene 1] als volgt heeft plaatsgevonden. Aanwezig bij het verhoor van [betrokkene 1] is haar advocaat Van der Eijk. Niet te achterhalen valt of het de advocaat is die weigert dat er iets op papier komt of dat het verhoor auditief wordt opgenomen. Het is [verbalisant 2] die dit beweert, maar deze situatie wordt niet herinnerd door [verbalisant 1] . Van der Eijk spreekt het uitdrukkelijk tegen. Wel staat vast dat door [verbalisant 2] bij aanvang van het verhoor contact is opgenomen met [verbalisant 3] , die volgens [verbalisant 2] heeft gezegd: ‘Maak aantekeningen en achteraf een gespreksverslag’. [verbalisant 2] verklaart vervolgens: ‘Omdat [verbalisant 3] duidelijk aangaf dat er wel aantekeningen gemaakt moesten worden, impliceerde dat voor mij dus ook dat er geen audio-opnames met de AVR (Audio Visuele Registratie) zou worden opgenomen’. [verbalisant 2] verklaart verder: ‘ [verbalisant 1] en ik hebben stilzwijgend aan het verzoek van de advocaat en [betrokkene 1] voldaan om de opnameapparatuur niet aan te zetten. Daarover is geen contact geweest met de teamleider’. Deze gang van zaken wordt bevestigd door [verbalisant 3] : ‘Er was ’s ochtends nog gezegd dat het wel opgenomen moest worden. Andere instructies zijn er niet gegeven (...) Het besluit om niet op te nemen is genomen door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] is erin meegegaan, zo herinner ik mij het. Mijn reactie op de mededeling? Ik was verontwaardigd en boos’.

5.5. De inhoud van de verklaring van [betrokkene 1]

Vanwege de commotie die is ontstaan door de verklaring van [betrokkene 1] - zowel over de vorm waarin de verklaring is gegoten als haar inhoud - wordt hierna een belangrijk deel van haar verklaring letterlijk en integraal weergegeven.

Zoals reeds aangekaart wordt in de ogen van de politie vermoed dat [betrokkene 1] een connectie is van verdachte [medeverdachte 2] . Desgevraagd beaamt [betrokkene 1] dit. Nadat haar advocaat is aangeschoven bij het verhoor, steekt [betrokkene 1] van wal. Zij verklaart dat het gaat om twee zaken die door elkaar lopen: een woningoverval waarbij de bewoner is doodgeslagen en een ripdeal op een weedhok in Den Haag waarbij geschoten is op een auto, een Renault Clio die op naam van haar buurmeisje staat (het hof begrijpt: [betrokkene 4] ). Vervolgens begint [betrokkene 1] te vertellen over de tweede zaak - de ripdeal in Den Haag - waardoor het verhoorkoppel compleet wordt verrast omdat deze casus hen volledig onbekend is. Hetgeen [betrokkene 1] over die zaak in Den Haag heeft verklaard, wordt hier verder buiten beschouwing gelaten. Over de zaak Gees verklaart zij het volgende:

‘Ik ben er niet bij geweest. Ik was eerst niet op de hoogte dat deze zaak er was. Dat heb ik vernomen van [medeverdachte 2] . Toen ik zijn spullen heb gebracht en hij is toen later overgeplaatst naar Almelo. Dat had te maken met een moord. Ik schrok daarvan en vroeg hoe en wat. Ik wist niet dat het om Gees ging.

Zijn celmaat daar had ik contact mee. En die vertelde mij dat [medeverdachte 2] met al zijn spullen werd weggehaald en ergens anders geplaatst.

Toen [medeverdachte 2] in Almelo zat nam hij weer contact met mij en hij zei dat ze hem vasthielden voor moord. Ik wist niet voor wie wat of waar. Hij had het niet naar zijn zin in Almelo en dat hij op zijn zwijgrecht wilde gaan zitten en dat hij terug wilde naar Dordrecht. Dat contact was over de telefoon en hij kon er niet veel over zeggen.

[medeverdachte 2] vroeg ik: ‘wat is er aan de hand?’

[medeverdachte 2] zei tegen mij dat ze daar naar toe waren gegaan. [medeverdachte 3] had een wapen en [medeverdachte 2] had een wapen. En daar binnen is het mis gegaan. Ik heb daar niet op doorgevraagd wat er mis gegaan was. Dat zei [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 2] heeft gezegd dat op dat moment daar binnen dat hij genaaid is. Wat daar binnen gebeurd is weet ik echt niet. [medeverdachte 2] noemde wel de naam [betrokkene 3] .

Over de buit... die jongens hebben echt heel veel geld altijd tot hun beschikking. Ik heb gelezen op internet over sieraden. Als ze die hadden dan is dat in België. Als dat er is geweest dan zijn die sieraden naar België want zij hebben daar iemand zitten die de sieraden direct voor hun omsmelt.

Van [medeverdachte 2] heb ik begrepen dat [betrokkene 3] heeft gereden. Die jongen kan ook echt goed rijden. Het enige wat ik weet is [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] en van [betrokkene 4] begreep ik de Amsterdammer (het hof begrijpt steeds: verdachte [medeverdachte 4] ) ook erbij waren. [betrokkene 4] weet zoveel maar die is zo bang om iets te vertellen. Er lagen bijvoorbeeld ook wapens in de kelder maar nu zijn ze weggehaald. [betrokkene 4] heeft gezegd dat de wapens nu weg zijn. Het waren 4 wapens, gewoon zwarte pistolen. Ik heb ze wel eens gezien die wapens.

Over Gees weet ik dat ze met auto’s daar naar toe zijn gegaan. Ik weet dat ze dan een auto huren en als [betrokkene 3] heeft gereden dan is het vast een Porsche of een Mercedes AMG 263, want daar rijdt hij altijd in. Ze huren dan een Porsche bij iemand in Utrecht en op een andere naam, van iemand die zijn id kaart heeft verloren.

Ik weet behalve welke ik al gezegd heb niet weet wie er mee waren naar Gees. Dus [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] en de Amsterdammer. Die Amsterdammer weet ik dus van [betrokkene 4] .

De mannen komen altijd tussen 07.00 en 08.00 of tussen 09.00 en 10.00 uur thuis als ze op stap zijn geweest voor een klusje. Ze zijn meestal allemaal in donkere kleding en ze dragen een muts. [betrokkene 4] wordt dan ook boos want die mannen gaan ook allemaal douchen.

[betrokkene 3] zet zijn auto altijd op een andere plaats. De kleding werd ook direct gewassen door [betrokkene 4] , dat moest ze doen.

Er ligt daar ook nog kleding van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] . Er heeft ook een tijdje een sleutelapparaat gestaan.

[betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) is dit afgelopen weekend niet veel thuis geweest maar vannacht zo rond 07.00 uur en 07.30 uur thuis gekomen en hij heeft [betrokkene 4] hier ook bij het politiebureau afgezet.

Dat ik weet dat het over Gees gaat, [medeverdachte 2] heeft de naam Gees nooit genoemd. Hij heeft wel aangegeven dat er iets mis is gegaan met [betrokkene 3] . Ik ben op internet gaan zoeken nadat ik gebeld was door de politie. Naar een roofoverval. [medeverdachte 3] is wel een linke jongen.

[medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] zijn binnen geweest. Van de Amsterdammer weet ik dat hij mee was. Ook van [betrokkene 3] weet ik ook dat hij mee was.

Ik heb mijn vader ook op de hoogte gebracht dat de politie mij belde en toen is hij ook gaan zoeken op internet. Toen kwamen we in Gees uit waarin in een persbericht stond vermeld dat er een 28 jarige Amsterdammer was aangehouden. Er stond nog bij dat een 69 jarige man was overleden.

[medeverdachte 2] heeft mij verteld dat hij in Gees is geweest en dat hij genaaid is door [betrokkene 3] en dat het daar binnen mis is gegaan.

Waarom ze in Gees terecht zijn gekomen is mij niet bekend, zij ruiken allemaal geld.

Over de buit... Er is altijd een hoop geld en er zijn ook wel sieraden geweest. De enige die er iets over kan zeggen is [betrokkene 4] . Ze deden ook heel veel kluizen stelen (…).’

Aan het slot van het verhoor geeft ze aan bang te zijn om te verklaren. De jongens hebben een code: lullen met de politie is een probleem. Ze vreest voor haar leven.

5.6. De met [betrokkene 1] gemaakte afspraken

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat de status van het gesprek met [betrokkene 1] allereerst informatief was, namelijk om erachter te komen wat zij wist over de zaak Gees. De verkregen informatie was al voor 90% bij de politie bekend en van tevoren was tegen [betrokkene 1] gezegd dat de informatie alleen in het dossier zou komen als het belangrijk was. Uit het gesprek met [betrokkene 1] kwam geen spectaculaire informatie. Daarom is haar aan het einde gezegd dat de teamleider hoogstwaarschijnlijk zou oordelen dat haar verklaring niet in het dossier zou komen. [verbalisant 2] zegt niet anders te hebben geweten dan dat in het geval er door [betrokkene 1] niet al te veel nieuws werd verteld, de verklaring niet in het dossier zou komen. Als er wel veel vandaan kwam, zou de verklaring wel in het dossier komen. [verbalisant 2] heeft verklaard: ‘Wat [betrokkene 1] had verteld voegde niet veel toe aan wat wij al wisten’. Volgens [verbalisant 2] is aan het einde van het verhoor gezegd dat als de gevaarzetting voor [betrokkene 1] dusdanig zou zijn, dat zij als beschermde getuige dan wel als bedreigde getuige zou moeten worden gehoord, zij dan mogelijkerwijs een nieuwe verklaring zou moeten afleggen. [verbalisant 2] heeft dit aan het einde van het verhoor besproken met Van der Eijk en in aanwezigheid van [betrokkene 1] . [verbalisant 2] heeft voorgehouden dat er voor de beschermde dan wel bedreigde getuige een speciale procedure is, waar zij ( [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ) niet over gaan.

Dit is enkel besproken als scenario en enkel omdat de advocaat daar bij het weggaan over begon. Hij vroeg immers naar de eventuele vervolgstappen en toen zijn wat scenario’s besproken.

Volgens Van der Eijk is door verbalisant [verbalisant 2] tegen [betrokkene 1] gezegd dat zij binnenkort nog een keer moest terugkomen naar Pijnacker, waarna de politie een verklaring van haar zou opmaken met alle vragen en dan met als antwoord van [betrokkene 1] : ‘ik weet het niet’.

Deze verklaring zou dan door [betrokkene 1] ondertekend worden. Deze verklaring zou dan eventueel wel in het dossier kunnen komen, aldus Van der Eijk. Aanleiding hiervoor was [betrokkene 1] vrees dat haar buurvrouw [betrokkene 4] -die op dezelfde ochtend was gehoord en wist dat [betrokkene 1] diezelfde dag ook een verklaring moest afleggen - haar lastige vragen zou stellen en argwaan zou krijgen door [betrokkene 1] urenlange afwezigheid thuis. Deze toezegging wordt uitdrukkelijk ontkend door de beide verhorende ambtenaren. Er is met [betrokkene 1] niet over een ‘alternatieve of fake-verklaring’ gesproken, aldus [verbalisant 1] . [verbalisant 2] betitelt dit ook als onzin. Het hof merkt op dat in de e-mail die Van der Eijk kort na het verhoor van [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] heeft gestuurd, ter bevestiging van de gemaakte afspraken, niet wordt gerefereerd aan een dergelijke toezegging door het verhorende koppel.

5.7. De omzetting van het gespreksverslag in een proces-verbaal van getuigenverhoor

Uit de verhoren van de rechtstreeks betrokkenen blijkt dat van meet af aan sprake is geweest van een verschil van opvatting tussen politie en openbaar ministerie over de status van het gespreksverslag dat door [verbalisant 1] naar aanleiding van het verhoor van [betrokkene 1] was opgemaakt. Op de ochtend van het verhoor van [betrokkene 1] is [betrokkene 2] aanwezig bij het overleg van de Vaste Kern Leidinggevenden (hierna: de VKL). Voor zover zij zich herinnert, zijn er in de VKL geen afspraken gemaakt over het opmaken van een gespreksverslag of een proces-verbaal van verhoor. Voor haar gevoel zou [betrokkene 1] gewoon als getuige worden gehoord. Het staat [betrokkene 2] bij dat die ochtend — voor het verhoor — de vraag werd gesteld of [betrokkene 1] niet als bedreigde getuige kon worden aangemerkt. Er was namelijk contact geweest met de vader van [betrokkene 1] . [betrokkene 2] heeft naar aanleiding van de mogelijke dreiging richting [betrokkene 1] direct contact opgenomen met haar collega CIE- officier van justitie mr. Wildeman. Mr. Wildeman deelde het standpunt van [betrokkene 2] dat [betrokkene 1] geen bedreigde getuige kon zijn. Daarvoor stond [betrokkene 1] te dicht op de subjecten van het onderzoek inzake TGO Gees. Mr. Wildeman gaf [betrokkene 2] het advies om de verklaring van [betrokkene 1] niet in Summ-IT (opmerking hof: het landelijk politieregistratiesysteem) op te nemen, maar een Word document op te laten maken. Het advies van mr. Wildeman was om de verklaring van [betrokkene 1] nog buiten het onderzoek op te slaan en niet met het onderzoeksteam te delen. Op die manier kon de verklaring op een later moment nog beoordeeld worden. Verder kreeg [betrokkene 2] naar eigen zeggen het advies om geen toezeggingen te doen aan [betrokkene 1] en bij haar geen verwachtingen te wekken. ‘Dat advies van de CIE-officier heb ik opgevolgd en daar meteen gedeeld met de VKL’, aldus [betrokkene 2] .

[verbalisant 3] vermoedt dat hij het gespreksverslag van het verhoor van [betrokkene 1] in de week na 30 januari 2017 in handen heeft gekregen. Het was een kaal document, dat in Word was opgemaakt en niet in Summ-IT. Hij heeft het stuk gekregen van één van de twee verhorende verbalisanten en aan [betrokkene 2] ter beschikking gesteld. Hij denkt dat dit op de eerstvolgende VKL was. Volgens [verbalisant 3] was het onderzoeksteam, met uitzondering van [betrokkene 2] , van mening dat wat [betrokkene 1] verklaarde - in ieder geval op een aantal heel cruciale punten - wel belastend was richting bepaalde verdachten in het onderzoek Gees, maar dat [betrokkene 1] alle belastende punten waarover zij verklaarde, niet kon weten. Volgens [verbalisant 3] is dat meteen tegen [betrokkene 2] gezegd. Dit was volgens [verbalisant 3] meteen bij het VKL-overleg toen hij haar het gespreksverslag gaf. De officier van justitie vond de verklaring heel interessant. Er stonden namelijk veel belastende dingen in over bepaalde verdachten. [verbalisant 3] verklaart toen te hebben benadrukt dat [betrokkene 1] alle belastende dingen die ze noemde niet kon weten. Dat kon herleid worden uit tapgesprekken. Onder andere de tijdlijn in de verklaring van [betrokkene 1] klopte niet, aldus [verbalisant 3] . [verbalisant 3] benadrukt in zijn verklaring dat ze toen in een ruisstrategie zaten te werken. [verbalisant 3] heeft verklaard dat de officier van justitie diverse malen bij het onderzoeksteam terugkwam en vertelde dat ze erover had nagedacht, met diverse mensen erover had gesproken en toch vond dat er een proces-verbaal van verhoor opgemaakt moest worden. Op een gegeven moment heeft [verbalisant 3] tegen de officier van justitie gezegd dat de politie adviseert en onderbouwt met argumenten, maar dat zij de leider onderzoek was en dat zij de knoop door moest hakken.

[betrokkene 2] bevestigt dat zij een discussie met [verbalisant 3] heeft gevoerd. Volgens haar was de kern van deze discussie het al dan niet voegen van de verklaring van [betrokkene 1] in het voortgangsproces-verbaal ten behoeve van de pro forma zitting van 23 maart 2017. Het maakte haar - naar eigen zeggen - niet uit of de verklaring wat betreft de vorm een gespreksverslag was met daarbij een proces-verbaal van bevindingen of een proces-verbaal van verhoor. [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verklaring moest worden gevoegd in het strafdossier. Het staat haar niet bij dat zij opdracht heeft gegeven om van het gespreksverslag een proces-verbaal van verhoor te maken. Zij beaamt dat [verbalisant 3] haar telefonisch heeft verteld dat [betrokkene 1] een kwetsbare getuige was en dat er ook informatie was verkregen uit de TELIO-tap. [verbalisant 3] adviseerde [betrokkene 2] om de verklaring van [betrokkene 1] niet in het strafdossier op te nemen. Er was ondertussen enige tijd verstreken om de kwestie te kunnen bespreken met de rechercheofficier van justitie mr. Fahner en TCI-offïcier van justitie mr. Wildeman. Tussentijds nam ook de advocaat van [betrokkene 1] contact op met De Vies omdat er volgens hem bepaalde toezeggingen aan [betrokkene 1] waren gedaan. De discussie ging doorlopend over het wel of niet voegen van de verklaring van [betrokkene 1] in het dossier. [betrokkene 2] verklaart: ‘Ik vond het een vervelend en lastig punt in het onderzoek’. Gevraagd naar wat de intentie was om toch een proces-verbaal van het gespreksverslag te laten opmaken, antwoordt [betrokkene 2] : ‘De intentie was om haar verklaring te voegen in het voortgangsproces-verbaal voor de pro forma-zitting van 23 maart 2017. Dit altijd met als insteek dat ze voor de zitting van 23 maart 2017 nog nader door de politie gehoord zou worden over de kritieke punten en haar redenen van wetenschap’.

Op 22 februari 2017 hakt [betrokkene 2] de knoop door. Het verhoor van [betrokkene 1] moet aan het dossier worden toegevoegd, zo laat ze [verbalisant 3] telefonisch weten en geeft, volgens [verbalisant 3] , hem de opdracht om een proces-verbaal van verhoor op te maken.

Een blik op de achtergrond van deze beslissing van de officier van justitie geeft de afspraakjournaalmutatie van 23 februari 2017, opgemaakt door [verbalisant 3] , waarin hij noteert:

‘Op 22-2-17 Bericht terug gekregen. Op het OM was besloten dat de verklaring van [betrokkene 1] wel in het dossier opgenomen moest worden. Volgens de OvJ was er anders een te groot risico op problemen bij de inhoudelijke behandeling wat uiteindelijk wel tot een niet ontvankelijkheid van het OM kon leiden. Voor wat betreft de afspraken die gemaakt zijn met [betrokkene 1] en haar advocaat, zal de OvJ contact opnemen met de advocaat en uitleggen wat er gaat gebeuren’.

[verbalisant 3] neemt in het journaal ook nog e-mails op waarvan er hier drie worden genoemd. De eerste e-mail is van [betrokkene 2] aan [verbalisant 3] verzonden op 22 februari 2017 met de tekst: ‘Hieronder mails van de advocaat, zijn weergave van het gesprek. Ik moet hem nog antwoorden dat wij de verklaring gaan gebruiken, intentie is dat donderdag te doen’. [verbalisant 3] laat hierop per e-mail - dit is de tweede hier te noemen e-mail - aan [betrokkene 2] weten: ‘De verbalisanten die [betrokkene 1] hebben gehoord zijn pas volgende week weer in dienst. Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] kan dus pas op maandag of dinsdag worden gemaakt. De kans zit er dus in dat het voortgangsprocesverbaal voor de pro forma zitting van 23 maart 2017 pas eind van de volgende week bij het OM wordt ingeleverd. Daarin wordt dus ook een eventueel vervolg verhoor van [betrokkene 1] nog niet in meegenomen’.

