Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:109

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
18/01253
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:445
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Concl. plv. AG. Belaging (art. 285b Sr) en bedreiging met misdrijf tegen het leven (art. 285 Sr) door het meerdere malen in de brievenbus van het slachtoffer stoppen van brandbare vloeistoffen en briefjes met o.m. de tekst “ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer”. 1. Bewezenverklaarde bedreiging toereikend gemotiveerd? 2. Heeft hof ten onrechte art. 55 Sr niet toegepast? Zo ja, heeft verdachte voldoende belang bij cassatie nu toewijzing vordering b.p. ziet op schade a.g.v. de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, terwijl bij toepassing van art. 55 Sr uitsluitend de schade ex feit 1 voor toekenning in aanmerking zou komen? 3. Heeft hof mb.t. de vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod a.b.i. art. 38v.4 Sr in aanmerking mogen nemen “dat verdachte na de tlgd. feiten door is gegaan met de belaging van aangeefster” nu hof aldus rekening heeft gehouden met niet tlgd. feiten zonder dat aan de voorwaarden die gelden m.b.t. ad informandum feiten is voldaan? 4. Had hof moeten responderen op 'verweer' dat b.p. "ook zelf een aandeel heeft gehad in het conflict"? 4b. Is de hoogte van de vergoeding wegens immateriële schade toereikend gemotiveerd? Conclusie strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/01253

Zitting 4 februari 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 14 maart 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “belaging” en 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder voorwaarden zoals omschreven in het bestreden arrest, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, of zoeken met het slachtoffer, heeft het hof de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen. Voorts heeft het hof beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals bepaald in het bestreden arrest.

  2. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld. Mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem, heeft namens de benadeelde partij bij verweerschrift schriftelijk commentaar gegeven op het namens de verdachte voorgestelde vierde middel.

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat de onder 2 bewezenverklaarde bedreiging niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en/of dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het bewijsverweer dat de verdachte geen opzet had op het vreeswekkende karakter van de geuite woorden “ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer”. Daardoor is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.

3.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 19 mei 2015 te Arnhem [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij] dreigend de woorden toegevoegd middels een briefje in haar brievenbus met tekst: “ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer”.

3.3.

Deze bewezenverklaring berust op de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen, naar de inhoud waarvan ik verwijs. Gelet op het middel geef ik wel de inhoud weer van het volgende in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddel:

12. De verklaring van verdachte [verdachte], afgelegd ter zitting bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 25 januari 2017, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik de briefjes bij [benadeelde partij] in de brievenbus heb gegooid. Ik heb uitingen gedaan naar [benadeelde partij] . Ik heb haar ook verbaal bedreigd.

Ik heb tegen [benadeelde partij] gezegd: “Ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer. ”

Het gooien van eieren is voor mij vergelijkbaar met het gooien van benzine of terpentine in de brievenbus van iemand. (...) Ik heb mensen laten schrikken, dat was ook mijn bedoeling. Mensen schrikken omdat ze dan denken dat er brand ontstaat. (...) Mijn bedoeling was om de andere partij te laten zien dat ik ook wel iets kan. (...) Ik heb het goed bekeken met die brievenbus. (...) U vraagt mij of ik mij realiseer dat ik veel angst heb veroorzaakt bij mensen. Ik heb zelf ook angst beleefd, waarom zou een ander het dan niet mogen hebben.”

3.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De raadsman merkt op (ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte): Mijn cliënt is zwaar gehandicapt en is afhankelijk van zijn rolstoel.

[…]

De raadsman voert het woord tot verdediging en merkt op:

[…]

De verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde. Er is geen sprake geweest van een zodanige bedreiging, waaruit redelijkerwijs de vrees voor aangeefster zou kunnen ontstaan dat zij zou komen te overlijden. De verdachte is een gehandicapte man die voor allerlei zaken afhankelijk is van de hulp van derden. Hij is door zijn beperkingen lichamelijk niet in staat om enig gevolg te geven aan de dreigementen. Dit heeft hij ook nooit beoogd. De verbale uitlatingen betroffen grootspraak. Met het woord ‘raketten’ is militair wapentuig bedoeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat particulieren, zoals verdachte, hier nooit beschikking over zullen hebben. Met het woord ‘raketten’ is geen illegaal vuurwerk bedoeld. Bovendien zou verdachte niet weten hoe hij aan dergelijk zwaar vuurwerk moet komen. Daarnaast is van belang dat de bedreigingen onmiddellijk zijn opgehouden op het moment dat de brievenbus hoger is geplaatst.”

3.5.

Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging1:

“Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof kan zich vinden in de navolgende bewijsoverwegingen zoals de rechtbank die in haar vonnis heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 mei 2015 vindt aangeefster [benadeelde partij] , wonende te Arnhem, in haar brievenbus een briefje met daarop de tekst “ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer”. Verdachte heeft dit briefje in de brievenbus van aangeefster [benadeelde partij] gegooid. ”

“Briefje op 19 mei 2015

Zoals gesteld heeft verdachte op 19 mei 2015 een briefje bij aangeefster in de brievenbus gegooid met daarop de tekst “ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer” dat door aangeefster [benadeelde partij] is gevonden. Aangeefster [benadeelde partij] is doodsbang dat verdachte haar iets aan wil doen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer 5 maanden meer dan 130 briefjes met beledigende en bedreigende teksten - waaronder meermaals “ik ga je vermoorden met raketten kankerhoer” - in de brievenbus van aangeefster gegooid. Daarnaast heeft verdachte concreet gevaar voor aangeefster [benadeelde partij] veroorzaakt doordat hij meermaals brandbare vloeistoffen als terpentine in haar brievenbus heeft gegooid.

