Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1109

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-11-2020
Datum publicatie
05-01-2021
Zaaknummer
20/01028
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:224, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen tussenbeschikking. Art. 426 lid 4 Rv; art. 401a lid 2 Rv. HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2578 en HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2306.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01028

Zitting 20 november 2020

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot cassatie,

hierna: de man,

advocaat: C.G.A. van Stratum,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in cassatie,

advocaat: J. van Duijvendijk-Brand.

In deze echtscheidingszaak heeft het hof een deelbeschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daarmee is ook de beschikking van het hof een deelbeschikking geworden. In cassatie worden slechts klachten aangevoerd tegen het tussenbeschikkingsgedeelte. Ik beperk me tot de bespreking van de ontvankelijkheid, nu ik tot de conclusie kom dat de man niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 28 mei 1997 gehuwd op huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt op 7 mei 1997 en nadien tijdens het huwelijk gewijzigd op 3 maart 2009 en 13 juni 2016.

(ii) Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 1999, hierna: [kind 1] ;

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2001: hierna: [kind 2] ;

- [kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2003, hierna: [kind 3] .

(iii) Het huwelijk is op 5 oktober 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 juni 2018 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder: de rechtbank) in de registers van de burgerlijke stand.

1.2

Op 23 februari 2017 heeft de man ter griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingediend, waarin is verzocht de echtscheiding uit te spreken.

1.3

De vrouw heeft op 10 mei 2017 een verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, ingediend, waarin onder meer ook is verzocht de echtscheiding uit te spreken.

1.4

De man heeft op 10 juli 2017 een verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de vrouw ingediend.

1.5

De zaak is op 23 oktober 2017, 29 januari 2018 en 15 mei 2018 mondeling behandeld, waarbij de rechtbank op 3 november 2017 en 9 februari 2018 tussenbeschikkingen heeft gegeven ten aanzien van de ontvankelijkheid van het echtscheidingsverzoek.

1.6

De zaak is vervolgens mondeling behandeld op 15 mei 2018, waarbij zijn verschenen: de man en de vrouw, beiden bijgestaan door hun advocaten.

1.7

Na diverse wijzigingen/aanvullingen lagen de volgende verzoeken aan de rechtbank voor:

a) de verzoeken van partijen om de echtscheiding uit te spreken;

b) het zelfstandige verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij haar te bepalen;

c) het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen waarbij hij eens per drie weken door de vrouw wordt geïnformeerd;

d) het zelfstandige verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen waarbij zij voor [kind 3] en [kind 2] een bedrag van € 1.593,- per kind per maand verzoekt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen voor of uiterlijk op de eerste van iedere maand, met de bepaling dat deze bijdrage aan indexering onderhevig zal zijn voor het eerst per 1 januari 2018;

e) het zelfstandige verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 8.972,50 per maand;

f) het zelfstandige verzoek van de vrouw de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden en de onderliggende vaststellingsovereenkomst uit 2009 en de wijzigingsakte 2016 te vernietigen en de wijze van afwikkeling van de initiële akte huwelijkse voorwaarden uit 1997 vast te stellen, op de wijze zoals door de vrouw zal worden verzocht.

1.8

Bij beschikking van 19 juni 2018 van de rechtbank is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, de hoofdverblijfplaats van [kind 2] en [kind 3] bij de vrouw bepaald en is bepaald dat de vrouw de man eens per drie weken zal informeren over de kinderen [kind 2] en [kind 3] . Voor het overige is de zaak aangehouden in afwachting van de uitlating van partijen over een te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen.

1.9

Daartoe heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat:

 de man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen en dat het verzoek de rechtbank niet in strijd met de belangen van de kinderen voorkomt;

 de vrouw heeft ingestemd met het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen, en het belang van de kinderen zich niet tegen dit verzoek verzet;

 het verzoek van de vrouw om een kinderalimentatie voor [kind 3] en [kind 2] van € 1.593,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen voor of uiterlijk op de eerste van iedere maand, met de bepaling dat deze bijdragen aan indexering onderhevig zijn voor het eerst per 1 januari 2018, wordt aangehouden. De rechtbank heeft daarbij de kosten van [kind 2] en [kind 3] bepaald op € 1.605,- per kind per maand. Verder heeft de rechtbank het voorshands nodig geacht om een deskundigenbericht in te winnen over – in de kern – het inkomen van de man en heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Daarnaast heeft de rechtbank al een aantal vragen geformuleerd die zij in ieder geval aan de deskundige zal voorleggen;