De derde e-mail bevat de reactie van [betrokkene 2] op de laatste mail: ‘Meest wenselijke is dat jullie haar ook voor die tijd horen. Maar lukt dat echt niet, dan moeten we een vervolgverhoor maar nazenden, maar wil voorkomen dat op zitting alleen eerste verklaring van [betrokkene 1] in het dossier zit, terwijl jullie nog wel kritische vragen hebben’.

Van der Eijk, wordt door [betrokkene 2] op 23 februari 2017 per e-mail medegedeeld dat [betrokkene 1] waarschijnlijk ook aanvullend gehoord moet gaan worden door de politie om een en ander verduidelijkt te krijgen. Zijn weergave van het gesprek met de recherche zegt zij niet te kunnen bevestigen. Het openbaar ministerie was - aldus de officier van justitie - niet bij dit gesprek aanwezig en het uitgangspunt van het openbaar ministerie is en was dat het een situatie betreft waarin geen toezeggingen konden worden gedaan, aangezien nog niet duidelijk was wat [betrokkene 1] zou gaan verklaren en of het naar aanleiding van haar verklaring noodzakelijk was om haar identiteit af te schermen.

[verbalisant 1] maakt vervolgens een proces-verbaal van verhoor op in opdracht van [verbalisant 3] . De datum van het opmaken van het proces-verbaal was ‘op of rond 23 februari 2017 in Meppel’, aldus [verbalisant 1] .

5.8. Het e-mail verkeer tussen Van der Eijk en [betrokkene 2]

Van der Eijk reageert verbolgen op de e-mail van [betrokkene 2] van 23 februari 2017: ‘Mocht het zo zijn dat de door mij weergegeven inhoud van het gesprek met de recherche niet wordt erkend (ook niet door de recherche), dan zie ik dat als het in twijfel trekken van mijn integriteit. U zult begrijpen dat ik daar grote moeite mee heb’. Hij merkt onder meer op dat tijdens het overleg van 30 januari 2017 aan zijn cliënte uitdrukkelijk kenbaar was gemaakt dat haar ‘verklaring’ alleen in een Word document zou worden opgenomen en niet in het dossier zou belanden. Cliënte, zo hadden de dienstdoende rechercheurs kenbaar gemaakt, moest nog wel een keer terugkomen naar het politiebureau in Pijnacker om een verklaring af te leggen dan wel te ondertekenen waarin zij — kort gezegd — aan zou geven van niets te weten. Dat was de wijze waarop dit volgens de recherche moest worden aangepakt. Zoals hierboven onder 5.6. al besproken wordt een toezegging op het punt van het opmaken van zo’n ‘ik weet niets’-verklaring met grote stelligheid door de verhorende ambtenaren ontkend.

Kort na het versturen van de e-mail aan de officier van justitie, stuurt Van der Eijk een e-mail met dezelfde strekking als die aan [betrokkene 2] aan verbalisant [verbalisant 1] . In een reactie op deze e-mail van [verbalisant 3] aan [betrokkene 2] zegt [verbalisant 3] dat hij het nog even bij Beuker-Kruisman heeft gecheckt welke afspraken er waren gemaakt in de VKL voorafgaand aan het verhoor. Daarin stond vermeld: in een Word document vastleggen, eerst beoordelen wat er verklaard wordt, het Word document wordt niet in het dossier gevoegd. [verbalisant 3] meldt verder aan [betrokkene 2] : ‘Het enige vervelende is dat er door de beide rechercheurs zelfstandig is besloten om geen geluidsopname van het gesprek te maken. Verder is er door de rechercheurs niet gezegd, dat de verklaring pertinent niet in het dossier terecht zou komen. Wat er wel is gezegd is, is dat dit Word document in deze vorm niet in het dossier zou worden opgenomen. Er is vanmiddag weer contact geweest met deze raadsman om een afspraak te maken voor begin volgende week voor een vervolg met [betrokkene 1] . Dat viel niet helemaal goed. Hij ging het eerst met zijn cliënt bespreken en komt er op terug. Er is door [verbalisant 1] aan de advocaat aangegeven, dat het verschil van mening tussen het OM en de advocaat tussen hen moet worden opgepakt. Daar gaan wij als politie niet tussen zitten’, aldus [verbalisant 3] aan [betrokkene 2] .

Op 16 maart 2017 richt Van der Eijk aan [betrokkene 2] een verzoek om nadere inlichtingen:

‘(...) Ik verzoek u mij kenbaar te maken op welke datum het bewuste Word document precies aan het dossier is toegevoegd, alsook op welke datum dit stuk verstrekt is aan de raadslieden van de verdachten. Om een zo goed mogelijk beeld te verkrijgen, zie ik een afschrift van het document zoals dat in het dossier terecht is gekomen, graag tegemoet. (...)’.

Het antwoord van [betrokkene 2] komt op 22 maart 2017:

‘ ‘De verklaring is gevoegd in het voortgangsproces-verbaal tbv een pro-forma zitting op 23 maart (morgen). Het pv is waarschijnlijk op 2 maart verstuurd aan advocaten. Bijgaand de verklaring. Zoals eerder bericht vind ik het wenselijk dat uw cliënte nader gehoord wordt door de politie. Zojuist heb ik echter ook een verzoek ontvangen van een van de raadslieden om haar bij de RC te laten horen. Hoewel er nog een formele regiezitting zal volgen, verwacht ik wel dat het verzoek morgen aan de orde zal komen’.

‘ [betrokkene 2] staat op dat moment op het punt om van betrekking te wisselen, zoals eerder al is aangegeven. Met ingang van 1 mei 2017 verruilt zij het arrondissementsparket voor het ressortsparket. Reeds op 6 maart 2017 is in verband met het aanstaande vertrek door de teamleider van [betrokkene 2] het besluit genomen dat Kappeyne van de Coppello de leiding van TGO Gees zou overnemen en wel met ingang van 24 maart 2017, de dag na de pro forma-zitting van 23 maart 2017.

5.9. De e-mail van 22 maart 2017 van Van der Eijk

De e-mail - met als bijlage het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] - van [betrokkene 2] aan Van der Eijk blijft niet onopgemerkt bij laatstgenoemde. Hij reageert in een uitgebreide e-mail naar [betrokkene 2] . Naast een uitvoerig beklag over de gang van zaken en het niet aantreffen in het proces-verbaal van wat volgens hem is afgesproken tussen de rechercheurs en [betrokkene 1] , wijst hij op een drietal onjuistheden in het proces-verbaal:

1. ‘In het proces-verbaal lees ik: ‘Naar later bleek dat het verhoor abusievelijk niet op geluid is opgenomen’. Zo is het niet gegaan. Ik heb tijdens het overleg nog expliciet gevraagd of het gesprek werd opgenomen. [verbalisant 2] antwoordde daarop dat dit niet het geval was, hetgeen duidt op een welbewuste keuze van de recherche Wanneer de rechercheurs stellen dat pas later bleek het verhoor niet op geluid is opgenomen, en dat dit ook nog abusievelijk is gebeurd, dan klopt dat dus niet. Ik verneem graag van u waarom dit niettemin toch op deze wijze in het proces-verbaal terecht is gekomen, temeer nu beide rechercheurs het proces-verbaal op ambtsbelofte hebben opgemaakt’.

2. ‘Aan het slot van het proces-verbaal is opgenomen dat cliënte heeft geweigerd de verklaring te ondertekenen. Ook dat is een opmerking die niet correct is. Alle betrokkenen waren het er op 30 januari 2017 over eens dat er die dag helemaal niet getekend zou worden door cliënte en dat het bewuste Word document niet in het dossier zou worden gevoegd’.

3. ‘Zij verklaren tevens op ambtsbelofte dat dit “proces-verbaal” op 30 januari 2017 is opgemaakt. Dat zou betekenen dat zij terstond na het vertrek van cliënte en ondergetekende een geheel andere koers zijn gaan varen, die lijnrecht indruist tegen de eerder die dag gemaakte afspraken’.

[betrokkene 2] verklaart omtrent de ontvangst van deze e-mail dat zij heeft gezien dat zij deze op de genoemde dag en datum heeft ontvangen. Zij werd hier tijdens de voorbereiding van het Rijksrechercheverhoor (opmerking hof: op 1 november 2018) op gewezen door haar advocaat. Hierop heeft [betrokkene 2] deze e-mail nader bekeken en heeft ze gezien dat ze die e-mail heeft doorgestuurd. Zij had de e-mail helemaal niet meer op haar netvlies staan. Ze weet ook niet meer of ze de e-mail heeft doorgelezen. Het was een hele lange mail. Ze was op dat moment druk bezig met de voorbereiding van de pro forma zitting van de volgende dag, namelijk 23 maart 2017. Ze kan zich niet herinneren of ze er verder nog iets mee gedaan heeft. De verhorende Rijksrecherche-rechercheurs confronteren haar vervolgens met de verklaring van [verbalisant 3] . Deze verklaart op het moment van de ontvangst van de door [betrokkene 2] doorgestuurde e-mail van Van der Eijk voor het eerst op de hoogte te zijn geraakt van de gebreken in het proces-verbaal van het verhoor van [betrokkene 1] . [verbalisant 3] heeft verklaard: ‘Ik heb haar gebeld en gezegd dat een aantal punten waar Van der Eijk aan refereerde wel klopte en een juiste weergave was zo als het volgens mij ook was gelopen. Het punt dat het verhoor abusievelijk niet was opgenomen klopte niet. Ik gaf aan dat dit niet abusievelijk doch bewust was gebeurd. Ik gaf aan dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tegen ons verteld hadden hoe dat was gegaan. Ik stelde aan de officier voor om hun een opdracht te geven om een PV te maken waarin ze zouden verantwoorden waarom dat fout in het PV terecht was gekomen’. Eerder bij de rechter-commissaris heeft [verbalisant 3] hierover gezegd: ‘Ik heb voorgesteld om een aanvullend-pv op te laten maken om de omissie vast te leggen. De OvJ was het ermee eens en heeft opdracht gegeven’.

[betrokkene 2] zegt zich geen telefoongesprek met [verbalisant 3] te herinneren, net zoals zij zich de e-mail (het hof begrijpt: de mail van 22 maart 2017) van Van der Eijk niet meer kan herinneren. ‘In het vonnis las ik dat er ook sprake was van antedatering en dat was voor mij helemaal een volkomen verrassing’, aldus [betrokkene 2] .

5.10. De pro forma zitting van 23 maart 2017

Buiten discussie is dat op de pro forma zitting van 23 maart 2017 door [betrokkene 2] geen aandacht is besteed aan de - door Van der Eijk aan [betrokkene 2] kenbaar gemaakte - tekortkomingen in het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] . Het betwiste proces-verbaal is wel door het openbaar ministerie aan het voortgangsproces-verbaal gevoegd en daarmee formeel ook onderdeel gaan uitmaken van het totale strafdossier. Op die zittingsdag staat de voortzetting van de voorlopige hechtenis centraal van de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . Bij deze gelegenheid heeft [betrokkene 2] - blijkens het van de zitting opgemaakte proces-verbaal - in het kort de stand van het onderzoek weergegeven. Mr. Kuijper heeft namens verdachte [medeverdachte 3] - net als de toenmalig raadsvrouw van verdachte [medeverdachte 2] , mr. Drummen, namens haar cliënt deed - de rechtbank verzocht de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen voor het horen van [betrokkene 1] . De rechtbank wijst deze verzoeken toe. Mr. Kuijper verzoekt ook om onmiddellijke opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte [medeverdachte 3] vanwege zijn ontkenning van het ten laste gelegde feit en het ontbreken van voldoende ernstige bezwaren. Toenmalig raadsman van verdachte [medeverdachte 4] , mr. Balemans, verzoekt ook om opheffing van de voorlopige hechtenis van zijn cliënt, waarbij hij zijn verzoek grondt op een schending van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Tegen beide opheffingsverzoeken verzet de officier van justitie zich. Zij geeft in dit kader aan dat de ernstige bezwaren en gronden die tot het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid ook thans nog onverkort bestaan. Afgaand op het zittingsproces-verbaal van 23 maart 2017 heeft [betrokkene 2] de verklaring van [betrokkene 1] niet opgevoerd als een nieuwe bezwarende omstandigheid tegen de verdachten.

6. Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] nader beschouwd

6.1. De passage ‘Naar later bleek abusievelijk niet opgenomen’

Met betrekking tot de opname in het proces-verbaal van verhoor van de passage: ‘Naar later bleek dat het […] verhoor abusievelijk niet op geluid is opgenomen’, heeft [verbalisant 1] verklaard deze regel zelf te hebben getypt. Zij verklaart: ‘De volgende dag, na het gesprek in Pijnacker, was ik op het bureau in Meppel en kwam ik bij [verbalisant 3] . Ik vroeg [verbalisant 3] of hij mijn document had ontvangen. [verbalisant 3] bevestigde dat hij mijn Word document had ontvangen. Hij vroeg mij toen of het gesprek wel was opgenomen. Ik zei hem dat dat niet was gedaan. Hij reageerde toen boos en zei dat dat wel had gemoeten, namelijk het gesprek had kennelijk opgenomen moeten worden maar dat was niet gebeurd. Daarom heb ik later in het proces-verbaal geschreven dat het verhoor niet is opgenomen. Abusievelijk had dus betrekking op het kennelijk verschil tussen [verbalisant 3] en ons. Hij vond dus dat het opgenomen had moeten worden en wij waren van mening dat het niet hoefde. [verbalisant 2] heeft dat toen uitgelegd. Ik heb daar al over verklaard. Daar had abusievelijk betrekking op. Abusievelijk had geen betrekking op wel of niet indrukken van de opnameknop van de AVR’.

6.2. Het niet tekenen van de verklaring

Met betrekking tot de opgenomen tekst: ‘Nadat de getuige haar verklaring niet had doorgelezen, weigerde zij de verklaring te ondertekenen’, heeft [verbalisant 1] verklaard dat het klopt dat dit is geweigerd. Zij verklaart: ‘Ik heb de advocaat van [betrokkene 1] gebeld toen duidelijk werd dat er toch een proces-verbaal moest worden opgemaakt en hem gevraagd of zijn cliënt wilde komen en tekenen. Ik kreeg als antwoord: ‘Wat denk jezelf, natuurlijk gaat ze dat niet ondertekenen’, welke mededeling achteraf wordt bevestigd door Van der Eijk. [verbalisant 1] geeft toe dat ze beter in het proces-verbaal van verhoor had kunnen zetten dat tijdens het telefonisch contact met de advocaat van [betrokkene 1] , hij stellig meedeelde dat zijn cliënt niet zou tekenen.

6.3. De datum en plaats van het opmaken van het proces-verbaal

Met betrekking tot de sluitingsdatum en plaats van het opmaken van het proces-verbaal (op 30 januari 2017 te Pijnacker) verklaart [verbalisant 1] het volgende: ‘Zij heeft het proces-verbaal in Summ-IT opgemaakt. Dit had zij al opgemaakt voor het verhoor van [betrokkene 1] van 30 januari 2017. Zij had toen de ‘kop en kont’ van het proces-verbaal al ingevuld en in het tekstvak de vragen al staan. Als het verhoor normaal was doorgegaan hoefde zij er alleen nog de antwoorden van [betrokkene 1] onder te typen. Toen ze de opdracht kreeg om van het gespreksverslag alsnog een proces-verbaal van verhoor op te maken, heeft ze het al in Summ-IT voorbereide verhoor opgeroepen en daar het in Word opgemaakte tekstverslag in gekopieerd en geplakt op de plaats waar zij de vragen had staan’.

Voorts verklaart [verbalisant 1] dat zij de onjuiste vermelding van de datum en plaats van het opmaken van het proces-verbaal pas zag bij het verhoor bij de rechter-commissaris. Dit had ‘Meppel’ moeten zijn en ergens in februari 2017. Zij zegt dit niet goed te hebben doorgelezen. Het kwam doordat ze de ‘kop en kont’ (het hof begrijpt: de lay-out) al gemaakt had en ze had daar verder niet meer naar gekeken. Zij heeft dit niet bewust zo neergezet. Het was wel haar fout maar ze heeft nooit de bedoeling gehad om de boel te saboteren. Het is absoluut niet opzettelijk gebeurd, aldus [verbalisant 1] .

6.4. De beweerdelijke onbetrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 1]

Twee aspecten zijn in dit verband van belang. Het eerste aspect is of de inhoud van de weergegeven verklaring van [betrokkene 1] een adequate weergave is van wat zij heeft verklaard. Het tweede aspect is of de inhoud van de verklaring van [betrokkene 1] op voorhand als evident onjuist of onbetrouwbaar is aan te merken.

Van der Eijk heeft zich niet willen uitlaten over de vraag of de inhoud van de verklaring een getrouwe weergave vormt van wat [betrokkene 1] heeft verklaard. Zowel bij de Rijksrecherche, als bij zijn verhoor ter zitting van het hof heeft hij - hiernaar gevraagd - zich beroepen op zijn verschoningsrecht. Gezien de uitgebreide en gedetailleerde opsomming van de gebreken in en aan (de verslaglegging van) het verhoor, houdt het hof het ervoor dat wanneer op dit punt tekortkomingen zouden zijn aan te wijzen, Van der Eijk vermoedelijk niet had geschroomd om deze in zijn e-mails aan [betrokkene 2] te benoemen.

Wat de bedenkingen over de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaring van [betrokkene 1] betreft, bij de politieleden van de VKL lijken deze vooral te zijn gebaseerd geweest op de inhoud van tapgesprekken waarbij [medeverdachte 2] de man was die getapt werd. Het gaat hierbij om de TELIO-gesprekken. [betrokkene 1] - zo bleek daaruit - kon haar informatie niet van [medeverdachte 2] hebben gekregen, afgaand op de inhoud van de gesprekken waarin zij met [medeverdachte 2] ‘over de tap kwam’. Zoals [betrokkene 1] echter zelf heeft verklaard in een hierboven niet opgenomen eerste gedeelte van haar verhoor (dat zag op de Haagse ripdeal), zou [medeverdachte 2] de beschikking hebben gehad over een illegaal communicatiemiddel, namelijk een mobiele telefoon in de cel. Dat [medeverdachte 2] in detentie heeft beschikt over een eigen mobiele telefoon blijkt uit een op 1 december 2016 afgeluisterd gesprek tijdens een bezoekuur. [medeverdachte 2] spreekt daar over een telefoon die hij in een lichaamsholte heeft of had verstopt. De mogelijkheid dat [betrokkene 1] buiten de TELIO-gesprekken om informatie heeft ontvangen uit gesprekken met [medeverdachte 2] via een dergelijk illegaal communicatiemiddel, acht het hof daarom zeer wel denkbaar. Uit het strafdossier blijkt voorts niet dat het onderzoeksteam de mogelijkheid van het bezit van een illegale mobiele telefoon door [medeverdachte 2] heeft betrokken bij zijn waardering van de inhoud van de verklaring van [betrokkene 1] .

