Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1084

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
19/05489
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gevoegde zaken 19/05481 en 19/05489. Procesrecht. Huwelijksvermogensrecht. Cassatieberoep van de ene partij tegen deelbeschikking; klachten tegen eindbeschikkingdeel? Geldt voor ontvankelijkheid van op dezelfde dag ingesteld zelfstandig cassatieberoep van de andere partij hetzelfde als bij incidenteel cassatieberoep (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7705)? Geschil over vraag wie eigenaar is van de echtelijke woning. Veroordeling tot betaling gebruiksvergoeding voor voortgezet gebruik echtelijke woning na echtscheiding; is die veroordeling onvoorwaardelijk? HR vraagt nadere conclusie A-G in de zaak 19/05489.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05489

Zitting 13 november 2020

CONCLUSIE

E.B. Rank-Berenschot

In de zaak

[de man]

verzoeker tot cassatie

adv.: mr. D.Th.J. van der Klei

tegen

[de vrouw]

verweerster in cassatie

adv.: mr. M.E. Bruning

In deze echtscheidingszaak heeft het hof een tussenuitspraak gegeven. Verzoeker tot cassatie (hierna: de man) komt op tegen de in die uitspraak door het hof aan hem gegeven bewijsopdracht, die betrekking heeft op de beweerdelijk bij hem berustende economische eigendom van de echtelijke woning. Daarnaast klaagt hij dat het hof door de vaststelling van een door hem aan verweerster in cassatie (hierna: de vrouw) voor die woning te betalen gebruiksvergoeding een verboden prognose omtrent het nog te leveren bewijs heeft gegeven. Ook worden klachten gericht tegen de door het hof vastgestelde partneralimentatie. Nu het cassatieberoep is gericht tegen een tussenuitspraak, dient eerst de vraag te worden beantwoord of de man ontvankelijk is in zijn cassatieberoep (art. 426 lid 4 jo. 401a lid 2 Rv).

Ook de vrouw heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de bestreden beschikking van het hof. In deze samenhangende zaak 19/05481 wordt thans eveneens geconcludeerd.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:1

(i) Partijen zijn gehuwd op [datum] 1982 te [plaats].

(ii) Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden2, kort gezegd inhoudende uitsluiting van elke vermogens- en/of inkomstengemeenschap met een periodiek verrekenbeding.

(iii) De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 23 januari 20173 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende dat:

- de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [a-straat 1] te [woonplaats];

- de man met ingang van 23 januari 2017 voorlopig zal verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 2.516,- per maand.

1.2

Bij inleidend verzoekschrift van 8 december 2016 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank Den Haag. De vrouw heeft, samengevat en na wijziging van haar verzoek,4 de rechtbank verzocht:

- de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

- te bepalen dat de man zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.777,- per maand;

- te bepalen dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van de gevraagde alimentatiebeslissing voor rekening van de man komen, voor zover deze door hem veroorzaakt worden;

- de verdeling van de tussen partijen bestaande/bestaan hebbende eenvoudige gemeenschap van goederen vast te stellen, conform het nader door de vrouw in het geding te brengen voorstel;

- te bepalen dat de vrouw op grond van het periodieke verrekenbeding de saldi op de in het verzoekschrift genoemde bankrekeningen behoudt, alsmede haar (restant)vordering op [betrokkene 1], alsmede te bepalen dat aan de vrouw het saldo op de Credit Europe rekening toekomt, en in geval de man de overige in par. 11 van het verzoekschrift genoemde vermogensbestanddelen behoudt, te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 257.165,- dient te voldoen, te vermeerderen met een bedrag overeenkomend met de helft van de waarde van de onderneming van de man, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

- te bepalen dat de man op de voet van art. 1:83 BW afschriften van relevante financiële bescheiden verstrekt, althans inzage daarin verschaft.5

1.3

De vrouw heeft op grond van het niet-uitgevoerde periodiek verrekenbeding aanspraak gemaakt op de helft van (de waarde van) al het thans aanwezige vermogen (art. 1:141 lid 3 BW). Volgens de vrouw moet de echtelijke woning buiten de verrekening blijven, omdat zij deze woning reeds vóór het huwelijk uitsluitend in eigendom heeft verkregen.6

1.4

De man heeft – behoudens voor wat betreft het verzoek tot echtscheiding – verweer gevoerd en heeft op zijn beurt een zelfstandig verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft, na wijziging van zijn verzoek,7 de volgende nevenvoorzieningen verzocht:

- toebedeling van de echtelijke woning aan [a-straat 1] te [woonplaats] aan de man door middel van medewerking van de vrouw aan een notariële akte van toebedeling van haar aandeel in de eigendom, onder voorwaarde dat de man aan de vrouw een voorlopig bedrag ter zake van toebedeling betaalt;

- de man en de vrouw te bevelen ingevolge de huwelijkse voorwaarden binnen zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking over te gaan tot het beschrijven van het vermogen van ieder der echtgenoten en binnen twaalf maanden daarna over te gaan tot uitkering;

- een opstelling vermogen en verdeling vast te stellen zoals door de man bijgevoegd en de alimentatieverplichting van de man aan de vrouw te stellen op nihil;

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.8

1.5

De man heeft gesteld dat de echtelijke woning weliswaar door hem aan de vrouw is overgedragen, maar in ieder geval economisch aan hem toebehoort. Volgens de man is destijds afgesproken dat de woning zekerheidshalve op naam van de vrouw zou worden gesteld, om te voorkomen dat eventuele crediteuren van het bedrijf van de man vat zouden kunnen krijgen op de woning. De kosten van de bouw van de woning zijn echter volledig door de man betaald en de vrouw heeft bij de overdracht niets betaald, aldus de man.9

1.6

De vrouw heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het verzoek van de man tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel, onder voorwaarde dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding van € 1.400,- per maand voldoet. Tegen de overige verzoeken van de man heeft de vrouw verweer gevoerd.10

1.7

Op 4 oktober 2017 heeft een behandeling ter terechtzitting plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.8

Bij beschikking van 19 april 201811 heeft de rechtbank, samengevat en voor zover in cassatie van belang:

(i) de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken;

(ii) bepaald dat de man, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.360,- per maand;

(iii) bepaald dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning aan [a-straat 1] te [woonplaats], en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits de man gedurende die tijd een gebruiksvergoeding van € 1.400,- per maand aan de vrouw voldoet;

(iv) bepaald dat partijen hun huwelijkse voorwaarden dienen af te wikkelen zoals in het lichaam van de beschikking vermeld;

(v) bepaald dat partijen – indien zij niet alsnog tot onderlinge overeenstemming kunnen komen – binnen acht weken na heden gezamenlijk een opdracht geven aan een taxateur tot een partijen bindende waardering van het loonbedrijf van de man en van de activa en passiva van het voormalige tuinbedrijf;

(vi) het meer of anders verzochte afgewezen.

1.9

Met betrekking tot de echtelijke woning heeft de rechtbank overwogen dat deze niet in de verrekening behoeft te worden betrokken. Uit de notariële akte van levering van 6 mei 1982 blijkt dat de man de woning aan de vrouw heeft verkocht, de koopsom door de man van de vrouw is ontvangen en de vrouw volledig door de man is gekwiteerd. Gelet op het dwingend bewijs van de notariële akte staat daarmee voor de rechtbank vast dat de woning eigendom is van de vrouw en dat zij deze eigendom vóór de huwelijkssluiting heeft verkregen. Indien de man van mening is dat dit anders is – tegenbewijs kan worden geleverd –, dan had het op zijn weg gelegen dit met stukken te onderbouwen. De man heeft dit niet voldoende gedaan, aldus de rechtbank.12

1.10

Op 5 juni 2018 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven.13

1.11

De man is, onder aanvoering van zeven grieven, van de beschikking van 19 april 2018 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. De man verzoekt in appel de beschikking, behoudens voor wat betreft de uitgesproken echtscheiding, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog het verzoek van de vrouw in eerste aanleg af te wijzen en alsnog het (tegen)verzoek van de man in eerste aanleg toe te wijzen, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling aan de man van al hetgeen de man op grond van de bestreden beschikking aan de vrouw heeft voldaan.14

Met de in cassatie relevante grief II bestrijdt de man dat de vrouw voor de echtelijke woning heeft betaald, grief V keert zich tegen de vaststelling van een gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning en grief VI ziet op de behoeftigheid van de vrouw.

