Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1093

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-09-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/03687
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1800
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Diefstal d.m.v. braak, art. 311.1.5 Sr. 1. Vordering b.p. Kan vordering b.p. in h.b. worden toegewezen tot hoger bedrag dan in h.b. is gevorderd? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. Hof heeft aan b.p. bedrag aan schadevergoeding toegewezen van € 4.000 (€ 3.800 voor materiële schade en € 200 voor immateriële schade) en heeft vordering b.p. tot schadevergoeding voor het overige afgewezen. Gelet op mededelingen van b.p. ttz. in h.b. moet het er echter voor worden gehouden dat b.p. afstand heeft gedaan van haar vordering op verdachte v.zv. deze vordering bedrag dat in e.a. is toegewezen oversteeg. Daarmee resteerde in h.b. als vordering b.p. alleen in e.a. toegewezen bedrag van € 3.758. Hof heeft € 242 meer toegewezen dan voor toewijzing vatbaar was. Daarnaast heeft hof schadevergoedingsmaatregel opgelegd met betalingsverplichting van € 4.000. Nu uit voorgaande blijkt dat middel terecht klaagt over materiële grond waarop hof verschuldigdheid van dit in schadevergoedingsmaatregel begrepen schadebedrag heeft aangenomen v.zv. het resterende vordering b.p. overschreed, had hof dit bedrag eveneens moeten beperken tot € 3.758 (vgl. ECL:NL:HR:2019:901). HR vermindert bedrag waarvoor vordering b.p. is toegewezen en bedrag van schadevergoedingsmaatregel.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03687

Zitting 22 september 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 26 juli 2019 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het gerechtshof de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen tot een hoger bedrag ‘dan waarvoor het bedrag in hoger beroep was ingediend/beperkt’.

  4. Uit de stukken van het geding kan het volgende worden afgeleid. De benadeelde partij heeft zich op grond van art. 51g, eerste lid, Sv door middel van een voegingsformulier voor de aanvang van de terechtzitting in eerste aanleg gevoegd. Dit ‘Verzoek tot schadevergoeding’, inclusief de daarbij behorende bijlage, houdt in dat de benadeelde partij schadevergoeding vordert tot een bedrag van € 8.568,00. Deze vordering bestond uit een bedrag van € 4.468,00 aan materiële schade en een bedrag van € 4.100,00 aan immateriële schade.

  5. Onder het kopje ‘Omschrijving materiële schade’ zijn twee posten opgenomen: (1) Wacker DPU 4045H, bedrag € 3500,00 en (2) herstelkosten terras poort, bedrag € 968,00. Bijgevoegd is een bijlage A, behorend bij de eerste post; een factuur met datum 26-mrt-14 waarop staat: Wacker trilplaat DPU4045H: € 3000.00 (inclusief BTW: € 3.630). En bijgevoegd is voorts een bijlage B, kennelijk een e-mailbericht verstuurd door [betrokkene 1], die behoort bij de tweede post. Deze bevat onder meer de getypte tekst: ‘Beste [benadeelde] , De kosten voor het herstel zullen ongeveer gaan uitkomen op 800,00. Voor een exacte prijsopgave zullen we een opname moeten gaan doen en dan kan ik u een offerte toe sturen’. Naast (het bedrag) ‘800,00’ is met de hand geschreven ‘excl. BTW!’.

  6. Onder het kopje ‘Omschrijving immateriële schade’ is de volgende handgeschreven tekst opgenomen: ‘De onmacht en de boosheid veroorzaakt door de diefstal heeft mij en mijn partner talloze slapeloze nachten opgeleverd. Hierdoor is mijn vrouw paranoia geworden met wat betreft alles opsluiten en dubbel controleren. 7 dagen x 2 personen x € 200,- /dag. Tevens ben ik psychisch zo ontdaan door het feit dat de verdachte weigert te vertellen waar mijn machine gelaten is. Hierdoor heb ik reeds meerdere werken af moeten zeggen, inkomensschade nu al ca. € 2700,-.’