Het is het hof overigens opgevallen dat tijdens het verhoor van [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris de getuige op deze beide aspecten door geen van de aanwezige procesdeelnemers grondig is bevraagd, terwijl [betrokkene 1] daar heeft verklaard dat niet alles wat in haar schriftelijk weergegeven verklaring staat zo door haar is gezegd. Er zijn bijvoorbeeld geen vragen gesteld over de bron van wetenschap van [betrokkene 1] .

7. Correctie op enkele gevolgtrekkingen

Mr. Kuijper heeft verzocht om voor een samenvatting van de feiten te mogen verwijzen naar haar pleidooi in eerste aanleg onder de nummers 6 tot en met 32 en deze als in hoger beroep herhaald en ingelast te mogen beschouwen. Het hof heeft dit verzoek toegewezen.

Het hof ziet aanleiding tot het plaatsen van enkele kanttekeningen bij haar aan haar verweer ten grondslag gelegde feiten, te beginnen met sommige onderdelen van voornoemde samenvatting in het pleidooi in eerste aanleg.

De verdediging stelt dat het nooit de bedoeling was dat van [betrokkene 1] een voor het bewijs van belang zijnde verklaring zou worden afgenomen. Voor deze stelling bevatten de processtukken geen steun. Uit de verklaringen van bij het verhoor betrokken functionarissen - afgelegd zowel bij de rechter-commissaris als later in het onderzoek van de Rijksrecherche - blijkt dat dit nu juist wél de bedoeling was, alleen met het bijkomend oogmerk dat het verhoor voor de nodige ruis zou gaan zorgen. Deze stelling faalt ook al als men het verhoor van [betrokkene 1] buurvrouw [betrokkene 4] erbij betrekt. Ook zij maakte deel uit van de dezelfde ruisstrategie en van haar is in de ochtend van 30 januari 2017 een regulier geverbaliseerd verhoor afgenomen. Deze verklaring omvat 8 pagina’s en is in vraag en antwoord-vorm opgemaakt. Niet valt in te zien waarom een regulier verhoor van [betrokkene 1] dan aanvankelijk niet aan de orde zou zijn geweest.

Ook de vaststelling van de verdediging dat [betrokkene 1] in die periode voorafgaand aan haar verhoor op 30 januari 2017 al onder de tap stond en de vaststelling dat de politie van te voren daarom al wist wat zij zou gaan verklaren, is in hoger beroep feitelijk onjuist gebleken. In map 8 van het BOB-dossier blijkt uit de desbetreffende processen-verbaal aanvraag en bevel opnemen (tele)communicatie dat er op 30 januari 2017 mondelinge verzoeken daartoe zijn gedaan door de officier van justitie en dat ook pas op die dag de desbetreffende machtigingen zijn verleend. De ingangsdatum van de tap was dus 30 januari 2017 en wat er door [betrokkene 1] zou gaan worden verklaard kon om die reden nog niet op voorhand bekend zijn.

Voorts ligt aan de beslissing van de teamleiding om de inhoud van de verklaring van [betrokkene 1] niet meteen te delen met het team niet - zoals door de verdediging ook in eerste aanleg is betoogd - ten grondslag dat de verhorende verbalisanten en de teamleider wisten dat haar verklaring ‘aan alle kanten rammelde’ en dat zij het team kennelijk niet wilde bevuilen met informatie die niet klopte. Uit het verhoor van [verbalisant 3] blijkt onverkort dat de mogelijke gevaarzetting ten aanzien van [betrokkene 1] de reden was om het verhoor niet meteen in Summ-IT te verwerken, maar eerst in een Word document op te nemen. De veiligheid van [betrokkene 1] is in de ochtend van haar verhoor in de VKL besproken. De vader van [betrokkene 1] had aangegeven dat er signalen waren voor het bestaan van een dreigende situatie voor zijn dochter. Voor deze werkwijze is gekozen op voorspraak van de adviserende TCl-officier van justitie mr. Wildeman. Men beoogde op deze manier de informatie die [betrokkene 1] zou geven even te ‘parkeren’ om zo de gelegenheid te hebben om de inhoud van de verklaring van [betrokkene 1] eerst op waarde te schatten.

De vaststelling dat het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] één dag voor de pro forma zitting van 23 maart 2017 onder de raadslieden zou zijn verspreid klopt evenmin. Het voortgangsproces-verbaal dat is gesloten op 1 maart 2017 en waarvan de verklaring van [betrokkene 1] deel uitmaakt, is op 2 maart 2017 in afschrift aan de rechtbank en de raadslieden gezonden.

Ook is de stelling onjuist dat [betrokkene 2] , zoals de verdediging stelt, nimmer opdracht heeft gegeven tot een vervolgverhoor van [betrokkene 1] als getuige. In de e-mail - hiervoor genoemd onder 5.7. - van [betrokkene 2] aan [verbalisant 3] , waarvan mag worden aangenomen dat deze op 23 februari 2017 is verzonden, wordt dat vervolgverhoor immers al besproken. [betrokkene 2] tekent daarbij aan dat zij wil voorkomen dat op de zitting (het hof begrijpt: de komende pro forma zitting van 23 maart 2017) bij de stukken alleen de eerste verklaring van [betrokkene 1] zit ‘terwijl jullie nog wel kritische vragen hebben’. Dat dit vervolgverhoor van [betrokkene 1] niet heeft plaatsgevonden vóór laatstgenoemde datum, kwam doordat [betrokkene 1] op advies van haar advocaat daar niet meer aan wilde meewerken. Na 23 maart 2017 was een dergelijk politieverhoor van de baan omdat (op verzoek van de verdediging) door de rechtbank het verhoor van [betrokkene 1] werd opgedragen aan de rechter-commissaris. Ook mr. Kuijper zelf was mordicus tegen een politieverhoor, getuige haar brief van 23 maart 2017, waarin zij de officier van justitie laat weten dat een politieverhoor in afwezigheid van de verdediging in strijd is met de beslissing van de rechtbank en dat daarmee het recht van haar cliënt op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak tekort zou worden gedaan.

Voorts valt ook niet met de door het hof vastgestelde feiten te rijmen dat het verzet tegen het horen van [betrokkene 1] van [betrokkene 2] op de zitting van 23 maart 2017 was ingegeven door de gedachte op deze wijze te kunnen voorkomen dat er door de verdediging kritische vragen zouden worden gesteld over de rol van [betrokkene 2] bij het inbrengen van de verklaring van [betrokkene 1] in het strafproces.

In de tekst van de op schrift gestelde zittingsaantekeningen van [betrokkene 2] - die zij beschikbaar heeft gesteld aan de Rijksrecherche en waarvan zij zegt dat ze de tekst (behoudens aangegeven doorhalingen) ter zitting van 23 maart 2017 heeft voorgelezen - staat het navolgende opgenomen:

‘Mevrouw [betrokkene 1] moet ook nog nader gehoord worden door de politie en ik vind het wenselijk dat eerst dat nadere politieverhoor plaatsvindt. Dit, omdat in deze fase van het onderzoek de politie beter in staat is om zo nodig relevante onderzoeksgegevens in het verhoor mee te nemen. Mogelijk dat dat ook vragen van de verdediging wegneemt’.

Vervolgens is er met de hand [(]in een […] niet al te duidelijk handschrift) bijgeschreven:

‘Proceseconomischer (is handiger, kan op ook op veel korte (opmerking hof: kortere?) termijn wordt (opmerking hof: worden?) geregeld, dan verhoor bij RC waarbij met diverse agenda’s rekening moet worden (opmerking hof: ge)houden’

En dan vervolgt de op schrift gestelde tekst als volgt:

‘Daarom wil ik verzoeken het verzoek van de advocate nu af te wijzen. Als nav het eindpv het verzoek blijft staan, dan kan dat in de regiezitting opnieuw worden besproken’.

In het van de zitting opgemaakte proces-verbaal staat opgenomen:

‘De officier van justitie verzet zich tegen het horen door de rechter-commissaris van [betrokkene 1] in dit stadium van het onderzoek (cursivering door het hof)’.

Uit vorenstaande passages komt naar het oordeel van het hof niet naar voren dat de officier ter behartiging van enig persoonlijk belang zich op de zitting heeft verzet tegen horen van [betrokkene 1] door de rechter-commissaris. In haar beleving - zo blijkt - was een politieverhoor efficiënter en op veel kortere termijn realiseerbaar en wellicht ook minder belastend voor [betrokkene 1] .

8. De toetsing van de feiten aan de juridische beoordelingskaders

8.1 .Onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv

Op basis van de hiervoor door het hof vastgestelde feiten komt het hof tot het oordeel dat met betrekking tot het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] sprake is van de volgende vormverzuimen:

- ingevolge de ten tijde van het horen van [betrokkene 1] geldende Aanwijzing is het verhoor ten onrechte niet auditief geregistreerd;

- voorts staat ten onrechte in het proces-verbaal de passage opgenomen: ‘Nadat de getuige haar verklaring niet had doorgelezen, weigerde zij de verklaring te ondertekenen’; en

- ten slotte staat in het proces-verbaal een onjuiste sluitingsdatum en plaats van ondertekening vermeld.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het niet opnemen van het verhoor van [betrokkene 1] een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek oplevert en dat de overige vormverzuimen zijn hersteld, dan wel verduidelijkt dan wel opgehelderd door de verhoren van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

Met name [verbalisant 1] is als getuige door de Rijksrecherche op de betwiste punten uitvoerig gehoord en heeft op geloofwaardige wijze uiteengezet hoe de vormverzuimen tot stand zijn gekomen. Gelet op deze verklaring stelt het hof vast dat voormeld proces-verbaal op 23 februari 2017 te Meppel is gesloten en door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is ondertekend. Daarmee is dit vormverzuim hersteld.

Op basis van de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] is eveneens duidelijk geworden dat de verklaring van [betrokkene 1] op 30 januari 2017 niet door [betrokkene 1] is doorgelezen en dat zij op dat moment niet heeft geweigerd om haar verklaring te ondertekenen. Door de verkregen helderheid over de gang van zaken is het hof van oordeel dat ook dit vormverzuim is hersteld.

Eveneens is door de verklaring van [verbalisant 1] duidelijk geworden hoe het gewraakte woord ‘abusievelijk’ in het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] is terechtgekomen. Het hof acht de verklaring van [verbalisant 1] op dit punt aannemelijk en toereikend. Nu dit punt is opgehelderd, kan worden vastgesteld dat ook dit verzuim is hersteld.

Ten aanzien van het niet auditief registreren van het verhoor van [betrokkene 1] is het hof als gezegd wel van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van het eerste lid van artikel 359a Sv. Het belang van auditieve (en audiovisuele) registratie is blijkens de paragraaf ‘Achtergrond’ van eerder genoemde Aanwijzing onder meer gelegen in de toetsbaarheid van de verhoren in een latere fase van het strafproces. Gelet op het belang dat dit geschonden voorschrift dient is het hof van oordeel dat schending van de in de Aanwijzing opgenomen norm in beginsel een ernstig vormverzuim oplevert.

8.2.

Geen sprake van misleiding

Misleiding van de rechter kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] - tegen de met de teamleiding gemaakte afspraak en in strijd met eerder genoemde Aanwijzing - om wat voor reden dan ook hebben besloten af te zien van het maken van een geluidsopname van het verhoor van [betrokkene 1] . Dat was hun beslissing. Deze beslissing was fout, maar aan deze beslissing kan geen misleidend motief ten grondslag worden gelegd, zoals blijkt uit hun verhoren bij de rechter-commissaris en in het kader van het Rijksrechercheonderzoek.

De communicatie tussen de teamleiding en het verhoorkoppel [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft misschien niet uitgeblonken door helderheid, maar ook hierin kan geen enkel element van misleiding worden ontdekt. Dit blijkt eveneens niet uit de verhoren van de direct betrokkenen.

Hetzelfde geldt voor de hiervoor onder 6.1. t/m 6.3. gesignaleerde tekortkomingen in het door [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid verdienen de geconstateerde gebreken zeker geen schoonheidsprijs. [verbalisant 1] komt bij haar verhoor daarentegen met een plausibele verklaring waaruit - en dat is hier van belang - niets blijkt van kwade intenties van haar kant. Dat ook andere politiefunctionarissen onvoldoende alert zijn geweest bij het controleren van het proces-verbaal, valt ook te betreuren maar getuigt evenmin van kwade motieven.

[betrokkene 2] heeft - in de visie van de verdediging - een uitgesproken dubieuze rol vervuld. Zij is degene die de opdracht heeft gegeven dat het gespreksverslag toegevoegd moest worden aan het voortgangsproces-verbaal, wetende dat het politieteam bedenkingen had over de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaring van [betrokkene 1] .

In het verlengde daarvan heeft zij verzuimd om, tijdens de pro forma zitting van 23 maart 2017 met betrekking tot het aan het dossier gevoegde proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] , aandacht te besteden aan de bij het onderzoeksteam levende bedenkingen. Voorts heeft zij tijdens deze zitting geen aandacht besteed aan een aantal gesignaleerde tekortkomingen in het proces-verbaal, van welke tekortkomingen zij de dag voor de zitting door Van der Eijk per e-mail op de hoogte is gesteld.

Het hof acht de keuze van [betrokkene 2] tot voeging van de verklaring aan het strafdossier uit het oogpunt van de aan een eerlijk strafproces te stellen eisen, legitiem en aangewezen, zeker wanneer hierbij de in artikel 152 Sv verwoorde verbaliseringsplicht wordt betrokken, die geldt voor alle ambtenaren die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast.

Nu in deze zaak aan het bestaan van zogenoemde ‘koetjes en kalfjes’-processen-verbaal wordt gerefereerd - een optie die door [betrokkene 2] resoluut van de hand is gewezen - acht het hof het niet misplaatst onderstaande rechtsoverweging van de Hoge Raad in herinnering te roepen:

‘Het staat de in die bepaling (Hof: artikel 152 Sv) genoemde opsporingsambtenaren slechts dan vrij het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun, aan toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.

Ingeval het opmaken van een proces-verbaal achterwege blijft zal evenwel dienen te worden voorzien in een zodanige verslaglegging van de desbetreffende verrichtingen en bevindingen, dat doeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek van de rechter in het eindonderzoek tot nadere verantwoording omtrent dat gedeelte van het opsporingsonderzoek.

Belangen van derden en/of van het opsporingsonderzoek vormen op zichzelf onvoldoende grond om het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten.

Aan die belangen kan immers door de wijze waarop de desbetreffende verrichtingen en bevindingen in dat proces-verbaal worden gerelateerd voldoende worden tegemoetgekomen’.9

Wat de voeging van het proces-verbaal aan het strafdossier betreft, luidt het geldend recht dat in het dossier alle stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin moeten worden gevoegd en dat kennisneming van de processtukken niet aan de verdachte en zijn raadsman of raadsvrouw kan en mag worden onthouden. Tegen deze achtergrond acht het hof - nu de verklaring van [betrokkene 1] evident belastende maar deels ook ontlastende informatie bevat - de voeging te meer legitiem en aangewezen.

Over het juiste tijdstip van voeging van processtukken in het strafdossier, waarbij de verdediging oppert dat [betrokkene 2] nog wel even had kunnen wachten met het inbrengen van het proces-verbaal van verhoor, valt te twisten. In de regel zal het juiste tijdstip van voeging bij de eerste zich daarvoor aandienende gelegenheid zijn. Dit teneinde de verdediging in staat te stellen haar controlerende taak ten opzichte van het optreden van de politie en het openbaar ministerie uit te kunnen oefenen. Een afwachtende houding bij het voegen van stukken wordt doorgaans niet beloond, getuige de opmerking van mr. Kuijper tijdens de pro forma zitting van 23 maart 2017, dat de verdediging slechts mondjesmaat informatie kreeg van het openbaar ministerie. Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] was - aldus de raadsvrouw - al anderhalve maand oud. Indien dit proces-verbaal eerder beschikbaar was geweest, had de raadsvrouw er eerder op kunnen reageren en had zij de rechter-commissaris kunnen vragen om de getuige nader in haar aanwezigheid te horen. Zij heeft daarbij vastgesteld dat deze gang van zaken niet in het belang is van haar cliënt.

Het is vervolgens de vraag of de officier van justitie door geen acht te slaan op - wat door de advocaat-generaal genoemd wordt - het verschaffen van ‘contextinformatie’ over de aan haar bekende aan het verhoor klevende gebreken, moedwillig getracht heeft om de controlerende taak van de rechter te dwarsbomen. Ofschoon - zeker achteraf en dan vooral met de kennis van nu - vermelding van de tekortkomingen in het proces-verbaal welkom was geweest en veel ellende had voorkomen, kan niet met vrucht worden betoogd dat hier sprake is geweest van misleiding van de rechter. Het voornaamste tegenargument is dat [betrokkene 2] bij de veelbesproken zitting van 23 maart 2017 zelf heeft opgemerkt dat [betrokkene 1] nog nader gehoord moest worden door de politie. Een dergelijke mededeling is voor elke procesdeelnemer - en ook de rechter - een teken dat het voorliggende verhoor kennelijk niet compleet of ‘af’ is. [betrokkene 2] heeft ook uitgelegd waarom zij een nader verhoor door de politie ‘in deze fase van het onderzoek’ verkoos boven een verhoor bij de rechter-commissaris, zoals blijkt uit wat hiervoor is opgenomen uit haar zittingsaantekeningen. Men kon zo tijdswinst boeken en zo’n verhoor zou wellicht vragen wegnemen van de verdediging. Mocht bij het gereedkomen van het eindproces-verbaal het verzoek van de verdediging om een nader verhoor blijven staan, dan zou dat op de regiezitting onderwerp van gesprek kunnen zijn. Ook hier luidt het oordeel van het hof dat misleidende motieven niet aannemelijk zijn geworden.

Ook op het functioneren van Kappeyne van de Coppello is kritiek uitgeoefend. In essentie wordt hem door de verdediging kwalijk genomen dat hij zich in de kwestie [betrokkene 1] laakbaar op de achtergrond heeft gehouden en dat hij meer bleek te hebben geweten dan hij voorwendt. Ter adstructie wordt een aantal telefoongesprekken en e-mails tussen hem en Van der Eijk naar voren gehaald waar dit uit zou moeten blijken. Vanwege het grote aantal meningen, indrukken en gissingen van met name Van der Eijk die vervolgens door de verdediging worden gepresenteerd als feiten voor het betoogde gelijk, acht het hof zich niet geroepen hierop in te gaan.

Er is één aspect dat ziet op het eventueel te lijdelijke handelen van Kappeyne van de Coppello, waar het hof wel aandacht aan wil besteden. Bij de eerste VKL die hij als nieuwe zaaksofficier van justitie bijwoont - namelijk op 30 maart 2017 - is de situatie aldus dat de rechtbank een week eerder heeft besloten dat [betrokkene 1] door de rechter-commissaris als getuige moet worden gehoord. De eerste actie die Kappeyne van de Coppello onderneemt is het opleggen van een contactverbod tussen de leden van het opsporingsteam en Van der Eijk om beïnvloeding, ook van [betrokkene 1] , te voorkomen. Er mochten tevens geen aanvullende processen-verbaal worden opgemaakt, omdat er op dat moment niets te herstellen viel vanwege het op bevel van de rechtbank en onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris te verrichten onderzoek naar de gang van zaken rond het proces-verbaal van [betrokkene 1] .