 het verzoek van de vrouw om een partneralimentatie van € 8.972,50 per maand, wordt aangehouden. De rechtbank heeft de totale netto behoefte van de vrouw becijferd op € 91.018,- per jaar. Omdat de rechtbank de draagkracht van de man nog niet kan vaststellen, heeft de rechtbank ervoor gekozen om thans ook nog niet het inkomen dat de vrouw zelf kan genereren te bespreken, nu het advies van de deskundige pas over enige tijd wordt verwacht en zich in de tussentijd allerlei inkomensontwikkelingen bij de vrouw zouden kunnen voordoen die de rechtbank bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man wil meenemen;

 het beroep van de vrouw op de vernietiging van de aktes van wijziging huwelijkse voorwaarden van 3 maart 2009 en 13 juni 2016 slaagt, dat de beschikking waarin een beroep op een vernietigingsgrond wordt aanvaard een constitutief karakter heeft en het daarom niet nodig is om in het dictum de vernietiging uit te spreken en dat het verzoek van de vrouw om bij een aanvullend verzoek een voorstel te doen tot afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden volgens de akte van 7 mei 1997 wordt toegewezen.

1.10

De man is op 17 september 2018 in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Hij heeft het hof verzocht te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij hem hebben, (voorwaardelijk) dat de vrouw hem eenmaal per twee weken informeert over de kinderen met minstens 100 woorden per kind onder verbeurte van een dwangsom indien de vrouw daarmee in gebreke blijft, te bepalen dat de behoefte van de kinderen € 597,- per kind per maand is en de behoefte van de vrouw € 3.000,- netto per maand.

1.11

De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde beroep, althans zijn grieven als ongegrond en onbewezen af te wijzen en bij wege van vermeerdering van de verzoeken in eerste aanleg en voor het geval de wijzigingsakten huwelijksvoorwaarden in stand blijven, te verklaren voor recht dat de man zich onrechtmatig jegens de vrouw heeft gedragen en gehouden is de door de vrouw geleden en te lijden schade (nader op te maken bij staat) aan haar te vergoeden.

1.12

De man heeft zich daartegen – kort gezegd – verzet.

1.13

Het hof heeft onder 2.2 van de bestreden beschikking overwogen dat het hoger beroep betreft de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen, de kinder- en partneralimentatie (deze onderwerpen zijn bij het hof geadministreerd onder zaaknummer 200.247.637/01) en de huwelijkse voorwaarden (welk onderwerp is geadministreerd onder zaaknummer 200.248.115/01).

1.14

Nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019, waarbij partijen in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten en namens de raad voor de kinderbescherming Utrecht is verschenen [betrokkene 1] , heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 december 2019 de bestreden beschikking gegeven.

Bij die beschikking heeft het hof, beschikkende in (het principaal en in het incidenteel) hoger beroep:

in zaaknummer 200.247.637/01:

- de beschikking van de rechtbank van 19 juni 2018 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd;

- de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

in zaaknummer 200.248.115/01;

- de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 3 februari 2019;

- iedere verdere beslissing aangehouden.

1.15

Bij verzoekschrift is namens de man – tijdig1 – beroep in cassatie ingesteld tegen de bestreden beschikking. Namens de vrouw is een verweerschrift ingediend.

2 Ontvankelijkheid

2.1

Ik zal ambtshalve de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de man bespreken.

2.2

Bij de beschikking van de rechtbank van 19 juni 2018 is een beslissing gegeven over de echtscheiding, het hoofdverblijf van [kind 2] en [kind 3] en de informatieregeling. Daarnaast zijn de beslissingen voor het overige (over de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden) aangehouden.

2.3

Voor de beoordeling van het karakter van de uitspraak is doorslaggevend of door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde/verzochte (dat wil zeggen: de rechtsvordering/het verzoek die/dat inzet is van het geding) een einde aan het geding is gemaakt.2 De beslissingen van de rechtbank over de bepaling van het hoofdverblijf en de informatieregeling hebben voor wat betreft die verzoeken een definitief einde gemaakt aan het geding. De beschikking is voor dat gedeelte een eindbeschikking. Voor wat betreft de kinderalimentatie en partneralimentatie heeft de rechtbank bij beschikking van 19 juni 2018 geen einde van het geding gemaakt. Voor dat deel is sprake van een tussenbeschikking. De beschikking van 19 juni 2018 is dan ook aan te merken als een deelbeschikking.