  7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 17 maart 2017 blijkt dat de officier van justitie aan de benadeelde partij heeft gevraagd of hij de immateriële schade die hij vordert met stukken kan onderbouwen. De benadeelde partij heeft daarop gezegd dat hij dat niet kan. Uit hetzelfde proces-verbaal blijkt dat de officier van justitie haar standpunt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij in het requisitoir als volgt heeft verwoord:

‘Er is een vordering van de benadeelde partij bestaande uit € 3.500,00 voor de trilplaat, € 968,00 voor herstelkosten van de poort en verder vordert hij immateriële schade en inkomensschade. De inkomensschade is niet onderbouwd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Van de materiële schade zijn wel bewijsstukken overgelegd en deze schade kan worden toegewezen. Dit betreft € 3.000,00 voor de trilplaat en € 800,00 voor de braakschade. Samen is dat € 3.800,00.’

8. De raadsman voert inzake deze vordering het volgende aan:

‘De vordering van de benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Immateriële schade is niet aan de orde en het verlies aan inkomsten dient niet-ontvankelijk te worden verklaard evenals de geschatte schade aan het hek. Deze schadeposten leveren een onevenredige belasting van het strafproces op. Ik heb geen idee waar het bedrag van € 3.500,00 voor de trilplaat op gebaseerd is. Bovendien moet dit bedrag exclusief de btw zijn. Volgens [betrokkene 2] kom je uit op € 2.741,61. Ook moet rekening gehouden worden met de afschrijving. De trilplaat was 26 maanden oud. De daadwerkelijke schade komt dan neer op € 3.000,00 - 26 maanden x 25 euro.’

9. De benadeelde partij heeft zelf vervolgens verklaard:

‘Ik heb geen verzekeringsgeld gekregen. Ik huur het terrein. Ik heb zelf € 758,00 voor het herstel van het hek moeten betalen.’

10. De politierechter in de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij vonnis van 17 maart 2017 de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 3.758,00. Het vonnis houdt ten aanzien van de benadeelde partij het volgende in:

‘De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 8.568,00, waarvan € 4.468,00 aan materiële schade en € 4.100,00 aan immateriële schade.

De politierechter is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 3.758,00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, ter zake van materiële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige acht de politierechter het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de politierechter tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.’

11. De steller van het middel merkt in de cassatieschriftuur op dat de politierechter € 3000,- als schade voor de trilplaat heeft toegewezen en € 758,- voor (het herstel van) het hek en dat de politierechter die beslissing mede heeft gegrond op de verklaring van de benadeelde partij ter zitting van 17 maart 2017. In het licht van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg houd ik die aanname voor juist.

12. Tegen het vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Bij de stukken van het geding bevindt zich een door de benadeelde partij ondertekend en op 20 mei 2019 bij het Slachtofferinformatiepunt/Ressortsparket ‘s-Hertogenbosch ingekomen wensenformulier. De benadeelde partij [benadeelde] heeft op dit formulier onder het kopje ‘Handhaven of wijzigen hoogte schadevergoeding’ een kruisje geplaatst bij de optie ‘Ik wens mijn eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding te handhaven’.

13. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2019 houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

‘De voorzitter houdt kort de inhoud voor van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] . De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.568,00, waarvan € 4.468,00 ter zake materiële schade en € 4.100,00 ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.758,00.

De benadeelde partij licht zijn vordering toe:

Ik kan mij verenigen met het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen en handhaaf mijn vordering tot het bedrag dat door de rechtbank is toegekend. Ik hoef daar niets aan toe te voegen.

(…)

De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt:

(…)

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij ben ik van mening dat het door de politierechter toegewezen bedrag kan worden toegewezen.

De advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 3.758,00.’

14. De raadsman van de verdachte heeft in zijn pleidooi over de vordering van de benadeelde partij het volgende opgemerkt:

‘Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij denk ik dat de politierechter het volledige aanschafbedrag van de trilplaat exclusief BTW heeft toegewezen en dat hij daarbij geen rekening heeft gehouden met de afschrijving. Het is mij niet duidelijk of er een verzekering is die een deel van de schade van [benadeelde] heeft uitbetaald. Daar lijkt het echter wel op. Ik ben van mening dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting voor het strafproces vormt en daarom vraag ik het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.’