1.12

De vrouw heeft verweer gevoerd en is op haar beurt, onder aanvoering van vijf grieven, in incidenteel hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 april 2018. In het incidenteel appel verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de overwegingen met betrekking tot de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden voor zover het betreft het perceel tuinland met toebehoren aan [a-straat 1] te [woonplaats] en de lijfrentepolissen. De vrouw verzoekt het hof, opnieuw beschikkende:

- de door de man aan haar te betalen partneralimentatie, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers, te bepalen op € 1.975,- per maand;

- te bepalen dat de waarde van de activa van het tuinbouwbedrijf en het loonbedrijf geheel in de verrekening moet worden betrokken zodat de vrouw aanspraak maakt op 50% van de waarde van de activa van de onderneming;

- te bepalen dat de man medewerking dient te verlenen aan de splitsing van de lijfrentepolissen en dat, voor zover splitsing niet mogelijk mocht zijn, subsidiair verrekening in geld dient plaats te vinden.15

Met de in cassatie relevante incidentele grief 1 bestrijdt de vrouw dat zij verdiencapaciteit heeft.

1.13

De man heeft in het incidenteel hoger beroep verweer gevoerd.

1.14

Op 22 februari 2019 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.16

1.15

Bij beschikking van 4 september 201917 heeft het hof in het principale en het incidentele hoger beroep, voor zover in cassatie van belang, als volgt beslist:

“Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor wat betreft het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de gebruiksvergoeding;

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 5 juni 2018 op € 1.030,- per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden af,

alvorens verder te beslissen:

laat de man toe tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat tussen partijen een afspraak heeft bestaan op grond waarvan de vrouw met het oog op zaakscrediteuren van de man slechts in naam eigenaar is geworden van de echtelijke woning aan [a-straat 1], [woonplaats], en dat de man in de onderlinge verhouding tussen partijen in economische zin de eigenaar zou blijven en de vrouw het bedrag van ƒ 110.000,- nimmer daadwerkelijk uit haar vermogen aan hem heeft betaald;

(…)

houdt iedere verdere beslissing aan.”

1.16

De man is bij verzoekschrift tot cassatie van 4 december 2019 – en daarmee tijdig – in cassatie gekomen tegen de beschikking van 4 september 2019. De vrouw heeft een verweerschrift houdende exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend, waarin zij primair heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn beroep en subsidiair tot verwerping van het cassatieberoep. De man heeft een nader verweerschrift betreffende de niet-ontvankelijkheidsexceptie ingediend.18 Deze zaak en zaak 19/05481 worden gevoegd behandeld.

2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

De vrouw heeft in cassatie primair betoogd dat de man niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep, omdat alle vier onderdelen van het cassatieberoep van de man uitsluitend zijn gericht tegen ‘voorlopige’ oordelen van het hof in een tussenbeschikking, waartegen krachtens art. 401a lid 2 in verbinding met art. 426 lid 4 Rv geen cassatieberoep openstaat.

2.2

Op grond van art. 426 lid 1 Rv kunnen partijen cassatieberoep instellen tegen beschikkingen op rekest, dat wil zeggen eindbeschikkingen.19 Ingevolge art. 426 lid 4 jo. 401a lid 2 Rv kan cassatieberoep tegen een tussenbeschikking slechts tegelijk met een beroep tegen de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald of art. 75 lid 1 Rv van toepassing is.

In dit geval blijkt uit de gedingstukken niet dat het hof verlof voor tussentijds cassatieberoep heeft verleend. Evenmin is art. 75 lid 1 Rv van toepassing.

2.3

Een beschikking kan ook deels een eindbeschikking en deels een tussenbeschikking zijn: een zogenoemde deelbeschikking (of meer algemeen: deeluitspraak). Dit is het geval als door een uitdrukkelijk dictum over enig deel van het verzochte een einde wordt gemaakt aan de instantie. Dat gedeelte van de beschikking (het ‘einduitspraakgedeelte’) heeft als eindbeschikking te gelden. Het gedeelte van de beschikking dat betrekking heeft op het nog niet afgedane deel van het verzochte, waarover partijen verder procederen (het ‘tussenuitspraakgedeelte’), heeft als tussenbeschikking te gelden.20

2.4

Voor het einduitspraakgedeelte van de tussenbeschikking begint de cassatietermijn direct te lopen. De beschikking is in zoverre immers een eindbeschikking en art. 401a lid 2 Rv is daarop niet van toepassing. De partij die tegen het einduitspraakgedeelte van een deelbeschikking wenst op te komen, mag dus niet wachten tot de eindbeschikking, maar moet aanstonds beroep instellen.21

2.5

Uit vaste rechtspraak van uw Raad volgt dat ten aanzien van een deeluitspraak het verbod om tussentijds beroep in te stellen tegen een tussenuitspraak wordt doorbroken, in die zin dat de beginselen van een goede procesorde (waaronder het concentratiebeginsel) meebrengen dat ook klachten kunnen worden gericht tegen het gedeelte van de uitspraak dat geen einduitspraak behelst (het tussenuitspraakgedeelte), mits het einduitspraakgedeelte en het tussenuitspraakgedeelte zijn gewezen tussen dezelfde partijen.22

2.6

Deze uitzondering geldt echter alleen indien tegen het einduitspraakgedeelte én het tussenuitspraakgedeelte wordt opgekomen. Indien het cassatieberoep uitsluitend klaagt over het tussenuitspraakgedeelte van een deeluitspraak, is het (behoudens verlof) niet-ontvankelijk.23

2.7

Middel 1 van het onderhavige cassatieberoep heeft betrekking op de door het hof aan de man gegeven bewijsopdracht. Aangezien een uitspraak die een bewijsopdracht inhoudt moet worden gekwalificeerd als een tussenuitspraak24, is middel 1 gericht tegen het tussenuitspraakgedeelte van de beschikking.

2.8

De middelen 2 en 3 richten zich tegen de bekrachtiging door het hof van de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning.

Volgens de vrouw (verweerschrift, nrs. 5-6 en 11) is blijkens de overweging dat “het hof er vooralsnog van uit gaat dat de vrouw eigenaar is van de echtelijke woning” (rov. 13) sprake van een voorlopige beslissing voor de duur van de appelprocedure. Deze kan ook na effectuering ervan in haar gevolgen ongedaan worden gemaakt door een definitieve beslissing over de verzochte gebruiksvergoeding en draagt dus geen onherroepelijk karakter. Volgens de rechtspraak van uw Raad is daarmee sprake van een tussenbeschikking waartegen geen tussentijds cassatieberoep openstaat, aldus de vrouw.2526

2.9

In het midden kan blijven of deze beslissing moet worden aangemerkt als een tussenbeschikking als bedoeld in art. 401a lid 2 Rv.