Uit het dossier komt naar voren dat genoemde handelingen - waaronder ook het briefje op 19 mei 2015 - door verdachte zijn gepleegd in de context van een langlopend conflict.

Voorts wordt het woord “raket” niet alleen gebruikt voor militaire wapens, maar ook voor (zwaar) vuurwerk, bijvoorbeeld signaalraketten en lawinepijlen, voorwerpen die redelijk eenvoudig te verkrijgen zijn. Een bedreiging van deze aard en onder deze omstandigheden kan in het algemeen deze vrees opwekken.”

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [benadeelde partij] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.”

3.6.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen2 en dat het opzet van de verdachte op het teweeg brengen van zulk een indruk was gericht.3 Voorwaardelijk opzet is daartoe voldoende.4 Geuite bewoordingen die niet zodanig zijn dat zij op zich al een redelijke vrees voor een misdrijf tegen het leven kunnen doen ontstaan, kunnen onder omstandigheden een strafbare bedreiging met een misdrijf tegen het leven opleveren. Van de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden moet dan uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken.5

3.7.

De steller van het middel merkt op dat met de bewezenverklaarde bewoordingen “raketten” bedoeld is “militair wapentuig”, dat het afschieten van een raket vanuit een rolstoel vrijwel onmogelijk is, en dat dit “niet zonder belang” is voor de vraag of de aangeefster de redelijke vrees kon hebben dat de verdachte de daad bij het woord zou voegen. De steller van het middel concludeert dat de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde bedreiging is geuit - namelijk door een verdachte in een rolstoel – “tot uitdrukking brengen dat de verdachte nimmer in staat moet worden geacht zijn woorden in concrete daden om te zetten, waardoor het bedreigende karakter aan die woorden wordt ontnomen”. Nu het hof tot het bewijs heeft gebezigd de verklaring van de verdachte inhoudende dat het slechts zijn bedoeling was mensen te laten schrikken en door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het vreeswekkende karakter van de bewezenverklaarde woorden, had het hof niet mogen verzuimen op dit opzetverweer uitdrukkelijk te beslissen.

3.8.

Het hof heeft geoordeeld dat het woord “raket” niet alleen wordt gebruikt voor militaire wapens (zoals door de raadsman ter zitting bepleit, DP), maar ook voor (zwaar) vuurwerk, bijvoorbeeld signaalraketten en lawinepijlen, voorwerpen die redelijk eenvoudig te verkrijgen zijn. Dat oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk, gelet op het algemeen spraakgebruik en de betekenis van “vuurpijl” die ook het Van Dale woordenboek aan het woord “raket” toekent. Voor zover het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat de verdachte, die in een rolstoel zit, “nimmer in staat moet worden geacht zijn woorden in concrete daden om te zetten, waardoor het bedreigende karakter aan die woorden wordt ontnomen”, faalt het, nu het kennelijke oordeel van het hof dat ook mensen in een rolstoel (“zwaar”) vuurwerk kunnen afschieten, niet onbegrijpelijk is.

3.9.

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte concreet gevaar voor de aangeefster heeft veroorzaakt door meermaals brandbare vloeistoffen als terpentine in haar brievenbus te gooien en dat de gedragingen van de verdachte, waaronder de tenlastegelegde bedreiging, zijn gepleegd in de context van een langlopend conflict. Het hof heeft deze omstandigheden, die uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, mede in aanmerking genomen bij zijn oordeel dat de verdachte de aangeefster heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht door haar de woorden toe te voegen “ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer”. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, mede gelet op hetgeen ik hiervoor onder 3.6 heb vooropgesteld en gelet op de omstandigheid dat het als een feit van algemene bekendheid mag worden beschouwd dat het afsteken van vuurwerk brand en daarmee de dood van een ander tot gevolg kan hebben.

3.10.

De steller van het middel merkt terecht op dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte heeft verklaard dat het “zijn bedoeling was om de aangeefster te laten schrikken”. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof uit deze bewoordingen, tezamen met de verklaring van de verdachte dat het zijn bedoeling was “om de andere partij te laten zien dat hij ook wel iets kan” en dat hij zich realiseert dat hij angst heeft veroorzaakt bij mensen, kunnen afleiden dat de verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet had op het bij de aangeefster ontstaan van de vrees dat zij het leven zou kunnen verliezen door de gedragingen waarmee de verdachte haar bedreigde. Ook in zoverre heeft het hof zijn oordeel toereikend gemotiveerd. Het door de verdediging gevoerde verweer noopte derhalve niet tot een uitdrukkelijke beslissing omtrent het bewezenverklaarde opzet.

3.11.

Het middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat hof “ten onrechte” art. 57 Sr heeft toegepast. Er is volgens de steller van het middel namelijk sprake van eendaadse samenloop omdat de onder 2 bewezenverklaarde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht geheel opgaat in de onder 1 bewezenverklaarde belaging. De verdachte heeft voldoende belang bij cassatie omdat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 2.000,- ziet op immateriële schade als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, terwijl bij toepassing van art. 55 Sr uitsluitend de immateriële schade vanwege feit 1 voor toekenning in aanmerking komt. Het hof heeft verzuimd te bepalen welk immaterieel schadebedrag aan feit 1 en aan feit 2 moet worden toegerekend.

