Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1089

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/05573
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:78
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Concl. AG. Poging moord. Verdachte is de woning van zijn ex binnengedrongen via een door hem ingeslagen keukenraam, is op zoek gegaan naar zijn ex die zich in de slaapkamer had verstopt en heeft haar daar met een mes in haar hartstreek gestoken. Middelen over o.m. verwerping alternatief scenario en over voorbedachte raad. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05573

Zitting 17 november 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 2 december 2019 het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens “poging tot moord”, onder aanvulling van gronden bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde straf en maatregelen en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr, gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Voor een beeld van de zaak geef ik eerst de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen weer.

4 Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

4.1.

Bewezenverklaard is dat:

“verdachte op 24 november 2017, te Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [benadeelde] met een mes in de borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

4.2.

Deze bewezenverklaring berust op de volgende in het vonnis van de rechtbank opgenomen bewijsmiddelen:

“1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 december 2017, opgenomen op pagina 57 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN3R017106 d.d. 3 januari 2018, inhoudende als verklaring van [benadeelde] :

Ik beëindigde de relatie, dat was op een woensdag en ik heb op donderdag bij de politie gemeld dat hij mij lastig zou gaan vallen. Ik heb een melding gemaakt dat mijn ex mij lastig gaat vallen. Ik kon hem alleen maar weg krijgen als ik zou aangeven dat ik door zou gaan met de relatie. Dat is mij de eerste keer gelukt, dat was die woensdag 15 november. Hij zei ook dat als het zou eindigen dan steek ik je neer met 50 messteken en stond ook voor mij met een mes.

Hij stond 's avonds weer voor de deur en met mijn domme kop heb ik de deur open gedaan.

In die nacht mocht hij bij mij zijn roes uitslapen op de bank.

In die nacht vroeg hij ook, we gaan toch wel door? Ik heb gezegd dat ik niet door wilde en toen greep hij mij bij de keel.

Hij stond die vrijdagavond weer voor mijn deur en zei dat ik hem erin moest laten. Ik heb niet op hem gereageerd.

Zaterdagavond is hij weer aan de deur geweest rond 22.00 uur. Ik heb weer gebeld naar 112 en heb niet op hem gereageerd.

Zondag heb ik weer gebeld en toen werd het daarna aardig rustiger. Hij bleef mailen en filmpjes opsturen wat hij zou kunnen doen en bedreigen van dat hij een einde aan zijn leven zou maken en mij mee zou nemen en dat het aftellen was begonnen.

Vrijdag 24 november 2017 stond hij daar rond 20.30 uur. Hij stond te beuken op mijn ramen. Hij sloeg het raam in en ik heb mijn telefoon gepakt. Ik hoorde glasgerinkel, ik dacht gelijk aan [verdachte] en ben naar boven gelopen met de telefoon en de oplader. Ik heb [verdachte] niet naar binnen zien komen.

Ik heb 112 gebeld en gelijk gezegd dat mijn ex voor de deur staat en hij een raam heeft ingeslagen en ze zo snel mogelijk moesten komen en ik bang was. En toen kwam [verdachte] boven en vroeg waar ik zat.

Ik heb de deur dichtgegooid van mijn slaapkamer en geprobeerd hem tegen te houden. Hij is sterker dan ik en krijgt de deur gauw open. Ik heb achter de deur proberen te staan. Hij is binnen gekomen en is gelijk op mij in gaan steken. Het was gelijk al raak in mijn borst. Ik heb het mes gezien in zijn handen tijdens het steken.

Ik heb me kunnen afweren met mijn arm en bovenarm en mijn been heeft hij mij te pakken gehad. Ik heb geprobeerd met hem te praten van hou op hou op.

De deur die heb ik geprobeerd dicht te houden en ik heb me geprobeerd af te weren. Ik ben volgens mij niet gevallen, pas na het steken ben ik op de grond gevallen.

Daarna kwam hij naast mij zitten op de grond en zei hij sorry. Hij is niet gevallen.

2. Een letselrapportage opgemaakt d.d. 9 oktober 2018, door J. Dekker, forensisch arts, voor zover inhoudende, als zijn verklaring:

Interpretatie van geneeskundige verklaring d.d. 24 november 2018 [de rechtbank leest: 2017] van chirurg [betrokkene 1] met betrekking tot het letsel van [benadeelde] .

Uitwendig waargenomen letsel

Verklaring chirurg

Steekverwonding thorax met haematopneumothofax en pneumopericard en bloedende perforatie rechter atrium.

Uitleg forensisch arts J. Dekker:

Steekwond in de borstkas met een klaplong (de long is los geraakt van de borstwand waardoor zij in elkaar schrompelt en niet meer kan deelnemen aan de ademhaling).

In de borstholte bevindt zich zowel bloed als lucht.

Een pneumopericard is een toestand waarin het hartezakje (vlies rondom het hart) is gevuld met lucht (of vloeistof). Hierdoor kan het hart minder goed vrij kloppen in dit zakje door de druk die op het hart wordt uitgeoefend.

Een perforatie van het rechter atrium is een doorboring van de wand van de rechter boezem van het hart (de eerste ruimte in het hart waar het naar het hart terugkerende bloed wordt opgevangen).

Uit de rest van de verklaring van de chirurg valt op te maken dat er sprake is geweest van ernstig uitwendig bloedverlies, shock (bloeddruk in het lichaam is te laag om de elementaire lichaamsfuncties in stand te houden, de zuurstofvoorziening van hart, hersenen en andere organen komt in het gedrang, waardoor afsterven van cellen dreigt).

Mevrouw is operatief behandeld en het herstel zal nog maanden in beslag nemen.

Conclusie

Al met al is er sprake geweest van ernstig, levensbedreigend letsel ten gevolge van een steekwond in de borstkas.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 november 2017, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

M: Meldkamer

S: Slachtoffer

D: Dader

M: 112 meldkamer, waar is het noodgeval?

S: [a-straat 2] , mijn ex heeft een raam doorgeslagen!!

O: op achtergrond klinkt glasgerinkel

S: Hij komt binnen!

M: Ja ik hoor het, ik stuur de politie met spoed naar je toe!

S: Oke

Je hoort iemand op de achtergrond praten, niet te verstaan

S: GA WEG!! ...

D: waar ben je..

S: ga weg!!

O: Je hoort gestommel op de achtergrond

S: Ga weg!! Ga weg!! Ga alsjeblieft weg!!!

S: Hij komt hier binnen, alsjeblieft, NEE NEE, AHHHH AUW NEE NEEE

M: Hallo politie

S: NEE NEE Dat niet doen!!! Niet doen NEEE AHHHHH, AHHH NEE AHHH

S blijft schreeuwen en gillen

D: Je gaat dood .... kut wijf, je gaat dood

S: Alsjeblieft niet doen!!!! Alsjeblieft niet doen

D: Ik heb je gewaarschuwd, ik heb je gewaarschuwd waarom waarom ...

M: Politie, hallo! Je spreekt met de politie

D: ... onverstaanbaar

S gilt en schreeuwt nog weer

D: Ambulance bellen

S: ... onverstaanbaar

D: Ambulance bellen

S: Ik heb 112......ahh alsjeblieft!! Help alsjeblieft!! Help alsjeblieft

D: Ik word opgesloten [benadeelde] , ik word opgesloten

M: hallo!! Hallo, je spreekt met de politie

D: Ja hallo??

M: Hallo, ja, politie

D: Ja ik heb mijn vriendin net neergestoken

M: U heeft haar neergestoken

D: Ja, [a-straat 2]

M: Waarom heeft u haar neergestoken dan?

D: Ja, dat is een heel lang verhaal, maar ik wil dat jullie haar redden!! Ja?

M: Waar heeft u haar gestoken?

D: In de longen denk ik

M: Waarmee heeft u gestoken?

D: Mes

Je hoort S schreeuwen en gillen op de achtergrond

M: Hoe vaak heeft u haar gestoken?

D: Eén of twee keer, ik weet het niet maar genoeg, genoeg om eh

M: Meneer ... meneer hoe lang is dat mes dat u heeft gebruikt?

D: Eh 10 centimeter - 12 centimeter

4: Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2017, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant H.D. Oldengarm:

Op 24 november 2017 omstreeks 20.23 uur kregen wij via operationeel centrum Noord- Nederland de melding te gaan naar de [a-straat 2] te Emmen.

Ter plaatse bij de woning, [a-straat 2] te Emmen, zag ik dat een van de middelste ramen van de keuken, welke rechts naast de voordeur waren gelegen, was ingegooid dan wel ingeslagen en zag dat er in de keuken een tweetal laden open stonden.

Boven gekomen via de trap zag ik recht voor mij een vrouw in elkaar gedoken liggen op haar rechterzij. Ik zag dat zij op de grond lag in de ingang van de slaapkamer welke recht tegenover de trap was gelegen.

Ik heb de vrouw aangesproken en gevraagd hoe het met haar was. Ik hoorde haar daarop zeggen dat zij twee keer met een mes was gestoken in haar borst. Ik zag bloed in de kleding van de vrouw ter hoogte van haar borst en zag dat haar handen onder het bloed zaten.

Ik zag op de grond voor de vrouw een mes liggen. Ik zag dat dit mes ter hoogte van haar buik/borst lag. Ik zag dat het een mes betrof van ongeveer 20 centimeter lang inclusief handvat. Ik zag dat het handvat caramelkleurig was met een gat erin aan de achterzijde. Ik zag dat er bloed op het mes zat.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 november 2017, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Tijdens het vervoer hoorden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat de verdachte [verdachte] meerdere malen zei:

‘Ik heb haar neergestoken, dit is wat ze verdient, ze heeft mij gek gemaakt’.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuigen d.d. 24 november 2017, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Op vrijdag 24 november 2017 omstreeks 20.00 uur bevond ik mij samen met [getuige 2] op de [a-straat 1] te Emmen. [getuige 2] en ik bevonden ons op zijn slaapkamer.

Ik hoorde plotseling glasgerinkel en gebonk. Dit kwam voor mijn gevoel uit de woning links naast [getuige 2] zijn woning. Ik hoorde weer een hoop gebonk.

Kort hierop hoorde ik een vrouwenstem schreeuwen: "Help, help niet doen, ophouden, alsjeblieft".

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 24 november 2017, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Net op het moment dat ik mijn was in de wasmachine aan het doen was, hoorde ik enorm veel glasgerinkel. Ik hoorde direct daaropvolgend geschreeuw.

Op het moment dat ik hier buiten stond hoorde ik een mannenstem heel hard schreeuwen: 'Ik maak je dood, Ik maak je dood.' Ik hoorde nog een paar keer het woord 'dood'.

Ik hoorde ook een vrouwenstem heel hard gillen en roepen: 'Help mij, help mij. Hou op! Hou op!.'

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 december 2017, opgenomen op pagina 93 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

15 november 2017 zal zo ongeveer de dag zijn geweest dat [verdachte] contact met mij heeft opgenomen. [benadeelde] had op dinsdag de relatie beëindigd.

Hij begreep het niet. Hij had in al die tijd maar 1 dingetje gedaan. Hij had haar maar 1 keer bij haar keel gepakt en tegen de muur gezet.

Hij zei: Ja ik kan niet meer via de deur naar binnen, maar er zit een raam in, die schop je kapot en binnen ben je.

[verdachte] zei: Als ze de politie inschakelt knal ik een kogel door haar kop. [verdachte] zit in zijn proeftijd, [verdachte] heeft filmpjes gestuurd naar [benadeelde] .

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 december 2017, opgenomen op pagina 99 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] :

[verdachte] schetste die woensdag dat hij er maar een eind aan moest maken. Hij kwam niet in contact met [benadeelde] en gaf aan dat hij eventueel zelfmoord wilde plegen. Ook zei [verdachte] dat hij [benadeelde] dan wat aan ging doen, als hij maar in contact kwam met haar.”

5 Het eerste middel

5.1.

Het middel klaagt dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario (waarin geen sprake was van opzet op de dood van de aangeefster) onverenigbaar is met de bewezenverklaring en niet wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, waardoor de bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen. Het middel klaagt dat dit in het bijzonder geldt ten aanzien van het bewezenverklaarde opzet dat de verdachte gehad zou hebben op de dood van de aangeefster.

5.2.

Het door het hof bevestigde vonnis houdt onder het kopje “beoordeling van het bewijs”, voor zover van belang, het volgende in:

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat de verdachte ter zake van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft onder meer aangegeven dat het scenario zoals verdachte dat heeft aangegeven dient te worden gevolgd. Dit scenario komt er in het kort op neer dat verdachte op 24 november 2017 bij aangeefster heeft aangebeld, op de ramen heeft gebonsd, het raam heeft vernield en vervolgens de woning van aangeefster is binnengegaan om met haar te praten over de door aangeefster gewenste beëindiging van de relatie. Op het moment dat verdachte in de woonkamer staat ziet hij dat aangeefster een mes van de tafel pakt en, met dat mes in de hand, langs verdachte naar boven rent. Verdachte gaat achter aangeefster aan en volgt haar tot de slaapkamer. De slaapkamerdeur is dicht. Verdachte duwt tegen de slaapkamerdeur die, naar verdachte aanneemt, door aangeefster dicht wordt gehouden met haar voeten, waarbij aangeefster op de grond in de slaapkamer ligt. De slaapkamerdeur gaat kort daarna ineens open en verdachte valt daarbij dan op aangeefster. Aangeefster probeert verdachte van zich af te duwen en in zijn pogingen om op te staan moet het mes dat aangeefster vasthoudt op enig moment in haar lichaam zijn gekomen, aldus verdachte.

De raadsman heeft aangegeven dat de uitlatingen van verdachte zoals uitgewerkt in het 112-gesprek, waarin verdachte zichzelf belast, moeten worden gezien als een uiting van verdriet omdat hij zag dat aangeefster zwaar gewond was geraakt. Verdachte was compleet in paniek en over zijn toeren. Bedoelde uitlatingen kunnen hem juridisch gezien niet worden aangerekend en dienen buiten de bewijsvoering te blijven.

Daar komt bij dat naar het idee van verdachte het door de politie uitgewerkte 112-gesprek is gemanipuleerd. Met name hetgeen op pagina 23 e.v. van het dossier is vastgelegd, is niet de weergave van hetgeen verdachte op dat moment heeft gezegd.

[…] Alle acties van verdachte in de periode vóór het incident moeten gezien worden in het licht van het willen praten met aangeefster en haar ter verantwoording willen roepen, aldus de raadsman.

[…] Bovendien heeft verdachte nooit de bedoeling gehad aangeefster van het leven te beroven. In het verlengde van het vorenstaande ontbreekt de opzet, ook in voorwaardelijke zin, op de dood van aangeefster. Ook uit de voorgeschiedenis kan die opzet niet worden afgeleid. Ook de door verdachte georganiseerde hulp voor aangeefster, nadat zij de messteek had opgelopen, duidt niet op opzet.

[…]

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 november 2017 heeft getracht aangeefster [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven door haar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een mes in de borststreek te steken.