2.10

Mijns inziens valt middel 4 namelijk te kwalificeren als een klacht tegen het (een) einduitspraakgedeelte van de bestreden beschikking. Dit middel komt op tegen de vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie (rov. 14-17 en dictum). Anders dan de vrouw betoogt (verweerschrift, nr. 6), gaat het hierbij niet om een voorlopige beslissing in die zin dat het hof nog niet door een uitdrukkelijk dictum over de verzochte alimentatie een einde heeft gemaakt aan de instantie. Gelet op hetgeen in rov. 16 is overwogen, geeft het hof met het woord “vooralsnog” in rov. 16 (slot) kennelijk aan dat, hoewel van de vrouw verwacht mag worden dat zij over uiterlijk twee jaar tenminste het minimumloon verdient, zij in ieder geval op dit moment nog geen verdiencapaciteit heeft, hetgeen nu de vaststelling van een alimentatie op basis van een behoefte van € 2.740 rechtvaardigt, maar een toekomstige wijziging op de voet van art. 1:401 BW niet uitsluit.

2.11

Nu het cassatieberoep van de man in ieder geval via middel 4 tegen het (een) einduitspraakgedeelte van de deelbeschikking is gericht, kunnen op grond van voormelde rechtspraak tevens klachten worden gericht tegen het (de) tussenuitspraakgedeelte(n) van de deelbeschikking. Dit betekent dat de man ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.

3 Bespreking van de cassatiemiddelen

Middel 1: bewijsopdracht

3.1

Middel 1 is in de kern gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7 en de vervolgens in het dictum geformuleerde bewijsopdracht.

3.2

Het hof heeft in rov. 7 als volgt geoordeeld (volledigheidshalve citeer ik ook de voorafgaande rov. 4 t/m 6):

“4. De man verzet zich tegen de overweging van de rechtbank dat het woonhuis aan [a-straat 1] te [woonplaats] door de vrouw in eigendom is verkregen op 6 mei 1982, derhalve vóór het huwelijk voor een koopsom van ƒ 110.000,-, en welk bedrag de man blijkens de notariële akte heeft ontvangen en daarvoor kwijting heeft verleend aan de vrouw. Volgens de man is slechts sprake geweest van een juridische levering terwijl het huis economisch bij de man verbleef. De vrouw heeft volgens hem niets betaald voor het huis. Het huis is uitsluitend op naam van de vrouw gezet zodat het gezin in geval van calamiteiten van het bedrijf van de man gevrijwaard zou zijn van acties van crediteuren. Bovendien heeft de man staande het huwelijk verbouwingen verricht en bekostigd.

5. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

6. Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat de man de woning vóór het huwelijk aan de vrouw heeft verkocht en geleverd. In de notariële akte wordt verklaard dat de koopsom van ƒ 110.000,- is betaald en dat de vrouw ter zake wordt gekweten. Daarvan uitgaande zou het huis voorhuwelijks vermogen van de vrouw zijn en kan het geen (her)belegging zijn van tijdens het huwelijk overgespaard en ongedeeld gebleven inkomen, zodat het niet tot het te verrekenen vermogen behoort.

7. De man heeft geen eigendomsoverdracht van de woning aan hem gevorderd, ondanks het feit dat hij stelt dat de woning zijn eigendom is. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man nogmaals benadrukt dat de woning in wezen zijn eigendom is gebleven en dat - zo begrijpt het hof de man - de vrouw slechts “op papier” eigenaar is geworden met het oog op zaakscrediteuren van de man. Om die reden heeft het hof de rechtsgronden aangevuld, in die zin dat de vordering van de man aldus moet worden begrepen dat hij terugvordering van het eigendom van de woning claimt. De man heeft erkend dat de authentieke akte dwingend bewijs oplevert maar heeft uitdrukkelijk tegenbewijs aangeboden. Ter zitting van het hof heeft de man met name gesteld dat hij [betrokkene 2], boekhouder, als getuige wil laten horen, aangezien [betrokkene 2] volgens de man van de door partijen overeengekomen constructie op de hoogte was. Nu de man in zoverre een specifiek bewijsaanbod heeft gedaan zal het hof de man toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat tussen partijen sprake was van een afspraak op grond waarvan de vrouw slechts in naam eigenaar was van de woning maar dat in hun onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw de man in economische zin de eigendom zou behouden en tot bewijs van zijn stelling dat de vrouw om die reden het bedrag van ƒ 110.000,- nimmer heeft betaald.”

3.3

Vervolgens heeft het hof in het dictum van de beschikking de man toegelaten tot het leveren van bewijs van zijn stelling

“dat tussen partijen een afspraak heeft bestaan op grond waarvan de vrouw met het oog op zaakscrediteuren van de man slechts in naam eigenaar is geworden van de echtelijke woning aan [a-straat 1], [woonplaats], en dat de man in de onderlinge verhouding tussen partijen in economische zin de eigenaar zou blijven en de vrouw het bedrag van ƒ 110.000,- nimmer daadwerkelijk uit haar vermogen aan hem heeft betaald”.

3.4

Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte de bewijslast op de man heeft gelegd en/of de man bewijs heeft opgedragen als bepaald in het dictum van de beschikking. Aangezien tussen de man en de vrouw een geschil bestaat over de vraag of een goed tot het te verrekenen vermogen moet worden gerekend, en de vrouw het huis buiten de verrekening van de huwelijkse voorwaarden wil houden, is het ook aan de vrouw om te bewijzen dat het goed tot het niet te verrekenen vermogen wordt gerekend.

Indien het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd, respectievelijk had het hof niet voorbij mogen gaan aan de essentiële stellingen van de man, inhoudende dat het huis van de man was, de overdracht slechts was bedoeld om tegen crediteuren te beschermen en de vrouw niet heeft betaald aan de man.27

3.5

Onderdeel 2 klaagt dat het hof ten onrechte de bewijsopdracht zoals opgenomen in het dictum aan de man heeft gegeven, omdat de vrouw heeft gesteld dat de bewijsvermoedens van art. 1:136 lid 2 BW en/of 1:141 lid 3 BW niet van toepassing zijn op het woonhuis en dat het woonhuis buiten de verrekening van de huwelijkse voorwaarden dient te blijven.

Indien het hof dit niet heeft miskend, dan is het oordeel van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd, respectievelijk dan had het hof niet voorbij mogen gaan aan de essentiële stellingen van de man zoals genoemd in onderdeel 1, aldus het onderdeel.

3.6

Deze onderdelen, die in feite (vrijwel) dezelfde klachten bevatten, zijn gebaseerd op de veronderstelling dat het hof de man heeft toegelaten tot het leveren van bewijs in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de vraag of de echtelijke woning onder het te verrekenen vermogen valt.

3.7

Mijns inziens is deze veronderstelling onjuist. De bewijsopdracht heeft kennelijk betrekking op het door het hof in rov. 7 ge(her)formuleerde verzoek van de man tot overdracht c.q. teruglevering van de eigendom van de woning door de vrouw aan de man. Dat kan worden afgeleid uit het volgende procesverloop.

3.8

De vrouw heeft in eerste aanleg verzoeken geformuleerd met betrekking tot de afwikkeling van het periodieke verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden (zie hiervoor onder 1.2). In haar verzoekschrift (nr. 10) heeft de vrouw echter gesteld dat de echtelijke woning buiten de verrekening dient te blijven, omdat de vrouw de echtelijke woning vóór het huwelijk in eigendom heeft verkregen.

De man heeft in eerste aanleg – samengevat – verzocht de echtelijke woning aan de man toe te bedelen, door middel van medewerking van de vrouw aan een notariële akte van toebedeling van haar aandeel in de eigendom, onder voorwaarde dat de man aan de vrouw een voorlopig bedrag betaalt (zie hiervoor onder 1.4). In het verweerschrift tevens tegenverzoek (nrs. 4-5) heeft de man gesteld dat de woning zekerheidshalve op naam van de vrouw is gesteld, maar dat de woning in ieder geval economisch aan hem toebehoort.