15. De benadeelde partij heeft daarop aangegeven dat hij geen recht heeft ‘op uitkering van de verzekering, omdat de trilplaat buiten stond’. De raadsman heeft daarop nog aangegeven het toegewezen bedrag van € 3.758,- niet te kunnen plaatsen.

16. De bestreden uitspraak van het hof houdt onder het kopje ‘Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ’ het volgende in:

‘De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.568,00, waarvan € 4.468,00 ter zake materiële schade en € 4.100,00 ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.758,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 4.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2016. Het hof wijst € 3.000,00 toe voor de trilplaat en € 800,00 voor het herstel van de poort. Bij de berekening van de materiële schade heeft het hof de BTW kosten niet meegenomen, aangezien een bedrijf deze kan verrekenen. Daarnaast wijst het hof € 200,00 aan immateriële schade toe. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het resterende deel van de vordering wijst het hof af.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 4.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.’

17. Daarnaast houdt het dictum van de bestreden uitspraak in:

‘BESLISSING

Het hof:


(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro) bestaande uit € 3.800,00 (drieduizend achthonderd euro) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,00 (vierduizend euro) bestaande uit € 3.800,00 (drieduizend achthonderd euro) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 13 juni 2016.’

18. De steller van het middel wijst er op dat de benadeelde partij op de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2019 heeft opgemerkt dat hij zich kan verenigen met het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen en dat hij zijn vordering handhaaft tot het bedrag dat door de rechtbank is toegekend. Nu de politierechter de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.785,-, tot welk bedrag de benadeelde partij zijn vordering in hoger beroep heeft gehandhaafd, is ’s hofs toewijzing van de vordering tot een hoger bedrag onterecht, onjuist, onbegrijpelijk, althans onvoldoende en/of ondeugdelijk gemotiveerd, aldus de steller van het middel.

19. Uit de wettelijke regeling volgt dat de voeging door de benadeelde partij in eerste aanleg van rechtswege voortduurt in hoger beroep voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen (art. 421, tweede lid, Sv). Voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen (art. 421, derde lid, Sv). Die voeging kan op dezelfde wijze geschieden als in eerste aanleg, dus door de indiening van een formulier voor voeging of door opgave van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep. De benadeelde partij kan voor de ingevolge art. 51g Sv vereiste opgave ‘volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven’. Het hof heeft uit het door de benadeelde partij ingediende wensenformulier kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd ter zake van het niet toegewezen deel van haar vordering.

20. De wettelijke regeling die in het Wetboek van Strafvordering is gecreëerd voorziet niet in de mogelijkheid dat de ingediende vordering tijdens de behandeling ter terechtzitting wordt gewijzigd. Uw Raad heeft in het overzichtsarrest betreffende de benadeelde partij evenwel ook bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering weergegeven onder de ‘Toepasselijke wettelijke bepalingen’.1 Dat niet alleen het materiële burgerlijk recht maar ook (sommige) regels van burgerlijk procesrecht op de behandeling van deze vordering van toepassing zijn, sluit aan bij het karakter van de voeging als alternatief voor de ‘gewone civielrechtelijke procedure’.

21. Art. 129 Rv bevat een eenvoudige regel: ‘Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, kan de eiser te allen tijde zijn eis verminderen.’ Daarbij is geen vorm voorgeschreven. Daarin wijkt de vermindering van eis af van de verandering of vermeerdering van eis, waarop art. 130 Rv ziet. Deze dient te geschieden ‘bij conclusie of akte ter rolle’. De gedachte daarbij was dat de vorm waarin de vermindering moet gebeuren voortvloeit ‘uit de algemene regels met betrekking tot het verrichten van proceshandelingen in zaken met en zonder verplichte procesvertegenwoordiging, dat wil zeggen schriftelijk – bij conclusie of akte – in procureurszaken en mondeling of schriftelijk in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen’.2 Art. 129 Rv-Kei heeft een enigszins afwijkende redactie: ‘Zolang de rechter nog niet heeft medegedeeld binnen welke termijn hij eindvonnis zal wijzen, kan de eiser te allen tijde zijn vordering verminderen’. Deze andere redactie is een uitvloeisel van ‘het streven de voortgang van de procedure te bevorderen’.3 Bij deze stand van zaken past dat de benadeelde partij de vordering (in ieder geval) mondeling kan verminderen bij de gelegenheden waarbij zij van de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting het woord krijgt.

