Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1100

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-11-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
20/02858
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:2101, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verstekverlening. Art. 45 en 121 Rv. Betekening exploot door deurwaarder, zonder vermelding in het exploot van de woonplaats van verweerster omdat zij 'geheim adres' heeft (art. 2.59 Wet basisregistratie personen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2021/47 met annotatie van Mengelberg, R.J.G.
JBPr 2021/24 met annotatie van Gardingen, L.V. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02858

Zitting 6 november 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE OP VERSTEK

B.F. Assink

In de zaak

[eiser] ,

eiser tot cassatie

tegen

[verweerster] ,

verweerster in cassatie

1 Feiten en procesverloop in cassatie

1.1

Met een op 16 september 2020 bij de Hoge Raad ingediende procesinleiding heeft eiser beroep in cassatie ingesteld tegen het tussen partijen gewezen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juni 2020.1

1.2

Bij deurwaardersexploot van 17 september 2020 zijn het oproepingsbericht en (als bijlage daarbij) de procesinleiding betekend, waarbij exploot is uitgebracht aan de woonplaats van verweerster in de gemeente [woonplaats 1] , blijkens de tekst van het exploot op de voet van art. 47 Rv.2 Opgeroepen is tegen uiterlijk 23 oktober 2020. Het exploot is op 22 september 2020 door eiser ingediend.

1.3

Over die woonplaats van verweerster in de gemeente [woonplaats 1] vermeldt het exploot het volgende:

AAN:

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1963, blijkens verificatie in de Basisregistratie Personen (BRP) wonende in de gemeente [woonplaats 1] op een adres waarvan de gedaagde voornoemd aan die gemeente heeft verzocht om dit adres geheim te houden voor derden, om welke reden ik dat geheime adres hier niet vermeld, aan dat adres mijn exploot doende en een afschrift hiervan en van na te melden stuk(ken) latende aan:

(…)”

De procesinleiding vermeldt wel een woonplaats van verweerster in de gemeente [woonplaats 1] .

1.4

Het exploot vermeldt ook dat de deurwaarder het oproepingsbericht en (als bijlage daarbij) de procesinleiding, naar de verdere inhoud waarvan het exploot uitdrukkelijk verwijst, aan verweerster betekent op verzoek van eiser, wonende te [woonplaats 2] en voor deze zaak woonplaats kiezend ten kantore van zijn advocaat bij de Hoge Raad.

1.5

Voor verweerster heeft zich op of voor 23 oktober 2020 geen advocaat gesteld. Eiser heeft om verlening van verstek tegen verweerster verzocht. Tot op de dag van deze conclusie heeft zich voor verweerster geen advocaat gesteld.

2 Verstekbeoordeling

Inleiding

2.1

In deze zaak is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de regelgeving inzake digitaal procederen in vorderingszaken in cassatie.3

2.2

Ingevolge art. 139 Rv dient, indien het oproepingsbericht is betekend, de verweerder niet in de procedure verschijnt en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, tegen de verweerder verstek te worden verleend.

2.3

De art. 45-66 Rv geven regels over de betekening van exploten. Uit art. 45 lid 1 Rv volgt dat deze regels gelden voor alle exploten. In deze zaak gaat het, kort gezegd, om de betekening van een exploot waarbij het oproepingsbericht en de procesinleiding aan verweerster (natuurlijk persoon) worden betekend (art. 418a jo. 112 lid 1 Rv-KEI).

2.4

Het belangrijkste doel van de betekeningsvoorschriften is te waarborgen dat een exploot degene voor wie het exploot bestemd is, oftewel de geëxploteerde, daadwerkelijk bereikt. Een ander doel is dat bereikt wordt dat ook de eiser wiens wederpartij onvindbaar is of weigert het exploot in ontvangst te nemen, toegang tot de rechter houdt. Bovendien moeten de betekeningsvoorschriften praktisch hanteerbaar zijn. Gelet hierop, kunnen deze voorschriften worden gezien als een compromis van deze verschillende doelen. Daarbij zij aangetekend dat deze voorschriften, die van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast, geen zekerheid bieden dat het exploot de geëxploteerde daadwerkelijk bereikt.4

2.5

In art. 45 lid 3, aanhef en onder d, Rv is, voor zover in deze zaak van belang, bepaald dat een exploot de naam en de woonplaats vermeldt van de geëxploteerde. Ingevolge de art. 46 en 47 Rv wordt een exploot uitgebracht aan de woonplaats van de geëxploteerde. Volgens art. 1:10 lid 1 BW bevindt de woonplaats van een natuurlijke persoon zich te zijner woonstede, dat wil zeggen daar waar hij daadwerkelijk woont, en bij gebreke van een woonstede, ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