De rechtbank heeft in haar beschikking van 19 april 2018 (p. 7) – samengevat – geoordeeld dat de echtelijke woning niet in de verrekening behoeft te worden betrokken, omdat vast staat dat de woning eigendom is van de vrouw en zij deze eigendom vóór het huwelijk heeft verkregen.

De man heeft in zijn beroepschrift (grief II) aangevoerd dat dit oordeel van de rechtbank met betrekking tot de echtelijke woning onjuist is. De man heeft in appel gesteld (beroepschrift, nr. 18) dat de afspraak tussen de man en de vrouw in feite neerkwam op een overdracht van fiduciaire eigendom en dat de vrouw gehouden is de woning terug over te dragen aan de man. Ook heeft de man gesteld dat de echtelijke woning in de afrekening van het huwelijksvermogen moet worden betrokken (beroepschrift, nrs. 26-27). In het petitum heeft hij zijn oorspronkelijke vordering (tot ‘toebedeling’) gehandhaafd.

In het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting bij het hof van 22 februari 2019 is – met betrekking tot de echtelijke woning en voor zover relevant – het volgende opgetekend:

“De voorzitter: (…) Het huis staat op naam van de vrouw. De vrouw heeft het huis betaald. Er ligt een notariële akte aan ten grondslag. Van de notariële akte gaan we in beginsel uit.

Welke afspraken hebben partijen dan gemaakt welke niet zijn verwoord in de notariële akte?

Mr. Duijsens: Het huis en de tuin zitten in elkaar. Toen partijen trouwden zag de man ondernemingsrechtelijk donkere wolken. De vrouw had geen inkomen en vermogen. Om veilig te stellen dat het woonhuis niet in het faillissement van de man zou vallen is het woonhuis op naam van de vrouw gesteld. Niet wetende dat het later problemen op zou leveren. De boekhouder kan het bewijzen.

De voorzitter: Uw bewijsaanbod is dat de vrouw de koopsom van de woning niet heeft betaald? Dat betekent dat overeind blijft staan dat de vrouw het eigendom heeft van de woning.

Mr. Duijsens: Dat klopt. De man heeft weer een aantal zaken bekostigd, zoals een dakkapel etc.

(…)

De voorzitter: De vrouw is eigenaar. De waardestijging komt dan aan de vrouw toe. U zegt dat de man een vorderingsrecht heeft. Wat is de juridische grondslag van uw vordering?

Mr. Duijsens: De man stelt primair dat hij het economisch eigendom heeft van de woning aangezien de reden voor de te naam stelling alleen gelegen was om te voorkomen dat het woonhuis in het faillissement van de man zou vallen.

De voorzitter: Welke afspraken hebben partijen toen gemaakt?

Mr. Duijsens: Het huis werd veiligheidshalve bij de vrouw geparkeerd. Bij een faillissement zou het er uit gehaald worden.

De voorzitter: In de onderlinge verhouding bleef de man eigenaar zegt u.

Mr. Duijsens: Ja.

(…)

De oudste raadsheer: Wat was het kenmerk van de eigendomsoverdracht?

Mr. Duijsens: Destijds speelde bescherming bij beide partijen een rol. Nadien is de man zich als eigenaar gaan gedragen. Het blijft bij het oude dat is afgesproken.

(…)

De voorzitter: Concreet bewijsaanbod is het horen van boekhouder [betrokkene 2]. Hij was volgens u van de constructie op de hoogte. De primaire stelling is bewijs leveren over de afspraak dat de woning alleen op naam van de vrouw is gezet om te voorkomen dat het huis in het faillissement van de man zou vallen. Het tweede dat de man wil bewijzen is dat de vrouw het bedrag van € 110.000,-28 niet heeft betaald.

(…)

De voorzitter: Het hof komt toch weer terug op de wijze van procederen. U vraagt de echtelijke woning aan de man toe te delen. Het hof moet de gronden aanvullen. Vraagt u niet terug levering? Toedelen kan niet.

Mr. Duijsens: U heeft gelijk.

(…)

Mr. Duijsens: Ik ging uit van toedeling. Terug levering spreekt me meer aan. De rest telt dan niet meer.

De voorzitter: Als er terug geleverd is, behoort het woonhuis dan ook tot het te verrekenen vermogen?

Mr. Duijsens: Dat is lastig. Ik denk het niet. Dan ga je terug naar de oude situatie. Economisch eigendom is dan bij de man.”

Hieruit volgt dat het hof tijdens de mondelinge behandeling steeds de nadruk heeft gelegd op het (in appel gehandhaafde) ‘toebedelings’verzoek van de man met betrekking tot de echtelijke woning, dat het hof heeft opgevat als een verzoek om (retro-)overdracht. De door het hof aan de man gegeven bewijsopdracht moet kennelijk in dit licht worden bezien.

3.9

Dit betekent dat de onderdelen 1 en 2 berusten op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking, zodat zij falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.

3.10

De motiveringsklachten uit de onderdelen 1 en 2 falen bovendien omdat het hof niet is voorbijgegaan aan de in onderdeel 1 genoemde stellingen van de man. Het hof heeft deze stellingen in rov. 4 expliciet genoemd en heeft vervolgens in rov. 7 de man toegelaten tot het leveren van bewijs van deze stellingen. Voor de algemene motiveringsklacht dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is gemotiveerd geldt dat is verzuimd met bepaaldheid en precisie uiteen te zetten waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, zodat de klacht in zoverre niet voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.

3.11

Onderdeel 3 van middel 1 klaagt dat het hof in (met name) rov. 6 en 7, alsmede bij de formulering van de bewijsopdracht, heeft miskend dat het voor de man aankomt op het leveren van tegenbewijs tegen de akte van 6 mei 1982, inzake het beroep van de vrouw op die akte en haar stelling dat de volledige eigendom van de woning haar toekomt en zij de koopprijs destijds heeft voldaan, welk tegenbewijs is geslaagd als het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd.

Als het hof dit niet heeft miskend, dan is het oordeel van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd, respectievelijk had het hof niet voorbij mogen gaan aan de essentiële stellingen van de man zoals genoemd in onderdeel 1, aldus het onderdeel.

3.12

Ingevolge art. 157 lid 2 Rv levert een authentieke of onderhandse akte, behoudens de in die bepaling vermelde uitzondering, ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van deze verklaring. Op grond van art. 151 lid 2 Rv staat tegen dit dwingend bewijs tegenbewijs open, dat volgens art. 152 lid 1 Rv door alle middelen mag worden geleverd, tenzij de wet anders bepaalt. Volgens vaste rechtspraak staat het de rechter vrij dit tegenbewijs geleverd te achten indien hij op grond van de in het geding gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring onjuist is, waarbij de rechter aan ieder gebleken feitelijk gegeven in het geding de bewijskracht mag hechten die hem goeddunkt. Het te leveren tegenbewijs mag geslaagd worden geacht als op grond daarvan het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd.29

De mogelijkheid om tegenbewijs tegen een akte te leveren is niet beperkt tot de stelling dat anders is verklaard dan in de akte is opgenomen. Het tegenbewijs kan ook betrekking hebben op de stelling dat de in de akte opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid.30

3.13

Het hof overweegt in rov. 6 dat vast staat dat de man de woning vóór het huwelijk aan de vrouw heeft verkocht en geleverd en dat in de notariële akte wordt verklaard dat de koopsom van ƒ 110.000,- is betaald en dat de vrouw ter zake wordt gekweten.