Met de officier van justitie gaat de rechtbank uit van de verklaring van aangeefster van 1 december 2017 waarin zij de gebeurtenissen schetst vanaf het moment dat verdachte op 24 november 2017 bij haar woning komt en kenbaar maakt dat hij naar binnen wil. Die verklaring houdt kort gezegd in dat aangeefster met haar telefoon naar boven loopt op het moment dat verdachte het raam inslaat en aangeefster dan 112 al heeft gebeld. Zij houdt 112 aan de lijn. Verdachte komt naar boven. Aangeefster is in de slaapkamer, probeert de slaapkamerdeur dicht te houden maar verdachte is te sterk voor haar. Als verdachte binnenkomt steekt hij direct op aangeefster in, in de borst. Door het afweren heeft zij verwondingen opgelopen aan arm, bovenarm en been. Aangeefster is pas op de grond gevallen nadat zij was gestoken. Verdachte gaat dan bij haar zitten en zegt sorry tegen haar. De verklaring van aangeefster komt overeen met de gang van zaken zoals die blijkt uit het uitgewerkte 112-gesprek.

Uit het uitgewerkte 112-gesprek komt onder andere het volgende naar voren.

Verdachte arriveert op 24 november 2017 rond 20.30 uur bij de woning van aangeefster. Hij slaat het raam in (op de achtergrond te horen op het opgenomen gesprek) en gaat de woning van aangeefster binnen. Verdachte roept naar aangeefster ‘waar ben je’. Verdachte gaat naar boven, aangeefster roept dat hij weg moet gaan en roept vervolgens ‘nee nee dat niet doen! Niet doen, nee ahhh, ahhh nee ahhh’. Verdachte roept ‘je gaat dood...je gaat dood’. Aangeefster roept ‘alsjeblieft niet doen. Alsjeblieft niet doen’. Verdachte zegt dan: ‘ik heb je gewaarschuwd, ik heb je gewaarschuwd’.

Vervolgens blijkt uit het 112-gesprek dat verdachte de telefoon van aangeefster heeft overgenomen en dat hij zegt dat hij aangeefster heeft neergestoken en dat hij denkt dat hij haar in de longen heeft gestoken. Desgevraagd zegt verdachte dat hij met een mes heeft gestoken. Dit mes wordt later door de politie naast aangeefster aangetroffen. Verdachte geeft daarnaast aan dat hij aangeefster één of twee keer heeft gestoken.

(De weergave van) de inhoud van het (112-)gesprek van aangeefster en van verdachte met de meldkamer komt geheel overeen met de verklaring van aangeefster ten tijde van haar aangifte op 1 december 2017. Op het moment van het doen van aangifte was aangeefster niet bekend met die weergave van het 112-gesprek. De rechtbank concludeert hieruit dat de verklaringen van aangeefster omtrent de gebeurtenissen waarheidsgetrouw zijn.

Hoewel niet uit het 112-gesprek is op te maken wanneer verdachte het mes heeft gepakt, acht de rechtbank het alleszins aannemelijk dat verdachte het mes heeft gepakt uit de keuken van aangeefster nadat hij haar woning was binnen gedrongen. De rechtbank verwijst hiervoor naar het proces-verbaal van verhoor aangeefster van 20 maart 2018. Verdachte had met aangeefster enige tijd in het huis van aangeefster gewoond en was bekend met het huis en de plaats waar een mes te vinden was.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte aangeefster opzettelijk in de borststreek heeft gestoken waarbij zij levensgevaarlijk gewond is geraakt. De wijze waarop verdachte deze daad heeft uitgevoerd, het direct steken in de borststeek waar het hart zich bevindt, duidt op opzet op de dood.”

5.3.

De pleitnota die ter terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2019 door de raadsman is overgelegd en voorgedragen, houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“47. Het begint dat cliënt op de ramen van de woning van [benadeelde] heeft staan bonzen met de vraag om binnen te worden gelaten. [benadeelde] wilde dat niet en heeft vervolgens 112 gebeld. Ik concludeer dat dat om 20.22 dan wel 20.23 uur (pagina 18 is in dat opzicht niet helemaal volledig duidelijk) is geweest.

48. In dit opzicht komt het dan aan op de tijd die tussen verschillende gebeurtenissen heeft gezeten. Daarvoor is de weergave van dat telefoongesprek ook van groot belang, omdat ik tezamen met cliënt middels professionele software om de exacte tijd en tijdsduur te maten heb gekeken hoeveel tijd er nu is gelegen tussen bepaalde gebeurtenissen die avond.

49. De vraag is in hoeverre dat telefoongesprek wat uiteindelijk in het dossier terecht is gekomen overeenkomt met die zogenaamde kladblokregels van de pagina's 18 en volgende van het dossier.

50. Als ik het telefoongesprek beluister, begint het ermee dat de centralist van de meldkamer zich meldt en aan [benadeelde] vraagt wat het noodgeval is. [benadeelde] geeft haar adres door en zegt gelijk: 'Mijn ex heeft een raam doorgeslagen'.

51. Ik heb dat inderdaad ook als zodanig in het telefoongesprek gehoord en ook glasgerinkel. Daar zit nog geen minuut tussen. Het glasgerinkel is ook duidelijk te horen en daaraan kan cliënt geen andere conclusie verbinden dan dat de telefoon op de begane grond moet zijn geweest op het moment dat cliënt binnenkwam. Ik kom op dat aspect hierna nog terug.

52. Aan de hand van de tijdssoftware hand hebben cliënt en ik vastgesteld dat in de weergave van dat telefoongesprek cliënt pas na ongeveer 30 seconden na aanvang van het 112-gesprek binnen is gekomen. Het binnenkomen zelf is duidelijk te horen, zoals ook door de centralist is beaamd. Ook het ruizen van de jas van cliënt is te horen en dat is wederom wat cliënt betreft bepalend voor de plek waarop [benadeelde] met 112 belde.

53. Het staat naar mijn oordeel ook vast dat cliënt een tafel heeft gepakt en die door de ruit van de woning van [benadeelde] heeft gegooid en zo de woning is binnengegaan.

54. Nogmaals wens ik te benadrukken dat de woning nauwelijks verlicht was. De keuken was in ieder geval compleet donker en op het moment dat [benadeelde] de 112-centrale belt, bevond zij zich in de woonkamer. Die woonkamer was eveneens donker, behalve dan dat er een aquarium in de woonkamer staat/stond, die licht uitstraalde. Dat betekent dus dat de woonkamer niet compleet donker was.

55. Vervolgens gaat het op die telefonische weergave qua tijd heel snel. Al na 42 seconden na aanvang van het telefoongesprek, hoor je een bepaald geluid. Ik moet u bekennen dat ik dat geluid wel eerder heb gehoord, maar niet kon duiden.

Op pagina 23 wordt dit door de politie aangeduid als 'gestommel op de achtergrond'.

56. Nadat cliënt en ik tezamen het geluidsfragment hebben gehoord, komen wij tot de conclusie dat dat geen gestommel is geweest, maar het dichtgooien van de slaapkamerdeur op de bovenverdieping van de woning door [benadeelde] .

57. Het dichtslaan van de slaapkamerdeur heeft cliënt ook uitdrukkelijk gehoord op de 112-weergave van het verhoor wat hij op 30 november 2017 heeft gehad met de verbalisanten.

Zoals gezegd, stond [benadeelde] bij het begin van het 112-gesprek in de woonkamer en hoor je al na 42 seconden dat gestommel wat cliënt interpreteert als het dichtslaan van de slaapkamerdeur op de bovenverdieping.

58. Dat betekent dus dat [benadeelde] in die tussengelegen periode vanuit de woonkamer de trap moet zijn opgegaan en naar de slaapkamer moet zijn gegaan. Dat hoor je uitdrukkelijk niet.

59. Cliënt is er heilig van overtuigd dat in de geluidsopname die hij destijds van de politie heeft gehoord, wel uitdrukkelijk was te horen dat [benadeelde] (die immers de telefoon in haar hand had) naar boven liep. Dat valt op de geluidsopname van het 112- gesprek die ik in het dossier heb aangetroffen niet te horen. Daarnaast is het nylon van de jas van cliënt te horen. Dat vindt plaats rondom het moment waarop [benadeelde] 'ga weg, ga weg' roept.

60. Die geluidsopname is wat mij betreft cruciaal in verband met het beantwoorden van de vraag: welk scenario is hier nu aannemelijk?

61. Nadat cliënt het raam heeft ingeslagen, is hij naar binnen gegaan en in de richting van [benadeelde] gelopen. [benadeelde] heeft toen gezegd: 'Ga weg'. Dat was meer een sneer in de richting van cliënt. Vervolgens heeft [benadeelde] voor de tweede maal gezegd: 'Ga weg.’ Dat was onder de omstandigheden zelfs als enigszins normaal te kwalificeren. Op dat moment stond [benadeelde] in het scenario van cliënt nog uitdrukkelijk beneden in de woonkamer. [benadeelde] kruiste vervolgens cliënt toen zij de trap op ging naar de slaapkamer op de bovenste verdieping.

62. Vervolgens lees ik op pagina 23 dat cliënt zegt: 'Waar ben je?’

63. Van belang is dat cliënt uitdrukkelijk stelt dat op het moment dat hij vraagt 'waar ben je?', [benadeelde] zich al in de slaapkamer bevond. Cliënt stond op dat moment halverwege de trap en zag [benadeelde] niet. Dat was ook de reden waarom hij vroeg: waar ben je? Het ligt op zijn zachtst gezegd niet bepaald voor de hand om te vragen 'waar ben je' als cliënt op dat moment oog in oog met [benadeelde] zou hebben gestaan.

64. Hoe het verder is verlopen, is iets waar ik op terug kom.

65. In dit verband kom ik op drie grote gaten in het scenario van het OM (wat door de rechtbank is overgenomen). Die drie grote gaten zijn niet door bewijsmiddelen te verklaren en maakt naar mijn overtuiging dat het scenario wat door het OM is geschetst en door de rechtbank is overgenomen, niet juist kan zijn of in ieder geval dat daar zoveel vraagtekens bij kunnen worden gezet dat niet op basis van het huidige bewijsmateriaal dit scenario kan worden aangenomen.

66. Wat zijn die drie grote gaten dan?

Die drie grote gaten betreffen het mes, de hond en de plaats waar [benadeelde] stond op het moment dat zij 112 belde.

67. Het mes en de plaats waar [benadeelde] stond toen zij 112 belde, speelden al wat cliënt betreft een belangrijke rol in eerste aanleg. Het 'gat' van de hond is daar naar aanleiding van de getuigenverklaring van [benadeelde] in hoger beroep bij gekomen.

68. Het grote verschil tussen het scenario van het OM en dat van cliënt is gelegen in het feit dat het OM stelt dat cliënt het mes uit de keuken zou hebben gepakt en vervolgens met het mes in de hand naar boven zou zijn gelopen.

69. In het scenario van cliënt stelt hij uitdrukkelijk dat hij geen mes uit de keuken heeft gehaald, maar dat [benadeelde] het mes al op de tafel in de woonkamer had liggen en vervolgens met de telefoon in haar ene hand en het mes in de andere hand naar boven is gelopen.

70. De vraag is natuurlijk nu: welk scenario is nu het meest waarschijnlijk of anders gezegd, is dat scenario wat door het OM is voorgesteld en door de rechtbank is overgenomen nu op basis van die bewijsmiddelen aan te nemen?

Naar mijn oordeel is dat niet het geval.

71. Een belangrijk element in het vaststellen van welk scenario nu van toepassing is, is natuurlijk gelegen in dat 112-gesprek. Daarvoor is die tijdslijn van belang die ik u net heb geschetst. Tussen de zin van het telefoongesprek waarin de telefonist aan [benadeelde] vraagt waar zij woonachtig is en waarna cliënt het raam ingooit en het moment waarop [benadeelde] 'ga weg, ga weg' zegt, zit een zeer beperkte tijd. Dan hebben we het letterlijk over secondewerk.

72. Vanuit dat gegeven is het naar mijn oordeel volstrekt onmogelijk dat cliënt in dat korte tijdsbestek eerst het raam zou hebben ingegooid, vervolgens naar een donkere keuken zou zijn gegaan en daar een aantal laden zou hebben opengetrokken en een mes uit een van de laden zou hebben gepakt. Dat is gewoon qua tijd niet mogelijk.

Hierbij dient bedacht te worden dat cliënt na het ingooien van het raam door een beperkte ruimte in dat kapotte raam naar binnen moest klimmen. Ik verwijs u daartoe naar de foto van dat raam wat in het dossier zit. Cliënt was destijds 105 kilo zwaar en is 1,85 meter lang. Gelet op dit gegeven heeft het relatief enige tijd gevergd voordat cliënt uiteindelijk binnen was. Op dat moment is hij, zoals gezegd, gelijk in de richting van [benadeelde] gelopen.

Van belang is voorts dat op de opname van het 112-gesprek in het geheel niets is te horen van het openen van lades en het rammelen van bestek terwijl de telefoon op dat moment in de hand van [benadeelde] was en dat te horen had moeten zijn.

Het komt er dus op neer dat de rechtbank aanneemt dat cliënt in een tijdsbestek van 10 seconden in een keuken die pikkedonker is een aantal keukenlades zou hebben opengetrokken, daar vervolgens een mes uit zou hebben gehaald en vervolgens naar [benadeelde] zou zijn toegegaan die zich op dat moment in de woonkamer bevond. Dat kan naar mijn stellige overtuiging nooit in een tijdsbestek van hooguit 1 minuut hebben plaatsgevonden.

73. Als ik het vonnis van de rechtbank op pagina 5, alinea 1, goed begrijp, zit de rechtbank ook wel met de geloofwaardigheid van dat scenario van het OM in haar maag en probeert de rechtbank dat te verklaren met het argument dat cliënt enige tijd in het huis van [benadeelde] heeft gewoond en bekend was met het huis en de plaats waar een mes te vinden was.

74. Het komt er dus op neer dat de rechtbank aanneemt dat cliënt in werkelijk 10 seconden, in een keuken die pikkedonker is, een keukenla zou hebben opengetrokken en daar een mes zou hebben uitgehaald en vervolgens naar [benadeelde] zou zijn toegegaan, die zich op dat moment in de woonkamer bevond. Dat kan naar mijn stellige overtuiging nooit in een tijdsbestek van minder dan een minuut hebben plaatsgevonden.

75. Cliënt is uitdrukkelijk niet in de keuken geweest en is gelijk naar [benadeelde] , die zich op dat moment in de woonkamer bevond, toegestapt. Dat scenario past wel in de duur van de gebeurtenissen die met name in het begin van dat 112-gesprek voorkomen.

76. Dat betekent dat op basis van wat cliënt en ik met dat 112-gesprek met behulp van professionele software hebben vastgesteld, het scenario wat door het OM is geschetst en door de rechtbank is overgenomen qua tijd gewoon niet mogelijk kan zijn geweest.

77. Wat de zaak voor mij opmerkelijk maakt, is dat op foto's die naderhand zijn genomen door de politie de keukenladen wel openstaan. Daarmee wordt dan klaarblijkelijk gesuggereerd dat het cliënt zou zijn geweest die die keukenladen zou hebben opengetrokken en dat is absoluut niet het geval geweest, anders zou dat ook wel op die geluidsopname te horen moeten zijn geweest.