2.6

De vragen die in deze zaak naar de kern genomen voorliggen, luiden:

1) of een exploot aan de eisen van art. 45 lid 3 Rv kan voldoen ondanks het ontbreken van de vermelding daarin van adresgegevens van de geëxploteerde als deze persoon zijn of haar gegevens in de basisregistratie personen (hierna: de BRP) heeft laten voorzien van een geheimhoudingsindicatie (hierna: een geheim adres); en, zo ja:

2) of in dit geval aan de eisen van art. 45 lid 3 Rv is voldaan ondanks het ontbreken van de vermelding in het uitgebrachte exploot van de adresgegevens van verweerster (naast de vermelding dat zij blijkens verificatie in de BRP wonende is in de gemeente [woonplaats 1] ) omdat blijkens verificatie in de BRP sprake is van een geheim adres.

Bij bevestigende beantwoording van 1) en 2) kan het verzochte verstek worden verleend.

Vraag 1)

2.7

Over vraag 1) heeft mijn ambtgenoot A-G De Bock zich vorig jaar uitvoerig uitgelaten in onderdeel 6 van haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:484) voor het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1052, NJ 2020/367). De prejudiciële vragen in die zaak hingen samen met dit onderwerp, maar gingen daarover niet. Om die reden is de Hoge Raad daarop toen niet ingegaan (zie rov. 2.1 van het genoemde arrest). Deze zaak biedt de Hoge Raad gelegenheid alsnog een uitspraak te doen over dit - voor de praktijk betekenisvolle - onderwerp.

2.8

Ter vermijding van onnodige herhaling bouw ik hierna voort op deze uitvoerige beschouwingen van A-G De Bock die onverminderd relevant zijn, onder verwijzing in het bijzonder5 naar haar uiteenzettingen over: (i) de verstrekking van BRP-gegevens met geheimhoudingsindicatie (geheime adressen);6 (ii) het gebruik van geheime adressen door gerechtsdeurwaarders;7 (iii) het geheime adres in de tuchtrechtspraak voor gerechtsdeurwaarders;8 en (iv) het geheime adres in de feitenrechtspraak.9

2.9

In het licht van die uiteenzettingen, komt A-G De Bock tot het volgende antwoord op vraag 1):10

“6.26 Eerder is besproken dat gebreken in de dagvaarding alleen tot nietigheid leiden, indien aannemelijk is dat de dagvaarding betrokkene als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt of indien een verschenen gedaagde door het gebrek onredelijk is benadeeld (zie onder 3.8). De nietigheidsregeling voor exploten in het algemeen berust op hetzelfde beginsel: het komt erop aan of degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd (zie onder 3.9). Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat in een (dagvaardings)exploot - in strijd met art. 45 lid 3 sub b respectievelijk sub d Rv - de adresgegevens van de verzoeker (eiser) of de geëxploteerde (gedaagde) niet zijn opgenomen, niet zonder meer tot nietigheid leidt, maar alleen indien de geëxploteerde daardoor onredelijk is benadeeld in het belang dat door het woonplaatsvereiste wordt beschermd.

6.27

Het woonplaatsvereiste van art. 45 lid 3 Rv dient ter identificatie van de in het exploot genoemde personen (zie onder 3.10). In het algemeen zie ik geen grond om aan te nemen dat het achterwege laten van adresgegevens in een exploot leidt tot identificatieproblemen aan de zijde van de geëxploteerde (gedaagde). Normaliter zal op basis van de inhoud van het exploot (de namen van de betrokkenen en bijvoorbeeld de omschrijving van het geschil in een dagvaarding) voldoende duidelijk zijn welke personen daarin zijn bedoeld, ook zonder dat hun volledige adresgegevens zijn opgenomen. Ik merk hierbij op dat van de verzoeker (eiser) niet alleen diens achternaam, maar ook diens voornamen in het exploot moeten worden opgenomen (art. 45 lid 3 sub b Rv). In beginsel is er dus geen grond om uit het enkele ontbreken van adresgegevens in exploten af te leiden dat de geëxploteerde daardoor onredelijk is benadeeld in het ‘identificatiebelang’ dat door het woonplaatsvereiste wordt beschermd. In de besproken feitenrechtspraak heb ik daarvan ook geen voorbeelden aangetroffen.