Voorts overweegt het hof in rov. 7 dat de man heeft erkend dat de authentieke akte dwingend bewijs oplevert, maar uitdrukkelijk tegenbewijs heeft aangeboden.

Vervolgens overweegt het hof in het kader van de vordering tot teruglevering dat het hof de man zal toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat tussen partijen sprake was van een afspraak op grond waarvan de vrouw slechts in naam eigenaar was van de woning maar dat in hun onderlinge verhouding de man in economische zin de eigendom zou behouden, alsmede tot bewijs van zijn stelling dat de vrouw het bedrag van ƒ 110.000,- nimmer heeft betaald.

3.14

Hieruit volgt dat het hof klaarblijkelijk tot uitgangspunt heeft genomen dat de notariële akte van 6 mei 1982 dwingend bewijs oplevert van de waarheid van de daarin opgenomen verklaringen – luidende dat de koopsom van ƒ 110.000,- door de man van de vrouw is ontvangen en dat de vrouw bij deze volledig door de man wordt gekwiteerd, in verband waarmee de man de woning in volle en vrije eigendom overdraagt aan de vrouw31 – en dat het aan de man is om bewijs te leveren van de door hem gestelde feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de in de akte opgenomen verklaringen niet stroken met de feiten en de werkelijke bedoeling van partijen.

3.15

Het hof heeft derhalve niet miskend dat het voor de man aankomt op het leveren van tegenbewijs tegen de akte van 6 mei 1982. Ik verwijs in dit verband tevens naar rov. 18, waarin het hof overweegt dat het hof een beslissing omtrent de proceskosten zal aanhouden, aangezien de man wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

3.16

De vraag of de man het hem opgedragen bewijs heeft geleverd en welke maatstaf daarvoor geldt, zal pas aan de orde komen in de na afloop van de bewijslevering door het hof te wijzen (eind)beschikking. Het hof hoefde hier in de bestreden beschikking nog niet op in te gaan.

3.17

Als gevolg van het bovenstaande faalt de rechtsklacht uit onderdeel 3. De motiveringsklacht uit onderdeel 3 is een herhaling van zetten en faalt eveneens.

Middelen 2 en 3: gebruiksvergoeding

3.18

De middelen 2 en 3 zijn elk gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 13 en het bijbehorende gedeelte van het dictum.

3.19

Met middel 2 wordt geklaagd dat het hof met het definitief en/of onvoorwaardelijk toekennen aan de vrouw van een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning door de man een ontoelaatbare prognose heeft gemaakt omtrent de uitkomst van de bewijsopdracht van het hof aan de man.

In de toelichting wordt – samengevat – aangevoerd dat een gebruiksvergoeding in het algemeen geacht moet worden de economische eigenaar toe te vallen, dat het hof de man heeft toegelaten te bewijzen dat de economische eigendom van de woning bij de man is gebleven, en dat de rechter zich dient te onthouden van een prognose omtrent de uitkomst van te leveren bewijs.

3.20

Middel 3 klaagt dat het hof ten onrechte een onvoorwaardelijke gebruiksvergoeding heeft toegekend terwijl niet vast staat dat de vrouw de economische eigendom van het woonhuis toekomt. Indien het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd, respectievelijk had het hof niet voorbij mogen gaan aan de essentiële stellingen van de man, inhoudend dat de economische eigendom bij hem is gebleven en dat de economische eigendom van de man zich verzet tegen de gevraagde gebruiksvergoeding.32

3.21

Het hof heeft in rov. 13 als volgt overwogen:

“13. Aangezien het hof er vooralsnog van uit gaat dat de vrouw eigenaar is van de echtelijke woning acht het hof het redelijk dat de man aan de vrouw een vergoeding betaalt voor het voortgezet gebruik van die woning. Het hof passeert de stelling van de man dat de vergoeding van € 1.400,- per maand te hoog is en dat het redelijk is om de vergoeding op maximaal 1/3 van voormeld bedrag te bepalen, aangezien het een vrijstaande woning betreft en de man erkent dat de vrouw een huurprijs vraagt overeenkomstig de huurprijzen op de markt.”

In het dictum heeft het hof vervolgens de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor wat betreft het voortgezet gebruik van echtelijke woning en de gebruiksvergoeding.

3.22

In die door het hof bekrachtigde beschikking van 19 april 2018 heeft de rechtbank – kort samengevat – bepaald dat de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van de beschikking (5 juni 2018, toev. A-G), mits de man gedurende die tijd een gebruiksvergoeding van € 1.400,- per maand aan de vrouw betaalt.

3.23

De middelen 2 en 3 nemen terecht tot uitgangspunt dat het oordeel van het hof over de gebruiksvergoeding in het dictum een onvoorwaardelijk oordeel is. Wel valt op te merken dat het gaat het om een tijdelijke gebruiksvergoeding, namelijk voor een periode van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (conform art. 1:165 lid 1 BW).

3.24

Het hof heeft de toekenning van die tijdelijke gebruiksvergoeding redelijk geacht omdat het er “vooralsnog” van is uitgegaan dat de vrouw “eigenaar” is van de woning. Deze laatste aanname is op zichzelf niet onbegrijpelijk. Indien het opgedragen bewijs al door de man zou worden geleverd, zal na en ter uitvoering van de toewijzende eindbeschikking eerst door de vrouw aan de man geleverd moeten worden, wil de man zich daadwerkelijk (weer) eigenaar kunnen noemen.33 Anders dan middel 2 betoogt, gaat het hof dan ook niet uit van een verboden prognose omtrent de uitkomst van de bewijslevering.

3.25

Met de koppeling van de verschuldigdheid van de gebruiksvergoeding aan de (voorlopige, juridische) eigendom van de vrouw gaat het hof er echter aan voorbij dat – naar de man gesteld heeft34 – een dergelijke gebruiksvergoeding zich niet zonder meer verdraagt met het gestelde (en hem te bewijzen opgedragen) feit dat de man naar de bedoeling van partijen sedert de juridische overdracht aan de vrouw in 1982 in hun onderlinge verhouding als economisch eigenaar van de woning heeft te gelden. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom die omstandigheid, indien bewezen, niet aan een gebruiksvergoeding ten gunste van de vrouw en ten laste van de man in de weg zou kunnen staan. De daarop gerichte klachten van middel 3 treffen dan ook doel.

Middel 4: behoefte vrouw

3.26

Middel 4 richt zich tegen rov. 14 t/m 16 en het dictum van de beschikking. Daarin heeft het hof als volgt geoordeeld:

Partneralimentatie

Behoefte

14. De behoefte van de vrouw aan een bijdrage van € 2.740,- netto per maand staat in hoger beroep als niet bestreden vast, zodat het hof die behoefte in aanmerking neemt.

Behoeftigheid

15. Het houdt partijen verdeeld of de vrouw al dan niet in haar eigen behoefte kan voorzien. De man stelt dat de vrouw niet behoeftig is omdat zij kan werken in de zorg, zij een gebruiksvergoeding van € 1.400,- ter zake het voortgezet gebruik van de echtelijke woning van de man ontvangt en zij kan interen op haar vermogen.

De vrouw stelt daarentegen dat zij vanwege traumatische ervaringen van de afgelopen jaren die samenhangen met het huwelijk en de verhouding met haar kinderen in behandeling is bij AMW Cardia en om die reden niet tot werken in staat is.