22. In HR 8 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AC0671, NJ 1999/274 was de vraag aan de orde of intrekking van een vordering door (toen nog) de beledigde partij tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep mogelijk was. Uw Raad overwoog dat de in de artikelen 332 tot en met 337 (oud) Sv en 421 (oud) Sv vervatte regeling niet met zoveel woorden voorzag ‘in de mogelijkheid tot intrekking van een door middel van voeging in het strafproces ingediende vordering’. Maar gelet op de strekking van deze regeling, het in staat stellen van het slachtoffer van een strafbaar feit ‘om op eenvoudige en betrekkelijk informele wijze en zonder dat dienaangaande de civiele rechter behoeft te worden geadieerd, het bedrag van de geleden schade (…) door de strafrechter te doen vaststellen en dienaangaande een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen’ bestond er ‘geen goede grond om aan te nemen dat de wetgever die mogelijkheid heeft willen uitsluiten’. En dat gold volgens Uw Raad ook ten aanzien van de voeging in hoger beroep. Er is geen reden om ten aanzien van de huidige regeling van de voeging door de benadeelde partij anders te oordelen.4

23. Het is vervolgens de vraag of de verklaring die de benadeelde partij tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd dient te worden aangemerkt als een vermindering van de vordering. Voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep had de benadeelde partij aangegeven de oorspronkelijke vordering te willen handhaven. De benadeelde partij geeft geen redenen op die tot een wijziging van standpunt hebben geleid. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep komen, voorafgaand aan het moment waarop de benadeelde partij de vordering toelicht, geen feiten en omstandigheden naar voren die een wijziging van standpunt kunnen verklaren. De bewoordingen die de benadeelde partij blijkens het proces-verbaal heeft gebruikt zijn evenwel duidelijk, en in die bewoordingen ligt besloten dat de benadeelde partij de vordering vermindert. Dat de benadeelde partij ter terechtzitting een andere positie inneemt dan uit het wensenformulier kan worden afgeleid, kan ook aan het wensenformulier liggen. Het kruisje voor de zin ‘Ik wens mijn eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding te handhaven’ kan door de benadeelde partij zijn bedoeld als verwoording van de wens het verzoek te handhaven tot het toegewezen bedrag. Op het procesverloop heeft de verklaring van de benadeelde partij vermoedelijk effect gehad. De advocaat-generaal beperkte zich tot de opmerking ‘dat het door de politierechter toegewezen bedrag kan worden toegewezen’. En de raadsman richtte zich ook op de beslissing van de politierechter, niet op de aanvankelijke vordering. Al met al meen ik dat de verklaring die de benadeelde partij heeft afgelegd als een vermindering van de vordering dient te worden opgevat.

24. Het staat het gerechtshof niet vrij meer toe te wijzen dan de benadeelde partij heeft gevorderd. Ter illustratie wijs ik op HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094. In deze zaak had het hof ter zake van de post ‘gederfde inkomsten’ aan de benadeelde partij een bedrag van € 32.800 toegewezen terwijl de benadeelde partij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ter zake van deze post had gevorderd een bedrag van € 28.800. Het cassatiemiddel klaagde naar het oordeel van Uw Raad terecht dat het hof aldus ter zake van deze post € 4.000 meer had toegewezen dan door de benadeelde partij was gevorderd. Uw Raad oordeelde dat het door het hof aan de benadeelde partij toegewezen bedrag moest worden verminderd met € 4.000 en overwoog dat ook het bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer was opgelegd met dit bedrag moest worden verminderd.5

25. Nu de benadeelde partij tijdens het onderzoek ter terechtzitting de vordering heeft verminderd tot het bedrag dat door de rechtbank is toegekend, heeft het hof € 242 meer toegewezen dan door de benadeelde partij is gevorderd. Daarop wijst de steller van het middel terecht. Dat kan zijn vertaling vinden in een correctie van ’s hofs beslissing inzake de vordering van de benadeelde partij.