6.28

Denkbaar is dat in een concreet geval toch verwarring dreigt over de identiteit van de in het exploot genoemde personen, met name de eiser (vgl. de onder 3.14 genoemde oudere literatuur). Indien daarvoor aanwijzingen zijn, kan de rechter een herstelexploot bevelen op de voet van art. 66 lid 2 respectievelijk 121 lid 2 Rv.

6.29

Voor het nietig verklaren van een dagvaarding op de voet van art. 121 lid 3 Rv, wegens het ontbreken van adresgegevens van eiser of gedaagde, zie ik geen grond. Het is immers niet aannemelijk dat een dagvaarding de gedaagde als gevolg van het ontbreken van die adresgegevens niet bereikt. Als de deurwaarder in het exploot heeft gerelateerd dat betekend is aan het in de basisregistratie opgenomen adres van de gedaagde, waarvan de gedaagde op de voet van art. 2.59 Wet BRP heeft verzocht dit niet te verstrekken aan derden, moet de rechter in beginsel uitgaan van de juistheid daarvan. De dagvaarding is immers een authentieke akte, die dwingend bewijs oplevert van hetgeen de deurwaarder daarin binnen de kring van zijn bevoegdheid heeft verklaard.11 Behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, lijkt het mij dan ook niet aannemelijk dat de dagvaarding betrokkene niet heeft bereikt als gevolg van het niet opnemen van de adresgegevens in de dagvaarding.

6.30

Als gedaagde (in de hier bedoelde uitzonderingssituatie) in de procedure is verschenen of na veroordeling bij verstek verzet instelt, is op grond van art. 122 lid 1 Rv een eventuele nietigheid in beginsel ‘gedekt’, tenzij het gebrek de gedaagde onredelijk in zijn (verdedigings)belangen heeft geschaad. Daarvoor zie ik geen grond: voor zover na verschijning nog identificatieproblemen resteren, kunnen die in het geding worden opgehelderd. Van een (dreigende) aantasting in enig verdedigingsbelang als gevolg van het ontbreken van de adresgegevens in de dagvaarding is dan geen sprake (meer).

6.31

Ik meen dan ook dat een exploot aan de eisen van art. 45 lid 3 Rv kan voldoen, ondanks het ontbreken van de vermelding daarin van de adresgegevens van de verzoeker (eiser) of de geëxploteerde (gedaagde). Dit sluit aan bij de opvattingen in de tuchtrechtspraak en literatuur, zoals deze golden tot aan de uitspraak van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het hof Amsterdam van 1 augustus 2017 (zie onder 6.11). De door de Commissie cassatie in het belang der wet in haar advies van 27 augustus 2018 opgeworpen vraag (zie onder 6.14) is hiermee beantwoord.

6.32

Voor de volledigheid merk ik nog op dat - zoals de Commissie ook opmerkt in haar advies - in dagvaardingen in beginsel wel de gemeente zal moeten worden vermeld waarin de gedaagde woonachtig is, zulks met het oog op de beoordeling van de relatieve bevoegdheid van de rechter.12 Onder omstandigheden kan ook de enkele vermelding van de woongemeente (zonder de specifieke adresgegevens) al inbreuk maken op de privacy of veiligheid van een betrokken verzoeker of geëxploteerde. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer betrokkene in een kleine gemeente in een blijf-van-mijn-lijfhuis woont. In dat geval zal de deurwaarder moeten relateren dat ook de woongemeente geheim moet blijven vanwege de privacy of veiligheid van betrokkene. Dat kan zo nodig in het exploot nader worden toegelicht. Uiteraard zal wel voldaan moeten zijn aan de voorwaarde dat er geen onduidelijkheid mag bestaan over de identiteit van betrokkene (vgl. onder 6.27 e.v.).”

2.10

Naar aanleiding hiervan schrijft annotator Jongbloed (instemmend) onder meer het volgende:13

“Naar mijn mening levert de in het exploot gerelateerde vermelding door de deurwaarder dat het exploot is betekend op het in de BRP vermelde (in het exploot afgeschermde) adres, dwingend bewijs op van de betekening aan dat BRP-adres. Van de rechtsgeldigheid van de betekening zal moeten worden uitgegaan. Dat is pas anders als er aanwijzingen zijn dat betrokkene daar niet (meer) woonachtig is; bijvoorbeeld omdat het pand leegstaat of is afgebroken. De vraag of het dagvaardingsexploot naar zijn inhoud rechtsgeldig is, is daarmee echter nog niet beantwoord. Ik beantwoord die vraag bevestigend. Uit het systeem van de wet volgt dat gebreken in de dagvaarding alleen tot nietigheid leiden indien aannemelijk is dat de dagvaarding betrokkene als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt of indien een verschenen gedaagde door het gebrek onredelijk is benadeeld. Gaan we ervan uit dat het exploot betrokkene bereikt heeft (en als gedaagde in rechte verschijnt zal conform art. 122 lid 1 Rv een eventuele nietigheid in beginsel gedekt zijn), dan is er alleen plaats voor nietigheid indien betrokkene onredelijk is benadeeld doordat in afwijking van artikel 45 lid 3 sub b c.q. d Rv de adresgegevens van eiser c.q. gedaagde niet zijn opgenomen. Ik kan me dat moeilijk voorstellen: zouden er eventueel identificatieproblemen bestaan dan kunnen die in het vervolg van de procedure worden opgehelderd.”14