16. Het hof stelt vast dat de vrouw geen enkele sollicitatiebrief of medische verklaring in het geding heeft gebracht. De vrouw heeft echter wel aannemelijk gemaakt dat zij in behandeling is voor haar problematiek. Gelet op de huidige situatie acht het hof aannemelijk dat de vrouw momenteel niet tot werken in staat is maar van de vrouw mag worden verwacht dat zij wel inspanningen gaat verrichten om inkomen uit arbeid te verwerven. Naar het oordeel van het hof kan van de vrouw in redelijkheid worden verwacht dat zij over uiterlijk twee jaar tenminste het minimum loon verdient, mede gezien het feit dat in de zorg, zijnde de sector waarvoor de vrouw twee jaar lang een opleiding heeft gevolgd, veel vraag is naar personeel. Vooralsnog gaat er hof er derhalve vanuit dat de vrouw behoefte heeft aan voormelde bijdrage van € 2.740,- netto per maand.”

3.27

Nadat het hof in rov. 17 de draagkracht van de man heeft vastgesteld op € 1.030,- per maand, heeft het hof in het dictum de beschikking van de rechtbank voor wat betreft de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vernietigd en de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 5 juni 2018 op € 1.030,- per maand bepaald.

3.28

Voordat ik de twee onderdelen van het middel bespreek, ga ik kort in op het relevante juridisch kader.

Juridisch kader

3.29

Bij het bepalen van alimentatie op de voet van het in dit geval toepasselijke art. 1:157 lid 1 (oud) BW35 dient de rechter te kijken naar behoefte, draagkracht en andere, niet-financiële, omstandigheden.36

3.30

Bij de vaststelling van de behoefte moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt daarbij het welstandsniveau ten tijde van het huwelijk.37De behoefte moet daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.38

3.31

Behoefte is alleen relevant als deze ook als ‘behoeftigheid’ kan worden aangemerkt. Daarvan is sprake als men zelf niet in zijn of haar redelijke behoefte kan voorzien. Nadat iemands behoefte is vastgesteld, moet derhalve worden bepaald of ook sprake is van behoeftigheid.39

3.32

Voor de behoeftigheid is, naast het (in redelijkheid te verwerven) inkomen, ook de aanwezigheid van vermogen van belang. Of van degene die vaststelling van een partneralimentatie verzoekt, kan worden gevergd dat hij of zij inteert op zijn of haar vermogen, hangt af van de omstandigheden van het geval.40 Daarbij kan o.a. relevant zijn of degene die partneralimentatie verzoekt beschikt over een pensioenvoorziening.41

3.33

Hoewel er in de lagere rechtspraak regelmatig van werd uitgegaan dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde ‘verbleekt’ naarmate partijen langer uit elkaar zijn, heeft uw Raad in 2018 geoordeeld dat de behoefte niet verbleekt door enkel tijdsverloop.42

3.34

Bij het vaststellen van de alimentatie heeft de rechter een grote mate van vrijheid. De vaststelling en de weging van de factoren die de behoefte bepalen, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Aan deze oordelen kunnen bovendien geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Dit laat echter onverlet dat deze oordelen voldoende inzicht moeten geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan.43 Ook een beslissing over alimentatie dient ten minste zodanig te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechters daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.44

3.35

Ik keer terug naar de onderdelen van middel 4.

Middel 4 - onderdeel 1

3.36

Onderdeel 1 klaagt dat het oordeel van het hof dat de behoefte van de vrouw op € 2.740,- netto als niet bestreden vast staat (rov. 14) onbegrijpelijk is in het licht van een viertal essentiële stellingen van de man.

3.37

Stelling (i) luidt dat sprake is van uiteen zijn per einde 2016. Volgens stelling (ii) is sprake van verbleekte behoefte. Ik ga ervan uit dat deze stellingen in samenhang moeten worden bezien: omdat partijen al per einde 2016 uiteen zijn is sprake van verbleekte behoefte.45

Deze stellingen kunnen er niet toe leiden dat het oordeel van het hof in rov. 14 onbegrijpelijk is, omdat zij berusten op de onjuiste rechtsopvatting dat de behoefte aan alimentatie door enkel tijdsverloop ‘verbleekt’. Ik verwijs naar par. 3.33 van deze conclusie en de aldaar vermelde bronnen.

3.38

Stelling (iii) luidt dat de opgave van de vrouw is verouderd en de vrouw ten onrechte nalaat huidige relevante gegevens in te brengen.46

De rechtbank heeft in de beschikking van 19 april 2018 (p. 4) overwogen dat de vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een financiële bijdrage van de man van € 2.777,- per maand, dat zij daartoe heeft verwezen naar een behoeftelijst met bijlagen waaruit een totale behoefte van € 2.998,58 blijkt, en dat de man de afzonderlijke posten van de behoeftelijst – uitgezonderd de post ‘huur inclusief servicekosten’ – niet heeft betwist. Omdat uit de door de vrouw overgelegde stukken volgt dat haar maandelijkse huursom € 690,62 in plaats van € 950,- per maand bedraagt, heeft de rechtbank de behoefte van de vrouw berekend op (afgerond) € 2.740,-.

De man heeft in zijn beroepschrift weliswaar een algemene grief gericht tegen het volledige oordeel van de rechtbank over de partneralimentatie (grief VI), maar heeft in de toelichting bij grief VI niet aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank over de behoefte van de vrouw is gebaseerd op onjuiste of verouderde gegevens.

Op de aangegeven vindplaats in de gedingstukken (verweerschrift in het incidenteel hoger beroep (nr. 30)) heeft de man het volgende aangevoerd:

“De vrouw heeft geen resp. onvoldoende gegevens aangeleverd t.a.v. haar huidige behoefte (na aftrek van haar huidige redelijkerwijs te verkrijgen inkomsten) en haar lasten in het huidige tijdvak. de gegevens waar de Rechtbank van uit is gegaan zijn verouderd, resp. van jaren resp. langere tijd terug.”

Door uw Raad is voor alimentatieprocedures een uitzondering aanvaard op de in beginsel strakke regel dat de appelrechter niet mag letten op nieuwe grieven die na de memorie van grieven c.q. het beroepschrift worden aangevoerd (behoudens ondubbelzinnig toestemming van de wederpartij). De appelrechter mag daarom bij zijn beslissing over een alimentatiegeschil rekening houden met feiten waarop de appellant eerst na het formuleren van zijn grieven een beroep doet, ook indien daarin niet anders dan een nieuwe grief kan worden gezien, waarbij de eisen van een goede procesorde wel meebrengen dat de wederpartij genoegzaam de gelegenheid wordt geboden haar verweer aan te vullen en, voor zover nodig, ook overigens haar standpunt te herzien.47

Ook in dat geval blijft echter wel steeds gelden dat een (nieuwe) grief voldoende gemotiveerd dient te zijn.48 Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de man, met zijn enkele opmerking dat de gegevens waar de rechtbank vanuit is gegaan zijn verouderd, geen gemotiveerde grief heeft gericht tegen het door de rechtbank vastgestelde bedrag van de behoefte van de vrouw. Ik verwijs in dit verband tevens naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof (p. 6), waarin is opgenomen:

“De voorzitter: Dan de partneralimentatie. Het hof stelt vast dat de behoefte niet aan de orde is. Wel de behoeftigheid. Ik hoor graag de toelichting.”

Aangezien de man, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de verschillende posten uit de behoeftelijst van de vrouw als zodanig niet heeft betwist en hij, anders dan de algemene opmerking dat de gegevens waar de rechtbank vanuit is gegaan zijn verouderd, ook niet heeft gemotiveerd waarom deze posten zouden zijn gewijzigd, acht ik dit kennelijke oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

Ook stelling (iii) maakt het oordeel van het hof in rov. 14 derhalve niet onbegrijpelijk.