26. De vraag rijst evenwel of de verdachte bij een dergelijke correctie belang heeft, nu ook een schadevergoedingsmaatregel van € 4000,- is opgelegd. In dat verband zijn de rechtsregels van belang die Uw Raad in HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, NJ 2019/380 m.nt. Vellinga heeft geformuleerd:

‘2.3.1 De Hoge Raad stelt het volgende voorop over de beoordeling van een middel dat klaagt over de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij, terwijl het middel niet expliciet klaagt over de schadevergoedingsmaatregel die voor hetzelfde schadebedrag is opgelegd.

2.3.2 In gevallen waarin een dergelijk middel steunt op de klacht dat de strafrechter als gevolg van processuele beperkingen die aan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij in de strafzaak zijn gesteld, de vordering niet had mogen toewijzen, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een dergelijke klacht geen behandeling in cassatie rechtvaardigt indien met betrekking tot hetzelfde schadebedrag de maatregel tot betaling aan de Staat als bedoeld in art. 36f Sr is opgelegd en deze maatregel in stand blijft. In dergelijke gevallen heeft de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang bij behandeling van deze klacht in cassatie.

Deze regel heeft bijvoorbeeld ertoe geleid dat een cassatieberoep waarin werd geklaagd over de toewijzing aan de benadeelde partij van niet door haar gevorderde wettelijke rente, door de Hoge Raad op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk is verklaard nu het Hof tevens een schadevergoedingsmaatregel had opgelegd voor hetzelfde bedrag als de toegewezen vordering, en daarbij had bepaald dat het bedrag van deze betalingsverplichting werd vermeerderd met de wettelijke rente (zie HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3362). De materiële verschuldigdheid van de wettelijke rente en de verplichting tot betaling daarvan aan de Staat op grond van deze schadevergoedingsmaatregel zouden immers in stand blijven, ook na gegrondbevinding van de klacht over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Een ander voorbeeld is het geval waarin het Hof ten onrechte had geoordeeld dat de benadeelde partij in hoger beroep bevoegd was tot voeging nu de opgave aan de rechter als bedoeld in art. 51g, derde lid, Sv in eerste aanleg was geschied nadat de officier van justitie overeenkomstig art. 311 Sv het woord had gevoerd (zie HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:896). Een vernietiging door de Hoge Raad van de beslissing van het Hof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij zou de daarnaast voor hetzelfde schadebedrag opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat in stand laten, nu de klacht over de bevoegdheid tot voeging de door het Hof vastgestelde materiële verschuldigdheid van het schadebedrag niet aantast. Op grond daarvan oordeelde de Hoge Raad dat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang had bij zijn klacht over de beslissing van het Hof.

2.3.3 Deze rechtspraak heeft echter geen betrekking op gevallen waarin de klacht over de toegewezen vordering van de benadeelde partij ziet op de vraag of, dan wel tot welke omvang de schade kan worden toegewezen en daarmee ook de grond raakt waarop de verschuldigdheid van het in de opgelegde schadevergoedingsmaatregel begrepen schadebedrag is aangenomen. Dan gaat het immers niet om de strafprocesrechtelijke vraag of de benadeelde partij de door haar geleden schade in de strafzaak tegen de verdachte kan vorderen, maar om de onderliggende, aan de hand van het materiële burgerlijk recht te beantwoorden vraag of, dan wel tot welke omvang de verdachte gehouden is tot vergoeding van de schade die zowel onderwerp is van de vordering van de benadeelde partij als van de schadevergoedingsmaatregel. Om die reden zal in dergelijke gevallen gegrondverklaring van een klacht over de materiële verschuldigdheid van de schade ook gevolgen hebben voor de met betrekking tot diezelfde schadepost opgelegde schadevergoedingsmaatregel.’