78. De vraag is natuurlijk dan: wie heeft die keukenladen dan wel open gedaan?

Dat is ook een van de redenen geweest dat cliënt aan het OM heeft gevraagd om een aanvullend proces-verbaal van de agenten die destijds ter plaatse zijn geweest om duidelijkheid daarover te verkrijgen. Die duidelijkheid is om welke reden dan ook niet gegeven en dat betekent dat het scenario wat cliënt aanhangt niet valt uit te sluiten.

79. Kortom, het mes kan wat mij betreft nooit door cliënt uit een keukenla zijn gepakt op basis van het 112-gesprek. De tijd die tussen het inslaan van het raam door cliënt, het vervolgens binnentreden en het zeggen van 'ga weg, ga weg' door [benadeelde] zit, is daar eenvoudigweg te kort voor. Het feit dat [benadeelde] 'ga weg, ga weg' tegen cliënt zegt is ook een aanwijzing voor het feit dat cliënt op dat moment in de woonkamer staat. Partijen staan op dat moment 'face to face' tegenover elkaar. Daarin past niet het scenario dat cliënt op dat moment in de keuken aanwezig was om een mes uit een keukenla te pakken.

80. Daartegenover staat het scenario van cliënt wat erop neerkomt dat hij, nadat hij het raam heeft ingeslagen, [benadeelde] ziet zitten in de woonkamer. Cliënt ziet [benadeelde] opstaan en een mes pakken van een grote vierkante tafel. Cliënt ziet ook dat [benadeelde] vervolgens met dat mes in de hand langs hem heen loopt en naar boven holt. Vanwege het feit dat het 112-gesprek is doorgegaan, moet de conclusie geen andere zijn dan dat [benadeelde] het mes in de ene hand had en de telefoon in de andere hand.

81. Nu kom ik toe aan het tweede gat wat het scenario van het OM (wat door de rechtbank is overgenomen) naar mijn oordeel ontkracht of in ieder geval op losse schroeven zet.

82. Zoals u heeft kunnen lezen is op verzoek van de verdediging [benadeelde] nog eens nader gehoord door de raadsheer-commissaris. In die verklaring verklaart [benadeelde] onder meer het volgende.

Aan de ene kant verklaart [benadeelde] : 'Ik weet nog heel goed wat er die avond is gebeurd.'

Vervolgens verklaart [benadeelde] : 'Mijn hond sloeg aan, ik denk omdat de hond hem hoorde. Dat was op zich jammer.'

83. Dat betekent dus dat [benadeelde] in die verklaring uitdrukkelijk verklaart dat haar hond aanwezig was. Dat was voor cliënt een volstrekt nieuw gegeven. In de aangifte heeft [benadeelde] het namelijk nooit over haar hond gehad.

84. Wat ook opmerkelijk is, is dat de politie 6 minuten later plaatse is geweest en in het proces-verbaal van bevindingen het ook helemaal niet over een hond heeft. Waar is die hond dan gebleven? Normaal gesproken zou in dit soort situaties als er een huisdier wordt aangetroffen, de dierenambulance zijn ingeschakeld om dat huisdier mee te nemen.

85. Van nog groter belang is, is dat op dat 112-gesprek er helemaal geen hond of geblaf of iets dergelijks is te horen. Voor alle duidelijkheid: cliënt heeft de hond (die hij op zichzelf goed kent) die avond ook helemaal niet gezien.

86. Vanwege het feit dat [benadeelde] in haar aangifte het nooit over een hond heeft gehad, cliënt de hond niet heeft gezien en er geen geblaf op dat 112-gesprek valt te horen, maakt dat die verklaring van [benadeelde] , zoals afgelegd bij de raadsheer-commissaris, op zijn zachtst gezegd vraagtekens oproept over de betrouwbaarheid van haar verklaringen.

87. [benadeelde] stelt immers uitdrukkelijk dat zij heel goed weet wat er op die avond is gebeurd en komt dan vervolgens met de aanwezigheid van een hond op de proppen, die door geen enkel bewijsmiddel of bevindingen van de politieagenten wordt bevestigd. Dat geeft op zijn zachtst gezegd te denken over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde] en met name de aannemelijkheid van het scenario van het OM.

88. Het staat voor mij als een paal boven water dat in het geval de hond die avond in de woonkamer aanwezig zou zijn geweest, hij zeker zou hebben geblaft. Er was immers sprake van een gespannen situatie. Daarnaast kende de hond cliënt goed en dat betekent dat hij op het moment dat hij cliënt zag, hij ongetwijfeld zou zijn gaan blaffen.

89. Het derde gat in het scenario wat het OM heeft gepresenteerd, is gelegen in de plek waar [benadeelde] zich bevond toen zij 112 belde. Ik verwijs u naar de aangifte van [benadeelde] . Op pagina 42 onderaan en pagina 43 bovenaan. Zij verklaart daarin onder meer:

'Ik had zoiets van snel naar boven en 112 bellen en zij hebben alles meegekregen.'

en

'Hij sloeg het raam in en ik heb mijn telefoon gepakt. Ik hoorde glasgerinkel, ik dacht gelijk aan [verdachte] en ben naar boven gelopen met de telefoon. Ik heb [verdachte] niet naar binnen zien komen, ik ben gelijk met de telefoon naar boven gelopen. Ik heb alleen de telefoon en een lader meegenomen naar boven.'

en

'Ik heb de telefoon aan de lader gelegd en heb 112 gebeld.'

90. Uit deze verklaringen blijkt duidelijk dat [benadeelde] stelt dat zij 112 belde vanuit de slaapkamer. Dat gegeven valt naar mijn oordeel niet te rijmen met het feit dat in het 112-gesprek uitdrukkelijk dat glasgerinkel valt te horen. Op het moment dat [benadeelde] echt in de slaapkamer stond, was dat glasgerinkel in het geheel niet of althans zeer zacht te horen geweest. Ook verklaart dat niet het zogeheten gestommel wat cliënt interpreteert als het dichtslaan van de slaapkamerdeur.

91. Kortom, het 112-telefoongesprek valt dus naar mijn oordeel niet te rijmen met het scenario van het OM en de verklaring van [benadeelde] , inhoudende dat ze pas 112 zou hebben gebeld toen zij zich had verschanst in haar slaapkamer op de bovenverdieping.

92. Het komt er dus op neer dat er in ieder geval drie grote gaten in het scenario van het OM zijn te schieten. Het scenario van het OM verklaart niet waar cliënt de tijd en gelegenheid moet hebben gehad om dat mes uit de keukenla te halen en verklaart evenmin waarom de hond niet zou zijn gaan blaffen op het moment dat cliënt letterlijk met veel geraas en lawaai de woonkamer binnen gaat. Het scenario van het OM verklaart ook niet waarom er duidelijk glasgerinkel valt te horen en het dichtslaan van een slaapkamerdeur op het moment dat uitgegaan wordt van het scenario dat [benadeelde] zich in de slaapkamer bevond op het moment dat zij 112 belde.

93. Daartegenover staat het scenario van cliënt die uitdrukkelijk aangeeft dat het [benadeelde] was die het mes al voordien uit de keukenla had gepakt en op haar tafel in de woonkamer had gelegd. Dat komt cliënt niet geheel onwaarschijnlijk voor, omdat hij in de periode dat hij met [benadeelde] samenwoonde ook regelmatig zag dat [benadeelde] het mes op tafel had liggen om etenswaren te snijden.

Toen cliënt binnenkwam is zij naar boven gehold met de telefoon en het mes in haar handen.

94. Toen ik tezamen met cliënt het geluidsfragment van het 112-gesprek heb afgeluisterd, heb ik met software geconstateerd dat ongeveer na 1 minuut en 20 seconden [benadeelde] gaat gillen. Dat staat ook als zodanig in het proces-verbaal opgenomen. Op dat moment bevond [benadeelde] zich in het scenario van cliënt in haar slaapkamer.

95. Het staat vast dat [benadeelde] in haar slaapkamer op de eerste verdieping van haar woning zwaar gewond is geraakt. De politie treft haar daar immers aan en zowel cliënt als [benadeelde] geven aan dat [benadeelde] de verwondingen in haar slaapkamer heeft opgelopen.

96. De vraag is natuurlijk: hoe heeft [benadeelde] die ernstige verwondingen opgelopen?

97. Daarvoor is het van groot belang (en zeker in het kader van de vraag of er al dan niet sprake is van een poging tot moord) wie nu bij het begin van de feitelijke situatie in de slaapkamer van [benadeelde] dat mes in zijn of haar handen had.

97. Cliënt stelt immers dat dat [benadeelde] is geweest, terwijl [benadeelde] zowel in de aangifte als tegenover de raadsheer-commissaris aangeeft dat het cliënt zou zijn geweest.

98. Zowel in de aangifte als in haar getuigenverklaring geeft [benadeelde] aan dat op een gegeven moment haar slaapkamerdeur is opengegaan en dat zij toen een hand met een mes zag. Zij verklaart bij de raadsheer-commissaris letterlijk: 'Het mes herkende ik, dat kwam bij mij uit de keuken. Het mes kwam uit de keukenla. De keukenlades heb ik altijd dicht.’

99. Vervolgens vraagt de raadsheer-commissaris: 'Op de politiefoto's staan de keukenladen open.’ [benadeelde] verklaart dan vervolgens: 'Ik heb de lades altijd dicht.’. Ze geeft daarvoor ook een argument: 'Ik heb namelijk katten en een hond en die kunnen erin springen. Ik doe de lades ook dicht voor de kinderen.'

100. Anders gezegd, [benadeelde] blijft ook tegenover de raadsheer-commissaris volhouden dat zij niet degene is geweest die het mes heeft meegenomen naar boven, maar cliënt en het cliënt zou zijn geweest die het mes uit de keukenlade mee naar boven zou hebben genomen. Ik wijs in dit verband nog op het verschil in de verklaring die [benadeelde] in haar aangifte van 1 december 2017 heeft gedaan. Daarin verklaart zij het mes niet meteen te hebben gezien, terwijl zij in het getuigenverhoor tegenover de RC verklaart het mes wel meteen te hebben gezien. Dat is wat cliënt betreft duidelijk een inconsistent en dus onbetrouwbaar verhaal.

101. Ik heb hiervoor betoogd dat dat niet volgt uit het 112-gesprek, waar de tijd tussen het naar boven hollen van [benadeelde] met in ieder geval de telefoon veel te kort is gelegen nadat cliënt het raam heeft ingeslagen en is binnengekomen. Daar was eenvoudigweg geen tijd voor.

102. Daarbij komt dat wanneer cliënt inderdaad de tijd zou hebben gehad om in een donkere keuken alle keukenladen open te trekken en een mes te pakken, in het scenario van [benadeelde] de hond in ieder geval in actie zou zijn gekomen, op welke manier dan ook. Daar blijkt uit zowel het proces-verbaal en de weergave en de geluidsopname van het 112-gesprek in het geheel niets van. Ook wordt in deze verklaring van [benadeelde] niet verklaart waarom het glasgerinkel zo duidelijk te horen is en het dichtslaan van de slaapkamerdeur op het moment dat [benadeelde] zich al in de slaapkamer bevond.

103. Om deze redenen kunnen er dus naar mijn oordeel grote twijfels worden gezet bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde] op dit punt.

104. [benadeelde] verklaart immers op pagina 60 van het proces-verbaal dat ze de deur heeft dichtgegooid van haar slaapkamer en heeft gepoogd cliënt buiten de deur te houden. Cliënt is evenwel sterker dan [benadeelde] en krijgt de deur gauw open. Volgens [benadeelde] is hij toen binnengekomen en is gelijk met het mes in de hand op haar gaan insteken. Dat is ook de verklaring die [benadeelde] bij de raadsheer-commissaris na geruime na haar aangifte heeft gedaan.

105. Cliënt heeft daar een heel ander scenario tegenover staan, waarvan cliënt de mening is toegedaan dat dit scenario op zijn zachtst gezegd waarschijnlijker is dan het scenario van het OM.

106. Wat verklaart cliënt namelijk hierover op pagina 71 van het proces-verbaal:

'Ze hield de slaapkamerdeur dicht, ik duwde de deur open en zag dat ze een mes in haar hand had. Ze is best sterk. Ik probeerde om haar handen heen het mes te pakken. We zijn gevallen en waarschijnlijk heb ik haar toen gestoken toen zij het mes nog had.

Ik heb toen haar hand met het mes omgedraaid om het mes te pakken en toen zal ze misschien nog een keer gestoken zijn. Zij had het mes in haar rechterhand. Het was een mes uit haar eigen huis. Ik heb een foto gezien van het mes.'

107. In eerste aanleg heb ik dit scenario van cliënt feitelijk nog wat verder uitgewerkt door te stellen dat het niet zo is geweest dat [benadeelde] stond op het moment dat cliënt de deur van de slaapkamerdeur opendrukte. Cliënt stelt namelijk dat [benadeelde] niet stond, maar met haar rug tegen de kast zat aangeleund en met haar benen probeerde de slaapkamerdeur dicht te houden. Door de kast als rugsteun te gebruiken, probeerde ze zoveel tegenkracht te bieden om met haar benen de slaapkamerdeur dicht te houden.

108. Cliënt is vervolgens tegen de slaapkamerdeur gaan aandrukken en vanwege het feit dat hij zwaar en sterk is, is hij er op een gegeven in geslaagd de slaapkamerdeur open te krijgen ondanks het feit dat [benadeelde] met haar benen de slaapkamerdeur probeerde dicht te houden.

109. Op een gegeven moment gaat de slaapkamerdeur open en valt de druk van het ene op het andere moment weg. Het gevolg is dat cliënt naar voren valt en op [benadeelde] terecht is gekomen. Op de foto's kunt u zien dat er linoleum in de slaapkamer van [benadeelde] ligt. Linoleum is glad. Ik heb namens cliënt aangegeven dat cliënt hier ook mee bekend was, evenals [benadeelde] . Ze waren beiden in het verleden al (bijna) een aantal malen uitgegleden over dat linoleum.

110. De combinatie van plotseling wegvallen van de tegendruk (gegeven door de benen van [benadeelde] ) en het glad zijn van het linoleum, maakte dat cliënt onverhoeds op [benadeelde] viel. Cliënt schrok daar nogal van en heeft geprobeerd zich met zijn handen op te drukken om van [benadeelde] af te gaan. [benadeelde] verzette zich hevig en ging met haar handen te keer. Een mes heeft cliënt op dat moment niet gezien.