3.39

Stelling (iv) is dat (voor de vaststelling van) de behoefte aansluiting bij de welstand van voor het huwelijk niet redelijk is omdat rekening moet worden gehouden met de stijgende woonlasten van gescheiden wonen en met het slechter lopen van het bedrijf van de man dat al enige tijd gaande was ten tijde van het uiteengaan van partijen in 2016.49

Wat betreft de stijgende woonlasten van de vrouw valt niet in te zien welk belang de man bij deze klacht heeft. Het eventuele slechter lopen van het bedrijf van de man is een omstandigheid die in aanmerking kan worden genomen bij het bepalen van de draagkracht van de man, maar die niet van belang is voor het bepalen van de behoefte van de vrouw.

3.40

Het oordeel van het hof in rov. 14 is derhalve niet onbegrijpelijk in het licht van de in onderdeel 1 genoemde stellingen, zodat onderdeel 1 van middel 4 faalt.

Middel 4 - onderdeel 2

3.41

Onderdeel 2 van het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat het voor de behoefte van de alimentatiegerechtigde aankomt op het inkomen dat de vrouw zich voor haar levensonderhoud in redelijkheid kan verwerven, waarbij of van de vrouw gevergd kan worden dat zij inteert op haar vermogen afhangt van de omstandigheden van het geval.

Indien het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van volgende drie essentiële stellingen van de man.

3.42

Stelling (i): “de eerdere woonvergoeding, wanneer volgens de rechter de vrouw daar recht op heeft jegens de man omdat hij woont in het woonhuis [a-straat 1], [woonplaats].”50

3.43

Blijkens de toelichting bij de klacht (C, nr. 4) is met deze klacht bedoeld dat het hof bij het bepalen van de behoeftigheid (het inkomen) van de vrouw ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding ad € 1.400,- per maand. Op de aangegeven vindplaats heeft de man in dit verband het volgende aangevoerd:

Behoefte vrouw: de Rechtbank heeft t.a.v. de woning [a-straat 1] de man een vergoedingsplicht opgelegd van € 1.400,-. Zie p. 6 van de bestreden uitspraak. Die € 1.400,- heeft de Rechtbank wel meegeteld bij vermindering van de draagkracht van de man, echter heeft de Rechtbank over het hoofd gezien bij de behoefte van de vrouw. Als de man om te wonen € 1.400,- moet betalen aan de vrouw is dat een last die voor de man niet aftrekbaar is in de IB en voor de vrouw niet belast in de IB in box I maar in box III. De vrouw woont niet meer in [a-straat 1]. Voor haar is inkomen uit [a-straat 1] inkomen in Box III. Laag belast.”

3.44

Op dit punt falen de klachten bij gebrek aan belang. Ook indien de te ontvangen woonvergoeding (€ 1.400,-) volledig in mindering zou worden gebracht op de vastgestelde behoefte van de vrouw (€ 2.740,-), overstijgt haar behoeftigheid (€ 1.340,-) nog steeds de vastgestelde draagkracht van de man (€ 1.030,-).

3.45

Stelling (ii): van de vrouw kan gevergd worden dat zij voor enkele overbruggingsjaren inteert op het aanzienlijke banksaldo van meer dan € 200.000,- dat zij onder zich heeft.51

3.46

De man heeft op de aangegeven vindplaats gesteld:

“Behoefte vrouw – Overbruggen uit vermogen: partijen hebben geld opzij gezet voor eventualiteiten. De vrouw heeft een belangrijk deel daarvan overgeboekt voor resp. rond het beëindigen van de samenleving tussen partijen. De vrouw heeft eerder gelden opgenomen om in haar levensonderhoud aan te vullen. Van de vrouw mag verwacht worden dat zij een periode van overgang leeft van interen op haar vermogen. Hetzelfde wat zij eerder voor een deel aan de man in rekening wilde brengen, en de Rechtbank accoord achtte voor de periode van het huwelijk. Temeer waar in het licht van de grote vraag naar arbeid in de zorg het slechts een beperkte tijd zal betreffen.”

3.47

Het hof heeft deze stelling van de man opgetekend (rov. 15).

3.48

De vrouw heeft betwist dat in haar behoefte kan worden voorzien door in te teren op haar vermogen. Zij heeft aangevoerd dat zij het vermogen dat haar thans ter beschikking staat nodig heeft om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien na pensioendatum en dat zij de woning uit is gevlucht en daarom veel geld heeft moeten steken in de aanschaf van nieuwe inboedel (verweerschrift tevens incidenteel appelschrift, nr. 2.6.4).

3.49

Uit par. 3.32 hiervoor volgt dat de vraag of van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd dat hij of zij inteert op zijn of haar vermogen afhangt van de omstandigheden van het geval, waarbij het feit dat de alimentatiegerechtigde geen pensioen heeft opgebouwd een omstandigheid is die ertoe kan leiden dat interen op het vermogen niet in redelijkheid van de alimentatiegerechtigde gevergd kan worden.

3.50

Het hof heeft niet miskend dat de vraag of van de vrouw kan worden gevergd dat zij inteert op haar vermogen afhangt van alle omstandigheden van het geval. In het oordeel van het hof in rov. 16 ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat in de huidige omstandigheden niet van de vrouw kan worden gevergd dat zij inteert op haar vermogen. Dit kennelijke oordeel van het hof is mijns inziens, gezien het verweer van de vrouw, niet onbegrijpelijk. Ook wat deze stelling betreft falen de klachten.

3.51

Stelling (iii): de vrouw kan werken in de zorg om zich een inkomen te verschaffen om in haar levensonderhoud te voorzien, partijen zijn al sinds 2016 uiteen.52

3.52

Ook deze stelling heeft het hof geregistreerd (rov. 15). Het hof heeft vervolgens in rov. 16 geoordeeld dat de vrouw weliswaar geen enkele sollicitatiebrief of medische verklaring in het geding heeft gebracht, maar dat zij wel aannemelijk heeft gemaakt dat zij in behandeling is voor haar problematiek, als gevolg waarvan het hof het, gelet op de huidige situatie, aannemelijk acht dat de vrouw momenteel niet tot werken in staat is. Het hof heeft daarop overwogen dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij wel inspanningen gaat verrichten om inkomen uit arbeid te verwerven, en dat van de vrouw in redelijkheid kan worden verwacht dat zij over uiterlijk twee jaar tenminste het minimumloon verdient.

3.53

Dit oordeel van het hof, dat in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst, is, mede gezien de leeftijd en de arbeidsgeschiedenis van de vrouw, niet onbegrijpelijk.

Daarmee falen ook de klachten met betrekking tot stelling (iii).

3.54

De slotsom is dat het slagen van middel 3 meebrengt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan de bestreden beschikking van Hof Den Haag van 4 september 2019, zaaknummers 200.242.581/01 en 200.242.582/01, p. 3, alsmede de beschikking van Rb Den Haag van 19 april 2018, p. 3.

2 Akte houdende huwelijkse voorwaarden van 21 mei 1982, met staat van aanbrengsten (overgelegd als prod. 5 bij verweerschrift incidenteel hoger beroep).

3 Prod. 28 bij verweerschrift tegen zelfstandig verzoek.

4 Zie het p-v van 4 oktober 2017, p. 11, waaruit volgt dat de vrouw het bedrag van de verzochte partneralimentatie heeft verlaagd naar € 2.777,-.

5 Beschikking van de rechtbank van 19 april 2018, p. 2. Zie ook inl. verzoekschrift, p. 10-11.

6 Beschikking van 19 april 2018, p. 8. Zie ook inl. verzoekschrift, nrs. 9-10, met verwijzing naar de leveringsakte van 6 mei 1982 (prod. 5 bij inl. verzoekschrift).