27. De klacht betreft processuele beperkingen die aan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij zijn gesteld. De steller van het middel klaagt dat het gerechtshof meer heeft gevorderd dan toegewezen, nu de benadeelde partij de omvang van de vordering in hoger beroep heeft verminderd. Bij de toewijzing door het gerechtshof van het meerdere rijst evenwel ook de vraag naar de verschuldigdheid van dat bedrag. In de door het hof toegewezen € 4000 is een bedrag van € 800 voor het herstel van het hek begrepen, terwijl de benadeelde partij op de zitting in eerste aanleg heeft aangegeven dat zijn schade ten aanzien van dat onderdeel € 758 is geweest. En het hof heeft een bedrag van € 200,- aan immateriële schade toegewezen, terwijl de benadeelde partij in eerste aanleg heeft aangegeven de gevorderde immateriële schade niet te kunnen onderbouwen. Uw Raad heeft omtrent immateriële schade in het overzichtsarrest over de benadeelde partij het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):6

b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade
(art. 6:106 BW)

2.4.4 Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:

a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;

b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;

c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

2.4.5 Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.’

28. In HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468 m.nt. Vellinga leidden deze rechtsregels bij een veroordeling wegens (onder meer) ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming’ tot vernietiging van de beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen. ’s Hofs oordeel dat bij de benadeelde partijen telkens sprake was van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ was, zo besliste Uw Raad, ‘onjuist, althans onbegrijpelijk’. Voor zover het hof had geoordeeld ‘dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen, meebrengen dat bij de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in de persoon, had het op de weg van het Hof gelegen dat oordeel (…) te motiveren aan de hand van de door de benadeelde partijen aangedragen gegevens’. En voor zover ‘het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot alle benadeelde partijen kan worden aangenomen zonder enige nadere vaststelling met betrekking tot de gevolgen die de normschending voor ieder van deze benadeelde partijen heeft gehad’ gaf dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans was dat oordeel niet begrijpelijk.7

29. In de onderhavige zaak gaat het om een veroordeling wegens diefstal met braak. De benadeelde partij heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg aangegeven de gevorderde immateriële schade niet te kunnen onderbouwen. Het hof heeft de toewijzing van de vergoeding wegens immateriële schade niet gemotiveerd. Tegen deze achtergrond staat ook de verschuldigdheid van dit deel van het schadebedrag onvoldoende vast.

30. Al met al meen ik dat in het onderhavige, specifieke geval, het slagen van de klacht over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, hoewel deze betrekking heeft op processuele beperkingen die aan de beoordeling van die vordering zijn gesteld, ook gevolgen dient te hebben voor de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Uw Raad kan zelf in deze zin beslissen.8

31. Het middel slaagt.

32. Het tweede middel klaagt dat het gerechtshof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd zonder daarbij de redenen op te geven die in het bijzonder hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

33. Het bestreden arrest houdt inzake de strafoplegging het volgende in:

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een trilplaat. Blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 mei 2016 is verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake soortgelijke delicten. Het hof weegt dit ten nadele van verdachte mee in de strafoplegging. Tevens stelt het hof vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt in onderhavige zaak heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in hoger beroep is geschonden. Namens de verdachte is immers op 30 maart 2017 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 26 juli 2019 - en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep - arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met circa vier maanden overschreden, terwijl dit geheel niet aan de verdachte valt toe te rekenen.

Gelet evenwel op voortvarende behandeling van de zaak in eerste aanleg, ziet het hof geen reden voor compensatie in de vorm van strafvermindering en zal het hof daarom volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden.

Alles overziend is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 6 weken met zich brengt.’