2.4

Een hoger beroep van een tussenbeschikkingsgedeelte van een deelbeschikking is ontvankelijk als tevens grieven worden gericht tegen het einddeel (de in het dictum uitgesproken toe- of afwijzing van het gedeelte van het verzochte) of als daarvoor rechterlijk verlof is gegeven. Aangezien de man hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindbeschikkingsgedeelte van de beschikking van de rechtbank - de beslissingen over de hoofdverblijfplaats en (voorwaardelijk) de informatieregeling - heeft het hof (terecht) overwogen dat de man ook in hoger beroep kon komen van de overwegingen van de rechtbank die niet in het dictum staan vermeld, waarbij ik ervan uitga dat daarmee wordt gedoeld op de bindende eindbeslissingen die (nog) niet tot een einduitspraak in het dictum hebben geleid (het tussenuitspraakgedeelte van de deelbeschikking, zoals in dit geval voor zover in cassatie van belang de vaststelling van de behoefte van [kind 2] en [kind 3] aan kinderalimentatie en de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie). Een deelbeschikking doorbreekt immers het wettelijke appelverbod in die zin dat hoger beroep mogelijk is van de gehele beschikking zowel van het eindbeschikkingsgedeelte als van het tussenbeschikkingsgedeelte. Om ontvankelijk te zijn in het beroep tegen het tussenbeschikkingsgedeelte moet appellant echter wel grieven richten tegen zowel het eindbeschikkingsgedeelte als het tussenbeschikkingsgedeelte.3

2.5

Het hof heeft vervolgens bij de bestreden beschikking de beschikking van de rechtbank van 19 juni 2018 bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. De behandeling van de zaak is voor wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden pro forma aangehouden.

2.6

Nu het hof in zijn beschikking op het hoger beroep dat zowel was gericht tegen het eindbeschikkinggedeelte als tegen het tussenbeschikkinggedeelte, de beschikking van de rechtbank heeft bekrachtigd, is de beschikking van het hof zelf ook ‘tweeslachtig’ in die zin dat zij ten dele een eindbeschikking is en ten dele een tussenbeschikking. De beschikking van het hof is dan ook een deelbeschikking.4

2.7

De man is van die bestreden beschikking in cassatie gekomen en richt zijn cassatieklachten enkel op de overwegingen van het hof die betrekking hebben op de behoefte van [kind 2] en [kind 3] aan kinderalimentatie en de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie, ofwel die verzoeken ten aanzien waarvan de beschikking van het hof niet als eindbeschikking heeft te gelden, maar als tussenbeschikking.

2.8

Ingevolge art. 426 lid 4 Rv in samenhang met art. 401a lid 2 Rv kan cassatieberoep tegen een tussenbeschikking slechts worden ingesteld tegelijk met een beroep tegen de eindbeschikking (tenzij de rechter die de beschikking heeft gegeven anders heeft bepaald). Uit de gedingstukken blijkt niet dat het hof anders heeft bepaald.

2.9

Aangezien het cassatieberoep van de man zich niet mede keert tegen de bekrachtiging door het hof van de beslissingen over de hoofdverblijfplaats en de informatieregeling – het eindbeschikkingsgedeelte - maar de cassatieklachten uitsluitend zijn gericht tegen het tussenbeschikkingsgedeelte betreffende de verzoeken van de vrouw om kinder- en partneralimentatie, is de man in mijn ogen niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.5

3 Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het cassatieberoepschrift is op 17 maart 2020 bij de griffie van de HR ingekomen.

2 Zie o.m. HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2578, NJ 2016/476, JOR 2017/60 m.nt. C.D.J. Bulten en HR 9 september 2011, NJ 2011/408, Asser Procesrecht hoger beroep/ Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4, 2018/34-36.

3 HR 7 december 1990, NJ 1992/85. Ik verwijs ook naar de Concl. van plv. P-G Langemeijer van 20 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1374 onder 2.3-2.6 voor HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:306.

4 HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0173 en HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2306, NJ 2011/408. Vgl. ook Concl. A-G Van Peursem van 15 mei 2020 onder 2.2 – 2.5 voor HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1632.

5 Vgl. o.m. HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3168, NJ 2006/229 m.nt. H.J. Snijders (gemeente Beek/Commercial Realty Associates), HR 9 september 2011, LJN BQ2306, ECLI:NL:HR:2011:BQ2306, NJ 2011/408 en HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0173. Zie ook: B.T.M. van der Wiel en N.T. Dempsey, Cassatie (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 20), 2019/146 en https://cassatieblog.nl/proces-en-beslagrecht/opfriscursus-tussentijds-beroep-of-toch-een-verdere-verfijning/, S.M. Kingma, ‘Tussentijds beroep tegen tussenuitspraken en deeluitspraken’, TCR 2010, nr. 1, p. 1–12, Asser Procesrecht Cassatie in burgerlijke zaken/Korthals Altes & Groen 7 2015/253. Winters, T&C Rv, commentaar op art. 401a Rv, bijgewerkt t/m 01-01-2020.