7 Zie het p-v van 4 oktober 2017, p. 1, waaruit volgt dat de man zijn verzoek om de vrouw te verplichten opgave te doen van het door haar opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen heeft ingetrokken.

8 Beschikking van 19 april 2018, p. 3. Zie ook verweerschrift tevens tegenverzoek, p. 8-9.

9 Verweerschrift tevens tegenverzoek, nrs. 4-5 en 20.

10 Beschikking van 19 april 2018, p. 3. Zie ook verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, nr. 6.

11 Rb Den Haag 19 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4698.

12 Beschikking van 19 april 2018, p. 7.

13 Verklaring van de ambtenaar van de burgerlijke stand, overgelegd als prod. 2 bij beroepschrift.

14 Bestreden beschikking, rov. 2.

15 Bestreden beschikking, rov. 3.

16 Het proces-verbaal bevindt zich uitsluitend in het A-dossier (nr. 30).

17 Hof Den Haag 4 september 2019, zaaknummers 200.242.581/01 en 200.242.582/01.

18 De procesdossiers stemmen niet geheel overeen. In het A-dossier ontbreken o.m.: het faxbericht zijdens de vrouw van 8 januari 2020 (nr. 31 in het B-dossier), het faxbericht zijdens de man van 14 januari 2020 (nr. 32 in het B-dossier) en de brief van het gerechtshof van 16 januari 2020 (nr. 33 in het B-dossier). In het B-dossier ontbreekt o.m.: het p-v d.d. 22 februari 2019 (nr. 30 in het A-dossier).

19 B. Winters, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 426 Rv, aant. 1, onder b; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/253.

20 B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey in: Van der Wiel (red.), Cassatie, 2019/145 en 147; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/77; B. Winters, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 401a Rv, aant. 9, en art. 398 Rv, aant. 3 onder c; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van het Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2018/143; Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 408 (nota).

21 Aldus HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58 m.nt. S. Perrick, rov. 3.4. Zie ook Van der Wiel & Dempsey, Cassatie, 2019/146.

22 O.a. HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051, NJ 2005/510 (Ponteecen/Stratex), rov. 3.2; HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58 m.nt. Perrick, rov. 3.4. Zie ook HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3168, NJ 2006/229 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4 (m.b.t. het appelverbod). Zie ook B. Winters, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 401a Rv, aant. 5, onder f.

23 O.a. HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58 m.nt. Perrick, rov. 3.4; HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2306, NJ 2011/408, rov. 3.2; HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3168, NJ 2006/229 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4 en 3.5 (m.b.t. het appelverbod). Zie ook B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey in: Van der Wiel (red.), Cassatie, 2019/146; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/253; Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009/61.

24 Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van het Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2018/143.

25 De vrouw verwijst naar HR 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7139, NJ 2009/459, betreffende de vaststelling van alimentatie met de toevoeging in het dictum: “voorlopig, totdat het hof anders beslist.” Deze beslissing werd door uw Raad aangemerkt als een niet voor tussentijds cassatieberoep vatbare tussenbeschikking.

26 De verwijzing naar HR 28 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AG6061, NJ 1989/610 is m.i. in dit kader niet relevant, nu het cassatieberoep tegen de beslissing van de rechtbank hier niet-ontvankelijk was omdat appel openstond.

27 Het onderdeel verwijst naar beroepschrift, nrs. 8-11, 15-27, 26-29 en 59.

28 Bedoeld zal zijn ƒ 110.000,-.

29 HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0613, NJ 2008/219 m.nt. C.J.M. Klaassen ([…]/[…]); HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9314, NJ 2001/612 m.nt. W.D.H. Asser (Brooke/Overes q.q.). Zie ook G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 157 Rv, aant. 3.5; J.H.M. ter Haar & H.B. Krans, ‘Debateren over de inhoud van een notariële akte: drie invalshoeken’, WPNR 2008/6777, p. 911-913.

30 HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848, NJ 2016/256.

31 Prod. 5 bij inl. verzoekschrift, p. 1.

32 Het middel verwijst naar beroepschrift, nrs. 8-11, 15-17, 26-29 en 59.

33 Toen het hof zijn beschikking gaf (4 september 2019) was de termijn van zes maanden (5 juni 2018 - 5 december 2018) zelfs al ruim verstreken.

34 Beroepschrift, grief V, nr. 59.

35 Per 1 januari 2020 is de Wet herziening partneralimentatie in werking getreden (Stb. 2019, 283 en Stb. 2019, 352 (inwerkingtreding)), als gevolg waarvan een aantal bepalingen uit Boek 1 van het BW met betrekking tot de partneralimentatie is gewijzigd. Een van de wijzigingen is dat de eerste drie leden van art. 1:157 BW zijn overgeheveld naar art. 1:156 BW. Art. V van de Wet herziening partneralimentatie bepaalt echter dat het oude art. 1:157 BW van toepassing blijft voor uitkeringen tot levensonderhoud die vóór 1 januari 2020 door de rechter zijn vastgesteld of tussen partijen zijn overeengekomen, en voor verzoeken tot vaststelling of wijziging van een uitkering tot levensonderhoud waarbij het inleidende verzoekschrift vóór 1 januari 2020 is ingediend.

36 Van Mourik, Verstappen & Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/6.6.1; M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen. (Monografieën (echt)scheidingsrecht, 4), 2020, p. 29.

37 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/642; M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen. (Monografieën (echt)scheidingsrecht, 4), 2020, p. 33.

38 O.a. HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2379, NJ 2004/140.

39 Van Mourik, Verstappen & Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/6.6.6; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/640.

40 HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF7412, NJ 2009/13

41 Zie o.a. HR 26 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AD3115, NJ 2000/329, waarin is geoordeeld dat het oordeel van het hof, inhoudende dat van de vrouw in redelijkheid niet kon worden gevergd in te teren op haar vermogen omdat zij, in tegenstelling tot de man, niet over een pensioenvoorziening beschikt, niet onbegrijpelijk is. Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/641 en de daar genoemde oudere rechtspraak.

42 HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, NJ 2018/355 m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie ook M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen. (Monografieën (echt)scheidingsrecht, 4), 2020, p. 34 en 50; S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:156 BW, aant. 8F; A-G Rank-Berenschot, conclusie voor HR 9 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:41, par. 2.8-2.12.

43 O.a. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563.

44 O.a. HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, NJ 2016/124 m.nt. Wortmann.

45 Het onderdeel verwijst bij deze stellingen niet naar vindplaatsen waaruit blijkt dat de man deze stellingen in feitelijke instanties heeft aangevoerd. Bij een van de overige in het onderdeel genoemde stellingen (voetnoot 29) is echter verwezen naar p. 14, nrs. 11 en 12 van het verweerschrift van de man in het incidenteel hoger beroep van de vrouw, waar door de man (ook) is aangevoerd dat de samenwoning tussen partijen al geruime tijd is geëindigd en dat sprake is van verbleekte behoefte.

46 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift van de man in het incidentele hoger beroep van de vrouw, nr. 30.

47 O.a. HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0225, NJ 1992/407 m.nt. J.B.M. Vranken.

48 Zie ook E.L. Schaafsma-Beversluis, annotatie bij HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8720, JBPR 2006/82, nr. 3.

49 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift van de man in het incidenteel hoger beroep van de vrouw, p. 14, nrs. 11 en 12.

50 Het onderdeel verwijst naar het beroepschrift, nr. 67.

51 Het onderdeel verwijst naar het beroepschrift, nr. 68.

52 Het onderdeel verwijst naar het beroepschrift, nr. 64, alsmede naar het verweerschrift van de man in incidenteel hoger beroep, p. 7, nr. 26 t/m sub 8 op p. 13.