111. Van belang is voorts dat wordt benadrukt dat de slaapkamer slechts schaars verlicht was. Er was alleen een schemerlampje aanwezig die gedimd licht gaf. Op het moment dat cliënt zich op het zijn handen heeft opgedrukt, kwam hij met zijn rug naar [benadeelde] overeind. Van belang is dat (en ik daar al eerder naar verwezen) dat [benadeelde] in haar aangifte van 1 december 2017 helemaal niets zegt over de herkomst van het mes. Ook wordt er uitdrukkelijk door [benadeelde] in haar aangifte (wederom bladzijde 43) gesproken over het feit dat zij stelt dat zij aanvankelijk niet zag wat cliënt in zijn handen had, maar wel 'puntjes' voelde en dat het toen al gelijk raak was in haar borst. [benadeelde] verklaart vervolgens dat er gestoken zou zijn en wel meerdere malen en dat blijkt in ieder geval niet uit de aanwezige medische verklaring in het dossier.

112. Op dat moment vroeg [benadeelde] aan cliënt om haar pufje in verband met haar bronchitis. Cliënt is heel kort aan het zoeken geweest, maar kon het pufje niet vinden en draaide zich toen om en zag vervolgens een grote plas bloed op de vloer bij [benadeelde] . Vervolgens raakt cliënt in paniek en heeft hij gelijk om een ambulance geroepen om haar te redden. Dat blijkt ook wel uit het 112-gesprek waarin cliënt voortdurend in paniek vraagt waar de ambulance nu blijft.

Wat opvallend is, is dat op het moment dat de politie ter plaatse komt cliënt is gesommeerd om naar beneden te komen. Cliënt geeft aan dat pas te doen als de ambulance er is. Dat valt op dat 112-gesprek ook niet als zodanig terug te horen.

113. Achteraf reconstruerend kan cliënt niet anders bedenken dan dat hij tijdens zijn poging om op te staan met zijn handen, [benadeelde] , die wat cliënt betreft op dat moment het mes in haar hand had, zodanig heeft geraakt dat het mes in haar borst terecht is gekomen waardoor zij ernstige verwondingen heeft opgelopen.

Ik verwijs in dit opzicht naar de medische verklaring die zich in het dossier bevindt.

De rechtbank heeft op pagina 7 van haar vonnis dit als bewijsmiddel gebezigd. De chirurg spreekt evenwel van een (steek)verwonding. Het gebruik van het woord 'steek' tussen haakjes dan wel tussen aanhalingstekens betekent dat de chirurg er niet van overtuigd is dat er sprake is geweest van een steekbeweging. Steken wijst op een doelbewuste handeling. Dat kan volgens de medicus niet worden vastgesteld. Er is dus sprake geweest van één steekwond en dat past dan als zodanig ook in het scenario van cliënt.

114. Van belang is voorts dat er nadien foto's zijn gemaakt van de handen van cliënt. U heeft ongetwijfeld gezien dat op die foto's sneden staan. Dat heeft te maken met het feit dat tijdens de verschillende pogingen die hij heeft gedaan om op te staan, hij langs dat mes is gegaan en daardoor die sneden heeft opgelopen.

115. Het betekent dus dat in het scenario van cliënt de ernstige verwonding van [benadeelde] , daarover bestaat geen enkele twijfel, is ontstaan door een ongelukkige samenloop van omstandigheden en zeker niet van een doelbewust steken met de bedoeling [benadeelde] van het leven te beroven.

116. Van belang is het uitgangspunt van het gebeuren in de slaapkamer. Is het nu zo gegaan dat cliënt met het mes in de hand de slaapkamer is binnen gegaan of was het nu juist [benadeelde] die dat mes in de hand heeft gehad?

117. Dat is een verschillend uitgangspunt met verschillende uitkomsten, die naar mijn oordeel een

verschil van dag en nacht maken voor de juridische kwalificatie van het hele gebeuren.

118. Zoals gezegd, is de rechtbank in eerste aanleg uitgekomen op een poging tot moord. De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen bewezen dat cliënt [benadeelde] opzettelijk in de borststreek heeft gestoken waarbij zij levensgevaarlijk gewond is geraakt. Ook overweegt de rechtbank dat de wijze waarop cliënt deze daad heeft uitgevoerd, het direct steken in de borststreek waar het hart zich bevindt, duidt op opzet op de dood van [benadeelde] .

In dat scenario wordt cliënt aan de ene kant als een (zijn woorden) labiele borderliner afgeschilderd en aan de andere kant wordt hij gezien als een soort (wederom de woorden van cliënt) vechtmachine met een x-ray vision, die in het donker messen kan vinden en ook in het donker iemand in zijn hart weet te raken waarbij hij ook nog onder invloed van drank en/of drugs verkeerde. Dat is op zijn zachtst gezegd niet waarschijnlijk, laat staan overtuigend bewezen.

119. Daartegenover staat het verhaal van cliënt, die zegt dat hij het mes niet In zijn hand had en op een gegeven moment op [benadeelde] terecht is gekomen. [benadeelde] had op dat moment het mes in de hand. Vervolgens heeft cliënt in zijn pogingen om overeind te komen klaarblijkelijk zodanig de hand van [benadeelde] waarin zij het mes had, bewogen zodat het mes in haar borststreek terecht is gekomen. Het is dus niet cliënt die gestoken heeft en van opzet op de dood is dan ook naar mijn oordeel in het scenario van cliënt absoluut geen sprake, laat staan van een poging tot moord.

120. Wat ook opmerkelijk is (en daar heb ik in eerste aanleg ook al aandacht aan besteed) is het feit dat na het voorval zowel het mes als de kleding van cliënt in beslag is genomen, maar ik heb in het proces-verbaal geen enkel onderzoek naar kleding noch mes kunnen aantreffen. Gelet op het feit dat het scenario wat het OM aanhangt toch uitgaat van de stelling dat het mes altijd in de hand van cliënt is geweest, had het toch voor de hand gelegen dat dat door een onderzoek aan dat mes en de daarop voorkomende vingerafdrukken zou zijn gecheckt. Dat is niet gebeurd en waarom is mij niet duidelijk.

Exact hetzelfde kan worden gezegd over de telefoon van [benadeelde] . Waarom is die telefoon niet onderzocht op bloedspetters en/of vingerafdrukken?

Dat had op zijn zachtst gezegd voor de hand gelegen.

In het geval er uitgegaan moet worden van het scenario dat cliënt [benadeelde] zou hebben gestoken met een mes die in zijn hand zou zijn geweest, zou er in dat scenario bloedspetters op zijn kleding en de telefoon van [benadeelde] terecht zijn gekomen. Onderzoek van de kleding en de telefoon zou dat aan het licht hebben gebracht. Dat onderzoek heeft evenwel niet plaatsgevonden zonder enige aanwijsbare reden.

121. Ook wat ik gehoord heb in het 112-gesprek past naar mijn oordeel meer in het scenario van cliënt dan in het scenario van het OM. Uit het telefoongesprek blijkt dat cliënt, nadat hij heeft vastgesteld dat [benadeelde] ernstig gewond is, compleet over zijn toeren is geraakt. Daar zijn naar mijn oordeel verkeerde conclusies aan verbonden.

122. Nogmaals: in het scenario van cliënt is hij zich wild geschrokken toen hij vaststelde dat [benadeelde] zwaar gewond is. Hij wist niet wat er gebeurd was en dacht aanvankelijk dat hij degene was die zou hebben gestoken. Naar mijn oordeel was cliënt op dat moment in een dermate emotionele staat dat hij daar niet later aan kan worden gehouden. Met name het citaat op pagina 13 waaruit zou moeten worden afgeleid dat cliënt zou hebben erkend dat hij één of twee keer [benadeelde] zou hebben gestoken, moet naar mijn oordeel wel worden beoordeeld aan het moment waarop cliënt dat zegt en hij helemaal niet weet wat er nou precies is gebeurd.

123. Ik heb ook al aangegeven dat het scenario van het OM (inhoudende dat cliënt met voorbedachten rade om [benadeelde] van het leven te beroven naar haar woning is toegegaan) niet valt te rijmen met het feit dat cliënt voortdurend uitgilt dat de ambulance snel moet komen en dat [benadeelde] moet worden geholpen. Als hij er werkelijk op uit zou zijn geweest om [benadeelde] van het leven te beroven, dan vallen dit soort verklaringen totaal niet uit te leggen. Hierbij dient dus ook bedacht te worden dat cliënt op dat moment, zoals gezegd, valium had geslikt en alcohol had gedronken en dus compleet geen controle had over zijn emoties en voortdurend emotionele dingen heeft geroepen.

124. Dat betekent dat op basis van het procesdossier het scenario wat door het OM is geschilderd en door de rechtbank is overgenomen, dermate grote gaten vertoont dat zij niet de basis kan vormen voor een veroordeling van cliënt voor éen poging tot moord.

125. Daartegenover staat het scenario van cliënt, die erkent dat [benadeelde] zwaar gewond is geraakt, maar dat er eigenlijk sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en zeker niet van een bedoeling of zelfs maar voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde] .

126. [benadeelde] was klaarblijkelijk gelet op de voorgeschiedenis bang en had wellicht uit voorzorg alvast een mes uit de keukenla gehaald en op de tafel in de woonkamer gelegd. Dat mes heeft ze in het scenario van cliënte vervolgens mee naar boven genomen. Cliënt heeft mij verteld dat hij vanwege het zeer beperkte licht vaag heeft gezien dat [benadeelde] een mes bij zich had en mee naar boven heeft genomen. Cliënt heeft zich op dat moment niet gerealiseerd - en waarschijnlijk had hij dat wel moeten doen - dat het mes wellicht tegen hem gebruikt zou kunnen worden.

127. Cliënt is naar boven gegaan met de vraag 'waar ben je' en had op dat moment absoluut niet de bedoeling om [benadeelde] van het leven te beroven. Hij had immers dat mes ook niet in zijn hand. Toen hij op een gegeven moment de slaapkamer binnenkwam, is hij uitgegleden en daarbij op [benadeelde] terechtgekomen.

Cliënt probeerde zich op de handen op te richten en daarbij is een soort worsteling ontstaan waarbij het mes wat in de hand van [benadeelde] is, in haar borststreek terecht is gekomen met ernstig zwaar letsel tot gevolg. Van enig opzet van de kant van cliënt en ook van voorwaardelijk opzet van de kant van cliënt kan om deze reden absoluut niet worden gesproken.

128. Vervolgens gaat de situatie snel, in die zin dat de politie na ongeveer 4 à 5 minuten na aanvang van het 112-gesprek ter plaatse is. Op dat moment bevindt cliënt zich nog in de slaapkamer. Er wordt geroepen dat hij zich naar beneden moet begeven. Cliënt geeft aan dat hij bereid is dat te doen en zich over te geven op het moment dat de ambulance er is. Op een gegeven moment gaat cliënt naar beneden en hij wordt gelijk geboeid en afgevoerd. Ik heb gezien dat dat op of omstreeks 20.35 uur is geweest. Al met al heeft zich dit drama dus in iets meer dan 10 minuten voltooid.

129. Bij het verhoor heeft cliënt een geluidsfragment van het 112-gesprek gehoord en hij weet zeker dat dat niet hetzelfde geluidsfragment is wat in het dossier terecht is gekomen. Cliënt weet zeker dat hij gehoord heeft dat [benadeelde] met haar telefoon in de hand naar boven is gelopen. Het naar boven lopen op een trap geeft geluid en dat valt op dit geluidsfragment helemaal niet terug te horen. Op een gegeven moment vindt er een soort gestommel plaats (althans dit wordt zodanig in het p.v. aangeduid), Dat is het moment waarop de slaapkamerdeur dichtgaat en [benadeelde] binnen zit met de telefoon in de ene hand en het mes in de andere hand en probeert met haar benen de slaapkamerdeur dicht te houden.

[…]

131. Vanuit juridisch optiek kan naar mijn oordeel niet in rechte worden vastgesteld dat het cliënt is geweest die [benadeelde] met een mes in haar borst heeft gestoken. Niet uit te sluiten valt dat het [benadeelde] is geweest die het mes in de hand heeft gehad en ten gevolge van de pogingen van cliënt om van haar af te komen, zelf per ongeluk het mes in haar borststreek heeft gekregen. Cliënt betwist uitdrukkelijk dat er sprake is van een doelbewust steken waarbij hij het mes in de hand heeft gehad en daarmee [benadeelde] in haar borststreek heeft gestoken.

132. Dat maakt naar mijn oordeel wel dat er volstrekt anders tegen de zaak moet worden aangekeken. In principe is het het woord van [benadeelde] tegen dat van cliënt. Daarbij moet dus worden gekeken naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde] en ik heb u al aangegeven dat met name de stelligheid waarmee [benadeelde] verklaart dat er een hond aanwezig is, terwijl er werkelijk niets maar dan ook niets is wat duidt op de aanwezigheid van een hond die avond, maakt dat er grote vraagtekens moeten worden gezet bij de geloofwaardigheid van de verklaringen van [benadeelde] . Hetzelfde kan worden gezegd omtrent het feit dat [benadeelde] in haar aangifte verklaart dat zij met 112 belde op het moment dat zij in de slaapkamer bevond, terwijl er op de geluidsopname uitdrukkelijk glasgerinkel is te horen. Wat cliënt betreft is dat niet mogelijk indien [benadeelde] zich daadwerkelijk op dat moment in haar slaapkamer bevindt. Cliënt blijft volhouden aan zijn scenario waar [benadeelde] in de woonkamer stond toen zij 112 belde.

133. Daartegenover staan de verklaringen van cliënt die van het begin af aan consistent en eenduidig is geweest. Als ik dat 112-gesprek beluister in combinatie met de aanname dat cliënt in dat zeer korte tijdsbestek in een donkere keuken de keukenlades zou moeten hebben opengetrokken en een mes daaruit heeft gehaald en vervolgens naar [benadeelde] is toe gegaan, gewoon eenvoudigweg niet mogelijk is.

134. De rechtbank heeft naar mijn oordeel ten onrechte het scenario van het OM gevolgd, ondanks het feit dat er een essentieel onderdeel in dit scenario ontbreekt. Hoe is cliënt in dat korte tijdsbestek aan het mes gekomen?

135. De rechtbank komt in mijn ogen ten onrechte tot het dichten van dat gat door te stellen dat cliënt bekend was met het huis en de plaats waar hij het mes zou vinden, maar zelfs dat verklaart niet de geluidsopname van het 112-gesprek. Het opendoen van een keukenlade in een donkere keuken en het vervolgens toegaan haar [benadeelde] , kan gewoon niet in dat korte tijdsbestek zijn gebeurd tussen het binnentreden van de woning en het gegil van [benadeelde] .

136. Het gat is naar mijn oordeel ten onrechte door de rechtbank op deze manier gedicht. Daarbij komt, maar dat kon de rechtbank natuurlijk niet weten, het feit dat [benadeelde] uitdrukkelijk heeft verklaard dat de hond die avond aanwezig was, terwijl dat naar mijn oordeel in het geheel niet vast staat.

137. Dat betekent dat een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag niet kan worden bewezen. Hiervan zou mijn cliënt dan ook moeten worden vrijgesproken.

138. In zowel de primaire als de subsidiaire variant wordt ervan uitgegaan dat het cliënt is geweest die [benadeelde] met een mes meerdere malen of in ieder geval eenmaal in de borststreek, althans in haar lichaam heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden. Dat staat dus naar mijn oordeel niet vast.