4.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 13 mei 2015 tot en met 29 september 2015 te Arnhem, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij] , met het oogmerk die [benadeelde partij] vrees aan te jagen, hieruit bestaande dat hij, verdachte

- briefjes met beledigende teksten in haar brievenbus heeft gegooid en

- brandbare vloeistof, althans vloeistoffen in haar brievenbus heeft gegooid”

4.3.

Voor de leesbaarheid van de conclusie herhaal ik wat het hof ten laste van de verdachte onder 2 heeft bewezenverklaard, namelijk dat:

“hij op 19 mei 2015 te Arnhem [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij] dreigend de woorden toegevoegd middels een briefje in haar brievenbus met tekst: “ik ga jou vermoorden met raketten kankerhoer”.

4.4.

Het hof heeft het onder 1 en 2 bewezenverklaarde gekwalificeerd zoals hiervoor onder randnummer 1 is weergegeven. Onder het kopje “Toepasselijke wettelijke voorschriften” heeft het hof onder meer art. 57 Sr aangehaald. Gelet hierop heeft het hof geoordeeld dat sprake is van meerdaadse samenloop.

4.5.

Eendaadse samenloop doet zich voor wanneer de verdachte van meerdere bewezenverklaarde, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelende gedragingen in wezen één verwijt wordt gemaakt.6 In de onderhavige zaak ‘omvat’ de onder 1 bewezenverklaarde belaging de onder 2 bewezenverklaarde bedreiging qua tijd en plaats. Verder is het feitelijke element van het onder 2 bewezenverklaarde ook bij het onder 1 bewezenverklaarde betrokken. Het hof heeft immers in zijn aanvulling bewijsmiddelen geen onderscheid gemaakt tussen de beide feiten en in zijn strafmotivering overwogen: “Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van de aangeefster door stelselmatig briefjes in haar brievenbus te gooien met teksten als ‘kuthoer’ en ‘ik ga je vermoorden met raketten kankerhoer’”. Tot slot loopt de strekking van de toepasselijke strafbepalingen niet (wezenlijk) uiteen.7Het bestanddeel “vrees aanjagen” betreft immers de kern van zowel de bewezenverklaarde belaging als de bewezenverklaarde bedreiging. Het verwijt dat uitgaat van de bedreigingshandelingen ligt ook besloten in de bewezenverklaarde belaging.”8 Het oordeel van het hof dat met betrekking tot het onder 1 en 2 bewezenverklaarde sprake is van meerdaadse samenloop, is daarmee niet zonder meer begrijpelijk. Het middel is in zoverre gegrond.

4.6.

De gegrondheid van het middel leidt echter niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, ligt de door het hof opgelegde straf – te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder de voorwaarden zoals omschreven in het bestreden arrest – namelijk ver onder het toepasselijke strafmaximum van drie jaren dat zou gelden als van eendaadse samenloop zou worden uitgegaan. Het middel is in zoverre van onvoldoende belang om cassatie te rechtvaardigen.9

4.7.

De steller van het middel meent evenwel dat de verdachte voldoende ander belang heeft om cassatie te rechtvaardigen. Volgens de steller van het middel ziet de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 2.000,- op immateriële schade als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, terwijl bij toepassing van art. 55 Sr uitsluitend de immateriële schade vanwege feit 1 voor toekenning in aanmerking komt.

4.8.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot het bedrag van € 2.090,55, bestaande uit immateriële schade (€ 2.000,-) en uit materiële schade (€ 90,55), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.”

4.9.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat bij de beoordeling of is voldaan aan het vereiste dat een betrokken benadeelde “rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit” als bedoeld in art. 51f Sv, de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn.10 Met andere woorden: het vastgestelde feitencomplex, ofwel het materiële feit, is bij het bepalen van de rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51f Sv doorslaggevend, en – derhalve – niet de strafbare feiten waarin dat materiële feit volgens de strikte bewezenverklaringen (en kwalificaties) zijn “opgelost”, laat staan dat bij het bepalen van de rechtstreekse schade een rol zou kunnen of moeten spelen of de rechter van oordeel is dat de bewezenverklaarde feiten in eendaadse samenloop zijn begaan. Daar komt bij dat het voornaamste doel van de samenloopregeling slechts is het tegengaan van onevenredige cumulatie van aansprakelijkheid en de mogelijk op te leggen straffen.11

4.10.

Terug naar de onderhavige zaak. Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het hof de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 2.000,- bestaande uit immateriële schade, heeft toegewezen nu voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de onder 1 én 2 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden. Gelet op hetgeen ik hiervoor onder 4.9 heb vooropgesteld, behoefde het hof indien het eendaadse samenloop had toegepast, niet te bepalen welk immaterieel schadebedrag aan de verschillende bewezenverklaarde feiten had moeten worden toegerekend. Integendeel, zou ik zeggen; de omstandigheid dat de verdachte door toepassing van eendaadse samenloop in wezen één verwijt wordt gemaakt, leidt er juist toe dat ook de daardoor geleden immateriële schade het gevolg is van dat ene feitencomplex. De verdachte heeft derhalve ook op deze grond onvoldoende belang bij cassatie.

4.11.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

5 Het derde middel

5.1.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte met betrekking tot de vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod voor de duur van drie jaren als bedoeld in art. 38v, vierde lid, Sr, in aanmerking heeft genomen “dat de verdachte na de ten laste gelegde feiten door is gegaan met de belaging van aangeefster”. Het hof heeft aldus ten onrechte rekening gehouden “met niet ten laste gelegde feiten zonder dat aan de voorwaarden daarvoor, te weten de voorwaarden die gelden met betrekking tot ad informandum feiten, is voldaan”.