In een e-mail gericht aan Van der Eijk houdt Kappeyne van de Coppello overleg met Van der Eijk en [betrokkene 1] af met als reden dat [betrokkene 1] in opdracht van de rechtbank als getuige zal worden gehoord door de rechter-commissaris en hij elke schijn van beïnvloeding van de getuige wil voorkomen. Dit in het belang van het strafrechtelijke onderzoek, aldus de nieuwe zaaksofficier. Deze opstelling oogt wellicht te lijdelijk in de visie van de verdediging, maar getuigt naar het oordeel van het hof van rechtsstatelijkheid. Als de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank aan het werk is, is een dergelijke distantie gepast. Zo liggen naar geldend recht de strafvorderlijke verhoudingen tussen openbaar ministerie en rechter. Dat is naar het oordeel van het hof geen kwestie van - zoals de verdediging stelt - het door de officier van justitie schoonvegen van zijn eigen straatje.

Het hof heeft ook overigens in alle door de verdediging aangevoerde gronden geen sporen aangetroffen van een doelbewust op het verkeerde been zetten van de rechter of van enig procesdeelnemer, noch van pogingen daartoe. Ook van het uitoefenen van oneigenlijke druk tijdens het horen van verdachten en getuigen is het hof niets gebleken.

8.3. Strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid of enkele vaststelling

Thans dient het hof de vraag te beantwoorden of het geconstateerde vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Het hof heeft - gezien al hetgeen hiervoor is overwogen - in het strafdossier geen aanknopingspunten aangetroffen voor een dergelijk oordeel. Ook van een misleiding door het openbaar ministerie van de rechter in zijn controlerende taak of het ondernemen van pogingen daartoe, is het hof niets gebleken.

Het beroep van de verdediging op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging als passend rechtsgevolg op het geconstateerde vormverzuim wordt verworpen.

Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Ook bewijsuitsluiting of strafvermindering als passend rechtsgevolg acht het hof niet aan de orde. Verdachten zijn niet daadwerkelijk in de verdediging geschaad, waardoor van ondervonden nadeel niet kan worden gesproken.

Immers, [betrokkene 1] is op 21 juni 2017 als getuige door de rechter-commissaris gehoord. Daarbij was de toenmalige raadsman van de verdachte en de (toenmalige) raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aanwezig. De verdediging is op deze wijze adequaat in de gelegenheid gesteld om de door [betrokkene 1] op 30 januari 2017 afgelegde verklaring op de inhoud te toetsen. Het hof merkt hierbij op dat de verdediging van die gelegenheid vrijwel geen gebruik heeft gemaakt, nu niet of nauwelijks vragen over de inhoud van de verklaring, bijvoorbeeld over de bron van wetenschap, zijn gesteld, hoewel [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat niet alles wat in haar verklaring staat zo door haar is gezegd. Het hof ziet daarom geen aanleiding om één van de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen te verbinden aan het geconstateerde onherstelbare vormverzuim en volstaat met het oordeel dat met het niet auditief registreren van het verhoor van [betrokkene 1] op 30 januari 2017 een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek is begaan in de zin van de wet.”

18. De eerste klacht komt op tegen het oordeel van het hof dat met de inwerkingtreding van art. 359a Sv vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek enkel binnen het kader van art. 359a Sv beoordeeld kunnen worden. Aangevoerd wordt dat het hof daarmee de naleving verzuimt van de rechtspraak van de Hoge Raad, in het bijzonder HR 4 februari 1997.10 Als ik het goed begrijp, wordt deze klacht onderbouwd met een uiteenzetting waarom in uitzonderlijke gevallen ook niet-ontvankelijkverklaring zou moeten volgen “in het geval dat er geen onherstelbare schade aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces is betrokken”, wat eveneens wordt aangevoerd. Daarmee wordt in feite aangevoerd dat het Karman-criterium nog betekenis heeft als zelfstandige grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging naast de maatstaf die op art. 359a Sv berust waar die voorwaarde wel wordt gesteld, zoals ter terechtzitting van het hof was aangevoerd. 11

19. Het arrest waarop een beroep wordt gedaan, past niet goed bij wat wordt aangevoerd. Uit het arrest van 4 februari 1997 kan ik althans niet afleiden dat het voor de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging in die zaak, niet van belang was dat “de belangen van de verdachte niet zijn geschaad”. Deze overweging is afkomstig uit het Karman-arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1999,12 waaruit inderdaad kan worden afgeleid dat voor een geslaagd beroep op niet-ontvankelijkverklaring van het OM wegens een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, onder de in die zaak gegeven omstandigheden niet is vereist dat de verdachte door dat vormverzuim in zijn belangen is geschaad. Dat kan niet worden afgeleid uit het arrest van 4 februari 1997, omdat daarin ook als maatstaf is aangelegd of “sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen [van een behoorlijke procesorde, AG], waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.13 Het arrest waarop in cassatie een beroep wordt gedaan, is relevant voor de vraag of een vormverzuim herstelbaar is of niet.14 Om die reden komt het arrest verder aan de orde bij de bespreking van de derde klacht en laat ik het bij de verdere bespreking van de eerste klacht ter zijde.

20. De eerste klacht berust op de veronderstelling dat zich een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan dat tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging zou moeten leiden ook als dat vormverzuim geen onherstelbare schade heeft toegebracht aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Om welk verzuim het zou gaan, blijkt bij de bespreking van de tweede en derde klacht waarvan in de schriftuur wordt aangegeven dat deze zich lenen voor een gezamenlijke bespreking.

21. De tweede klacht houdt in dat de verwerping door het hof van het verweer, dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar behoren is gemotiveerd. De derde klacht houdt in dat het oordeel van het hof, dat er geen sprake is van een onherstelbaar verzuim in het voorbereidend onderzoek, onbegrijpelijk is. Uit de toelichting op beide klachten maak ik op dat het verzuim zou bestaan uit het door officier van justitie [betrokkene 2] toevoegen aan het dossier van het proces-verbaal van het verhoor van de getuige [betrokkene 1] zonder “contextinformatie” toe te voegen, zoals “hoe de verklaring tot stand is gekomen en waarom die in het dossier is gevoegd, dat en waarom er grote twijfels over het waarheidsgehalte van die verklaring waren, wat de echte reden was om de verklaring niet op te nemen, dat er sprake was van een onjuiste datering en onjuiste plaats van ondertekening door de verbalisanten en dat in strijd met de waarheid is vermeld dat [betrokkene 1] de verklaring weigerde te ondertekenen”. Het ontbreken van deze contextinformatie zou in strijd zijn met de verbaliseringsplicht in art. 152 Sv. Daarbij wordt aangevoerd dat het verzuim van het leveren van contextinformatie in strijd is met art. 207 Sr en daarom een strafbaar feit oplevert. Ter ondersteuning hiervan wordt een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2003, waarin is overwogen dat “in bijzondere gevallen de omstandigheid dat een of meer feiten niet in een relaas zijn opgenomen, tot gevolg heeft dat hetgeen wel is opgenomen een valse verklaring in de zin van art. 207 Sr oplevert”.15

22. Met betrekking tot het ontbreken van contextinformatie wijs ik ten eerste op de informatie “dat er sprake was van een onjuiste datering en onjuiste plaats van ondertekening door de verbalisanten en dat in strijd met de waarheid is vermeld dat [betrokkene 1] de verklaring weigerde te ondertekenen”. Dit is geen contextinformatie, maar informatie die in het proces-verbaal was opgenomen en waarvan het hof achteraf heeft vastgesteld dat die onjuist is. Het hof heeft bovendien uitvoerig overwogen dat in die tekortkomingen “geen enkel element van misleiding […] ontdekt zijn.”

23. De ontbrekende contextinformatie, waarop een beroep wordt gedaan, heeft betrekking op “hoe de verklaring [van de getuige [betrokkene 1] , AG] tot stand is gekomen en waarom die in het dossier is gevoegd, dat en waarom er grote twijfels over het waarheidsgehalte van die verklaring waren, wat de echte reden was om de verklaring niet op te nemen”. In cassatie wordt niet aangevoerd waarom en welke “rechtsplicht” bestaat, om die contextinformatie in het proces-verbaal op te nemen, terwijl de Hoge Raad in het arrest van 21 januari 2003 overweegt dat het niet in het relaas opnemen van een of meer feiten tot gevolg kan hebben dat wat wel is opgenomen een valse verklaring in de zin van art. 207 Sr oplevert, “indien een rechtsplicht bestaat tot het vermelden van een bepaald feit en die plicht – opzettelijk is geschonden”.16 Om deze reden faalt het middel voor zover het berust op de veronderstelling dat het proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 1] niet zonder contextinformatie aan het procesdossier had mogen worden toegevoegd.

24. Voor zover erover wordt geklaagd dat het ontbreken van de contextinformatie een onherstelbaar verzuim oplevert, wordt een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 1997. In die zaak had het hof vastgesteld “dat de ontkenning onder ede door een opsporingsambtenaar als getuige ter terechtzitting van de toepassing van de zogenoemde Delta-methode en het niet-ingrijpen van het Openbaar Ministerie ter voorkoming van misleiding van de rechter op dit punt, erop gericht zijn geweest een toetsing door de rechter van de methode in de onderhavige strafzaak te frustreren”.17 Het hof had in die zaak ook vastgesteld dat een “schending van deze aard van de beginselen van een behoorlijke procesorde [...] onaanvaardbaar [is en] zich niet [leent] voor herstel”.18 Met betrekking tot deze vaststellingen overwoog de Hoge Raad dat het hof, “door in het onderhavige geval te oordelen dat het de schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, […] zodanig ernstig acht dat daarop geen andere dan de zwaarste sanctie past, niettegenstaande het maatschappelijk belang dat gemoeid is met de vervolging ter zake van ernstige delicten als waarvan hier sprake is, de ernst van de schending, het maatschappelijk belang bij de vervolging van ernstige misdrijven en de zwaarte van de mogelijke sancties in zijn afweging heeft betrokken en aldus geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”19

25. In de onderhavige zaak heeft het hof onder 8.2 vastgesteld: “Geen sprake van misleiding”. Daarmee faalt het beroep op het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 1997 – waarin het hof “misleiding van de rechter” had vastgesteld – en de klacht dat het oordeel van het hof, dat er geen sprake is van een onherstelbaar verzuim in het voorbereidend onderzoek, onbegrijpelijk is.

26. Tot slot wijs ik op de klacht dat dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is “gelet op hetgeen de raadsvrouwe in de pleitnota (van mr. Kuijper) in de punten 28 t/m 38 en punt 91 heeft opgemerkt” omdat het hof in het licht van die opmerkingen van de raadsvrouwe gehouden was tot een nadere motivering. Bij gebrek aan het weergeven van de essentie van die punten, voldoet deze klacht niet aan de eis dat een middel van cassatie een stellige en duidelijk klacht moet bevatten,20 zodat deze klacht niet voor bespreking in aanmerking komt.

27. Het middel faalt in alle onderdelen.

28. Het derde middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot inzage in de OM-journaals met betrekking tot de beslissing om [betrokkene 1] als getuige te horen. De afwijzing “getuigt van een onjuiste rechtsopvatting” of berust “op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.” Aangevoerd wordt dat de afwijzing onjuist is en/of niet naar behoren is gemotiveerd, in “aanmerking genomen dat art. 149a, tweede lid, Sv bepaalt dat alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn tot de processtukken behoren.”

29. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouwe van de verdachte verzocht om inzage in de OM-journalen die zien op de beslissing tot het horen van [betrokkene 1] . Daarbij sloot zij zich aan bij het verzoek dat haar collega mr. Kuijper deed, de raadsvrouwe van medeverdachte [medeverdachte 3] . Het verzoek om inzage werd gedaan naar aanleiding van het verhoor ter terechtzitting van de getuige [betrokkene 2] . Daarom geef ik hier ook onderdelen weer van het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof die betrekking hebben op het verhoor van [betrokkene 2] :

“Proces-verbaal van de (gedeeltelijk) in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 13, 20, 25, 26, 27 juni 2019.
[…]
De getuige [betrokkene 2] verklaart op vragen van mr. Kuijper:

U vraagt mij of ik mij kan herinneren hoe de beslissing tot het horen van de getuige [betrokkene 1] precies genomen is. Niet heel concreet. Er was niet veel discussie over, dus nee.

U vraagt mij of ik mij er iets van kan herinneren. In zo’n VKL worden meerdere voorstellen gedaan door de politie, bijvoorbeeld om getuigen te horen. Het is mogelijk dat de getuige [betrokkene 1] daarin ook voorbij is gekomen, maar ik heb daar geen concrete herinnering aan.

De voorzitter vraagt de getuige [betrokkene 2] of het VKL als een briefing gezien moet worden.

De getuige [betrokkene 2] reageert:

Nee, het is meer een uitzetting van lijnen en een bespreking van wat er op dat moment ligt en wat er binnengekomen is in de afgelopen week. De nieuwe lijnen worden besproken. Er wordt bijvoorbeeld besproken welke BOB-verzoeken gedaan gaan worden en welke lijnen we gaan uitzetten. De grote lijn van het onderzoek wordt in het VKL uitgezet.

De getuige [betrokkene 2] verklaart op vragen van mr. Kuijper:

U vraagt mij of ik kan aangeven waar een beslissing als het horen van de getuige [betrokkene 1] wordt vastgelegd. Ik neem aan dat het door de politie wordt vastgelegd in hun journaal.

U vraagt mij of dit ook in het OM-journaal wordt vastgelegd. Nee, dat soort dingen leggen wij niet vast.

U houdt mij de verklaring van teamleider [verbalisant 3] op pagina 630 van het Rijksrechercheonderzoek voor, waaruit volgt dat [verbalisant 3] heeft verklaard dat de beslissing tot het bevragen van de getuige [betrokkene 1] in het OM-journaal wordt vastgelegd. U vraagt of er een OM-journaal is waar deze beslissing is genoteerd. De grote lijnen van het onderzoek worden in het OM-journaal vastgelegd. Er lezen mensen mee, er wordt geen vastlegging gedaan in het OM-journaal van elke willekeurige getuige. Het uitgangspunt is ook dat je vastlegt wat je vooral niet moet doen. Vaak wordt ook de strategie vastgelegd. Ik kan best hebben aangegeven: ‘we moeten deze lijn ingaan’. Ik kan niet uitsluiten dat ik af en toe wel eens genoemd heb dat we bepaalde personen moeten horen. De getuige [betrokkene 1] was in mijn herinnering niet een hele speciale getuige voordat ze ter sprake kwam in het VKL.

U merkt op dat het veroorzaken van ruis het doel was en u merkt op dat u dit een bijzondere beslissing vindt. Een getuige kan worden gehoord om ruis te veroorzaken. Bij de getuige [betrokkene 1] heb ik dat niet meer helder. Dat ze in die periode werd getapt heb ik ook niet helder. Het hoeft niet zo uitzonderlijk te zijn en het kan best aan de orde zijn gekomen in het bepalen van de strategie. Het is mij niet ter ore gekomen voordat de discussie in het VKL ontstond.

U vraagt mij of ik bereid ben om de OM-journaal mutatie te overleggen, voor zover deze bestaat. Ik heb er geen problemen mee om mijn eigen aantekeningen op de dag van mijn vertrek te overleggen, daarin heb ik een terugkoppeling van de kwestie [betrokkene 1] gegeven. Maar er zal ook toestemming van het openbaar ministerie moeten zijn.

U merkt op dat het u met name gaat om de beslissing om de getuige [betrokkene 1] te horen en hoe deze beslissing is vastgelegd in het OM-journaal. Uit mijn aantekeningen van het journaal waarin ik de kwestie [betrokkene 1] beschrijf geef ik een soort samenvatting. Ik was al eerder begonnen met het maken van aantekeningen over deze kwestie, maar het systeem crashte en toen heb ik het opnieuw ingevoerd. In mijn beleving komt het ook terug in de e-mails zoals ik die naar mijn collega’s heb gestuurd en die ook in het Rijksrechercheonderzoek zitten. Ik schets daarin twee kritische punten en benoem de afweging van het procesrisico.

U merkt op dat u benieuwd bent naar de besluitvorming omtrent het horen van de getuige [betrokkene 1] , waarvan teamleider [verbalisant 3] zegt dat dit in het OM-journaal is vastgelegd. Ik denk niet dat het in het OM-journaal is vastgelegd, dat weet ik bijna zeker. Het was niet dusdanig bijzonder. Het werd pas bijzonder in de discussie over eventuele toezeggingen.

U vraagt mij of ik dit zou willen nagaan en eventueel willen overleggen. Dat verzoek zal aan het openbaar ministerie gericht moeten zijn. Ik heb geen toegang meer tot de OM-joumalen in de zaak Gees.

Mr. Van der Werf merkt op dat hij zich kan voorstellen dat de advocaat-generaal inzage heeft in de OM-journalen in de zaak Gees in de periode rondom de besluitvorming ten aanzien van [betrokkene 1] . Het gaat om interne stukken, maar het openbaar ministerie mag besluiten om ze toe te voegen aan het dossier.

De advocaat-generaal reageert:

Het is een journaal dat beheerd wordt door het openbaar ministerie. De politie kan er niet bij. Het OM-journaal wordt bij gehouden om later verantwoording te kunnen afleggen. We zitten nu in een verhoor van een officier van justitie. De scheidslijn is in dit geval fluïde tussen verantwoording afleggen en te vertellen over wat je hebt meegemaakt. Vragen zoals: ‘waarom is [betrokkene 1] gehoord?’ is een verantwoordingsvraag. Uit het BOB-dossier volgt dat in februari 2017 het onderzoek een bepaalde richting inslaat, richting Uzun, [betrokkene 3] en Hillali. In dat verband komt [betrokkene 1] naar voren en de getuige [betrokkene 4] . In het BOB-dossier is verantwoording afgelegd over het tappen, opvragen van gegevens en OVC ten aanzien van [betrokkene 1] . In het requisitoir in deze strafzaak ben ik diegene die verantwoording moet afleggen, niet getuige [betrokkene 2] .

Mr. Kuijper merkt op dat het niet gaat om verantwoording afleggen, maar om de vraag of er ten aanzien van [betrokkene 1] besloten was om een ruisstrategie toe te passen. Het gaat om waarheidsvinding.

De voorzitter merkt op dat het hof uitgebreid op de zitting van 25 oktober 2018 heeft beargumenteerd waarom geen inzage in de OM-journaals wordt gegeven.21


Mr. Kuijper merkt op dat bewust niet verzocht is om inzage in alle OM-journaals, maar slechts de OM-journaals die zien op de beslissing om [betrokkene 1] te horen. Dit nu de getuige [betrokkene 2] verklaart dat ze niet weet of er sprake was een ruisstrategie. Mr. Kuijper geeft aan dat dit een specifieker verzoek betreft.

Mr. Van der Werf sluit zich bij dit verzoek aan.

De voorzitter deelt mee dat het hof op een later moment op het verzoek zal beslissen.
[…]
Mr. Kellouh geeft aan zich te voegen bij het verzoek van mrs. Kuijper en Van der Werf om inzage in de OM-joumalen die zien op de beslissing tot het horen van [betrokkene 1] .
[…]
Voortzetting van het onderzoek op 20 juni 2019.