2.11

Ik wijs ook op annotator Van Mierlo, die (eveneens instemmend) het volgende noteert:15

“Van een briefadres moet worden onderscheiden het zogeheten ‘geheim adres’. Dit is het woonadres waarop de ingezetene in de BRP staat ingeschreven, met een op diens verzoek op zijn persoonslijst (als gedefinieerd in art. 1, aanhef en onder c, Wet BRP) door het college van B&W vermelde ‘aantekening omtrent beperking van de verstrekking van gegevens aan derden’. Dit laatste wordt wel de geheimhoudingsindicatie genoemd (art. 2.59 Wet BRP). Als iemand een geheim adres heeft, is hiermee niet gezegd dat dit adres ook te allen tijde geheim blijft. De geheimhoudingsindicatie heeft namelijk geen gevolgen voor gegevensverstrekking aan bijvoorbeeld een deurwaarder. Betekening van het exploot vindt dan ook plaats op het geheime adres overeenkomstig art. 46 Rv dan wel art. 47 Rv.

Ieder exploot vermeldt de woonplaats van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt (art. 45 lid 3, aanhef en onder b, Rv) c.q. de geëxploteerde (art. 45 lid 3, aanhef en onder d, Rv). Dit dient ter identificatie van verzoeker resp. geëxploteerde. Vraag is of de deurwaarder ook de woonplaats moet vermelden in geval sprake is van een woonadres met een geheimhoudingsindicatie. Vaststaat dat in een dergelijk geval de vermelding van het volledige woonadres niet laakbaar is. Zie KvG 9 februari 2018, ECLI:NL:TGDKG:2018:9. Ik zou menen dat in civielrechtelijke zin de deurwaarder kan volstaan met de vermelding dat sprake is van een geheim adres en het exploot aan dat adres is gelaten, zonder het woonadres verder te vermelden. Dit is slechts anders, indien hiermee verwarring zou ontstaan over de identiteit van in het bijzonder degene op wiens verzoek het exploot is betekend. Dit zal naar verwachting niet snel aan de orde zijn, gelet op de andere in het exploot te vermelden gegevens, zoals de naam en voornamen (art. 45 lid 3, aanhef en onder b, Rv). Over deze materie is geen prejudiciële vraag gesteld. Dat verklaart waarom de Hoge Raad zich in de onderhavige beslissing hierover niet heeft uitgelaten, hoewel hierom door A-G De Bock in haar conclusie, met een fraaie uiteenzetting van de problematiek (nr. 6.15 e.v.), wel was verzocht.”16

2.12

Ik onderschrijf de door A-G De Bock voorgestane beantwoording van vraag 1), welke benadering m.i. blijk geeft van een redelijke, op de praktijk gerichte uitleg en toepassing van art. 45 lid 3 Rv conform de strekking daarvan, zoals die nadien verschenen commentaren in de literatuur ook bevestigen.

Vraag 2)

2.13

Dat brengt mij bij vraag 2), die ik ook bevestigend beantwoord. Daarbij betrek ik, naast 2.7-2.12 hiervoor inzake vraag 1), de onder 1.1-1.5 hiervoor weergegeven feiten en dat niet, althans niet zonder méér, valt in te zien waarom verweerster onredelijk benadeeld zou zijn doordat in afwijking van art. 45 lid 3, aanhef en onder d, Rv het uitgebrachte exploot haar adresgegevens niet vermeldt (naast de vermelding dat zij blijkens verificatie in de BRP wonende is in de gemeente [woonplaats 1] ) omdat blijkens verificatie in de BRP sprake is van een geheim adres.

Slotsom

2.14

De slotsom luidt dan ook dat bij deze stand van zaken, en gegeven het niet verschenen zijn in de procedure van verweerster, het door eiser verzochte verstek kan worden verleend.