5.2.

Het arrest van het hof bevat de volgende strafmaatoverwegingen:

Oplegging van straf en/of maatregel

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van aangeefster [benadeelde partij] door stelselmatig briefjes in haar brievenbus te gooien met teksten als “kuthoer” en “ik ga je vermoorden met raketten kankerhoer”. Daarnaast heeft verdachte brandbare vloeistoffen, onder andere terpentine, in diezelfde brievenbus gegoten. Dit betreffen ernstige feiten die een grote impact hebben gehad op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, zoals ook is gebleken uit haar ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 januari 2018. Voorts heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies (beknopt) van 14 oktober 2016 en de Pro Justitia-rapportage van 14 oktober 2016.

Het hof weegt - net als de rechtbank - in het nadeel van verdachte mee dat hij geen blijk heeft gegeven van enig normbesef. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte een op wraak beluste houding heeft jegens personen die hem in zijn ogen onheus bejegenen. Hij vindt dat hij dan het recht heeft om wraak te nemen. Deze wraakgevoelens kunnen een obsessie voor hem worden waar hij lang in blijft hangen. Het recidiverisico is dan ook hoog. Dit wordt versterkt doordat verdachte en aangeefster [benadeelde partij] nog steeds buren zijn en het aannemelijk is dat zij elkaar om die reden regelmatig tegen zullen komen.

Het hof realiseert zich - net als de rechtbank - dat het recidivegevaar het best beperkt zou kunnen worden door behandeling. Verdachte heeft echter geen enkele ingang hiervoor geboden. Hij heeft niet willen meewerken aan het opstellen van een reclasseringsadvies, noch aan een psychologisch rapport.

Het voorgaande in aanmerking genomen acht het hof de oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen en onontkoombaar.

Het hof acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en aftrek van voorarrest, passend en geboden. Deze straf is hoger dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf, nu naar het oordeel van het hof in die vordering in onvoldoende mate de aard en de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking komt. Bij het opleggen van deze straf en het bepalen van de duur heeft het hof er rekening mee gehouden dat het ondergaan van een gevangenisstraf voor verdachte, gezien zijn lichamelijke toestand, meer bezwarend is dan voor een verdachte die geen speciale voorzieningen nodig heeft.

Verder zal het hof, gelet op de houding van verdachte met betrekking tot het bewezen verklaarde en het feit dat hij en aangeefster [benadeelde partij] buren zijn, aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen in de vorm van een contactverbod voor de duur van drie jaren met aangeefster. Het hof beveelt daarbij dat drie dagen vervangende hechtenis worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

De totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis mag de termijn van zes maanden niet overschrijden.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en in het bijzonder gelet op de persoon van verdachte, het feit dat verdachte en aangeefster naast elkaar wonen en het feit dat uit het dossier en de behandeling ter zitting is gebleken dat verdachte na de ten laste gelegde feiten door is gegaan met de belaging van aangeefster, is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangeefster. Het hof zal daarom bevelen dat de maatregel op grond van artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar is.”

5.3.

Het middel klaagt dat het hof met betrekking tot de maatregel van het contactverbod als bedoeld in art. 38v, vierde lid Sr in aanmerking heeft genomen dat de verdachte na de ten laste gelegde feiten door is gegaan met de belaging van aangeefster, terwijl niet aan de voorwaarden die gelden voor het in de afdoening meenemen van ad informandum feiten is voldaan.

5.4.

Art. 38v Sr luidt − voor zover hier van belang − aldus:

“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:

1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;

2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.

2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:

[…]

b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,

[…]

3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.

4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

[…].”

5.5.

Voor zover het middel klaagt dat het hof bij de keuze voor een strafrechtelijke maatregel in de vorm van een contactverbod in aanmerking heeft genomen dat de verdachte na de ten laste gelegde feiten door is gegaan met de belaging van aangeefster, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft immers een contactverbod opgelegd “gelet op de houding van verdachte met betrekking tot het bewezen verklaarde en het feit dat hij en aangeefster [benadeelde partij] buren zijn”.

5.6.

Welwillend gelezen, klaagt het middel over de beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel in de vorm van een contactverbod met aangeefster. Het hof heeft inderdaad bevolen dat deze maatregel op grond van art. 38, vierde lid, Sr dadelijk uitvoerbaar is en heeft in dat verband “het feit dat uit het dossier en de behandeling ter zitting is gebleken dat verdachte na de ten laste gelegde feiten door is gegaan met de belaging van aangeefster” in aanmerking genomen bij zijn oordeel “dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens de aangeefster”.

5.7.

De steller van het middel doet een beroep op een arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2010. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat het de rechter op zichzelf vrijstaat “om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit:

- wanneer het gaat om een ad informandum gevoegd feit en - in een geval waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen - op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning, aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, of

- wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, dan wel

- wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte”.12

5.8.

Het middel lijkt te zijn gegrond op de gedachte dat nu geen van de door de Hoge Raad genoemde omstandigheden zich voordoet, het hof bij de beslissing tot dadelijke uitvoerbaarverklaring van de maatregel van het contactverbod ten onrechte rekening heeft gehouden met niet ten laste gelegde feiten.

5.9.

Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de wetgever in 2012 de mogelijkheid heeft geopend dat de rechter onder omstandigheden kan bevelen dat een sanctie dadelijk uitvoerbaar is. Zo kan de rechter op grond van het vierde lid van het op 1 april 2012 ingevoerde art. 38v Sr bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (waaronder een contactverbod) dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. Indien aan dit criterium is voldaan, rechtvaardigt volgens de wetgever de bescherming van de veiligheid van anderen dat in individuele gevallen wordt afgeweken van het uitgangspunt dat tenuitvoerlegging pas kan aanvangen na het onherroepelijk worden van de veroordeling.13

5.10.

De wetsgeschiedenis van het vierde lid van art. 38v Sr houdt, voor zover van belang, het volgende in:

5.2 Onmiddellijke uitvoerbaarheid

Veelal zal zich de situatie voordoen dat de vrijheidsbeperkende maatregel zo snel mogelijk nadat de rechter vonnis heeft gewezen ten uitvoer moet worden gelegd om herhaling van strafbare feiten te voorkomen of personen en goederen te beschermen. Omdat het in dit wetsvoorstel gaat om maatregelen die beperkt van karakter zijn (bijvoorbeeld een verbod om gedurende een bepaalde periode in een straat te komen waar men zelf niet woont), kleven aan directe uitvoerbaarheid niet zodanige nadelen en onomkeerbare gevolgen dat hiertoe niet kan worden overgegaan. Voorgesteld wordt daarom ten behoeve van de vrijheidsbeperkende maatregel af te wijken van artikel 557, eerste lid, Sv door te bepalen dat de rechter kan bevelen op welk tijdstip de maatregel ingaat (artikel 38v, vierde lid, Sr). Anders dan gebruikelijk wordt de tenuitvoerlegging dus niet geschorst of opgeschort door hoger beroep of beroep in cassatie. […]

Omdat directe tenuitvoerlegging van de maatregel onmiddellijk consequenties heeft voor het gedrag van de veroordeelde, is in een aantal waarborgen voorzien.

In de eerste plaats kan de rechter alleen een bevel strekkende tot dadelijke uitvoerbaarheid geven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. […] De bescherming van de veiligheid van anderen rechtvaardigt dat, indien aan dit criterium is voldaan, in individuele gevallen wordt afgeweken van het uitgangspunt dat de tenuitvoerlegging eerst een aanvang neemt na het onherroepelijk worden van de veroordeling. […]

In de tweede plaats wordt de keuze of in het concrete geval de onmiddellijke uitvoering genoodzaakt is, in handen gelegd van de rechter. Het gaat daarmee om een sanctie die uitsluitend door de rechter kan worden opgelegd, waardoor zij op de meest zorgvuldige wijze in het strafproces is ingebed. De rechter kan daarbij alle omstandigheden van het geval meewegen. Van belang hierbij is dat de vrijheidsbeperkende maatregel zoveel mogelijk is toegesneden op de betrokken persoon en de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het opleggen van de maatregel, zodat de maatregel voor de veroordeelde niet onnodig beperkend hoeft te zijn, terwijl de maatschappij in het algemeen en slachtoffers in het bijzonder, wel zoveel mogelijk direct worden beschermd.

Ten derde kan het bevel strekkende tot dadelijke uitvoerbaarheid, na het instellen van hoger beroep, door de appelrechter worden opgeheven. Dit is bijvoorbeeld aan de orde in de gevallen dat het gerechtshof met betrekking tot de dadelijke uitvoerbaarheid al snel tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. Voor de behandeling in hoger beroep blijft overigens uiteraard vooropstaan dat de in eerste aanleg veroordeelde voor onschuldig wordt gehouden totdat het gerechtshof over die schuld zijn eigen oordeel heeft gevormd.14

Vierde lid

[…] De rechter kan de dadelijke tenuitvoerlegging bevelen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. Nu zal er bij toepassing van deze maatregel in het algemeen rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen. Dat is immers altijd de reden om een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Bij de keuze om de maatregel al dan niet onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren zal de rechter het belang van de onmiddellijke bescherming van de omgeving of het slachtoffer en de ernst van het strafbare feit dat de verdachte zou kunnen begaan, dan wel het belastend gedrag dat hij jegens personen zou kunnen laten zien, afwegen tegen het belang van de veroordeelde om zich in de periode tot aan de onherroepelijkheid van het vonnis vrijelijk in een bepaalde straat of wijk te begeven of contact te hebben met bepaalde personen. Deze belangenafweging moet voldoen aan het proportionaliteitsvereiste.”15

5.11.

Het vierde lid van art. 38v Sr bepaalt niet waaruit de rechter kan of moet afleiden dat er “ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon”. Gelet daarop, en gelet op de omstandigheid dat de rechter het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op grond van art. 38v, vijfde lid, Sr eerst ambtshalve bij zijn uitspraak kan doen, leid ik af dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat bij zo’n bevel aan de strengere eisen zoals die gelden voor het bij de strafoplegging in aanmerking nemen van een ad informandum gevoegd feit moet worden voldaan. Immers, de verdachte heeft dan geen gelegenheid meer om te erkennen dat hij het feit heeft gepleegd en het openbaar ministerie heeft dan geen gelegenheid meer om te kennen te geven dat hij voor dat feit niet meer zal vervolgen. Uit de wetsgeschiedenis kan wel worden afgeleid dat het hof bij de keuze tot het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de maatregel een belangenafweging moet maken tussen kort gezegd het belang van de bescherming van de omgeving of het slachtoffer tegen de verdachte en het belang van de verdachte om zich tot aan de onherroepelijkheid van het vonnis vrij te kunnen bewegen, welke belangenafweging proportioneel moet zijn.