[…] […]
De voorzitter deelt mee als beslissing van het hof op het verzoek van mrs. Kuijper, Van der Werf en Kellouh om inzage in het OM-journaal:

[…] Het hof wijst af het verzoek van de raadslieden mrs. Kuijper, Van der Werf en Kellouh om inzage in het OM-journaal voor zover het betreft de schriftelijke weerslag van de hand van toenmalig officier van justitie [betrokkene 2] , betrekking hebbend op de zogenoemde [kwestie] . Meer in het bijzonder wordt verzocht om de aantekeningen van haar bevindingen in dat journaal met betrekking tot het verhoor van getuige [betrokkene 1] , waarvan het proces-verbaal gevoegd is in het voortgangsprocesverbaal ter gelegenheid van de pro forma-zitting van de rechtbank Noord Nederland, locatie Assen, die heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017.

[…] Bij de beoordeling van dit verzoek is aan de orde het noodzakelijkheidscriterium. Vooropgesteld wordt dat het bij dit stuk of deze stukken gaat om naar zijn/hun aard interne stukken die om die reden al in beginsel niet aan het procesdossier behoren te worden toegevoegd.

[…] Voorts is het hof van oordeel dat mede vanwege de beschikbaarheid van de zittingsaantekeningen van de toenmalig officier van justitie (opgenomen in het procesdossier van de Rijksrecherche Regio Noord-Oost op pagina 1446 e.v.) en de toelichting die zij hierop heeft gegeven als getuige op de zitting van het hof van 13 juni 2019, de noodzaak tot bovengenoemde inzage niet is gebleken, ook niet door hetgeen door de raadslieden hieromtrent ter zitting naar voren is gebracht.”

30. In verband met de betekenis van de OM-journaals, wijs ik nog op de volgende overweging van het hof in het arrest:

“De verdediging stelt dat het nooit de bedoeling was dat van [betrokkene 1] een voor het bewijs van belang zijnde verklaring zou worden afgenomen. Voor deze stelling bevatten de processtukken geen steun. Uit de verklaringen van bij het verhoor betrokken functionarissen - afgelegd zowel bij de rechter-commissaris als later in het onderzoek van de Rijksrecherche - blijkt dat dit nu juist wél de bedoeling was, alleen met het bijkomend oogmerk dat het verhoor voor de nodige ruis zou gaan zorgen. Deze stelling faalt ook al als men het verhoor van [betrokkene 1] buurvrouw [betrokkene 4] erbij betrekt. Ook zij maakte deel uit van de dezelfde ruisstrategie en van haar is in de ochtend van 30 januari 2017 een regulier geverbaliseerd verhoor afgenomen. Deze verklaring omvat 8 pagina’s en is in vraag en antwoord-vorm opgemaakt. Niet valt in te zien waarom een regulier verhoor van [betrokkene 1] dan aanvankelijk niet aan de orde zou zijn geweest.”

31. De steller van het middel klaagt – zoals al aangegeven – dat het oordeel van het hof dat het bij OM-journaals gaat om interne stukken die om die reden al in beginsel niet aan een proces-dossier behoeven te worden toegevoegd, onjuist en/of onbegrijpelijk is in aanmerking genomen dat art. 149a, tweede lid, Sv bepaalt dat alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn tot de processtukken behoren.

32. In de onderhavige zaak heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting van het hof van 9 oktober 2018 de bezwaren van het openbaar ministerie tegen het verlenen van inzage in het OM-journaal (naar aanleiding van een eerder en meer algemeen verzoek daartoe) als volgt verwoord:

“Tegen inzage van het OM-journaal door de verdediging heeft het OM bezwaar. Ik verzet

me daar tegen. Dit is een principieel punt en heeft een breder bereik dan de zaak Gees

Het is dus met zo dat ik me verzet omdat er in het journaal dingen staan die het OM niet

goed uitkomen. Als in andere strafzaken door de verdediging een verzoek wordt gedaan

het OM-joumaal in te zien, dan zal het OM ook op.deze wijze reageren.

Een journaal is een intern stuk. Degenen die daarin aantekeningen maken moeten zich

vrij voelen om aarzelingen, twijfel, discussie, meningsverschillen e.d. op te schrijven. Het

is geen verslag dat wordt opgemaakt voor de bewijsvoering. Het is geen processtuk, niet in zijn geheel en ook niet in onderdelen.

De raadsvrouw [van de medeverdachte [medeverdachte 3] , AG] voert het getuigenverhoor van [verbalisant 3] op als argument waarom inzage verleend moet worden. Ik merk op dat [verbalisant 3] als politieambtenaar geen toegang had of heeft tot het OM-joumaal. Hij heeft daar geen aantekeningen over het onderzoek Gees in gemaakt. Ook andere politiemensen hebben dat niet gedaan. [verbalisant 3] kan hoogstens veronderstellingen hebben over wat er in het OM-journaal staat. Wat [verbalisant 3] heeft gezegd over het politiejournaal kan dus geen argument zijn om de verdediging inzage te verlenen in het OM-journaal.

Verder is het zo dat er in het OM-joumaal in Gees natuurlijk niet alleen maar entries staan die over de kwestie- [betrokkene 1] gaan. Ook daarom moet geen inzage worden verleend.

Als het noodzakelijk is dat verantwoording wordt afgelegd over iets wat de officier gedaan heeft, dan kan dat op andere manieren dan door inzage in het OM-journaal te verlenen. In de eerste plaats en als uitgangspunt kan dan gedacht worden aan het laten opmaken van een aanvullend proces-verbaal door de ovj. Als een aanvullend procesverbaal niet volstaat, kan de ovj als getuige worden gehoord. In de derde plaats kan gedacht worden aan het ter beschikking stellen van het journaal aan de RC of RHC die moet beoordelen of een of meer entries bekend moeten worden gemaakt aan de zittingsrechter.

Als het gaat om meer informatie over de feitelijke gang van zaken in de zaak Gees, dan ligt een verhoor van de voormalige zaaksofficier van justitie als mogelijkheid en nu als zekerheid op tafel. Ik heb geen glazen bol, maar ik schat in dat de kans dat de vordering van het OM en het verzoek van de verdediging ovj [betrokkene 2] te horen wordt toegewezen groot is. Langs die weg kan informatie worden verkregen. Het beeld van de feitelijke gang van zaken, waarvan de rechtbank van oordeel was dat dat voldoende duidelijk was, kan door het horen van de voormalig zaaksofficier completer worden gemaakt.”

33. Aansluitend hierop is het verzoek van de verdediging tot het horen van officier van justitie [betrokkene 2] inderdaad toegewezen.

34. Voorts heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting van het hof van 26 juni 2019 bij requisitoir medegedeeld dat in het OM-journaal, waartoe hij als AG toegang toe heeft, geen mutaties staan over de besluitvorming omtrent het horen van [betrokkene 1] .

35. Uit art. 33 Sv volgt dat de verdachte op het moment dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang neemt, van alle processtukken kennis mag nemen, met uitzondering van de processtukken bedoeld in art. 149b Sv, zo schrijven Corstens/Borgers & Kooijmans.22 Zij merken aansluitend op dat art. 33 Sv niet uitsluit tijdens het onderzoek ter terechtzitting op de voet van art. 315 Sv nog stukken kunnen worden toegevoegd aan het procesdossier.23

36. Reijntjes sluit zich aan bij de mogelijkheid voor de verdachte om tijdens het onderzoek ter terechtzitting op de voet van art. 315 Sv te verzoeken stukken waarover hij zelf niet beschikt aan het dossier te laten toevoegen. Behalve dat daarbij het noodzaakcriterium geldt, schrijft Reijntjes: “maar als het stukken betreft die als processtuk dienen te worden aangemerkt […] mag het verzoek niet worden geweigerd.”24 Hij verwijst daarbij onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 11 september 2012,25 dat ook voor de beoordeling van het middel relevant is.

37. Uit HR 11 september 2012 kan worden afgeleid dat het verzoek ter terechtzitting om (proces)stukken toe te voegen, moet worden getoetst aan het noodzaakcriterium. De Hoge Raad neemt daarbij evenwel in aanmerking “dat in het dossier dienen te worden gevoegd de stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin”.26 De Hoge Raad verwijst daarbij naar zijn arrest van 7 mei 1996, waarin met een beroep op dezelfde maatstaf, fotoboeken niet als processtuk werden aangemerkt.27 Op dit arrest kom ik terug.

38. Uit de wetsgeschiedenis van art. 149a Sv blijkt dat de daarin gegeven omschrijving van processtukken – “alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn” – bij deze definitie aansluit, maar ook ruimer is. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat zou resulteren in de Wet herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken, houdt het volgende in:

“Voor de selectie van de stukken ter voeging in het dossier kan worden aangesloten bij de vaste rechtspraak op dit punt (zie bijvoorbeeld HR 20 juni 2000, NJ 2000, 502 en HR 4 januari 2000, NJ 2000, 537 m.nt. Sch). Dat betekent dat de relevantie voor de desbetreffende strafzaak doorslaggevend is voor de selectie van de stukken. Het gaat daarbij niet alleen om belastende of ontlastende stukken in het kader van het bewijs van het ten laste gelegde feit, maar ook bijvoorbeeld om stukken die van belang kunnen zijn voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, de controle op de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek of de straftoemeting”.28

39. Ook indien de OM-journaals waarop het verzoek betrekking heeft, niet kunnen worden aangemerkt als processtukken, kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat deze stukken toch aan het dossier moeten worden toegevoegd. De Hoge Raad overwoog in het hierboven genoemde arrest van 7 mei 1996 het volgende:

“5.11

Het geval kan zich voordoen dat de verdediging de betrouwbaarheid of rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht. Een zodanig verweer dient te worden onderzocht. Beginselen van een behoorlijke procesorde brengen mee dat de verdediging in beginsel de kennisneming van voor de beoordeling van die vragen van belang zijnde, niet tot de processtukken behorende, documenten niet mag worden onthouden. Dat betekent niet dat zowel de raadsman als de verdachte zonder meer aanspraak hebben op een afschrift of kennisneming van een hulpmiddel als te dezen door de politie is gebruikt of van andere documentatie.

5.12

Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval bij afweging van de belangen van de opsporingsautoriteiten bij toekomstige onderzoeken naar afpersingspraktijken van Dev Sol en de gerechtvaardigde belangen van de in bedoelde fotoboeken afgebeelde personen enerzijds en de belangen van de verdediging bij kennisneming van die boeken anderzijds, eerstbedoelde belangen in zoverre zwaarder wegen dat aan de verdachte de kennisneming van die boeken niet kan worden toegestaan, doch dat de raadsvrouw in de gelegenheid zal worden gesteld om van de inhoud van die boeken kennis te nemen, van welke mogelijkheid de raadsvrouw echter geweigerd heeft gebruik te maken. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, met name niet omtrent de in het middel vermelde verdragsbepalingen en is niet onbegrijpelijk.”29

40. Mijn ambtgenoot Aben heeft een onderscheid gemaakt tussen enerzijds processtukken en anderzijds een niet heel specifiek afgebakende categorie van bescheiden, voorwerpen en andere gegevensdragers. Dit onderscheid lijkt parallel te lopen aan het onderscheid tussen “(1) de door politie en justitie gegenereerde resultaten van feitenonderzoek, neergelegd in de ‘processtukken’, en (2) de aanleiding van dat onderzoek en de middelen en methoden met behulp waarvan die onderzoeksresultaten tot stand zijn gekomen, waarvan andere documenten en gegevensdragers zouden kunnen getuigen.”30 Zijn toelichting op de tweede categorie is voor de beoordeling van het middel van bijzonder belang:

“Zo is het corpus delicti geen processtuk, maar wel het in een deskundigenverslag neergelegde onderzoek daaraan. De video-opname van een verhoor is geen processtuk, maar wel het bij proces-verbaal vastgelegde resultaat van het verhoor: de schriftelijke verklaring. Voorts valt wat betreft de tweede categorie te denken aan de fotoboeken die aan een getuige zijn getoond, journaals van een onderzoeksteam, CTC-stukken, ATV-stukken, anonieme brieven of CIE-verklaringen voor zover zij enkel de aanleiding zijn geweest voor nader onderzoek en niet het (tot bewijs gebezigde) resultaat van onderzoek.
[...]
3.5.3.
[…]

“ Behoudens indien enige relevantie ontbreekt behoren de resultaten van het voorbereidend onderzoek - de processtukken - dus deel uit te maken van het procesdossier. Kennisneming hiervan mag de verdachte niet worden onthouden dan indien strikt noodzakelijk en uitsluitend gedurende een wettelijk begrensde tijdspanne. Is eenmaal een aanvang gemaakt met het onderzoek ter terechtzitting dan kan kennisneming van de processtukken niet worden beperkt. In zoverre is het recht op kennisneming van de inhoud van processtukken absoluut. Bij en krachtens artikel 34 Sv is bovendien de wijze van kennisneming en het verkrijgen van afschriften van processtukken geregeld.

3.5.4. Naast de processtukken wordt zoals gezegd nog een tweede, dus: additionele categorie gegevensdragers onderscheiden. Indien de verdediging de betrouwbaarheid of de rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht, behoren door de verdediging aan te duiden stukken, voorwerpen of gegevensdragers die deze betwisting zouden kunnen ondersteunen als redelijkerwijze van belang zijnd materiaal in beginsel aan deze processtukken te worden toegevoegd. Beginselen van een goede procesorde kunnen in dat geval onder omstandigheden meebrengen dat aan de verdediging de kennisneming van die gegevens niet volledig mag worden onthouden. Hierin schuilt een zekere ruimte voor de afweging van belangen van de verdediging met bijvoorbeeld opsporingsbelangen, belangen van getuigen en het belang van een voortvarende afdoening van een strafzaak.”31

41. In de overweging van het hof, dat de OM-journaals die betrekking hebben op het verhoor van de getuige [betrokkene 1] “interne stukken” betreffen “die om die reden al in beginsel niet aan het procesdossier behoren te worden toegevoegd”, ligt besloten dat het hof die OM-journaals niet heeft aangemerkt als processtukken. Dat oordeel geeft, gelet op voorgaande, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

42. Het oordeel van het hof dat de noodzaak tot inzage in die OM-journaals niet is gebleken, is evenmin onbegrijpelijk gelet op wat de advocaat-generaal daarover ter terechtzitting van het hof van 26 juni 2019 bij requisitoir heeft medegedeeld en gelet op wat de verdediging daaraan ten grondslag heeft gelegd.32 Om inzage in de OM-journaals is verzocht om antwoord te krijgen op de vraag “of er ten aanzien van [betrokkene 1] besloten was om een ruisstrategie toe te passen” en deze vraag kon naar het kennelijke oordeel van het hof ook worden beantwoord op basis van de beschikbare zittingsaantekeningen van de toenmalige officier van justitie die zijn opgenomen in het procesdossier van de Rijksrecherche en de toelichting die zij daarbij ter terechtzitting van het hof heeft gegeven. Hierbij wijs ik erop dat het procesdossier van de Rijksrecherche deel uitmaakt van de processtukken.

43. Het middel faalt.

44. Het vierde middel klaagt over de bewijsvoering van het bewezenverklaarde medeplegen van de gekwalificeerde doodslag in de zaak met parketnummer 18-950074-16. Aangevoerd wordt dat twee onderdelen van de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig zijn. Het eerste onderdeel betreft twee verklaringen van de getuige [benadeelde] die het hof voor het bewijs heeft gebruikt. Het tweede onderdeel betreft de verklaring van de verdachte en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] die het hof eveneens voor het bewijs heeft gebruikt. De bewijsvoering zou ook tekortschieten omdat daaruit niet is af te leiden dat de verdachte “voorafgaand of ten tijde van het delict op de hoogte is geweest van de (in de woorden van de rechtbank) enorme intensiteit van het door de medeverdachte(n) op [slachtoffer] uitgeoefende fatale geweld zoals vastgesteld door de patholoog”.

45. De klachten komen er kort gezegd op neer dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte degene was die met de medeverdachte [medeverdachte 4] in de slaapkamer van [slachtoffer] was en daar [slachtoffer] ook ten minste twee klappen heeft gegeven. De verdachte zou de man zijn geweest die de partner van het dodelijke slachtoffer, [benadeelde] , heeft gedwongen met hem mee te gaan naar de kluizen en deze heeft leeggehaald en vervolgens [benadeelde] in de badkamer heeft vastgebonden.

46. In de zaak met parketnummer 18-950074-16 heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 30 juni 2016 te Gees tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen in het gezicht en tegen het hoofd en tegen het lichaam te schoppen, te stompen en/of te slaan,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld in vereniging gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, van geldbedragen, sieraden, een portemonnee met inhoud, een envelop met inhoud en sleutels,


en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.”

47. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 juni 2016 (pagina 1277 e.v. van het procesdossier TGO Gees met nummer 2016187904), voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde]:

Vanmorgen 30 juni 2016 werd ik wakker in mijn woning aan de [a-straat 1] te Gees. Ik loop naar de slaapkamer van [slachtoffer] . Ik zie dat [slachtoffer] naast het bed op de grond zit of ligt. Hij is aan het vechten met twee personen. Ik zie dat [slachtoffer] is vastgebonden met snoeren. Toen ik de slaapkamer binnenkwam, richtte een van deze twee mannen een pistool op mij. Ik zag dat [slachtoffer] gezicht opgezwollen was, zijn ogen. Hij was al erg toegetakeld. Alles was kapot. Ik kreeg dus het pistool op mij gericht en toen kwam een derde persoon op mij afgelopen. Hij pakte mij vast en ik moest van hem naar beneden. Hij zei: ‘Jullie hebben drie kluizen’. Ik ben naar beneden gegaan met die man. De man heeft alles uit beide kluizen gehaald. Geld, juwelen en een envelop. Er zat ook een envelop in. Deze heeft hij opengescheurd. Hij heeft alles in een tas gedaan. Toen moest ik weer naar boven. Ik ben toen ook vastgebonden in de badkamer.

Ik moest op mijn buik liggen. Ik werd vastgebonden met een riem en met nog wat anders. Mijn armen en voeten werden vastgebonden. Hij vroeg om biljetten van 50 euro. Toen ik in de badkamer lag vastgebonden, hoorde ik dat er gezegd werd: ‘ […] , kom we moeten gaan. We moeten nu gaan’. Toen ik even niets meer hoorde, heb ik mezelf los kunnen maken. Ik ben meteen naar [slachtoffer] gelopen. Hij lag op de overloop. Ik ben naar beneden gegaan en heb 112 gebeld. Toen ik boven kwam zag ik dat [slachtoffer] niet meer leefde.

Er waren twee jongens, mannen bij [slachtoffer] . De man die het pistool op mij richtte, zat op zijn knieën bij [slachtoffer] . De jongen die met mij meeliep heeft de ring van mijn hand en een ketting van mijn hals getrokken. Hij heeft mij ook vastgebonden. Ik ben in de badkamer vastgebonden met een riem. Ze hebben ook nog een snoer om mijn buik gedaan. Ik mis sleutels en mogelijk de portemonnee van [slachtoffer] . Ze hebben een envelop opengescheurd en toen in de tas gedaan. Mijn horloge, oorbellen en andere sieraden zijn weggenomen. Ze vroegen: ‘Waar is het geld van de bungalows’. Ik zei dat al het geld in de kluis lag. Toen vroeg hij nog naar de 50 euro biljetten.