34. Uw Raad legt het in art. 359, zesde lid, eerste volzin, Sv opgenomen en op grond van art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijnde motiveringsvereiste aldus uit ‘dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen’.9

35. Het middel kan niet slagen. De strafmotivering van het hof houdt in dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een trilplaat en dat de verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 mei 2016 meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten. Die omstandigheid wordt door het hof ten nadele van de verdachte meegewogen in de strafoplegging. Voorts heeft het hof vastgesteld dat art. 63 Sr van toepassing is en heeft het hof ten aanzien van de schending van de redelijke termijn in hoger beroep overwogen dat het volstaat met de enkele constatering dat die redelijke termijn in hoger beroep is geschonden.10 Tot slot heeft het hof overwogen dat het alles overziend van oordeel is ‘dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 6 weken met zich brengt’. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegde en die sanctieoplegging verbonden met in de strafmotivering opgegeven redenen.11 Ook heeft het hof daarmee uitdrukkelijk doen blijken dat alleen een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf te dezen passend en geboden is en dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. Het hof heeft aldus in overeenstemming met art. 359, zesde lid, Sv in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hebben bepaald.

36. Het middel faalt.

37. Het derde middel klaagt dat het gerechtshof op het verweer inzake schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn en de gevolgen daarvan een beslissing heeft genomen die zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.

38. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2019 heeft de raadsman van de verdachte in zijn pleidooi onder meer aangevoerd:

‘In het kader van een eventueel strafmaatverweer en de eis van de advocaat-generaal, wil ik opmerken dat de officier van justitie in eerste aanleg een taakstraf van 60 uur eiste en dat de politierechter daar overheen is gegaan door het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Ik zie geen reden om van die eerder gevorderde straf af te wijken. Indien het hof tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit komt, vraag ik het hof rekening te houden met schending van art. 6 EVRM, omdat de behandeling van deze zaak te lang heeft geduurd. Mijn cliënt is op 12 juni 2016 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 17 maart 2017 is mijn cliënt in eerste aanleg veroordeeld. Uw hof zal op 26 juli 2019 arrest wijzen, dat is bijna 2,5 jaar later en dus moet er in de strafmaat rekening worden gehouden met de schending van art. 6 EVRM.’

39. In de bestreden uitspraak heeft het hof ten aanzien van de redelijke termijn overwogen hetgeen hiervoor onder 33 van deze conclusie bij de bespreking van het tweede middel is opgenomen.

40. De steller van het middel richt zich tegen ’s hofs overweging dat gelet op de voortvarende behandeling van de zaak in eerste aanleg, het hof geen reden ziet voor compensatie in de vorm van strafvermindering en het hof daarom zal volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden. Dat schending van de redelijke termijn in een eerdere instantie kan worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling in de daaropvolgende procedure door de volgende instantie valt volgens de steller van het middel te begrijpen. Maar dat een ‘snelle’ behandeling in een eerdere instantie compensatie zou bieden voor een daaropvolgende behandeling door de beroeps- of cassatierechter zou onbegrijpelijk zijn. Dat zou aan de beroeps- of cassatierechter feitelijk een vrijbrief geven om niet binnen een (normaal geldende) redelijke termijn tot een uitspraak te komen, zonder dat dat tot werkelijke consequenties zou leiden. Bovendien lijkt ‘s hofs overweging volgens de steller van het middel te impliceren dat afdoening binnen een normale termijn ex artikel 6 EVRM (in casu in eerste aanleg 9 maanden) als voortvarend wordt gezien, terwijl dat slechts een afdoening is binnen een normale/redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM.

41. Bij de beoordeling van het middel kan worden vooropgesteld dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, ‘in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter’. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.12

42. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft – in een geval als het onderhavige13 – als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Voor de berechting in hoger beroep geldt dat in die procesfase het geding met een einduitspraak behoort te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.14

43. Het hof heeft in de voorliggende zaak vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in hoger beroep met circa vier maanden is overschreden, terwijl dat geheel niet aan de verdachte valt toe te rekenen. Ik begrijp ’s hofs oordeel vervolgens aldus dat het hof mede gelet op de voortvarende behandeling van de zaak in eerste aanleg geen reden ziet voor compensatie in de vorm van strafvermindering en daarom volstaat met de enkele constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden. Dat oordeel acht ik mede tegen de achtergrond van hetgeen in de voorgaande randnummers is vooropgesteld niet onbegrijpelijk.