5.12.

De mogelijkheid van voeging ad informandum vormt een methode om strafbare feiten af te doen, welke afdoening plaatsvindt door deze feiten als straf-beïnvloedende omstandigheden in aanmerking te nemen bij de bestraffing van de verdachte wegens de ten laste gelegde en bewezenverklaarde feiten.16 Het doel van de voeging ad informandum is uitsluitend dat de rechter de strafbare feiten, waarop de gevoegde zaak betrekking heeft, bij het bepalen van de strafmaat meeweegt, en wel als ‘bijzondere redenen’ in de zin van art. 359, vijfde lid, Sv.17 Door bij de tenuitvoerlegging van een maatregel rekening te houden met een niet ten laste gelegd feit wordt dit feit niet ‘afgedaan’, reeds omdat het in dat geval niet mede de straf (kan) bepalen. Het feit kan dus alsnog vervolgd worden door het openbaar ministerie.

5.13.

Terug naar de onderhavige zaak. Gelet op het voorgaande heeft het hof, door bij zijn bevel dat het opgelegde contactverbod dadelijk uitvoerbaar is, te betrekken dat uit het dossier en de behandeling ter zitting is gebleken dat de verdachte na de tenlastegelegde feiten door is gegaan met de belaging van de aangeefster, niet hoeven te voldoen aan de hiervoor onder 5.7 vermelde voorwaarden die gelden voor het bij de strafoplegging rekening houden met ad informandum gevoegde feiten. Het middel faalt derhalve.

5.14.

Ik merk ten overvloede nog het volgende op. Wat het hof heeft gedaan is precies wat de wetgever bij art. 38v, vierde lid, Sr voor ogen stond, namelijk het dadelijk uitvoerbaar verklaren van het opgelegde contactverbod nu er “ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon”, namelijk de aangeefster. Dat het hof daarbij mede heeft gelet op de omstandigheid dat de verdachte na de tenlastegelegde feiten door is gegaan met de belaging van aangeefster, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Voorts heeft het hof deze omstandigheid mogen en kunnen afleiden uit het dossier en de behandeling ter zitting.

5.15.

Het middel faalt.

6 Het vierde middel

6.1.

Het middel klaagt dat het hof niet uitdrukkelijk heeft beslist op het verweer van de raadsman van de verdachte met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en/of dat ’s hofs motivering van de toewijzing van de vordering tot het bedrag van € 2.000,- als immateriële schade gelet op het bepaalde in art. 6:98 BW niet zonder meer begrijpelijk is.

6.2.

Art. 6:98 BW luidt aldus:

“Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”

6.3.

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een “Verzoek tot schadevergoeding” met betrekking tot de benadeelde partij [benadeelde partij] , met bijlagen. Dit formulier houdt onder meer in:

“4B Immateriële schade (smartengeld)

Totaal immateriële schade € 2.000,-.

Voor de immateriële schade verwijst benadeelde naar het schadeonderbouwingsformulier (bijlage 1 en verder).”

6.4.

De bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde bijlage 1 houdt onder meer het volgende in18:

Korte situatieschets

Benadeelde, woonachtig tegenover het appartement van verdachte, is door verdachte belaagd en bedreigd. Verdachte heeft honderden briefjes en een drietal pakketjes met daarin ook weer honderden briefjes in haar brievenbus gestopt. Op deze briefjes staan steeds de teksten: 'ik ga jou vermoorden met rakketten kankerhoer' en 'kuthoer'.

Verdachte heeft daarnaast de brievenbus van benadeelde herhaaldelijk volgegoten met brandbare stoffen, waaronder benzine en lampolie. Ook de stoep van benadeelde is herhaaldelijk onder gegoten met brandbare stoffen.

Door deze gebeurtenissen is psychische schade ontstaan bij benadeelde.

Op 14 maart 2016 heeft benadeelde haar laatste aangifte gedaan wegens bedreiging doordat er opnieuw circa 80 briefjes in de brievenbus zijn gegooid met de tekst: ik ga jou vermoorden met rakketten kankerhoer' en 'kuthoer’

[…]

Immateriële schade

Fysiek letsel

N.v.t

Psychische gevolgen

In de eerste plaats is de impact van de strafbare feiten op het leven van benadeelde zeer groot omdat deze plaats hebben gevonden in de directe leefomgeving van benadeelde.

Door de bedreigende teksten voelde benadeelde zich niet veilig in haar eigen huis. Enkele weken na de eerste bedreigingen is zij haar eigen woning ontvlucht vanwege deze gevoelens en is zij enkele dagen bij haar familie blijven slapen.

Benadeelde heeft veel last van de continue en consequente verwensingen met de dood. Zij begrijpt niet dat iemand tot zoiets in staat is.

Ook was ze angstig toen de brandbare vloeistof werd ontdekt, ze is bang voor herhaling en dat het een keer verkeerd zal aflopen omdat er kinderen spelen op de stoep en omdat er papierbakken staan.

Door de beledigende teksten voelde benadeelde zich gekleineerd tegenover buurtgenoten en in haar eer en goede naam aangetast.

Tot op heden beheerst het gedrag van verdachte haar leven. De situatie lijkt uitzichtloos waardoor benadeelde met gevoelens van machteloosheid kampt en continu onrustig is. Deze gevoelens hebben ook haar weerslag op haar lichamelijke gesteldheid. Zij slaapt nog steeds slecht door de belaging en bedreigingen waardoor zij rustgevende tabletten heeft gekregen van de huisarts, bij wie zij regelmatig langs is gegaan om de gevolgen van de stalking te bespreken.