3 De conclusie

De conclusie strekt tot verstekverlening.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 16 juni 2020, zaaknummer 200.248.947/01, ECLI:NL:GHARL:2020:4577. Uit dit arrest blijkt onder meer dat eiser en verweerster in maart 2017 met elkaar in contact zijn gekomen (rov. 2.3).

2 Ik doel in het bijzonder op de standaardtekst die met een stempel op het exploot is aangebracht (“voormeld adres, in gesloten envelop, met daarop de wettelijk voorgeschreven vermeldingen, omdat ik aldaar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten”).

3 Besluit van 25 januari 2017, Stb. 2017, 16.

4 Zie voor een en ander A-G De Bock in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:442) voor HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1088, NJ 2020/368, onder 2.3-2.7 met verwijzingen.

5 Een ‘geheim briefadres’ is in deze zaak niet aan de orde. Zie daarover evenwel ECLI:NL:PHR:2019:484, onder 6.4.

6 ECLI:NL:PHR:2019:484, onder 6.1-6.3.

7 ECLI:NL:PHR:2019:484, onder 6.5-6.10.

8 ECLI:NL:PHR:2019:484, onder 6.11-6.15.

9 ECLI:NL:PHR:2019:484, onder 6.16-6.25.

10 ECLI:NL:PHR:2019:484, onder 6.26-6.32. Zie ook onder 9.6.

11 Noot 217 in het origineel luidt: “Zie toegespitst op het geheim adres bijv. F.A.Th. Vrauwdeunt, ‘Omgaan met geheime adressen’, Executief 2008-1, p. 6-7; J.J.L. Boudewijn, ‘Lang leve de dagvaarding’, TvPP 2009 (afl. 6), p. 176-177; A.W. Jongbloed, JBPR 2010/50, par. 3 e.v.; W.H.B. den Hartog Jager, Procederen met of zonder procesvertegenwoordiger (Serie Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 6), Deventer 2012, nr. 66; en P.G. Vestering en W.J.J. Wetzels, SDU Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, art. 45 en 111 Rv (2017), aant. C.1. Zie ook hierboven onder 3.3.”

12 Noot 218 in het origineel luidt: “Praktisch gesproken is voldoende dat een gemeente is genoemd; onjuistheid van de in het exploot genoemde gegevens leidt immers niet tot nietigheid van het exploot; zie onder 3.7.”

13 A.W. Jongbloed onder HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052, Ars Aequi 2019, p. 790.

14 Zie meer in het algemeen o.a. A. Knigge & M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (actueel t/m 14 januari 2020), art. 45 Rv, aant. 23 over “Woonplaats (lid 3 sub b en d)”: “Ontbreekt de vermelding van de woonplaats maar bestaat er desondanks geen verwarring over de identiteit van de betrokken partij, dan zal van een onredelijke benadeling veelal geen sprake zijn en zal de nietigheid van het exploot niet worden uitgesproken (art. 66 en 121 Rv).”

15 A.I.M. van Mierlo in nr. 9 onder HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1088, NJ 2020/368, tevens onder 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052, NJ 2020/367.

16 Zie ook A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (actueel t/m 1 januari 2020), art. 45 Rv, aant. 4 onder e en onder h, aanhef en sub (iii)-(iv), waaronder: “Het exploot vermeldt - wederom - ter identificatie de naam en de woonplaats van de geëxploteerde. In dit verband geldt mutatis mutandis hetgeen hiervoor onder d, e en f is opgemerkt, met dien verstande dat: (…) in het exploot in beginsel de volledige adresgegevens van de geëxploteerde moeten worden vermeld en niet kan worden volstaan met het vermelden van alleen de woongemeente, en, hoewel Hoge Raad zich hierover tot dusverre - januari 2020 - niet heeft uitgelaten; (…) het niet-vermelden in het exploot van een geheimadres van geëxploteerde geen consequenties heeft als de deurwaarder in het exploot heeft gerelateerd dat het exploot is betekend aan het in de basisregistratie opgenomen adres van de geëxploteerde, waarvan laatstgenoemde op de voet van art. 2.59 Wet BRP heeft verzocht dit niet te verstrekken aan derden. In geval van een exploot van dagvaarding zal de deurwaarder dan tevens, met het oog op de bepaling van de relatieve bevoegdheid (art. 99 e.v.), moeten verklaren dat het geheime adres ligt in het arrondissement van de in de dagvaarding genoemde rechtbank (in geval van hoger beroep geldt m.m. hetzelfde).” Zie verder de ‘wenk’ van M.R.C. van Zoest in RBP 2019/74, die de conclusie van A-G De Bock bespreekt maar niet becommentarieert.