Ook het meer subsidiaire ten laste gelegde gaat uit van het scenario waarin cliënt [benadeelde] met een mes heeft gestoken en/of gesneden.

139. Nu wat mij betreft niet vaststaat dat het cliënt is geweest die dat mes in de hand heeft gehad, staat het ook niet vast dat hij degene is die met dat mes [benadeelde] heeft gestoken.

140. Het is [benadeelde] die het mes in de hand heeft gehad en cliënt is middels een worsteling klaarblijkelijk met zijn lichaam tegen de hand van [benadeelde] terecht gekomen waardoor het mes in haar borststreek terecht is gekomen.

141. Dat scenario wordt niet aan cliënt ten laste gelegd en dat betekent dat ik eigenlijk geen andere conclusie kan trekken dan dat cliënt van alle aan hem ten laste gelegde varianten moet worden vrijgesproken. In al die varianten die het OM ten laste heeft gelegd, wordt er immers van uitgegaan dat het cliënt is geweest die [benadeelde] heeft gestoken en dat is nu wat mij betreft precies niet wat er in rechte is komen vast te staan.”

5.4.

Het arrest van het hof houdt als bewijsoverweging, voor zover van belang, het volgende in:

Verweren van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting van het hof - kort samengevat - betoogd dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen, aangezien sprake is van drie grote, onverklaarbare gaten in de bewijsvoering. Het gaat, kort gezegd, om de volgende elementen:

- in tegenstelling tot de verklaring van aangeefster dat haar hond aanwezig was, is er op de geluidsopname van het 112-gesprek geen hond hoorbaar en is door de politie ter plaatse ook geen hond aangetroffen;

- verdachte heeft niet in een tijdsbestek van minder dan een minuut een mes kunnen zoeken en vinden in de keukenlade;

- aangeefster kan zich, anders dan zij heeft verklaard, ten tijde van het bellen met 112 niet in haar slaapkamer hebben bevonden, aangezien op de geluidsopname van het gesprek duidelijk glasgerinkel hoorbaar is.

Het scenario dat door verdachte en zijn raadsman is geschetst, komt kort gezegd hierop neer dat verdachte zag hoe aangeefster een mes van de keukentafel pakte en dit meenam naar boven. Vervolgens is verdachte aangeefster gevolgd en heeft hij zijn volle gewicht tegen de slaapkamerdeur gezet. Toen deze deur door de druk openging, is verdachte als gevolg van het wegvallen van de druk bovenop aangeefster gevallen, waarbij het mes dat zij zelf in haar hand vasthield in haar borstkas terecht moet zijn gekomen. Subsidiair is betwist dat sprake was van voorbedachten rade.

Verder heeft verdachte gesteld dat de politie de geluidsopname van het 112-gesprek heeft gemanipuleerd, door met speciale software zijn stemgeluid na te bootsen en zodoende een bekennende verklaring van verdachte in de geluidsopname te verwerken. Hetgeen de verbalisanten in het proces-verbaal van 24 november 2017 hebben vermeld, namelijk dat verdachte na aanhouding onderweg naar het politiebureau zou hebben verklaard dat hij aangeefster heeft neergestoken, is volgens verdachte gelogen.

Aanvullende bewijsoverwegingen van het hof

Hoofdagent Oldengarm heeft in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 20171 verklaard dat zij in de slaapkamer van aangeefster een grote zwarte hond aantrof. Op de bij dit proces-verbaal gevoegde foto is deze hond ook te zien. Nog daargelaten dat het al dan niet aanwezig zijn van de hond niet relevant is voor de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen, mist het verweer van de raadsman op dit punt dus feitelijke grondslag.

Het hof kan het verweer dat verdachte onvoldoende gelegenheid zou hebben gehad om een mes te pakken niet volgen. Verdachte heeft gedurende enkele maanden in de woning van aangeefster verbleven, zodat hij bekend mag worden verondersteld met de inrichting van de woning en ook de opbergplaats van keukenmessen. Verdachte is de woning door inklimming via het door hem vernielde keukenraam binnengedrongen. De politie trof bij aankomst twee openstaande keukenlades aan. Gelet hierop is de stelling van de raadsman dat verdachte geen mes heeft kunnen pakken voor hij de trap opliep niet steekhoudend.

Ook het derde beweerdelijke gebrek in de bewijsconstructie heeft het hof niet aangetroffen. Naar algemene ervaringsregels brengt het met geweld verbreken van glas, zoals in casu door daar met een tuintafel tegenaan te stoten, veel geluid teweeg. Het enkele feit dat op de opname van het gesprek van aangeefster met de alarmcentrale glasgerinkel hoorbaar is, rechtvaardigt dan ook geenszins de gevolgtrekking dat zij zich op dat moment nog beneden in de woning bevond.

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank uitgesproken bewezenverklaring, het geselecteerde bewijs en de bewijsoverwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Het door en namens verdachte aangedragen scenario acht het hof niet aannemelijk geworden, nu het dossier geen enkele steun biedt voor dat scenario. Het hof stelt vast dat het door verdachte aangedragen scenario reeds afstuit op het bewijs, te weten hetgeen aangeefster over de toedracht heeft verklaard. Meerdere bewijsmiddelen ondersteunen de door aangeefster afgelegde verklaring.

(…)

In hoger beroep zijn aangeefster en getuige [getuige 3] door de raadsheer-commissaris gehoord. Voor zover zij op details iets anders dan bij de politie hebben verklaard, laat zich dat verklaren door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of tijdsverloop. Aangeefster en getuige [getuige 3] zijn in de kern niet teruggekomen op hetgeen zij bij de politie hebben verteld. Het hof acht de verklaringen betrouwbaar en is van oordeel dat de rechtbank de ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen op juiste gronden voor het bewijs heeft gebruikt.

Het hof ziet in de enkele bewering van verdachte dat verbalisanten verdachte willen benadelen, geen aanleiding om aan de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 24 november 2017 te twijfelen, zodat er geen reden is om dit proces-verbaal van het bewijs uit te sluiten.

Tot slot verwerpt het hof de enkele, niet-onderbouwde, Iaat staan aannemelijk gemaakte suggestie van verdachte dat de op de zogenoemde 112-geluidsopname met zijn stem te horen bewoordingen, in feite een bekentenis van verdachte, niet door hem zouden zijn uitgesproken, maar met speciale software door de politie daarin is gemanipuleerd. In de inhoud van het dossier vindt het hof geen enkele aanleiding om van deze suggestie van verdachte uit te gaan. Het hof stelt wel vast dat niet in discussie is dat de op de geluidsopname te horen woorden correct in het proces-verbaal van politie zijn uitgewerkt. Conclusie is dat er evenmin reden bestaat dit onderdeel van het door de rechtbank geselecteerde bewijs uit te sluiten.

Voor het overige verwijst het hof naar de overwegingen van de rechtbank in het vonnis dat door het hof, behoudens voormelde uitzonderingen, bij dit arrest zal worden bevestigd.”

5.5.

Het middel klaagt, zoals al aangegeven, dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario (waarin geen sprake was van opzet op de dood van de aangeefster) onverenigbaar is met de bewezenverklaring en niet wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, waardoor de bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen.

5.6.

De steller van het middel vat het aangevoerde verweer als volgt samen: “In de kern komt het scenario van verzoeker erop neer dat hij naar de woning van aangeefster was gekomen om met haar te praten. Omdat hij niet binnen werd gelaten, heeft hij op de deur gebonsd en heeft hij uiteindelijk een ruit ingeslagen om binnen te komen. In de tussentijd had de aangeefster het alarmnummer 112 gebeld en stond zij op het punt om naar boven te vluchten. Om zichzelf te kunnen beschermen, pakte zij - voordat zij naar boven liep - een mes (dat op de tafel in de woonkamer lag). Toen verzoeker binnen was, is hij gelijk in de richting van aangeefster gelopen, die eerst nog in de woonkamer was, maar meteen daarna naar boven rende. Verzoeker is achter haar aan naar boven gelopen. Aangeefster heeft zich vervolgens verschanst in haar slaapkamer en hield de deur gesloten. Verzoeker duwde de deur open en in de schermutselingen die volgden werd aangeefster door het mes - dat zij op dat moment nog in haar hand had - gestoken. Verzoeker vermoedt dat aangeefster door het mes werd getroffen, toen de slaapkamerdeur plotseling open ging en verzoeker - over de aangeefster heen - de kamer in tuimelde en bovenop haar terecht kwam. Hij heeft haar niet bewust (opzettelijk) gestoken.” Gelet op de stukken van het geding lijkt mij dat een juiste samenvatting van hetgeen door de verdediging is aangevoerd als alternatief scenario.

5.7.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnota heeft de raadsman van de verdachte aldaar aan de hand van verschillende argumenten uiteengezet waarom hij meent dat het scenario waarop de verdachte zich beroept waarschijnlijker is dan het scenario dat blijkt uit de verklaringen van de aangeefster (en welk scenario door het OM is gevolgd). Ik zal deze argumenten langslopen en per argument aangeven waarom dit argument wordt weerlegd door de bewijsvoering van het hof.

A1) De verdediging meent dat uit de opname van het 112-gesprek, waaruit blijkt dat tussen de zin van het telefoongesprek van de aangeefster met een telefonist van de 112-centrale, waarin de telefonist aan [benadeelde] vraagt waar zij woonachtig is en waarna cliënt het raam ingooit en het moment waarop [benadeelde] “ga weg, ga weg” zegt, een zeer beperkte tijd van slechts seconden zit.2 Het is volgens de verdediging onmogelijk dat de verdachte in die korte tijd eerst het raam zou hebben ingegooid en daarna in een donkere keuken laden heeft opengetrokken en een mes uit een van die laden zou hebben gepakt.3 Dat de aangeefster “ga weg, ga weg” tegen de verdachte zegt is een aanwijzing dat de verdachte en de aangeefster op dat moment in de woonkamer staan, tegenover elkaar.4

A2) Ik meen dat dit laatste argument reeds wordt weerlegd door het scenario van de aangeefster. Dit scenario houdt niet in dat de aangeefster pas voor het eerst “ga weg, ga weg” heeft geroepen nadat zij zag dat de verdachte een mes pakte. De aangeefster heeft verklaard dat zij de verdachte niet heeft zien binnenkomen.5 Uit het 112-gesprek6 blijkt verder dat de aangeefster die woorden heeft geroepen (en niet heeft gezegd), waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte op dat moment in een andere ruimte was dan aangeefster.

B1) Het is volgens de verdediging onmogelijk om in een tijdsbestek van tien seconden in een donkere keuken laden open te trekken, een mes daaruit te halen en naar de aangeefster in de woonkamer te gaan.7

B2) Tien seconden lijken mij (meer dan) voldoende tijd om deze handelingen te verrichten. Voorts houden de bewijsmiddelen niet in dat de keuken op dat moment donker was. Bovendien hebben zowel de rechtbank in zijn door het hof bevestigde vonnis als het hof zelf overwogen dat de verdachte bekend was met de woning van de aangeefster en daarmee ook met de opbergplaats van keukenmessen.

C1) De verdediging meent dat op de 112-opname niets is te horen van het openen van laden en het rammelen van bestek. Indien uit de laden een mes was gepakt, zou dat te horen moeten zijn op de opnames.8 Bovendien zou op de opnames te horen moeten zijn dat de hond – waarvan de aangeefster meent dat die in huis was – zou zijn aangeslagen als de verdachte tijd had gehad om alle keukenladen open te trekken en een mes te pakken.9

C2) Uit de aangifte van de aangeefster kan worden afgeleid dat zij (al dan niet al bellend) naar boven is gelopen, gelijk nadat de verdachte een raam had ingeslagen om zichzelf toegang tot de woning te verschaffen.10 Dan is het niet vreemd dat op de opname niet te horen is dat het mes uit de laden wordt gepakt. Zeker niet nu de aangeefster vanaf het moment waarop de verdachte haar huis binnenkwam, is gaan roepen.11 Uit de bewijsoverweging van het hof blijkt dat de hond na het delict is aangetroffen in de slaapkamer waar het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden. Uit niets blijkt dat de hond in de keuken was op het moment waarop de verdachte het huis binnenkwam.

D1) De verdediging voert aan dat de verdachte uitdrukkelijk niet in de keuken is geweest maar gelijk naar de aangeefster in woonkamer is gegaan.12

D2) Dit wordt reeds weerlegd door de omstandigheid dat de verdachte het huis is binnengekomen via het keukenraam, zoals blijkt uit de bewijsmiddelen.13

E1) De verdediging meent dat de verdachte, nadat hij het raam heeft ingeslagen, ziet dat de aangeefster in de woonkamer zit, dat zij opstaat en het mes pakt van de tafel, dat zij langs hem heen loopt en naar boven rent.14 De verdachte meent dat de aangeefster het mes al voordien uit de keukenla had gepakt en op haar tafel in de woonkamer gelegd en dat dat de verdachte niet onwaarschijnlijk voorkomt, omdat hij in de periode dat hij met de aangeefster samenwoonde ook regelmatig zag dat zij het mes op tafel had liggen om etenswaren te snijden.15

E2) De rechtbank overweegt dat uit het 112-gesprek blijkt dat de verdachte het raam inslaat, de woning binnengaat en vervolgens roept “waar ben je”. Daaruit blijkt reeds dat de aangeefster op dat moment al boven was. Bovendien kan dit scenario niet verklaren waarom de politie bij aankomst twee open keukenladen heeft aangetroffen.16 Als al aangenomen zou moeten worden dat de aangeefster degene is die de laden heeft opengedaan om een mes te pakken, dan is niet aannemelijk dat zij in haar eigen woning niet direct de juiste, ene lade zou hebben opengedaan en helemaal niet dat zij daarna het mes eerst op de keukentafel zou leggen en het mes pas zou pakken toen de verdachte binnen was. Bovendien heeft zij blijkens de in hoger beroep overgelegde pleitnota bij de raadsheer-commissaris verklaard dat haar keukenladen altijd dicht zijn, omdat anders haar katten en hond in de laden kunnen springen en vanwege de kinderen.17

F1) De aangeefster heeft het in de aangifte niet over haar hond gehad, maar verklaart later pas dat haar hond aansloeg, omdat de hond ‘hem’ hoorde. Dat is opmerkelijk omdat in het politie proces-verbaal niet wordt gesproken over een hond, op het 112-gesprek geen geblaf is te horen, terwijl, als er een hond in de woonkamer was geweest, de hond zou hebben geblaft.18

F2) Het hof heeft overwogen dat de hoofdagent Oldengarm heeft verklaard dat zij na de steekpartij in de slaapkamer van de aangeefster een grote zwarte hond aantrof. Dat blijkt volgens het hof ook uit de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s.