Benadeelde kan niet meer genieten van haar huis en de wijk. Haar eigen huis voelt anders en in de zomer kan zij niet meer genieten van haar balkon omdat ze dan geconfronteerd wordt met de beledigingen door verdachte.

Door deze belaging en bedreigingen is benadeelde nerveuser geworden. Ze leeft dagelijks met een opgejaagd gevoel. Ze heeft het gevoel dat ze eraan onderdoor gaat omdat de verdachte niet stopt. Ze vreest dat hij ook nooit zal stoppen. Ze is nog steeds bang om uitgescholden en bedreigd te worden als ze op het punt staat naar buiten te lopen, waardoor ze niet meer onbevangen de straat op kan.

Benadeelde heeft geen rust in haar hoofd en in haar eigen woning, de plek die veilig zou moeten zijn en haar tot rust zou moeten brengen. Haar woongenot is haar ontnomen door verdachte, doordat hij haar dwingt zijn gedrag te dulden.

Benadeelde kan door het gedrag van verdachte geen gebruik maken van social media. De politie heeft haar sterk afgeraden gebruik te maken van facebook omdat verdachte ook actief is op facebook. Hierdoor is zij niet alleen beperkt in haar persoonlijke levenssfeer maar is haar persoonlijke vrijheid om gebruik te maken van social media van haar afgenomen.

Vergelijkbare jurisprudentie

Hierbij wordt verwezen naar ECLI:NL:RBALM:2004:AO3589 (bijlage 2).

De smartengeldvergoeding van Rechtbank Almelo van 10 februari 2004, rolnummer 08-004811-03 bedraagt, geïndexeerd naar de normen van het jaar waarin het delict is gepleegd, te weten 2015, €1.210,-.

Ook in deze uitspraak wordt het slachtoffer belaagd door een buurman, ook in deze uitspraak hebben de berichten een dreigend karakter. Verschil is dat benadeelde ook verbaal is bedreigd (extra feit) en dat er in onderhavige zaak brandbare vloeistof is gebruikt om benadeelde vrees aan te jagen (extra feit) en waardoor een in potentie gevaarlijke situatie is ontstaan. De verdachte had daarnaast het oogmerk benadeelde nadeel toe te brengen (angstgevoelens, gevoelens van onveiligheid, opgejaagd en onrustig gevoel, onbevangenheid op straat kwijt). Er is door het gedrag van benadeelde in casu ook sprake van een beperking van de bewegingsvrijheid en de vrijheid om gebruik te maken van social media.

Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in redelijkheid is te stellen op ten minste € 2.000,- en thans opeisbaar is.

Totale immateriële schade € 2.000,-

Totale schade € 2.000,-

Benadeelde verzoekt u de vordering met een bedrag van € 2.000,- toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.”

6.5.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

“Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is van belang dat er geen deskundigenrapport is overgelegd, dat een algemeen erkend ziektebeeld heeft omschreven. Daarnaast blijkt niet van een medisch behandeltraject dat is ondergaan. Voorts heeft de benadeelde partij zelf ook een aandeel gehad in het conflict. Tot slot is onduidelijk waarom er zo’n hoog bedrag aan kosten wordt gevorderd voor een burenruzie. Nu een concrete onderbouwing ontbreekt dient de benadeelde partij, voor wat betreft de vergoeding van immateriële schade, niet-ontvankelijk te worden verklaard.”

6.6.

Het hof heeft omtrent de vordering van de benadeelde partij overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.090,55. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 840,55. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot het bedrag van € 2.090,55, bestaande uit immateriële schade (€ 2.000,-) en uit materiële schade (€ 90,55), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.”

6.7.

Blijkens de toelichting klaagt het middel in het bijzonder dat, nu namens de verdachte is aangevoerd dat de benadeelde partij ook zelf een aandeel heeft gehad in het conflict en dit ook uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden, het oordeel van het hof dat de vordering in zijn geheel moet worden toegewezen onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk is.

6.8.

Namens de benadeelde partij wordt in het ingediende verweerschrift in reactie hierop aangevoerd dat van medeschuld geen sprake is, nu de klacht over de haan op zichzelf staat en dat het standpunt van de verdediging betreffende medeschuld niet met argumenten is onderbouwd.

6.9.

Het verweer “dat de benadeelde partij ook zelf een aandeel heeft gehad in het conflict” berust op art. 6:101, eerste lid, BW, dat inhoudt:

“Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist”.

6.10.

Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd.19 Wanneer namens de verdediging in verband met de vordering van de benadeelde partij een verweer is gevoerd betreffende medeschuld van de benadeelde partij, dient de rechter bij de motivering van het vonnis aan te geven of en in hoeverre eigen schuld van het slachtoffer leidt tot vermindering van een schadevergoedingsplicht.20 Het beroep op eigen schuld kan zijn weerlegging vinden in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen,21 een bewijsoverweging of de verwerping van een verweer.22

6.11.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep − voor zover hier van belang − slechts aangevoerd: “Voorts heeft de benadeelde partij zelf ook een aandeel gehad in het conflict.”. Ik meen dat het hof deze opmerking niet heeft hoeven op te vatten als een verweer betreffende eigen schuld van de verdachte aan de bewezenverklaarde belaging en bedreiging, inhoudende dat de eigen schuld van de benadeelde partij zou moeten leiden tot vermindering van de schadevergoedingsplicht voor de verdachte wegens deze feiten. Niet is immers aangegeven op welke gedragingen van de benadeelde partij wordt gedoeld en in welk verband zij staan tot de bewezenverklaarde feiten, noch waartoe de vermeende eigen schuld van de benadeelde partij zou moeten leiden. Gelet daarop heeft het hof bij zijn motivering van de toewijzing van de vordering kunnen volstaan met de vaststelling van een verband tussen de schade van de benadeelde partij en de bewezenverklaarde feiten. Op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de eigen schuld van de benadeelde partij heeft het niet nader hoeven te responderen.23 Het middel faalt in zoverre.