De derde persoon die met mij liep had een muts op. Een bruine.

2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2016 (pagina 120 e.v. van het procesdossier TGO Gees met nummer 2016187904), voor zover inhoudende als verklaring van verbalisant [verbalisant 4]:

Op 30 juni 2016, omstreeks 05:21 uur, kregen [verbalisant 5] en ik de melding vanuit het Operationeel Centrum te Drachten om te gaan naar [a-straat 1] te Gees. Ik verbalisant hoorde van de centralist dat de bewoners aldaar waren overvallen.

3. de verklaring van [benadeelde], afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof d.d. 13 juni 2019, voor zover inhoudende:

De deur van mijn slaapkamer was dicht en de deur van de slaapkamer van [slachtoffer] was ook dicht. Ik doe de deur van de slaapkamer van [slachtoffer] open en ik stap naar binnen.

[slachtoffer] lag op dat moment op zijn knieën voor het bed. Hij had zijn handen voor zich gebonden. Ik zag dat hij een snoer om zijn nek had. Eén van de mannen hield het snoer vast dat om zijn nek zat. Op dat moment kwam diegene die het snoer vasthield tevoorschijn en richtte het pistool op mij.

Op dat moment deed ik een stapje terug richting de badkamer, waardoor ik gedeeltelijk achter het muurtje stond. Direct erna ging de deur verder open en pakte iemand mij bij mijn schouder. Deze persoon kwam uit de kamer van [slachtoffer] ja. Deze persoon is meegegaan naar beneden.

De eerste persoon zag ik toen ik binnenkwam in de slaapkamer van [slachtoffer] . Hij zat bij [slachtoffer] en richtte een pistool op mij.

De tweede persoon is de persoon die met mij naar beneden is gegaan.

De derde persoon zag ik op het moment dat ik weer boven kwam. Hij vroeg mij om nogmaals naar beneden te gaan, waarop bleek dat dat niet hoefde.

4. het deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, met zaaknummer 2016.06.30.054, d.d. 4 november 2016, opgemaakt door [betrokkene 8] , arts en patholoog, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige (pagina 439 e.v. van het forensisch dossier TGO Gees), voor zover inhoudende als haar verklaring:

Overledene

Datum sectie: 1 juli 2016

Naam: [slachtoffer]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1947

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

De bovengenoemde persoon is overleden te [a-straat 1] in Gees op 30 juni 2016 omstreeks 05.37 uur.

Vraagstelling

In opdracht van de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland werd nagegaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.

Resultaten

A: Uitwendig en inwendig

1.

Een dag voorafgaande aan de sectie werd er postmortaal radiologisch onderzoek aan het lichaam verricht in het Groene Hart Ziekenhuis te Gouda, zie bijlage 3. Bij beoordeling werden onder andere breuken aan de borstkas zijwaarts beiderzijds geconstateerd, weke delen zwelling aan de rechteroogkas, breuken van de bodem van rechteroogkas en de neus. Er waren verkalkingen in de kransslagaders en de grote lichaamsslagader. Er was mogelijk miltletsel met waarschijnlijk bloed rond de milt en in de onderbuik, onder de lever en rechts in de buikholte. Behoudens de breuken aan de rechteroogkas en de neus, waren er geen breuken aan de schedel. Er waren geen botbreuken aan de wervelkolom of ledematen.

2.

Het was het lichaam van een man. In de lijkzak was veel bloed. Het bindvlies van het linkeroog toonde stipvormige rode verkleuringen.

4.
Verspreid aan het lichaam waren vele rode tot paarse huidverkleuringen door bloeduitstorting, plaatselijk met huid verscheuringen, met name aan het gelaat, het hoofd achterwaarts en bovenop het hoofd, de borstkas, beide onderarmen, de linker bovenarm en beide onderbenen, zie bijlage 2. Aan de bovenbenen, de buik, de nek en de rug waren minder letsels.

a. Letsel A: aan en om het rechteroog, de rechterwang en het voorhoofd rechts was rode tot paarse huidverkleuring door bloeduitstorting met plaatselijk oppervlakkige huidbeschadiging en huidverscheuring, in een gebied van circa 14 x 10 cm. Aan het voorhoofd rechts was een ronde oppervlakkige huidbeschadiging van circa 2 x 2 cm.

a. Letsel B: aan en om het linkeroog, de linkerwang en het voorhoofd links was rode tot paarse huidverkleuring door bloeduitstorting met plaatselijk oppervlakkige huidbeschadiging en huidverscheuring, in een gebied van circa 10 x 12 cm.

b. Letsel C: aan de neus, beide wangen, aan en om de mond waren meerdere rode tot paarse huidverkleuringen met plaatselijk oppervlakkige huidbeschadiging, krasvormige huidbeschadigingen). Hoog centraal aan de neus waren 5 parallel gelegen onderbroken lijntjes in een gebied van circa 1,5 x 1,5 cm.

c. Aan beide armen en benen waren vele rode, paarse en blauwe huidverkleuringen door bloeduitstorting en oppervlakkige huidbeschadigingen (letsels H, I, 3, K). Rechts zijwaarts aan de onderarm was een rond-ovale huidverkleuring met lijnvormige huidbeschadiging in een gebied van circa 2 x 2 cm.

d. Aan de voorzijde van de borstkas (letsels M), hoog aan de rug (letsels N), in de behaarde hoofdhuid (letsels O), rechts zijwaarts aan de rug (letsel N) waren meerdere rode en paarse huidverkleuringen door onderhuidse bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen, waaronder aan de voorzijde van de borstkas vele krasvormige. Aan de voorzijde van de borstkas rechts was er een rode huidverkleuring met een hoekig patroon van circa 2 x 2 cm.

5.

Aan de strekzijde van de rechterpols was een scherprandige oppervlakkige huidklieving van circa 1,7 cm met zijwaartse inkepingen (letsel D). Aan de strekzijde van de linker onderarm was een scherprandige oppervlakkige huidklieving met een lengte van circa 5 cm en een krasvormige huidbeschadiging van circa 2 cm (letsel L)

6.

Aan de strekzijde van de rechteronderarm was een rode huidverkleuring door onderhuidse bloeduitstorting met oppervlakkige huidbeschadiging van circa 9 x 3 cm (letsel E), Aan de buigzijde van de rechteronderarm was een rode huidverkleuring door bloeduitstorting van circa 6 x 1 cm (letsel F). Aan de strekzijde van de linker onderarm was een langwerping rode huidverkleuring door bloeduitstorting van circa 10 x 2 cm (letsel G).

7.
Rechts zijwaarts aan de rug, in lijkvlekken gelegen, was in een gebied van circa 8 x 3 cm vele paarse stipvormige verkleuringen in een patroon van 2 parallel gerangschikte banen (onder andere foto 2016-140-211). In de nek was in een gebied van 4 x 3 cm parallel gelegen streepvormige rode verkleuringen door bloeduitstorting (foto 2016-140-225).

8.

In de mond waren vele bloeduitstortingen en slijmvliesverscheuringen.

9.
Er was een matige hoeveelheid lijkvlekken. De lippen waren bleek. De bindvliezen van het linkeroog waren bleek.

B: Inwendig

1.

Aan de borstkas waren links zijwaarts de 9e, 10e en 11e rib gebroken, met omgevende bloeduitstorting in de spieren aan de borstkas links zijwaarts (circa 10 x 10 cm). Rechts zijwaarts-achterwaarts waren de 9e tot en met de 11e ribben gebroken met omgevende bloeduitstorting. Er was een liter bloed in de buik met verscheuring van de milt en de miltader (er waren geen perforerende botdelen die in relatie stonden met het miltletsel).

2. De 5e rib aan de borstkas links voor-zijwaarts was gebroken en toonde, enige bloeduitstorting.

3. In relatie met de letsels aan het hoofd was er bloeduitstorting in beide slaapspieren en rondom verspreid onder de schedelhuid. In de spieren van de nek en rug was plaatselijk bloeduitstorting.

6.

Er waren zware longen (gewicht 1505 gram, normaalgewicht beide longen 900 gram) door vochtophoping. De hersenen toonden afgeplatte windingen en waren zwaar (gewicht 1730 gram, normaalgewicht 1200-1400 gram) door vochtophoping.

7.

Er waren bleke organen.


C: Aanvullend onderzoek

2.

De volledige rapportage van het letseldateringsonderzoek is als bijlage 5 toegevoegd aan dit rapport. Met de ouderdom van het letsel wordt de tijdsperiode bedoeld tussen het ontstaan van het letsel en het intreden van de dood.

De conclusie is als volgt: "

Consult, NFI2016-140, letseldatering, huidbiopten:

Cas A, B, C, F. H (A: R oog; B: L oog/wenkbrauw; C: neus; F: R onderarm buigzijde, H. strekzijde R onderarm): Huid met een vroeg vitale wondreactie. Het immuun profiel past bij een enkele tientallen minuten tot meerdere tientallen minuten oude wond. Het Letsel in A, F en H is het minst uitgesproken en derhalve mogelijk ook jonger vergeleken met B en C.

Cas D, 1, J (D; R pols; I: L been; J: rug): Huid met een vroeg vitale wondreactie.

Het immuun profiel past bij een meerdere minuten oude wond. Een letsel richting enkele tientallen minuten oud is evenmin uitgesloten, met name voor D. In J is het letsel het minst uitgesproken.

Cas E (R onderarm): huid met een vroeg vitale wondreactie. Het immuun profiel past bij een enkele minuten oude wond.

Cas G (L onderarm): huid met een dubieus vitale wondreactie, indien reëel, maximaal enkele minuten oud.

Cas K (controle): Huid zonder afwijkingen.

Interpretatie van resultaten

De letsels aan het hoofd, de romp en de ledematen (sub A4, B1), en de bij radiologisch onderzoek vastgestelde breuken (sub A1) zijn bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, mogelijk plaatselijk kantig geweld (ter plaatse van de huidverscheuringen), zoals bij (zich) stoten, slaan (al dan niet met een voorwerp), tegen structuren aankomen), (samen)drukkend geweld al dan niet in combinatie met vallen kunnen worden opgeleverd. De breuken aan de rechteroogkas, de neus en de borstkas beiderzijds duiden erop dat de geweIdsinwerking op het lichaam heftig is geweest. (cursivering hof)

In relatie met het bovenstaand stomp botsend geweld is verscheuring van de miltader en de milt ontstaan met 1 liter bloed in de buikholte. Tevens was er in relatie met de breuken aan het hoofd eveneens bloedverlies ontstaan. De bevindingen sub A9 en B7 passen bij fors bloedverlies. Tevens kan er beperking van de ademhalingsbewegingen zijn geweest door pijn als gevolg van de ribbreuken.

Het overlijden wordt verklaard als gevolg van algehele weefselschade door fors bloedverlies, al dan niet in combinatie met longfunctiestoornissen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, mogelijk plaatselijk kantig geweld aan het hoofd en de romp.

De ribbreuk sub B2 kan eveneens door bovenstaand geweld zijn veroorzaakt, maar kan ook zijn veroorzaakt door reanimatiehandelingen, indien deze nog zijn uitgevoerd.

De letsels sub A6 kunnen zowel door bovenstaand stomp botsende geweldsinwerking zijn veroorzaakt en/of door samendrukkend geweld zoals bijvoorbeeld door het samenbinden/samendrukken van de armen. De letsels aan de mond sub A8 en A4 zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld zoals bij (zich) stoten (slaan, vallen, tegen structuren aankomen) en/of door (samen)drukkend geweld. Indien dit geweld gepaard is gegaan met blokkade van de luchtwegen dan kan dit een bijdrage aan het overlijden in de zin van verstikking (door smoren) hebben geleverd. De stipvormige rode verkleuringen sub A2 kunnen in het kader van eventuele verstikking ontstaan, echter ook andere doodsoorzaken, kunnen deze verkleuringen geven.

De letsels sub A5 zijn waarschijnlijk bij leven ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendige scherprandig klievend, snijdend geweld. Ze zijn niet van betekenis geweest voor het intreden van de dood.

De letsels aan het hoofd, de borstkas en de armen zijn met forensisch licht nader in kaart gebracht, waarbij aan de borstkas rechts voor een rode huidverkleuring met een hoekig patroon werd gezien (gefotografeerd onder M), hoog aan de neus (gefotografeerd onder C) en in de nek (sub A7) een streepvormig patroon en aan het voorhoofd rechts en zijwaarts aan de rechteronderarm 2 ronde tot ovale verkleuringen van circa 2 x 2 cm met plaatselijk oppervlakkige huidbeschadiging (gefotografeerd onder A en J).

Ten aanzien van de bevinding aan de rug (sub A7) wordt opgemerkt dat deze aanvankelijk als postmortale verandering werd geïnterpreteerd, echter op basis van letseldateringsonderzoek bleek toch sprake van een letsel die bij leven was ontstaan. De bevindingen sub B6 kunnen zijn ontstaan als verwikkelingen van het bovenstaand stomp botsend geweld. Ter evaluatie van eventuele letsels aan de hersenen in detail werd neuropathologisch onderzoek verricht, waarbij traumatische schade aan de hersenen is vastgesteld. Deze traumatische hersenschade heeft waarschijnlijk geen substantiële bijdrage geleverd aan het overlijden.

Om ten aanzien van de toedracht meer inzicht te krijgen in een mogelijk volgorde in het ontstaan en/of ouderdom van de letsels, is letseldatering verricht sub C2. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat mogelijk meerdere impacts zijn geweest op eenzelfde locatie (zoals de onderarmen). Dit kan het letseldateringsonderzoek beïnvloedden. Met de ouderdom van het letsel wordt de tijdsperiode bedoeld tussen het ontstaan van het letsel en het intreden van de dood.

Conclusie

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , 69 jaren oud geworden, wordt het overlijden verklaard als gevolg van algehele weefselschade door fors bloedverlies, al dan niet in combinatie met longfunctiestoornissen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, mogelijk plaatselijk kantig geweld, aan het hoofd en de romp.

5. de verklaring van [verdachte], afgelegd als verdachte ter terechtzitting van het hof d.d. 25 juni 2019, voor zover inhoudende:

[medeverdachte 4] was betrokken bij de ten laste gelegde woningoverval in Gees. We zijn op het balkon geklommen. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en ik stonden alle drie op het balkon voordat we naar binnen gingen. [slachtoffer] sliep nog toen wij binnenkwamen.

Het was mijn taak dat, wanneer er een tweede persoon vrij rondliep in het huis, dat ik dan met [benadeelde] de kluis open zou gaan maken.

Ik had een soort skimuts of bivakmuts op: een muts die je ook wel onder een motorhelm draagt. Alleen je ogen en de bovenkant van je neus zijn dan zichtbaar. Ik heb deze muts opgedaan voordat we naar binnen gingen. Ik heb deze muts de hele tijd op gehad. De muts was bruin.
Ik zat met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] in de auto. Na de overval heb ik de auto naar België gereden. Het was een zwarte Volkswagen Golf 5.

Ik wist dat we een inbraak gingen plegen. Tussen ons drieën is besproken dat het altijd kan zijn dat er mensen thuis zouden zijn. Er was een taakverdeling. Ik moest de kluis open maken en ik heb dat ook gedaan. Het was gewoon een feit dat er kluizen zouden zijn daar. Wat betreft de hoeveelheid geld ging het wel iets goeds zijn: een goede buit. Er zou veel geld zijn. In de auto is de taakverdeling gemaakt.

Ik moest voor een tweede persoon in de woning kijken. Er is in de auto niet gesproken over het vuurwapen, maar het vuurwapen was er. Dat wist ik. [medeverdachte 2] had het vuurwapen. In de auto lagen denk ik een paar tassen en een rol duet tape. Ik heb de rol duct tape meegenomen. Ik heb de rol duct tape mee naar binnen genomen. Dit om iemand mee vast te binden.

Het was ons gezegd dat er drie kluizen waren.

Ik droeg handschoenen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] droegen ook handschoenen.

Voordat we naar binnen gingen deden we deze aan.

Op de heenweg hebben we in de auto besproken dat het ging om een inbraak en dat er rekening gehouden werd met de kans dat er iemand thuis was. We hadden geen wapen meegenomen als het puur om een inbraak ging. We hebben rekening gehouden met de kans dat er iemand thuis was. Op het moment dat we zagen dat de balkondeuren open stonden, leek het wel of er misschien iemand thuis was. Ik ben door [medeverdachte 4] of [medeverdachte 2] benaderd.

Mijn taak was het om de vrouw vast te binden. De andere twee moesten de man vastbinden en verder zoeken naar geld of iets dergelijks.

Ik heb een deel van de buit gekregen. Het ging om een paar duizend euro, twee of drie duizend. Iedereen ontving evenveel. Het is verdeeld in de wagen. Ik ben gelijk doorgereden naar België. We hebben met ons drieën het geld geteld.

De auto is in Hemiksen [ik lees: Hemiksem, AG], vlakbij Antwerpen in brand gestoken, toen ik al vast zat. Een vriend van mij heeft dit gedaan, op mijn verzoek.

6. de verklaring van [medeverdachte 2], afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof d.d. 20 juni 2019, voor zover inhoudende:

Na de controle door de politie op 29 juni 2016 ben ik in Den Haag gebleven. Ik ben naar een koffiehuis gegaan, tot 12 uur ’s avonds ongeveer. [medeverdachte 4] is mij toen op komen halen, samen met [verdachte] en toen zijn we richting Gees gereden. Een paar dagen voor de overval werd ik door [medeverdachte 4] benaderd om een ‘tori’ (het hof begrijpt: overval) te doen. Hij had sleutels van het huis die hij in het bezit had door een eerdere inbraak daar.

We hadden tape mee en ik had een vuurwapen mee, een revolver. We zaten in een donkere Volkswagen Golf 5 met gekloonde kentekenplaat.
We zagen dat de balkondeuren open stonden. [medeverdachte 4] heeft mij een zetje gegeven, daardoor was ik als eerste op het balkon. Toen kwam [verdachte] op het balkon en [medeverdachte 4] kwam als derde. We kwamen binnen in de slaapkamer van [slachtoffer] . Ik stond voor het bed, [medeverdachte 4] stond rechts en [verdachte] stond links. De bedoeling was dat ik [slachtoffer] onder schot hield en dat [medeverdachte 4] en [verdachte] [slachtoffer] vastbonden. We komen binnen, [medeverdachte 4] doet het licht aan en ik trek de deken weg van [slachtoffer] . [slachtoffer] wordt wakker en komt overeind. Uit het niets haalt [medeverdachte 4] uit en heeft hij hem een paar stoten gegeven op zijn gezicht. [slachtoffer] viel toen op bed en is door twee personen vastgebonden. Toen kwam [benadeelde] binnen en is [verdachte] mee naar beneden gegaan. [verdachte] heeft eerst [slachtoffer] vastgebonden en klappen uitgedeeld. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben klappen uitgedeeld. [medeverdachte 4] heeft [slachtoffer] ook hard geschopt tegen zijn romp. Toen [benadeelde] binnenkwam, zat ik bij [slachtoffer] en heb ik het wapen op haar gericht.

Ik droeg een col met gekke kleuren over de onderkant van mijn gezicht, tot onder mijn neus.