G1) Uit de verklaringen van de aangeefster blijkt dat zij stelt dat zij 112 belde vanuit de slaapkamer. Dit is niet te rijmen met het feit dat in het gesprek uitdrukkelijk glasgerinkel is te horen. Als zij echt vanuit de slaapkamer had gebeld, was dat glasgerinkel niet of heel zacht te horen geweest. Ook verklaart dat niet het gestommel op de telefoon (waarschijnlijk het dichtslaan van de slaapkamerdeur).19

G2) De rechtbank heeft de aangifte niet onbegrijpelijk zo uitgelegd dat de aangeefster met haar telefoon naar boven is gelopen op het moment waarop de verdachte het raam insloeg en de aangeefster dan 112 al heeft gebeld. Daaruit blijkt dat de aangeefster niet op de slaapkamer hoeft te zijn geweest toen het glasgerinkel te horen was en dat de interpretatie van de aangifte door de verdediging feitelijke grondslag mist. Ik merk daarom ten overvloede op dat uit de verklaring van de buurvrouw en een meisje bij de buren blijkt dat het glasgerinkel kennelijk zo hard was, dat dit tot in de slaapkamer20 en de wasruimte21 van het buurhuis te horen was. Daarmee in lijn is de overweging van het hof dat het met geweld verbreken van glas veel geluid teweegbrengt, en dat het enkele feit dat op de opname van het gesprek van de aangeefster met de alarmcentrale glasgerinkel hoorbaar is, geenszins de gevolgtrekking rechtvaardigt dat zij zich op dat moment nog beneden in de woning bevond.

H1) De verdediging voert aan dat de verdachte door het wegvallen van de tegendruk van de deur van de slaapkamer op de aangeefster gevallen, dat hij schrok en probeerde zich met zijn handen op te drukken om van de aangeefster af te gaan, dat de aangeefster zich hevig verzette en met haar handen tekeerging.22 Verder is aangevoerd dat de verdachte probeerde om aangeefsters handen heen het mes te pakken, dat ze zijn gevallen en dat de verdachte haar toen waarschijnlijk heeft gestoken toen zij het mes nog had. De verdachte heeft toen haar hand met het mes omgedraaid om het mes te pakken, en toen zal ze misschien nog een keer gestoken zijn.23 Ten slotte is in dit verband aangevoerd dat de verdachte waarschijnlijk tijdens zijn poging om op te staan met zijn handen, aangeefster zodanig heeft geraakt dat het mes in haar borst is gekomen.24

H2) Deze twee scenario’s spreken elkaar tegen en zijn reeds daarom onwaarschijnlijker dan het scenario van de aangeefster. Enerzijds is immers aangevoerd dat de steek waarschijnlijk is toegebracht tijdens de val van de verdachte, anderzijds is aangevoerd dat de steek waarschijnlijk is toegebracht tijdens het opstaan van de verdachte. Deze ‘steek-scenario’s’ passen bovendien niet bij het 112-gesprek.25 Daaruit blijkt immers dat de aangeefster voorzag dat zij gestoken zou worden. Zij riep immers: “NEE NEE, AHHHH AUW NEE NEEE” en NEE NEE Dat niet doen! ! ! Niet doen NEEE AHHHHH, AHHH NEE AHHH, waarna de verdachte zei “Je gaat dood, kut wijf, je gaat dood”, waarop de aangeefster smeekte “Alsjeblieft niet doen!! Alsjeblieft niet doen”, waarop de verdachte zei “Ik heb je gewaarschuwd, ik heb je gewaarschuwd”.

I1) Volgens de verdediging passen de in de handen van de verdachte aangetroffen sneden bij het scenario dat de verdachte verschillende pogingen heeft gedaan om op te staan, waarbij hij langs het mes is gegaan.26

I2) Deze sneden passen naar het oordeel van het hof alleen bij het scenario van de aangeefster dat er een worsteling is geweest. De rechtbank heeft overwogen: “door het afweren heeft aangeefster verwondingen opgelopen aan arm, bovenarm en been.” Deze verwondingen blijken ook uit de aangifte27 en passen alleen bij het scenario van de aangeefster waarin er een worsteling is geweest, niet bij het scenario waarin de verdachte op de aangeefster is gevallen. In dat laatste scenario valt er immers voor de aangeefster niets af te weren.

J1) Volgens de verdediging dacht de verdachte aanvankelijk dat hij degene was die zou hebben gestoken omdat hij zich wild was geschrokken en in dermate emotionele staat verkeerde dat hij daar niet later aan kan worden gehouden.28

J2) De verdachte heeft niet alleen gedacht dat hij heeft gestoken, hij heeft blijkens de 112-melding29 rond het steken ook gezegd dat de aangeefster dood zou gaan en dat hij haar heeft gewaarschuwd. Daarmee is weerlegd dat hij alleen gedacht heeft dat hij heeft gestoken omdat hij zo was geschrokken. Bovendien zei hij tegen de alarmcentrale niet alleen dat hij de aangeefster heeft neergestoken, maar kan uit zijn antwoord op de vraag waarom hij dat heeft gedaan, worden afgeleid dat hij daar ook een reden voor had.

K1) Het scenario van de aangeefster past niet bij het door de verdachte voortdurend uitgillen dat de ambulance snel moet komen en dat de aangeefster moet worden geholpen. Bovendien had hij valium geslikt en alcohol gedronken waardoor hij compleet geen controle had over zijn emoties.30 De verdachte wilde de aangeefster redden, blijkt ook uit 112-gesprek waarin de verdachte voortdurend in paniek vraagt waar de ambulance blijft.31

K2) Hoewel uit hetgeen hiervoor is uiteengezet al blijkt dat het door de verdachte voortdurend gillen om een ambulance niet weerlegt dat hij de aangeefster wilde steken, heeft de verdachte tijdens het vervoer met de politie, dus na dit telefoongesprek, tegen de verbalisanten gezegd “dat hij de aangeefster heeft neergestoken, dat dit is wat ze verdient en dat ze hem gek heeft gemaakt”.32

L1) Naar het oordeel van de verdachte, is het 112-gesprek gemanipuleerd, in die zin dat de weergave van het 112-gesprek zoals dat in het dossier terecht is gekomen, niet het werkelijke of volledige gesprek is geweest. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2019 heeft de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

“Ik heb niet gezegd dat ik mijn vriendin heb neergestoken. Ik heb de band beluisterd maar dat heb ik niet gezegd. Ook heb ik niet gezegd dat ik met een mes heb gestoken. Ook over de longen en de lengte van het mes heb ik niets gezegd. Deze woorden zijn er met audiosoftware in gemanipuleerd. Dat is niet zo moeilijk. Mijn eerste verhoor was op 25 november. Als je een zin van iemand heb, kun je met software teksten fabriceren. Ik was daar wel maar dat zijn mijn woorden niet. Ook onderweg in de politieauto heb ik niet gezegd dat ik heb gestoken. Verbalisant Van Hemelen beweert dit, maar daar is het laatste woord nog niet over gezegd. Los van deze zitting. Hij heeft in een andere zaak ook al eens gemanipuleerd. Dat is te toevallig.”

L2) Het hof heeft deze “enkele, niet-onderbouwde, Iaat staan aannemelijk gemaakte suggestie van de verdachte dat de op de zogenoemde 112-geluidsopname met zijn stem te horen bewoordingen, in feite een bekentenis van de verdachte, niet door hem zouden zijn uitgesproken, maar met speciale software door de politie daarin is gemanipuleerd” niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd verworpen.

5.8.

Uit de voorgaande uiteenzetting blijkt zonder meer dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, anders dan de steller van het middel meent, wordt weerlegd door de bewijsvoering. Daarbij merk ik op dat de rechtbank niet onbegrijpelijk heeft overwogen dat de inhoud van het 112-gesprek geheel overeenkomt met de verklaring van de aangeefster bij haar aangifte en dat, omdat zij op dat moment nog niet bekend was met de weergave van het 112-gesprek, haar verklaringen waarheidsgetrouw zijn. Daarbij merk ik verder op dat het hof niet onbegrijpelijk heeft overwogen dat het strafdossier geen steun biedt voor het door de verdachte aangedragen scenario, terwijl de verklaring van de aangeefster wordt ondersteund door meerdere bewijsmiddelen. Het middel faalt in zoverre.

5.9.

Dan blijft over de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte opzet had op de dood van de aangeefster. De steller van het middel voert aan dat de verdachte “ongetwijfeld heeft gedacht dat hij - door zijn hardhandige optreden - het letsel heeft veroorzaakt”, maar dat daarmee niet vaststaat “dat hij (bewust) handelde met het voornemen om aangeefster van het leven te beroven”. De verdachte stelt zich op het standpunt dat de voor (voorwaardelijk) opzet vereiste bewustheid en de aanvaarding daarvan, niet (zonder meer) uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. “De constatering dat de aangeefster tijdens de schermutselingen in de slaapkamer door een mes blijkt te zijn geraakt in de borststreek, impliceert niet dat de verdachte zich tijdens zijn handelen bewust was van de (aanmerkelijke) kans dat de aangeefster zou kunnen komen te overlijden en dat hij die kans op dat moment bewust heeft aanvaard. De uiterlijke verschijningsvorm van diens handelen biedt - zonder nadere motivering - onvoldoende aanknopingspunten om tot een dergelijk oordeel te kunnen komen”.

5.10.

Deze klacht wordt reeds weerlegd door de omstandigheid dat het hof zowel blijkens de gebezigde bewijsmiddelen als blijkens hetgeen de rechtbank en het hof zelf heeft overwogen, geen voorwaardelijk opzet, maar vol opzet heeft aangenomen. Voor zover het middel ervan uit gaat dat het hof voorwaardelijk opzet heeft aangenomen, mist het dan ook feitelijke grondslag.

5.11.

Voor zover het middel klaagt dat het bewezenverklaarde volle opzet op de dood van de aangeefster niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, faalt het eveneens. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt immers zonder meer dat de verdachte wist dat de aangeefster zou (kunnen) komen te overlijden door haar te steken en dat hij haar dood ook heeft gewild. Uit de bewijsvoering blijkt met andere woorden onmiskenbaar dat de verdachte met het volle opzet om de aangeefster van het leven te beroven, met een mes in haar borst heeft gestoken. De rechtbank heeft in haar door het hof bevestigde vonnis het opzetverweer voorts toereikend gemotiveerd verworpen. Het middel faalt ook in zoverre.

5.12.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6 Het tweede middel

6.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte handelde met voorbedachte raad, onbegrijpelijk is en blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de uitleg en de reikwijdte van dit kwalificerende delictsbestanddeel.

6.2.

Het door het hof bevestigde vonnis houdt onder het kopje “beoordeling van het bewijs”, voor zover van belang, het volgende in:

Standpunt van de verdediging

[…]

Naar het standpunt van de raadsman bevat het dossier geen aanwijzingen dat er door verdachte is gehandeld met voorbedachten rade. Alle acties van verdachte in de periode vóór het incident moeten gezien worden in het licht van het willen praten met aangeefster en haar ter verantwoording willen roepen, aldus de raadsman.

Voorts kan van voorbedachten rade geen sprake zijn nu in het scenario van de officier van justitie er voor verdachte onvoldoende tijd was om zich te kunnen beraden op het nemen van een besluit om aangeefster van het leven te beroven. Daarvoor was de tijdsspanne tussen het moment dat verdachte door het raam de woning binnen kwam en bij aangeefster in de slaapkamer kwam, te kort. Bovendien heeft verdachte nooit de bedoeling gehad aangeefster van het leven te beroven.

[…]

Oordeel van de rechtbank

[…]

De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en acht daarbij het volgende van belang.

Op 15 november 2017 geeft aangeefster aan dat zij de relatie met verdachte wil beëindigen. Verdachte blijft dan nog wel in haar woning slapen. Verdachte heeft aangeefster die nacht bij de keel gegrepen omdat zij zei dat zij niet verder wilde met verdachte. Ook heeft verdachte gezegd dat als zij de relatie zou beëindigen, hij aangeefster zou neersteken met 50 messteken.

Verdachte blijft dan op 17 en 18 november 2017 contact zoeken met aangeefster door steeds naar haar toe te gaan waarbij aangeefster hem niet binnen laat.

Op 19 november 2017 stuurt verdachte filmpjes naar aangeefster waaruit aangeefster afleidt dat verdachte zichzelf en haar iets wil aandoen. ’s Avonds komt verdachte opnieuw bij de woning van aangeefster maar staat daar dan alleen maar.

Op 23 november 2017 heeft de politie een gesprek met verdachte waarin de politie verdachte vertelt dat hij moet stoppen met het lastig vallen van aangeefster.

Uit getuigenverklaringen blijkt dat verdachte tegen hen heeft gezegd dat hij de woning van aangeefster kon binnengaan via een stukgeslagen raam, hij haar een kogel door het hoofd zou schieten en dat hij aangeefster wat zou aandoen.

Op de dag van het incident zelf is ook sprake geweest van een aantal momenten waarop verdachte op zijn voorgenomen besluit had kunnen terugkomen. Dat had hij ten eerste kunnen doen toen bleek dat aangeefster hem niet wilde binnenlaten, ten tweede op het moment dat hij de woning binnenkwam en aangeefster niet aantrof, ten derde op het moment dat hij met een mes vervolgens naar boven liep om naar haar toe te gaan en tot slot op het moment dat hij de slaapkamerdeur dicht aantrof. Echter op geen van deze momenten is verdachte teruggekomen op zijn voorgenomen besluit.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat verdachte voornemens was aangeefster iets aan te doen en wel zodanig dat zij het leven zou laten, al dan niet samen met verdachte. Voor verdachte zijn er voldoende momenten geweest waarop hij heeft kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van dat tevoren opgevatte voornemen en zich daarvan rekenschap te geven. Hieruit volgt dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

De periode vanaf het verbreken van de relatie door aangeefster laat zich lezen als een kroniek van een door verdachte aangekondigd voornemen tot het doden van aangeefster.

De rechtbank acht geen contra-indicaties aanwezig die zouden moeten leiden tot het niet bewezen achten van de voorbedachten rade.

De rechtbank volgt de verdediging niet in haar betoog dat de omstandigheid dat verdachte in het 112-gesprek heeft gezegd dat er snel een ambulance moest komen, is aan te merken als een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachten rade. Dat gedrag van verdachte past juist bij de door de gedragsdeskundigen bij verdachte gediagnostiseerde persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken.

Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank de omstandigheid dat verdachte, volgens zijn verklaring, vóór het steekincident valium, cocaïne en alcohol (al dan niet in grote hoeveelheden) tot zich had genomen, aan te merken als een zodanige contra-indicatie. De rechtbank tekent hierbij aan dat verdachte, na zijn aanhouding, heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek ter vaststelling van het gebruik van alcohol of andere (al dan niet verdovende) middelen, zodat geenszins als vaststaand kan worden aangenomen dat verdachte daadwerkelijk alcohol en of drugs en/of medicatie, al dan niet in grote hoeveelheden, tot zich had genomen. Voor zover daarvan wel zou moeten worden uitgegaan, betrekt de rechtbank hierbij mede de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte, inhoudende dat die middelen ten tijde van het steekincident nog niet werkzaam waren, dan wel niet meer werkzaam waren, en in elk geval niet van invloed zijn geweest op zijn gedragingen.”

6.3.