44. Daarbij merk ik op dat het om een overschrijding met circa vier maanden gaat. In HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1159 had het hof, zo kan uit de conclusie van A-G Spronken worden afgeleid, een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van bijna zeven maanden als dermate beperkt aangemerkt dat zij door de enkele vaststelling dat op art. 6 EVRM inbreuk was gemaakt voldoende was gecompenseerd. Uw Raad overwoog dat dit oordeel niet onbegrijpelijk was en geen nadere motivering behoefde.

45. Ik merk voorts op dat het om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken gaat. Uw Raad past geen vermindering toe indien het gaat om een straf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan een maand in geval van gevangenisstraf of hechtenis. En Uw Raad overweegt dat het de feitenrechter vrijstaat om na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn, te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, en wijst daarbij op de gevallen waarin Uw Raad geen strafkorting toepast.15

46. Tenslotte heeft het hof bij de afweging mogen betrekken dat uit het namens de verdachte gevoerde verweer ook blijkt dat de verdachte op 12 juni 2016 is aangehouden en in verzekering is gesteld en dat hij (ruim negen maanden later) op 17 maart 2017 in eerste aanleg is veroordeeld. Dat brengt mee dat het tijdsverloop in de twee fasen van het geding voorafgaand aan het bestreden arrest de vier jaren (lang) niet overschrijdt.16 Ik neem daarbij in aanmerking dat het EHRM bij de beoordeling van een klacht inzake schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn de totale ‘length of proceedings’ gewoonlijk vooropstelt, en daarvan uitgaand beoordeelt of dit verdragsvereiste is geschonden.17

47. ’s Hofs overweging inzake de voortvarende behandeling in eerste aanleg kan aldus worden begrepen in de context van een bredere afweging van feiten en omstandigheden die bij de beslissing inzake het verbinden van rechtsgevolgen aan schending van de redelijke termijn een rol spelen. Mede gelet daarop meen ik dat de stelling dat ’s hofs benadering de rechter in hoger beroep feitelijk een vrijbrief zou geven om niet binnen een (normaal geldende) redelijke termijn tot een uitspraak te komen, geen hout snijdt.

48. Het middel faalt.

49. Het eerste middel slaagt. Het tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.

50. Ambtshalve wijs ik erop dat bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis van 50 dagen is toegepast. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 en de datum van binnenkomst van de schriftuur kan Uw Raad bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling kan worden toegepast. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

51. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen alsmede het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel en de opgelegde vervangende hechtenis, waarbij Uw Raad:

- het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is toegewezen vermindert in die zin dat dit € 3.758,00 bedraagt;
- het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] in die zin vermindert dat dit € 3.758,00 bedraagt, waarbij de duur van de gijzeling als bedoeld in artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering 47 dagen bedraagt;
- met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga.

2 Zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 109.

3 Volgens Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2017/168. Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 95.

4 Zie F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, 2e druk, Deventer: Kluwer 2010, p. 91 en p. 119-120; J. Candido e.a., Slachtoffer en de rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, 2e druk, Den Haag: Raad voor de Rechtspraak 2017, p. 69 en R.S.B. Kool e.a., Civiel schadeverhaal via het strafproces. Een verkenning van de rechtspraktijk en regelgeving betreffende de voeging benadeelde partij, Utrecht: BJu en Ucall 2016, p. 52, 179-180 (digitale versie).

5 Zie in dit verband ook de conclusie van A-G Hofstee voorafgaand aan HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094, randnummers 28-30.

6 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga.

7 Vgl. ook HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1035.

8 HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094.

9 Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437, rov. 4.3.3.

10 Daarover gaat het derde cassatiemiddel.

11 Vgl. ook HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852; HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2772.

12 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.7.

13 De verdachte verkeerde in verband met de zaak niet in voorlopige hechtenis.

14 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.13.1, 3.14 en 3.16.

15 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 onder C en rov. 3.23.

16 Vgl. HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:117 en HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:138.

17 Vgl. bijvoorbeeld EHRM 20 juni 2019, Chiarello v. Duitsland, nr. 497/17.