Op de heenweg naar Gees hebben we in de auto over de verdeling van de taken gesproken. In auto hadden we al afgesproken dat ik de personen onder schot moest houden.

We hadden één rol tape mee. We droegen allemaal handschoenen. Iedereen had zijn eigen spullen meegenomen.

We hebben met elkaar naar de buit gekeken. Ik heb van [medeverdachte 4] gehoord dat er een derde kluis moest zijn. Dat heeft hij aan [verdachte] en mij verteld. We hebben de buit meegenomen in de auto en ik heb alles geteld en gelijk verdeeld in de auto. Het was € 5000,- in totaal. [verdachte] zou de auto wegwerken. Ik heb het wapen weggewerkt: ik heb het wapen verkocht.

Ik wilde weggaan en ik wilde geen namen noemen, dus ik zei: ‘ […] , kom’.

[verdachte] en [medeverdachte 4] hebben [slachtoffer] vastgemaakt. Eerst deden zij tape om zijn armen, maar dat trok [slachtoffer] los. Daarna is hij vastgebonden met kleding. Ik had het wapen vast. [slachtoffer] werd de hele tijd geslagen door [medeverdachte 4] . [verdachte] heeft twee keer geslagen of zoiets.

7. de verklaring van [medeverdachte 2], afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof d.d. 25 juni 2019, voor zover inhoudende:

[medeverdachte 4] en [verdachte] wisten dat ik een wapen bij mij had. Dat was bekend.”

48. De overwegingen van het hof met betrekking tot het bewijs, houden het volgende in:

Standpunt verdediging

Verdachte heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij op 30 juni 2016 in Gees is geweest en betrokken is geweest bij de woningoverval, zij het dat hij niet betrokken is geweest bij het op [slachtoffer] toegepaste geweld. Ook ten aanzien van [benadeelde] heeft verdachte geen geweld toegepast, zo heeft hij verklaard. Verdachte heeft het ten laste gelegde in Arnhem ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep bekend.

De raadsvrouw heeft, overeenkomstig haar ter terechtzitting van het hof overgelegde pleitnota, gepleit voor vrijspraak van verdachte voor het primair en subsidiair onder A ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet betrokken is geweest bij het op [slachtoffer] toegepaste fatale geweld. Bij verdachte ontbrak voorts het opzet op de dood van [slachtoffer] . De raadsvrouw heeft verder naar voren gebracht dat er geen sprake was van medeplegen.

Overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde] , [medeverdachte 2] en [verdachte]


Het hof gaat allereerst uit van de betrouwbaarheid van de eerste verklaring van [benadeelde] tegenover de politie. Deze verklaring is immers zeer kort na de overval door [benadeelde] afgelegd, namelijk op 30 juni 2016 om 11:15 uur. Ter terechtzitting van het hof van 13 juni 2019 heeft [benadeelde] bovendien aangegeven dat zij op dat moment de gebeurtenissen helder voor ogen had. Het hof gaat tevens uit van de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde] als getuige ter terechtzitting van het hof van 13 juni 2019, ten aanzien van de opeenvolgende gebeurtenissen op 30 juni 2016. [benadeelde] is wat betreft de opeenvolgende gebeurtenissen op 30 juni 2016 consistent en heeft op de zitting van het hof van 13 juni 2019 naar aanleiding van vragen meer details gegeven.

Het hof merkt ten tweede de verklaringen van [medeverdachte 2] en [verdachte] als getuigen als betrouwbaar aan over de gang van zaken van de (aanloop naar en de nasleep van) de overval van de woning in Gees op 30 juni 2016. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verklaringen van [medeverdachte 2] en [verdachte] op de zittingen van het hof grotendeels met elkaar overeenkomen en daarnaast stroken met de volgorde van de gebeurtenissen in de woning, zoals [benadeelde] die heeft geschetst.

Bewijsoverwegingen

Het hof overweegt als volgt ten aanzien van de juridische beoordeling van het ten laste gelegde medeplegen, het opzet op de dood van [slachtoffer] en het oogmerk van begunstiging dan wel vergemakkelijking van de diefstal met geweld in vereniging gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning van de geldbedragen, sieraden, de portemonnee en de envelop met inhoud en sleutels.

Medeplegen

Naar geldend recht is voor een bewezenverklaring van medeplegen vereist dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. De kwalificatie van medeplegen is, aldus volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit.

Het hof stelt op basis van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, vast dat er sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van het feit. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] hadden gezamenlijk het plan om op 30 juni 2016 in Gees een woningoverval te plegen en zijn daartoe gezamenlijk in een auto naar Gees gereden. Op de heenweg is in de auto besproken dat er in de woning kluizen met geld aanwezig waren. Het was bij [medeverdachte 4] en [verdachte] bekend dat [medeverdachte 2] een vuurwapen bij zich had, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] droegen handschoenen, er werd tape meegenomen naar de woning om mensen mee vast te binden en [medeverdachte 2] en [verdachte] droegen gezichtsbedekking. Er was tevens sprake van een taakverdeling: [slachtoffer] werd vastgebonden door [medeverdachte 4] en [verdachte] . [medeverdachte 2] hield [slachtoffer] hierbij onder schot. [medeverdachte 4] en [verdachte] hebben beiden geweld op [slachtoffer] uitgeoefend. [verdachte] is op zoek gegaan naar een tweede persoon en heeft [benadeelde] mee naar beneden genomen om de kluizen te openen. [medeverdachte 2] heeft het wapen ook op [benadeelde] gericht. Tijdens de terugweg in de auto is de buit in gelijke delen verdeeld over [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 2] heeft het wapen en [verdachte] de auto weggewerkt. Het hof acht gelet op het voorgaande bewezen dat sprake is van een nauwe bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Het hof is voorts van oordeel dat de bijdragen van alle drie de verdachten aan het strafbare feit van voldoende gewicht zijn om van medeplegen te kunnen spreken.

Opzet op de dood van [slachtoffer]

Gelet op de verklaring van [benadeelde] en [medeverdachte 2] waren [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] in de slaapkamer van [slachtoffer] aanwezig op het moment dat het geweld al op [slachtoffer] werd toegepast. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] bij binnenkomst, via de balkondeuren in de slaapkamer van [slachtoffer] , uithaalde en stoten gaf op het gezicht van [slachtoffer] . Daarnaast heeft [benadeelde] verklaard dat, toen zij wakker werd van gestommel, de deur van de slaapkamer van [slachtoffer] open deed en [slachtoffer] voor het eerst zag, [slachtoffer] al erg was toegetakeld en dat [slachtoffer] een snoer om zijn nek had. Uit het rapport van de arts en patholoog volgt verder dat de geweldsinwerking op het lichaam van [slachtoffer] heftig is geweest en dat het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard als gevolg van algehele weefselschade door fors bloedverlies, al dan niet in combinatie met longfunctiestoomissen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, mogelijk plaatselijk kantig geweld, aan het hoofd en de romp. Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 4] klappen hebben gegeven en dat [medeverdachte 4] ook hard tegen zijn romp heeft geschopt. Op het moment dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] net de slaapkamer van [slachtoffer] via het balkon zijn binnengekomen begon [medeverdachte 4] uit het niets op [slachtoffer] in te slaan en volgens [medeverdachte 2] bleef [medeverdachte 4] de hele tijd slaan. [verdachte] heeft [slachtoffer] ongeveer twee keer geslagen. Gelet op het voorgaande en met name op het feit dat er - blijkens het deskundigenrapport van de arts en patholoog - heftig en fataal geweld is gebruikt tegen [slachtoffer] is het hof van oordeel dat sprake is geweest van het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] door hem meermalen in het gezicht, tegen het hoofd en tegen het lichaam te schoppen, stompen dan wel te slaan.

Het oogmerk van begunstiging dan wel vergemakkelijking van de diefstal

Het forse geweld dat op [slachtoffer] is toegepast, resulterend in zijn dood, werd gepleegd om de diefstal met geweld in vereniging gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in de woning van [slachtoffer] en [benadeelde] van de geldbedragen, sieraden, de portemonnee en de envelop met inhoud en de sleutels mogelijk te maken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachten is af te leiden dat verdachten de doodslag verrichtten met het oogmerk om [slachtoffer] en [benadeelde] van de geldbedragen, sieraden, de portemonnee en de envelop met inhoud en de sleutels te kunnen bestelen dan wel met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad straffeloosheid dan wel het bezit van de weggenomen goederen te verzekeren.

Conclusie

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 30 juni 2016 te Gees schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag ten aanzien van [slachtoffer] .”

49. Bij de beoordeling van het middel moet voorop staan dat de rechter die over de feiten oordeelt, vrij is ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal.33 Het is aan de rechter om binnen de door de wet gegeven grenzen, waaronder art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, “van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.”34

50. Vanuit dit vertrekpunt begin ik met de beweerde tegenstrijdigheid in de bewijsvoering die betrekking heeft op twee verklaringen van de getuige [benadeelde] die het hof voor het bewijs heeft gebruikt. De tegenstrijdigheid zou zijn gelegen in het aantal personen dat de getuige verklaart te hebben gezien in de slaapkamer waar [slachtoffer] waaruit dan zou volgen dat de verdachte niet een van de personen was die [slachtoffer] in die slaapkamer heeft mishandeld omdat hij met [benadeelde] naar beneden is gelopen om daar naar de kluizen te gaan om die leeg te halen. Uit de onder 1 voor het bewijs gebruikte verklaring van [benadeelde] volgt, zo wordt aangevoerd, dat [slachtoffer] op het moment dat [benadeelde] “de slaapkamer binnenkomt aan het vechten was met twee personen van wie er één zijn vuurwapen op [benadeelde] richtte” waarna zij door een derde persoon wordt vastgepakt en mee naar beneden genomen en vervolgens door die derde persoon in de badkamer wordt vastgebonden. De onder 3 voor het bewijs gebruikte verklaring houdt in dat [benadeelde] één man in de slaapkamer ziet bij [slachtoffer] en vervolgens door een tweede persoon bij haar schouder wordt vastgepakt en mee naar beneden wordt genomen.

51. Uit de onder 3 gebruikte verklaring van [benadeelde] dat zij één persoon in de slaapkamer zag, volgt niet dat er naast [slachtoffer] nog maar één persoon in de slaapkamer was en is alleen al daarom niet tegenstrijdig met de verklaring van [benadeelde] dat [slachtoffer] met twee personen aan het vechten was. Uit dezelfde onder 3 gebruikte verklaring blijkt immers dat [benadeelde] , toen zij de slaapkamerdeur opende, niet de gehele slaapkamer kon overzien. Zij verklaart onder meer dat zij een stap terugdeed richting de badkamer waardoor zij gedeeltelijk achter het muurtje stond waarna de deur verder open ging en zij bij haar schouder werd gepakt.

52. Het oordeel van het hof, dat de verklaring van de getuige betrouwbaar is, wordt niet onbegrijpelijk door de ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring van de getuige [benadeelde] dat zij, zoals wordt aangevoerd, over een erg slecht geheugen beschikt. Het hof wijst er in de overweging met betrekking tot het bewijs, onder het kopje “Overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde] , [medeverdachte 2] en [verdachte] ” op, dat de getuige op diezelfde terechtzitting verklaarde dat “zij op dat moment de gebeurtenissen helder voor ogen had”.

53. Waar het eigenlijk over gaat, is in mijn optiek niet de tegenstrijdigheid tussen beide voor het bewijs gebruikte verklaringen van de getuige [benadeelde] , maar om de veronderstelling dat als de verdachte de persoon is die met [benadeelde] naar beneden is gegaan naar de kluizen, hij niet de persoon is geweest die in de slaapkamer was toen op [slachtoffer] het hem fataal geworden geweld werd uitgeoefend omdat dit zou zijn gebeurd toen [benadeelde] met de verdachte door de woning liep naar de kluizen. In deze benadering is de verdachte degene geweest die in de slaapkamer verscheen en [benadeelde] beetpakte en (daarom) niets te maken had met het in de slaapkamer op [slachtoffer] uitgeoefende geweld. Uit de bewijsvoering volgt echter dat op [slachtoffer] al zeer veel geweld was uitgeoefend op het moment dat [benadeelde] zijn slaapkamerdeur opende. Zij trof hem daar “al erg toegetakeld” aan: “Alles was kapot”. Het gezicht van [slachtoffer] was opgezwollen, en zijn ogen ook (bewijsmiddel 1). [slachtoffer] zat op zijn knieën voor het bed, met zijn handen gebonden voor zich en met een snoer om zijn hals terwijl dat snoer werd vastgehouden door de man die hem met een vuurwapen onder schot hield (bewijsmiddel 3).

54. Voor de volledigheid wijs ik er nog op dat in cassatie een beroep wordt gedaan op de pleitnota waarin de raadsvrouwe heeft aangevoerd “dat en waarom de door de getuige [benadeelde] ter ’s hofs terechtzitting van 13 juni 2019 afgelegde verklaring niet voor het bewijs gebruikt dient te worden (zie p15 t/m p25 van de pleitnota).” Op de betreffende pagina’s wordt niet zozeer aangevoerd waarom de genoemde, ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring van de getuige niet voor het bewijs moet worden gebruikt, maar juist gewezen op de overeenkomsten tussen de verklaringen van de verdachte en de verklaringen die de getuige heeft afgelegd, tenminste tot de verklaring die zij bij het hof heeft afgelegd. Belangrijker is nog, zo houdt de pleitnota namelijk op pagina 15 in:

“het feit dat de verklaring van cliënt geheel overeenkomt met alle verklaringen die de getuige [benadeelde] heeft afgelegd, tot de verklaring van mevrouw [benadeelde] bij uw Hof. Ik verwijs naar de pagina's 1277 ev. Op pagina 1277 zegt mevrouw [benadeelde] in haar eerste verklaring niet afgelegd op het bureau, maar op het adres Dorpstraat 48 te Gees d.d. 30 juni 2016 om 11:15 uur (hetgeen er is gebeurd zit dan nog zeer vers in het geheugen) het volgende: Ik zag dat [slachtoffer] [ [slachtoffer] , AG] aan het vechten was met twee personen. Toen ik binnenkwam richtte een van deze mannen een pistool op mij ( [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij dit is geweest).........Ik kreeg dus het pistool op mij gericht en toen kwam er een derde persoon op mij afgelopen (een andere persoon dan de twee die met [slachtoffer] aan het vechten waren dus. dit conform de verklaring van cliënt dat hij met het geweld niets te maken heeft).”

55. De verklaring van de getuige [benadeelde] die de raadsvrouw ter terechtzitting van het hof als voorbeeld heeft genomen in haar pleitnota, waarop in cassatie een beroep wordt gedaan, heeft het hof onder 1 voor het bewijs gebruikt en daaruit blijkt dat de verdachte in de slaapkamer was toen de getuige de slaapkamerdeur opende en daar haar ernstig mishandelde partner aantrof.

56. De klacht faalt.

57. Het tweede onderdeel betreft het oordeel van het hof waarin het de verklaringen van de verdachte en de getuige [medeverdachte 2] betrouwbaar aanmerkt waarbij het hof in aanmerking neemt “dat de verklaringen van [medeverdachte 2] en [verdachte] op de zittingen van het hof grotendeels met elkaar overeenkomen en daarnaast stroken met de volgorde van de gebeurtenissen in de woning, zoals [benadeelde] die heeft geschetst.” Dit oordeel van het hof zou onbegrijpelijk zijn vanwege twee tegenstrijdigheden. Aangevoerd wordt dat “de door [de verdachte] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen op de terechtzittingen van het hof […] op twee belangrijke punten haaks op elkaar [staan], te weten het al dan niet gebruiken van fysiek geweld door [de verdachte] jegens [slachtoffer] en de mogelijke aanwezigheid van verzoeker in de slaapkamer op het moment dat [slachtoffer] op fatale wijze werd toegetakeld.” De overweging van het hof dat de verklaringen “grotendeels” met elkaar overeenkomen, ondervangen juist de tegenstrijdigheden waarop in cassatie een beroep wordt gedaan en maakt de overweging juist niet onbegrijpelijk.

58. Ook deze klacht faalt.

59. Dan tot slot de klacht dat de bewijsvoering tekort zou schieten omdat daaruit niet is af te leiden dat de verdachte “voorafgaand of ten tijde van het delict op de hoogte is geweest van de (in de woorden van de rechtbank) enorme intensiteit van het door de medeverdachte(n) op [slachtoffer] uitgeoefende fatale geweld zoals vastgesteld door de patholoog”. Deze klacht berust op de veronderstelling dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte de persoon was die met de medeverdachte [medeverdachte 4] in de slaapkamer van [slachtoffer] was toen hij door [medeverdachte 4] werd geschopt en geslagen en dus de persoon is die [slachtoffer] ook ten minste tweemaal heeft geslagen. Bij de bespreking van de klachten heb ik aangegeven dat en waarom dat wel degelijk uit de bewijsvoering blijkt, zodat ook deze klacht faalt.

60. Het middel faalt in alle onderdelen.

61. Het vijfde middel klaagt terecht dat in de onderhavige zaak vervangende hechtenis voor de duur van één dag is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 kan de Hoge Raad bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

62. Het middel is gegrond.

Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

63. Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van kosten voor gederfd levensonderhoud. Aangevoerd wordt dat dit inhoudelijk oordeel onbegrijpelijk is. In het verlengde hiervan wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof om geen gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid als bedoeld in art. 6:97 BW, blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, en dat het hof ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de schade te splitsen.

64. De vordering van de benadeelde partij had betrekking op schade die bestaat uit, kort en zakelijk samengevat, immateriële schade, bestaande uit shockschade en smartengeld, en materiële schade, die bestaat uit meerdere componenten, te weten: kosten bloemstukken begrafenis, kosten verhuizing uit Gees, reiskosten psycholoog, advocaatkosten, kosten van de overdracht van [A] B.V. en gederfd levensonderhoud, dat bestaat uit reeds gederfd levensonderhoud en toekomstig gederfd levensonderhoud, alsmede de kosten voor een deskundigenrapport van het Nederlands Rekencentrum (NRL) dat is opgemaakt ter onderbouwing van gederfd levensonderhoud.

65. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft het hof als volgt beslist (vet in origineel):

“Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 27.727,48 (zevenentwintigduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 2.727,48 (tweeduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”

66. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft het hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:35

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt (na vermindering in hoger beroep) € 1.195.845,17 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De vordering is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 17.521,- aan materiële schade en tot een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ten aanzien van het reeds geleden, het toekomstig gederfd levensonderhoud, de kosten van de berekening daarvan en de advocaatkosten gemaakt in verband met de overdacht van de BV van [slachtoffer] (de nota van Heuzeveldt).