De pleitnota die ter terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2019 door de raadsman is overgelegd en voorgedragen, houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“11. Partijen hebben gedurende een periode van een aantal maanden een relatie met elkaar gehad. Ik heb in het dossier gelezen dat in augustus 2017 er een relatie tot stand is gekomen in het kader waarvan cliënt zo nu en dan bij [benadeelde] in huis is geweest en daarbij mede de zorg heeft gehad over de kinderen van [benadeelde] . Op haar beurt verbleef [benadeelde] in die periode ook regelmatig in de woning van cliënt aan de [adres] te Emmen.

12. In de P.I. heb ik tezamen met cliënt zijn Gmail-account bekeken. Op het Gmail-account van cliënt staan een groot aantal foto's en filmpjes die dateren uit de periode dat het nog goed tussen partijen liep. Zo heb ik gezien dat cliënt met [benadeelde] en de kinderen een uitje heeft gemaakt naar de Martinitoren in Groningen. Op die foto's en filmpjes maken ze een hele tevreden en gezellige indruk. Ook heb ik in datzelfde Gmail-account een aantal filmpjes gezien waarbij cliënt [benadeelde] heeft gefilmd en waaruit naar bescheiden mening toch wel duidelijk blijkt dat partijen op dat moment heel gelukkig met elkaar waren.

13. In ieder geval heb ik van cliënt begrepen dat hij die periode als zeer aangenaam heeft ervaren en werkelijk in de veronderstelling verkeerde dat de relatie wat zou gaan worden. Ik verwijs in dit verband ook naar de WhatsApp-berichten. Uw College kan vaststellen dat tot het weekend van 11-12 november 2017 de toon van de berichten tussen cliënt en [benadeelde] als zeer vriendelijk en vrolijk kan worden gekarakteriseerd.

14. In het scenario wat door het OM is geschetst en door de rechtbank in eerste aanleg is gevolgd, begint deze gebeurtenis als [benadeelde] op 15 november 2017 een punt achter de relatie met cliënt zet.

15. De vraag is of dat op een voor cliënt duidelijke wijze is geschied. Ik heb in eerste aanleg gesteld (en dat herhaal ik in het kader van dit hoger beroep) dat cliënt zelf de mededeling van [benadeelde] zag als een soort time-out en niet als een definitief einde van de relatie.

16. Vanwege het feit dat het juist zo goed tussen partijen en de kinderen van [benadeelde] liep, heeft cliënt zich die mededeling van [benadeelde] (hoe die dan ook uitgelegd moet worden) zeer zwaar aangetrokken. Dat heeft zich geuit in een groot aantal berichten van cliënt aan [benadeelde] waarin hij naar mijn mening zijn verdriet uit over het feit dat [benadeelde] in ieder geval voorlopig een punt achter de relatie heeft gezet. Uit die berichten blijkt dat cliënt op dat moment erg met zichzelf in de knoop zat. Ik verwijs daartoe met name naar de overzichten van de WhatsApp-berichten die door de politie zijn uitgetypt en die zijn terug te vinden op de bladzijden 79 en volgende van het proces-verbaal.

17. In het kader van dit hoger beroep heb ik uiteraard nogmaals die WhatsApp-berichten doorgenomen en ik kan zonder meer toegeven dat de berichten wanhopig van toon zijn. Cliënt heeft er veel moeite mee dat [benadeelde] hem heeft verteld hem niet meer te willen zien.

In de afgelopen twee jaar heeft cliënt natuurlijk zichzelf voortdurend de vraag gesteld hoe zijn gemoedstoestand toen was toen hij die berichten stuurde en waarom hij ze verstuurde. Cliënt komt met de wetenschap van nu tot de conclusie dat hij eigenlijk in die maanden dat hij een relatie met [benadeelde] had niet in haar woning wilde zijn. De toenmalige woning van [benadeelde] bevindt zich in de wijk [...] en cliënt is in zijn jeugd in deze wijk opgegroeid. In die periode had cliënt nog een nauw contact met zijn vader. De vader van cliënt is in februari 2016 overleden op het moment dat cliënt in detentie zat. Cliënt heeft dus eigenlijk niet of althans nauwelijks afscheid van zijn vader kunnen nemen en is pas in de zomer van 2017 begonnen om dit verlies te verwerken.

In de periode dat cliënt in de woning te [...] verbleef, werd hij eigenlijk voortdurend geconfronteerd met het gemis van zijn vader en heeft dat voortdurend bij hem spanningen en emoties opgeroepen. Uiteraard heeft cliënt dit gemis van zijn vader ook met [benadeelde] besproken en was zij daarvan op de hoogte. Doordat [benadeelde] aangaf dat zij niet wilde dat hij bij haar woning kwam, moest hij als het ware afscheid nemen van de wijk [...] waar hij destijds een goed contact met zijn vader had gehad.

18. Niet uit te sluiten valt dat om bovengenoemde redenen cliënt na 15 november 2017 in een zeer emotionele toestand verkeerde. Daarbij komt dat ik in eerste aanleg niet heb uitgesloten dat cliënt in dat stadium onder invloed was van drank en/of drugs. Ik heb dat uiteraard nog bij cliënt nagevraagd en die sluit dat zeker niet uit. Die WhatsApp-berichten zijn zonder meer zeer dramatisch van aard, maar op dat moment in ieder geval voor cliënt zeer begrijpelijk. Cliënt maakte zich zorgen over haar toestand, haar situatie thuis en haar kinderen. Aan de andere kant staat het ook als een paal boven water dat cliënt in die WhatsApp-berichten uitlatingen heeft gedaan waarvan een objectieve buitenstaander zou zeggen dat die op zijn zachtst gezegd zeer overtrokken zijn geweest.

19. De vraag is natuurlijk: hoe heeft [benadeelde] die toenmalige WhatsApp- berichten van cliënt opgevat? Nam ze deze serieus of nam ze die berichten met een korrel zout?

20. In de verklaringen van [benadeelde] heb ik op pagina 59, alinea 2, gelezen dat ze deze uitlatingen van cliënt niet echt serieus nam en zeker niet had gedacht (vanuit haar optiek) dat cliënt de daad bij het woord zou voegen. Ik voeg daar nog aan toe dat in de WhatsApp-berichten cliënt alleen iets over zichzelf zegt. Hij geeft aan dat hij zichzelf iets wil aandoen en niet dat hij [benadeelde] iets wil aandoen. Hij maakt zich bezorgd over [benadeelde] . Ik verwijs daartoe naar de laatste pagina waarin hij aangeeft is dat hij bang is dat [benadeelde] terugvalt in haar oude patroon en gedrag.

21. Kortom, al die berichten van cliënt (die er inderdaad qua woordkeuze niet bepaald om liegen) zijn door [benadeelde] zelf niet serieus genomen. De berichten waren voor cliënt wel ongebruikelijk, maar cliënt gaat ervan uit dat [benadeelde] weet dat cliënt altijd lief voor haar is geweest en ook om haar gaf.

22. Ik heb in het vonnis op pagina 5, laatste alinea, gelezen dat de rechtbank zeer grote waarde toekent aan die voorgeschiedenis. Uit die voorgeschiedenis wordt immers de voorbedachten rade door de rechtbank afgeleid. De rechtbank refereert daarbij aan een aantal gebeurtenissen.

23. Op 15 november 2017 geeft [benadeelde] aan dat ze de relatie met cliënt wil beëindigen. Wat dan opmerkelijk is, is dat cliënt dan wel die avond in haar woning blijft slapen. [benadeelde] stelt dat cliënt haar die nacht bij de keel zou hebben gegrepen, omdat zij zei niet verder met hem te willen. Cliënt heeft mij over dat incident verteld dat hij haar niet bij de keel heeft gegrepen en dat er sprake was van een incident met de hond. Dat had dus niets te maken met het feit dat [benadeelde] een punt achter de relatie wilde zetten.

24. Ook de verklaring van [benadeelde] dat cliënt die nacht zou hebben gezegd dat als zij de relatie zou beëindigen hij haar zou neersteken met 50 messteken, is wat mij betreft niet als een vaststaand feit aan te merken. Cliënt heeft mij gezegd dat hij dat nooit tegen [benadeelde] heeft gezegd. Dit komt pas in een latere verklaring plotseling wat cliënt betreft uit de hoek.

25. Wat naar mijn oordeel wel vaststaat is dat cliënt de dagen daarna (de rechtbank gaat daarbij uit van de data 17 en 18 november 2017) contact blijft zoeken met [benadeelde] , waarbij [benadeelde] hem niet binnenlaat. In die gevallen is cliënt wel weer weggegaan, om een confrontatie uit de weg te gaan en [benadeelde] niet bang te maken.

26. Wat ik van cliënt heb begrepen is dat hij in dat stadium graag met [benadeelde] wilde praten over het feit dat hij bezig was de dood van zijn vader te verwerken en dat hij om die reden eigenlijk helemaal niet in de woning van [benadeelde] in de wijk [...] wilde zijn. Cliënt was van plan aan [benadeelde] te vertellen wat de goede punten in de relatie tussen partijen waren en dat het zonde zou zijn om de relatie te beëindigen. Cliënt wilde vertellen dat hij en [benadeelde] niet allebei perfect zijn en dat het mogelijk zou moeten zijn een oplossing te zoeken.

27. Vervolgens wordt er door de rechtbank in het vonnis in eerste aanleg gerefereerd aan filmpjes die cliënt op 19 november 2017 naar [benadeelde] heeft gestuurd en waaruit [benadeelde] afleidt dat cliënt zichzelf en haar iets zou willen aandoen.

28. Die filmpjes zijn inderdaad zonder meer heftig te noemen maar moeten, zoals gezegd, worden gezien in het feit dat cliënt op dat moment enigszins verontwaardigd was. Die verontwaardiging had eigenlijk niets met de relatie als zodanig te maken. Het was meer een kwestie van gal spuwen over het feit dat cliënt van mening is dat hij tijdens de relatie heel veel werk voor [benadeelde] heeft gedaan, waaronder de zorg van haar kinderen en hij op dat moment van mening was dat zij in dat opzicht niet echt bepaald dankbaar richting cliënt heeft opgesteld.

29. Wat voor de rechtbank zwaar weegt, is dat de politie op die bewuste 23 november 2017 een gesprek met cliënt heeft gevoerd, waarin de politie heeft aangegeven dat cliënt [benadeelde] met rust moet laten en cliënt zou hebben gezegd dat hij de woning van [benadeelde] zou ingaan via een stukgeslagen raam en haar dan een kogel door het hoofd zou schieten.

Het is van belang te stellen dat cliënt uitdrukkelijk betwist dat dat het geval is geweest. Cliënt ontkent uitdrukkelijk dat hij dit soort zaken op dat moment tegen de politie heeft gezegd. Van belang is dat uw College ziet dat dit verhaal in het dossier terecht is gekomen door de verklaring van de heer [getuige 3] . De heer [getuige 3] verklaart dat cliënt dat tegen hem gezegd zou hebben. Het betreft dus een zogenaamde de auditu verklaring wat in het dossier terecht is gekomen.

Hierbij komt dat uit de verklaringen die de heer [getuige 3] heeft afgelegd blijkt dat hij het nodige aan [benadeelde] heeft verteld over het verleden van cliënt, waar cliënt niet bepaald goed af kwam.

30. Cliënt sluit niet uit dat de politie in Emmen bereid was om die verklaring van de heer [getuige 3] in het dossier te stoppen. Op de vele pro forma zittingen heeft cliënt namelijk meer dan eens aangegeven dat hij al sinds decennia een zeer gespannen verhouding met de politie in Emmen heeft. Op zijn zachtst gezegd botert het niet echt bepaald tussen de politie en cliënt. Cliënt is er stellig van overtuigd dat hij letterlijk vanaf zijn jeugd door politieagenten van de politie in Emmen op allerlei manieren wordt dwars gezeten. Dat heeft zijn beeld van de politieagenten in Emmen bepaaldelijk gekleurd.

Wellicht heeft de verklaring die de heer [getuige 3] heeft afgelegd de verbalisanten in hun overtuiging gesterkt dat er met geen cliënt geen goed garen te spinnen valt en is die verklaring dus zo in het dossier terechtgekomen zonder dat eigenlijk voldoende duidelijk is geworden dat het hier een van horen zeggen verklaring is waaraan wat mij betreft geen enkele bewijskracht kan worden toegekend.

31. Ik heb in mijn pleidooi in eerste aanleg ook al gewezen op het feit dat [benadeelde] op dinsdag 21 november 2017 op het bureau in Emmen is geweest, maar op dat moment geen aangifte jegens cliënt heeft gedaan. Ook dat sterkt mij in de stelling dat [benadeelde] zich uiteraard zorgen maakte over het optreden van cliënt, maar in ieder geval niet zodanig dat ze het noodzakelijk achtte om aangifte jegens hem te gaan doen.

32. Wat ik in dat opzicht van cliënt heb begrepen is dat in de maanden dat partijen een relatie met elkaar hebben gehad, heeft cliënt nooit dergelijke nare dingen geroepen. [benadeelde] kende cliënt en wist dat hij haar nooit iets zou aandoen. Anders kan ik niet verklaren waarom [benadeelde] niet op die 21 november 2017 aangifte bij de politie heeft gedaan.

33. Zoals gezegd, spelen er in deze zaak twee scenario's. Het scenario van het OM en het scenario van cliënt.

34. Op pagina 4 en 5 van het vonnis in eerste aanleg heeft de rechtbank uitdrukkelijk het scenario van het OM gevolgd. Dat leid ik af uit de woorden: “Met de officier van justitie gaat de rechtbank uit van de verklaring van aangeefster van 1 december 2017 waarin zij de gebeurtenissen schetst vanaf het moment dat verdachte op 24 november 2017 bij haar woning komt en kenbaar maakt dat hij naar binnen wil’’.

35. Dat scenario komt er dus op neer dat cliënt op 24 november 2017 met voorbedachten rade naar de woning van [benadeelde] zou zijn gekomen en klaarblijkelijk het doel had om haar die avond van het leven te beroven.

36. Met name (de weergave van) het 112-gesprek wordt door de rechtbank als een zwaarwegend element voor de juistheid van het scenario van het OM aangemerkt.

37. Het komt erop neer (terug te lezen in alinea 1 van pagina 6) dat de rechtbank voldoende aannemelijk/bewezen acht dat cliënt van plan was [benadeelde] iets aan te doen en wel zodanig dat ze het leven zou laten. Daarbij betrekt de rechtbank natuurlijk ook de periode vanaf het verbreken van de relatie, die zich in de optiek van de rechtbank laat lezen als een kroniek van een door cliënt aangekondigd voornemen tot het doden van de aangeefster.

38. Uiteindelijk komt de rechtbank, zich baserend op het scenario van het OM, uit op een poging tot moord.

39. Daar tegenover staat het scenario wat cliënt heeft geschetst en waar ik ook in het kader van dit hoger beroep thans opnieuw op terug zal komen.

40. Hiervoor heb ik al aangegeven dat er behalve cliënt en [benadeelde] die bewuste paar minuten niemand in de woning van [benadeelde] aanwezig is geweest en het in zoverre de verklaring van [benadeelde] is tegenover de verklaring van cliënt.