6.12.

Blijkens de toelichting op het middel klaagt de steller van het middel voorts dat nu tevens door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat het onduidelijk is waarom er zo’n hoog bedrag aan kosten wordt gevorderd voor een burenruzie over een kraaiende haan en dat een concrete onderbouwing ontbreekt, ’s hofs oordeel met betrekking tot de volledige toewijzing van de vordering tot het bedrag van € 2.000,- terzake van immateriële schade onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk is. Uit ’s hofs motivering kan immers niet blijken dat zodanige concrete gegevens zijn aangevoerd en een toetsing aan objectieve maatstaven heeft plaatsgehad dat het bestaan van geestelijk letsel bij de aangeefster kan worden vastgesteld.

6.13.

Namens de benadeelde partij wordt in het ingediende verweerschrift aangevoerd dat duidelijk is dat de Hoge Raad in haar arrest van 15 maart 201924 een meer algemene formulering heeft gekozen voor de categorie aantasting van de persoon “op andere wijze” dan door geestelijk letsel, dat het criterium is verruimd en dat beslissend is dat het gaat om normschendingen van een zekere ernst, die persoonlijke belangen van een zeker gewicht raken, waardoor gevolgen van een zekere ernst aannemelijk zijn. Daarvan is in de onderhavige zaak naar de mening van de benadeelde partij sprake.

6.14.

Art. 6:106 BW luidt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
(...).”

6.15.

In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad25 het volgende overwogen26:

“2.8.6. Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.

2.8.7. [...]

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.”

6.16.

Indien de rechter op grond van de vastgestelde feiten van oordeel is dat sprake is van schade als bedoeld in art. 6:106 BW, dient hij deze – gelet op art. 6:97 BW − te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is.27 Immateriële schade dient naar billijkheid te worden begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, en indien mogelijk van bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

6.17.

De hoogte van de immateriële schade als gevolg van de belaging en bedreiging – en dus niet als gevolg van het conflict tussen de verdachte en de benadeelde partij over een kraaiende haan − is door het hof bepaald op een bedrag € 2.000, hetgeen overeenkomt met het bedrag dat blijkens de processtukken door de benadeelde partij wegens immateriële schade was gevorderd onder verwijzing naar de psychische gevolgen die de strafbare feiten op het leven van de benadeelde partij hebben, en de door de rechtbank Almelo toegekende smartengeldvergoeding in een enigszins vergelijkbare zaak en naar welke onderbouwing de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep op 28 februari 2018 heeft verwezen. Gelet op de onder 6.4 weergegeven onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij en hetgeen door de raadsman als verweer is gevoerd, is ‘s hofs toewijzing van de vordering met een verwijzing naar de bewezenverklaarde feiten niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

6.18.

Het middel faalt.

7. Het eerste, tweede, derde en vierde middel falen. Het eerste en het vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

8. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Cursivering zoals in het origineel.

2 HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448, r.o. 3.3.

3 Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3135 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228 m.nt. Keijzer.

4 Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4474.

5 HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7062, NJ 2005/145.

6 Zie de door de Hoge Raad op 20 juni 2017 gewezen arresten waaronder HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111 m.nt. Mevis

7 Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114, NJ 2019/114 m.nt. Mevis en HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2359.

8 Vgl. F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 310 en 311.

9 Vgl. onder meer HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114, NJ 2019/114 m.nt. Mevis en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen.

10 Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335.

11 J. de Hullu, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 528.

12 Zie HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586, rov. 2.4.

13 Vgl. Kamerstukken II, 2010/11, 32551, 3, p. 11-12.

14 Kamerstukken II, 2010/11, 32551, 3, p. 11-12.

15 Kamerstukken II, 2010/11, 32551, 3, p. 24.

16 Vgl. F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling. Een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 142.

17 Zie Melai / Groenhuijsen, aant. 23.1 bij art. 167 Sv.

18 Opmaak tekst zoals in origineel.

19 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga, rov 2.8.6.

20 Vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1017, NJ 1998/675.

21 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 21 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:526, onder 23. De HR deed het middel, dat zijdelings ook klaagde over de verwerping van het beroep op eigen schuld, af met toepassing van art. 81.1 RO.

22 Vgl. onder meer HR 26 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2108, NJ 2004/689. Vgl. ook mijn ambtgenoot Spronken in haar conclusie van 3 november 2015, PHR:2015:2473 onder 22.

23 Vgl. mijn ambtgenoot Spronken in haar conclusie van 3 november 2015, ECLI:NL:PHR:2473, nr. 23. De HR deed het middel af met toepassing van art. 81.1 RO.

24 Bedoeld zal zijn het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162 m.nt. S.D. Lindenbergh.

25 Onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162 m.nt. Lindenbergh.

26 Met weglating van gebruikte voetnoten.

27 Vgl. J. Candido e.a., Slachtoffer en de rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, 2013, p. 138.