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep met een deels gewijzigde vordering opnieuw gevoegd. De totale vordering bedraagt in hoger beroep € 1.026.612,16, bestaande uit € 1.001.612,16 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft primair gevorderd tot volledige toewijzing van de in hoger beroep gewijzigde vordering van de benadeelde partij [benadeelde] . Subsidiair heeft hij ter zake van de schadevergoeding voor gederfd levensonderhoud gevorderd dat deze tot een bedrag van € 252.593,50, zijnde de reeds verschenen schade, wordt toegewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de beoordeling van de vordering tot vergoeding van schade wegens gederfd levensonderhoud, alsmede de kosten voor de berekening van deze schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit blijkt uit de lengte van de onderbouwing van dit deel van de vordering, de hoogte van het schadebedrag en het feit dat voor de onderbouwing van dit deel van de vordering een deskundige is ingeschakeld. Er wordt gesteld dat een contra-expertise nodig is om het deskundigenrapport van het Nederlands Rekencentrum (NRL) te kunnen beoordelen en dat de deskundige van het NRL zou moeten worden gehoord. Voorts wenst de verdediging dat er een deskundige wordt benoemd om de aannames waarop het rapport van het NRL berust te beoordelen. De benadeelde partij [benadeelde] zou bovendien moeten worden gehoord als getuige, alsmede de erfgenamen van [slachtoffer] en de boekhouder van de B.V. Dit onderdeel van de vordering is gecompliceerd en de behandeling daarvan in het kader van het strafproces leidt tot onevenredige vertraging van dit strafproces. De benadeelde partij zou ten aanzien van dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Subsidiair wordt verzocht om het onderzoek ter terechtzitting in deze zaak te heropenen teneinde de hiervoor weergegeven onderzoekswensen nader uit te werken en aan het hof voor te leggen en eventuele nadere onderzoekswensen te doen.

Voorts verzoekt de verdediging het hof om aan te sluiten bij de beslissing van de rechtbank ter zake van de gevorderde immateriële schadevergoeding en deze te bepalen op € 15.000,-. De vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de nota van advocaat Heuzeveldt in verband met gemaakte advocaatkosten in het kader van de overdracht van de B.V., moet volgens de verdediging worden afgewezen.

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten voor gesprekken met de advocaat-generaal en het bij wonen van de zittingen van het hof wordt aangevoerd dat dit geen rechtstreekse schade is, maar proceskosten zijn.

Oordeel van het hof

[…]

Kosten voor gederfd levensonderhoud en kosten rapport NRL

Bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt vooropgesteld dat de Hoge Raad ten aanzien van de beoordeling van de benadeelde partij recent het volgende heeft overwogen:

‘Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in - kort gezegd - een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361, derde lid, Sv).

De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.

Het bieden van die eenvoudige en laagdrempelige procedure tot schadeloosstelling van de benadeelde partij kan de strafrechter voor complexe afwegingen stellen, nu de rechter ervoor moet zorgen dat daarbij zowel de materiële, civielrechtelijke voorschriften als de processuele regels en waarborgen die gelden bij de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij in acht worden genomen, terwijl de rechter daarnaast heeft te oordelen over de in de strafzaak zelf aan de orde zijnde vragen.’36


De vordering tot vergoeding van schade uit gederfd levensonderhoud is gebaseerd op artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Niet in discussie is dat de benadeelde partij tot de kring behoort van de personen die op grond van deze bepaling in beginsel aanspraak kunnen maken op schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Voor het bepalen van de schadevergoeding is van belang tot welke kring van personen de benadeelde behoort.

Voornoemd artikel 6:108, eerste lid, BW luidt:

Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem

aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het

derven van levensonderhoud:

a. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud;

b. aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was;

c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien;

d. aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden voorzien.

De wetgever heeft derhalve in deze bepaling - wat betreft personen - onderscheid gemaakt in de wijze waarop de vordering ten aanzien van schade door gederfd levensonderhoud moet worden beoordeeld.

Desgevraagd heeft de benadeelde partij [benadeelde] aangegeven niet over een (geregistreerd) samenlevingscontract te beschikken. Ook overigens kan het hof het bestaan van een dergelijk contract niet uit de stukken afleiden. Dit betekent dat het hof de vordering zal beoordelen op grond van artikel 6:108, eerste lid, aanhef en onder c BW.

Voor de bepaling van de schade uit gederfd levensonderhoud is onder meer van belang dat inzicht wordt verkregen in de volledige financiële situatie van voor het overlijden alsmede van de financiële positie na het overlijden. In het licht van wat de verdediging over dit onderdeel van de vordering naar voren heeft gebracht acht het hof het volgende van belang.

In verband met de financiële situatie van voor het overlijden heeft de benadeelde partij grote hoeveelheden stukken overgelegd bestaande uit diverse berekeningen van het NRL met daarbij de onderliggende stukken die voor de aannames in de berekeningen van het NRL zijn gebruikt.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering voor vergoeding van schade uit gederfd levensonderhoud verminderd van € 1.158.122,- naar € 985.920,- en de nota's voor de berekening van de schade door het NRL verhoogd van € 2.319,57 naar € 6.093,56. Het hof wijst in dit verband op de brief van de advocaat van de benadeelde partij van 17 juni 2019.

Op de zitting van het hof van 26 juni 2019 is bij de toelichting op de vordering van de benadeelde partij de vordering ten aanzien van schade uit gederfd levensonderhoud verhoogd tot € 1.026.612,16 en is subsidiair verzocht om in ieder geval toe te wijzen een bedrag van € 252.593,50 voor reeds geleden schade ter zake van gederfd levensonderhoud tot medio 2019. Dit op grond van de berekening van het NLR die op 19 juni 2019 per e-mail is toegezonden.

Op de zitting van het hof van 27 juni 2019 is bij tweede termijn de subsidiaire vordering voor schade uit gederfd levensonderhoud gewijzigd in € 287.394,- ter zake van gederfd levensonderhoud tot de datum van de terechtzitting bij het hof. Uiterst subsidiair is het totaalbedrag voor schade uit gederfd levensonderhoud gesteld op € 328.086,16, waarbij in de uitgangspunten voor de berekening geen rekening is gehouden met de huurinkomsten uit de bungalowhuisjes die de benadeelde partij en de overleden [slachtoffer] in hun bezit hadden.

Op zichzelf genomen hoeft een vordering tot vergoeding van schade uit gederfd levensonderhoud niet gecompliceerd te zijn, bijvoorbeeld wanneer de enige kostwinner uit een gezin is overleden, en kan de vordering van de benadeelde partij in dat geval in beginsel door de strafrechter in de afdoening van de strafzaak worden meegenomen.

Dit is anders in een geval als het onderhavige, waarbij er kennelijk ook bij de benadeelde partij op verschillende momenten verschillende inzichten hebben bestaan omtrent de aannames die voor de berekeningen van het NRL dienen te gelden, en welke aannames na uitvoering van de berekening van het NRL ook daadwerkelijk hebben geleid tot andere uitkomsten met betrekking tot de hoogte van de schade. Dit geldt te meer, nu het hof constateert dat bij de aannames van andere uitgangspunten wordt uitgegaan dan de uitgangspunten over de financiële situatie van de benadeelde partij en de overleden partner die uit het strafdossier naar voren is gekomen.

De financiële situatie van de benadeelde partij [benadeelde] en de overledene [slachtoffer] , die voor de berekeningen zijn gebruikt, bestaat deels uit inkomsten die uit belastingstukken naar voren komen met daarnaast contante inkomsten uit bungalowhuisjes die aan hen toebehoren. De gegevens van de bungalowhuisjes van [benadeelde] zijn gebaseerd op wat de benadeelde partij daarvoor ten behoeve van het NRL heeft aangeleverd. De kosten zijn met stukken onderbouwd, de opbrengsten uit huur daarentegen niet. Een deel van de berekening van de inkomsten van de overledene [slachtoffer] is gebaseerd op contante inkomsten uit zijn bungalowhuisjes. Er zijn echter geen stukken van de diverse B.V. ’s van de overledene [slachtoffer] ingebracht, nu daaraan door de nabestaanden van de overledene [slachtoffer] geen medewerking werd verleend. Het vakantiepark waarop (naar het hof begrijpt) de bungalowhuisjes stonden, was bovendien ondergebracht in [A] B.V.

Uit de verklaringen van de benadeelde partij bij de politie, blijkt dat de contante inkomsten afkomstig waren uit de bungalowhuisjes van de benadeelde partij zelf en dat deze inkomsten werden gebruikt voor het gemeenschappelijk huishouden. Ook maakte zij voor haar eigen bungalowhuisjes facturen voor de B.V. en — zo volgt verder uit haar verklaringen bij de politie - zijn deze bedragen vaak niet door [slachtoffer] aan haar overgemaakt. De benadeelde partij [benadeelde] heeft voorts verklaard dat ze in dat verband nog een vordering heeft op de B.V. Over de contante inkomsten uit de bungalowhuisjes van de overledene [slachtoffer] wordt door de benadeelde partij [benadeelde] in haar verklaringen bij de politie niet gesproken. Bij de laatste berekening door het NRL zijn de inkomsten uit de bungalowhuisjes buiten beschouwing gelaten. Voor de bepaling van de financiële positie zonder overlijden van [slachtoffer] is het echter ook van belang hoe lang de overledene [slachtoffer] zijn bedrijf in de toekomst nog zou voortzetten. De benadeelde partij is bij de berekeningen in tweede instantie uitgegaan van een andere leeftijd dan bij de berekening die in eerste instantie in hoger beroep werd overgelegd. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van de benadeelde bij de politie blijkt ook dat de overledene [slachtoffer] graag wilde dat het bedrijf zou worden overgenomen.

Het hof is van oordeel dat uit het totaal van de stukken waarover het hof beschikt geen eenduidige conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de gehele financiële situatie voor het overlijden, waarvan het NRL bij de berekeningen (ook die ten behoeve van de subsidiaire en meer subsidiaire vordering) is uitgegaan. Dat dit deels wordt veroorzaakt door het niet beschikbaar komen van stukken van de B.V.'s is betreurenswaardig voor de benadeelde partij [benadeelde] , maar de gevolgen daarvan kunnen in de eenvoudige procedure binnen deze strafzaak niet voor rekening komen van de verdachten. De verdachten kunnen bovendien in het geheel niet over de betreffende stukken beschikken.

Op grond van al het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het hof zich in het licht van artikel 6, eerste lid, van het EVRM verplicht acht de benadeelde partij ter zake van de vordering tot vergoeding van schade uit gederfd levensonderhoud, alsmede de kosten voor de vaststelling van deze schade in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof acht zich niet verzekerd dat beide partijen, zijnde de benadeelde partij en de verdachten, in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering en ter verweer op de vordering kunnen aanvoeren en mogelijk daarvan bewijs te leveren.

In het licht hiervan zal het hof ook geen gebruik maken van de schattingsbevoegdheid van artikel 6:97 BW. De rechter die schat moet zijn beslissing immers zodanig motiveren dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor partijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Aan deze verplichting kan het hof in deze zaak niet voldoen.

Het hof is van oordeel dat behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

67.Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat een vordering van de benadeelde partij voor gederfd levensonderhoud betrekkelijk snel een onevenredige belasting van het strafproces zal opleveren. Instructief is Langemeijer in Het slachtoffer en het strafproces:

“Het gederfde levensonderhoud is op het moment waarop de rechter een oordeel moet geven grotendeels nog toekomstige schade. Wanneer de rechter kiest voor toekenning van een bedrag ineens, moet rekening worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen: hoe lang zou de kostwinner nog in het onderhoud hebben kunnen voorzien als hij was blijven leven? Zou er dan wijziging zijn gekomen in de behoeften van de onderhoudsgerechtigde? Daarnaast moet rekening worden gehouden met uitkeringen waarop de desbetreffende nabestaanden aanspraak kunnen maken, zoals een eventueel nabestaandenpensioen, en met de fiscale gevolgen van een uitkering ineens. Het hiervoor noodzakelijke onderzoek maakt al spoedig dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert (art. 361 Sv).”37

68. In de onderhavige zaak gaat het er niet slechts om dat dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, maar heeft het hof ook overwogen dat het verplicht is de benadeelde partij voor dit onderdeel van zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat hij, mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM, niet verzekerd acht dat de benadeelde partij en de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, waarbij ik onder meer wijs op het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019 waaruit het hof uitvoerig heeft geciteerd.38 Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk, mede gelet op het voor zowel het hof als de benadeelde partij en de verdachte niet beschikbaar zijn van stukken van de diverse B.V.’s van de overledene die de berekening van de inkomsten van de overledene kunnen onderbouwen.

69. Als het hof het mede op grond van het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces “niet verzekerd acht dat de benadeelde partij en de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren” dan volgt daaruit dat hetzelfde geldt voor het schatten van de omvang van de schade als bedoeld in art. 6:97 BW en het splitsen van de vordering van de benadeelde partij voor zover die betrekking heeft op het reeds gederfde levensonderhoud, onder meer omdat niet kan worden uitgesloten dat de stukken van B.V.’s die niet beschikbaar zijn ook daarvoor relevant zijn. Met betrekking tot het splitsen van de vordering van de benadeelde partij wijs ik er ook op dat het hof de benadeelde partij niet in haar volledige vordering niet-ontvankelijk heeft verklaard en ook een deel van haar vordering heeft toegewezen, zoals blijkt uit de hierboven weergegeven beslissing.

70. Het middel faalt in alle onderdelen.

Slotsom

71. Het eerste, tweede, derde en vierde namens de verdachte voorgestelde middel falen en het eerste, tweede en vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

72. Het vijfde namens de verdachte voorgestelde middel is gegrond.

73. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

74. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

75. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, 25 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6127.

2 Hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, 25 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6126.

3 Hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, 25 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6128.

4 Kamerstukken II 2010/11, 32891, nr. 3, p. 52-53: “Anders dan de Raad voor de rechtspraak heeft voorgesteld, wordt, aangezien het een rechtsprekende bevoegdheid betreft, deze verwijzingsmogelijkheid aan de rechtbank zelf, dus niet aan het gerechtsbestuur, toegedeeld. Artikel 46b zal vanzelfsprekend ook toegepast kunnen worden, indien er sprake is van een geschil waarbij niet een rechtbankmedewerker, maar een medewerker van het arrondissementsparket betrokken of partij is. […] In […] artikel 62b [wordt] voor het gerechtshof eenzelfde regeling opgenomen als in het nieuw voorgestelde artikel 46b is opgenomen voor rechtbanken. Daarmee wordt mogelijk gemaakt dat zaken waarbij het gerechtshof betrokkenheid heeft, naar een ander gerechtshof kunnen worden verwezen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op het nieuw voorgestelde artikel 46b.” Het advies van de Raad voor de rechtspraak (bijlage bij de MvT) houdt het volgende in: “Wanneer na de herziening van de gerechtelijke kaart een rechtszaak waarbij een medewerker van het gerecht is betrokken naar een ander gerecht moet worden verwezen, moet dat door de minister te vragen een andere locatie aan te wijzen in verband met ‘zwaarwegende omstandigheden’ (art. 20 lid 3). Dit is een nogal zwaar instrument voor deze categorie van zaken. De Raad pleit er dan ook voor om deze evidente categorie van zaken expliciet in de wet te regelen. Er is immers objectief vast te stellen welke zaken in deze categorie vallen en verwijzing naar een ander gerecht zou dan aan het gerechtsbestuur zelf overgelaten kunnen worden.”

5 Vgl. HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:455, NJ 2018/198, r.o. 2.4.

6 EHRM 6 oktober 2011, nr. 23465/03, par. 138-139 (Agrokompleks t. Oekraïne).

7 EHRM 12 januari 2016, nr. 57774/13, par. 62 (Miracle Europe Kft t. Hongarije).

8 De voetnoten zijn op twee na weggelaten. Op deze plek in de tekst, plaatste het hof een voetnoot met de volgende inhoud: “De in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging hierna opgenomen citaten zijn letterlijk weergeven, met uitzondering van de weergave van voornamen om eventuele problemen bij het anonimiseren van het arrest te voorkomen.”

9 De door het hof hierbij geplaatste voetnoot, houdt het volgende in: “Hoge Raad 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995: ZD0328; NJ 1996, 249 m.nt. Schalken (Zwolsman), o.a. herhaald in Hoge Raad 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012BW9338.”

10 HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1997/308 m.nt. T.M. Schalken.

11 De vraag of het Karman-criterium na invoering van art. 359a Sv nog een grondslag kan bieden voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging is recent bevestigend beantwoord door M. Samadi, Normering en toezicht in de opsporing. Een onderzoek naar de normering van het strafvorderlijk optreden van opsporingsambtenaren in het voorbereidend onderzoek en het toezicht op de naleving van deze normen, diss. Leiden, Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 240-241. Van de eerdere literatuur wijs ik op Kuiper, a.w. 2014, p. 365. Zie ook G.J.M. Corstens/M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 872-873; B.F. Keulen & G. Knigge. Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 560.

12 Vgl. HR 1 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1143, NJ 1999/567 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.8 (Karman).

13 HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1997/308 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 6.4. Corstens/Borgers & Kooijmans 2018, p. 872-873; Keulen & Knigge. a.w. 2016, p. 559.

14 Vgl. M. Samadi, a.w. 2020, p. 190-191; Kuiper, a.w. 2014, p. 209-210.

15 HR 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8845, NJ 2004/364 m.nt. D.H. de Jong, r.o. 3.4: “kan evenwel niet worden uitgesloten dat in bijzondere gevallen de omstandigheid dat een of meer feiten niet in het relaas zijn opgenomen, tot gevolg heeft dat hetgeen wel is opgenomen een valse verklaring in de zin van art. 207 Sr oplevert. Daarvan kan sprake zijn indien een rechtsplicht bestaat tot het vermelden van een bepaald feit en die plicht — opzettelijk — is geschonden.”

16 Idem.

17 HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1997/308 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 6.6.

18 Weergegeven in HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1997/308 m.nt. T.M. Schalken, onder het kopje “Hof: Uitspraak en motivering. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie” in overweging 14.

19 HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1997/308 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 6.5.

20 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179-180.

21 In het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 oktober 2018 in de onderhavige zaak heb ik geen overwegingen aangetroffen die betrekking hebben op een verzoek om inzage in OM-journaals. Ik ga ervan uit dat deze overwegingen (alleen) zijn opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 oktober 2018 dat is opgemaakt in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] nu het verzoek aanvankelijk werd gedaan door zijn raadsvrouw. Het hof heeft die zaak teruggewezen naar de rechtbank: Hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, 25 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6128.

22 Idem.

23 Idem.

24 J.M. Reijntjes, Minkenhof’s Nederlandse strafvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2017, par. 6.1.19.

25 HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4482, NJ 2012/538.

26 HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4482, NJ 2012/538.

27 HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AB9820 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1996/687 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 5.9-5.10 (Dev Sol).

28 Kamerstukken II 2009/10, 32468, nr. 3, p. 16.

29 HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AB9820, NJ 1996/687.

30 ECLI:NL:PHR:2010:BL9016 onder 3.5.2, bij HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9016 (art. 81 RO).

31 Idem onder 3.5.3 en 3.5.4 (voetnoten weggelaten).

32 Vgl. NJ 25 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4575, NJ 2000/243, r.o. 3.4; HR 20 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6245, NJ 2000/502, r.o. 3.4-3.5.

33 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.8.1.

34 Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, NJ 2004/480, r.o. 3.7.

35 Voetnoten heb ik weggelaten, met uitzondering van de vindplaats van een arrest van de Hoge Raad waaruit het hof citeert.

36 De voetnoot van het hof houdt in: “Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793.”

37 F.F. Langemijer, Het slachtoffer in het strafproces, Deventer: Kluwer 2010, p. 155.

38 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/359 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 3.2; HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:739, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.1; HR (Eerste Kamer) 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, NJ 2007/484 r.o. 3.3.2.