41. Dat betekent dus dat eigenlijk uit indirecte omstandigheden moet worden afgeleid wat er dan die avond is gebeurd en welk scenario het meest waarschijnlijk moet worden geacht. Daarbij is met name dat 112-gesprek door de rechtbank van een zeer grote waarde voorzien.

42. Op grond van dat feit heb ik in de voorfase meerdere malen, erop aangedrongen dat ik in de gelegenheid zou worden gesteld om tezamen met cliënt dat 112-gesprek af te luisteren. Dat hangt samen met het feit dat cliënt al in eerste aanleg heeft aangegeven dat naar zijn oordeel dat 112-gesprek is gemanipuleerd, in die zin dat de weergave van het 112-gesprek zoals dat in het dossier terecht is gekomen, niet het werkelijke of volledige gesprek is geweest.

43. Om dit verweer handen en voeten te geven is het natuurlijk noodzakelijk geweest dat ik dit 112-gesprek tezamen met cliënt heb kunnen afluisteren. Met behulp van de welwillende medewerking van de AG, heb ik dat een aantal weken geleden met cliënt in de P.I. in Zwolle kunnen doen en daarbij heeft cliënt mij op een aantal op zijn zachtst gezegd merkwaardigheden gewezen waar ik hierna op terug zal komen.

44. Van belang is hierbij ook de weergave van het 112-gesprek zoals dat in het proces-verbaal terecht is gekomen en ik verwijs daarbij ook naar de chronologische volgorde en tijd die tussen allerlei gebeurtenissen hebben plaatsgevonden (vgl. pagina 18 en volgende).

45. Wat vaststaat is dat cliënt om 20.20 uur bij de woning van [benadeelde] arriveert. Omdat het toen, net als nu, november was, was het op moment al pikkedonker.

46. Ik heb hiervoor al aangegeven wat de reden is waarom cliënt destijds naar de woning van [benadeelde] is toegegaan. Hij wilde met haar praten om de diverse redenen waaronder de dood van zijn vader. Aan de andere kant is het natuurlijk wel zo dat cliënt heeft verklaard dat het voor de eerste keer sinds tijden was dat hij een combinatie van valium, cocaïne en drank heeft genuttigd. Niet uit te sluiten valt dat dat natuurlijk ook de situatie heeft gekleurd. De beweegredenen waren evenwel uitdrukkelijk niet om [benadeelde] van het leven te beroven. Cliënt wilde met haar praten. Niet meer en niet minder.

43. […]

142. Subsidiair merk ik hieromtrent nog op dat in ieder geval geen poging tot moord dan wel doodslag kan worden vastgesteld. Dat is ook in lijn met hetgeen ik in eerste aanleg heb betoogd. Ik betwist uitdrukkelijk dat er sprake is geweest van voorbedachten rade waarbij ik heb verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012 (UN BR 2342).

143. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij de vraag of er al dan niet sprake is van voorbedachten rade het gaat om de weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van de voorbedachten rade leidt.

144. Ik heb hierboven al de nodige argumenten genoemd. Ik heb gezien dat de rechtbank op pagina 6, tweede alinea, aangeeft dat er geen contra-indicaties aanwezig zouden moeten zijn die moeten leiden tot het niet bewezen achten van de voorbedachten rade, afgezien van het voornoemde primaire verweer (vrijspraak) heeft de rechtbank ten onrechte het gedrag van verdachte in dat 112-gesprek, waarbij cliënt aangeeft dat er zo snel mogelijk een ambulance moet komen, uitgelegd als iets wat nu juist bij cliënt zou horen, zijnde een gediagnosticeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline. Wat cliënt betreft is een borderline stoornis precies andersom. Eerst liefde, dan boos, onder druk, dan micropsychose.

145. Ik moet u bekennen dat ik dat verband niet leg. Ik begrijp niet waarom als iemand borderline heeft (dat betwist cliënt overigens en daar kom ik later nog op terug) dit dan tot gevolg zou moeten hebben dat vanuit die persoonlijkheidsstoornis cliënt zou hebben gezegd dat er snel een ambulance moet komen. Nogmaals, cliënt was op dat moment onder invloed van valium, coke en drank en was compleet in paniek. Ik heb dat namens cliënt verklaard doordat hij niet met dat mes heeft gestoken en compleet over zijn toeren raakte toen hij zag dat [benadeelde] zwaar gewond is geraakt. Dat had alles te maken met het feit dat hij dat niet zag aankomen en in dat opzicht van niets wist.

146. Ook het op zichzelf vaststaande feite dat cliënt voor het incident valium, cocaïne en alcohol (al dan niet in grote hoeveelheden) tot zich heeft genomen, wordt door de rechtbank in mijn optiek ten onrechte aangemerkt als een contra-indicatie.

147. Het feit dat cliënt na zijn aanhouding heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek ter vaststelling van het gebruik op alcohol is daartoe wat mij betreft niet afdoende.

148. Ook de verklaring ter zitting afgelegd dat de middelen ten tijde van het steekincident nog niet werkzaam waren dan wel niet meer werkzaam waren en niet van invloed zijn geweest op zijn gedragingen, is wat mij betreft te mager geformuleerd en beargumenteerd.

149. Ik kom tot de conclusie dat vaststaat dat cliënt die avond wel degelijk valium, alcohol en coke tot zich had genomen, waarvan hij in zijn eerste verklaring tegenover de politie heeft aangegeven dat hij onder invloed daarvan die avond naar de woning van [benadeelde] is toegegaan. Er is geen reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen en dat betekent dat er in ieder geval in deze subsidiaire variant voldoende contra-indicaties zijn om in ieder geval niet te kunnen uitgaan van voorbedachten rade, zodat dus ook het primair ten laste gelegde poging tot moord niet kan worden bewezen.”

6.4.

Het arrest van het hof houdt als bewijsoverweging, voor zover van belang, het volgende in:

“Verweren van de verdediging

[…]

Subsidiair is betwist dat sprake was van voorbedachten rade.

[…]

Aanvullende bewijsoverwegingen van het hof

[…]

Het subsidiaire verweer dat geen sprake zou zijn van voorbedachten rade, wordt zonder meer door de gebezigde bewijsmiddelen weerlegd.”

6.5.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.33

6.6.

Het middel klaagt blijkens de toelichting in het bijzonder dat het oordeel van het hof dat de voorbedachte raad zonder meer uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, onbegrijpelijk is, blijk geeft van een onjuiste waardering van de feiten, en/of blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de inhoud en/of reikwijdte van het bestanddeel voorbedachte raad. Daartoe wordt in de toelichting aangevoerd dat en waaruit blijkt dat de verdachte “impulsief, onbeheerst en door emotie gedreven heeft gehandeld, welk handelen (in dit geval) uitsluit dat van voorbedachte raad sprake is geweest”.

6.7.

De rechtbank heeft aan zijn door het hof bevestigde oordeel dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld – kort gezegd - het volgende ten grondslag gelegd. Op 15 november 2017 geeft de aangeefster aan dat zij de relatie met verdachte wil beëindigen. De verdachte heeft de aangeefster die nacht bij de keel gegrepen omdat zij zei dat zij niet verder wilde met verdachte. De verdachte zei dat als zij de relatie zou beëindigen, hij de aangeefster zou neersteken met 50 messteken. De verdachte blijft de dagen erna contact zoeken met de aangeefster door steeds naar haar woning toe te gaan en filmpjes naar haar te sturen waaruit zij afleidt dat de verdachte zichzelf en haar iets wil aandoen. De verdachte heeft tegen getuigen gezegd dat hij de woning van de aangeefster kon binnengaan via een stukgeslagen raam, hij haar een kogel door het hoofd zou schieten en dat hij de aangeefster wat zou aandoen. Op de dag van het incident zelf had de verdachte op zijn voorgenomen besluit kunnen terugkomen i) toen bleek dat de aangeefster hem niet wilde binnenlaten, ii) op het moment dat hij de woning binnenkwam en de aangeefster niet aantrof, iii) op het moment waarop hij met een mes vervolgens naar boven liep om naar haar toe te gaan en tot slot iv) op het moment dat hij de slaapkamerdeur dicht aantrof. Voorts heeft de rechtbank met betrekking tot contra-indicaties geoordeeld dat zij de verdediging niet volgt in haar betoog a) dat de omstandigheid dat de verdachte in het 112-gesprek heeft gezegd dat er snel een ambulance moest komen, is aan te merken als een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachten rade en b) dat de omstandigheid dat de verdachte, volgens zijn verklaring, vóór het steekincident valium, cocaïne en alcohol (al dan niet in grote hoeveelheden) tot zich had genomen, is aan te merken als een zodanige contra-indicatie.

6.8.

Het oordeel van het hof dat de verdachte "met voorbedachte raad" heeft gehandeld, is, ook gelet op hetgeen hiervoor onder 6.5 is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik mede in aanmerking de op bovenstaande overwegingen gebaseerde oordelen van de rechtbank i) over het door de verdachte - na het door de aangeefster verbreken van hun relatie - meermalen aangekondigde voornemen tot het doden van de aangeefster, ii) over de voldoende momenten op de dag van de steekpartij waarop de verdachte over zijn voorgenomen besluit had kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven en daarop had kunnen terugkomen, uit welke gelegenheid tevens blijkt dat iii) de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, en iv) over het ontbreken van contra-indicaties die zouden moeten leiden tot het niet bewezen achten van de voorbedachten rade,34 welke oordelen het hof door het vonnis te bevestigen tot de zijne heeft gemaakt. Daarmee heeft het hof, anders dan de steller van het middel meent, evenmin “blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de uitleg en de reikwijdte van dit kwalificerende delictsbestanddeel”.

6.9.

Voor zover het middel ervan uitgaat dat verdachtes handelen “impulsief” was, “onbeheerst en door emotie gedreven”, mist het, mede gelet op de voornoemde overwegingen van de rechtbank die hun grondslag vinden in de gebezigde bewijsmiddelen, feitelijke grondslag.

6.10.

Het middel faalt.

7 Het derde middel

7.1.

Het middel klaagt dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen, omdat zij - gelet op de standpunten van de verdediging - onvoldoende zijn verankerd in objectief bewijsmateriaal. Het bewijsoordeel is hierdoor onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk.

7.2.

De steller van het middel gaat ervan uit dat in een geval zoals het onderhavige, waarin twee mogelijke scenario’s lijnrecht tegenover elkaar staan, de keuze voor het scenario dat belastend is voor de verdachte een objectieve verankering vereist. Het hof kan in zo’n geval niet volstaan met een selectie die er op neerkomt dat het scenario dat door de aangeefster wordt verteld voor waar wordt aangenomen, zonder enig onderzoek te doen naar de feiten die door de verdediging aan het alternatieve scenario ten grondslag zijn gelegd. Het hof heeft volgens de steller van het middel een keuze gemaakt voor het eerste scenario, zonder het andere scenario uitdrukkelijk uit te sluiten, waardoor de bewijsconstructie vragen oproept. In het licht van de standpunten die door de verdediging zijn ingenomen en onderbouwd ten aanzien van het bewijs - in het bijzonder met betrekking tot de onderbouwing van het alternatieve scenario - zal geoordeeld moeten worden dat de bewijsbeslissing niet, althans niet zonder meer, begrijpelijk is, in aanmerking genomen dat het (veiliggestelde) sporenmateriaal niet onderzocht is en het hof geen enkele poging heeft gedaan om objectief vast te stellen welk scenario het juiste verhaal vertelt.

8. Het hof heeft het door en namens de verdachte aangedragen scenario niet aannemelijk geworden geacht, nu het dossier geen enkele steun biedt voor dat scenario. Het hof stelt verder vast dat het door verdachte aangedragen scenario reeds afstuit op het bewijs, te weten hetgeen aangeefster over de toedracht heeft verklaard, terwijl de door de aangeefster afgelegde verklaring door meerdere bewijsmiddelen wordt ondersteund.

8.1.

In voorgaande overwegingen ligt besloten dat het hof niet onbegrijpelijk van oordeel is dat nader onderzoek naar de argumenten voor het door en namens de verdachte aangedragen scenario tegen de achtergrond van de inhoud van het strafdossier niet noodzakelijk is, nu de door de aangeefster afgelegde verklaring door meerdere bewijsmiddelen wordt ondersteund. Uit de gebezigde bewijsmiddelen en uit de bewijsoverwegingen van de rechtbank en het hof blijkt immers dat het door de aangeefster aangedragen scenario met name wordt ondersteund door de 112-opname, maar ook door verschillende getuigen- en politieverklaringen en een proces-verbaal van bevindingen van de politie.

8.2.

De steller van het middel voert daartegen aan dat het hof daarmee “ongemotiveerd” een keuze heeft gemaakt voor het scenario zoals dat door de aangeefster werd geschetst, nu deze keuze niet is verankerd in ‘objectief bewijs’, te weten in resultaten van sporenonderzoek. De opvatting dat deze keuze een dergelijke verankering vereist, vindt evenwel geen steun in het recht.

8.3.

Het middel faalt.

9 Het vierde middel

9.1.

Het middel klaagt dat, gelet op de veranderde wetgeving, de door het hof opgelegde vervangende hechtenis (bij de schadevergoedingsmaatregel) dient te worden vervangen door gijzeling van gelijke duur.

9.2.

Het middel is gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 terecht voorgesteld. Het bestreden arrest kan niet in stand blijven voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast. De Hoge Raad kan in plaats daarvan bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

10. Het eerste, tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vierde middel is terecht voorgesteld.

11. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Voetnoot in het origineel: Proces-verbaalnummer PLO 100-2017310474-7, p. 36 van het dossier.

2 Paragraaf 71 van de pleitnota.

3 Paragraaf 72 van de pleitnota.

4 Paragraaf 79 van de pleitnota.

5 Bewijsmiddel 1.

6 Bewijsmiddel 3.

7 Paragraaf 72 van de pleitnota.

8 Paragraaf 72 van de pleitnota.

9 Paragraaf 102 van de pleitnota.

10 Bewijsmiddel 1.

11 Bewijsmiddel 3.

12 Paragraaf 75 van de pleitnota.

13 Bewijsmiddel 4.

14 Paragraaf 80 van de pleitnota.

15 Paragraaf 93 van de pleitnota.

16 Bewijsmiddel 4.

17 Paragraaf 99 van de pleitnota.

18 Paragraaf 82 t/m 88 van de pleitnota.

19 Paragraaf 90 van de pleitnota.

20 Bewijsmiddel 6.

21 Bewijsmiddel 7.

22 Paragrafen 109 t/m 111 van de pleitnota.

23 Paragraaf 106 van de pleitnota.

24 Paragraaf 113, 119 en 127 van de pleitnota.

25 Bewijsmiddel 3.

26 Paragraaf 114 van de pleitnota.

27 Bewijsmiddel 1.

28 Paragraaf 122 van de pleitnota.

29 Bewijsmiddel 3.

30 Paragraaf 122 van de pleitnota.

31 Paragraaf 112 van de pleitnota.

32 Bewijsmiddel 4.

33 Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen.

34 Vgl. HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3167, NJ 2016/112 m.nt. Rozemond.