Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1057

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-09-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
19/02025
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1762
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen bewerken van groot aantal hennepplanten, art. 3.B Opiumwet. Strafmotivering. Oplegging gevangenisstraf van langere duur dan reeds ondergane voorlopige hechtenis begrijpelijk? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/01749, 19/01755 P en 19/01902.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02025

Zitting 22 september 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 12 april 2019 ter zake van het onder 2 tenlastegelegde “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/01749, 19/01755 en 19/01902. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onder ontoereikende motivering, aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd langer dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

5. Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

De rechtbank heeft verdachte voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar (met aftrek van voorarrest).

De advocaat-generaal heeft geëist dat verdachte voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar (met aftrek van voorarrest).

De raadsman heeft het hof verzocht om geen gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten. In het kader van de strafmaat heeft de raadsman - onder meer - gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en het beperkte strafblad van verdachte. Verder heeft hij aangevoerd dat sprake is van een positieve ontwikkeling in verdachtes leven.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bewerken en verwerken van een groot aantal hennepplanten. Hij heeft na een zogenoemde “henneprip”, een grote hoeveelheid gestolen hennep in een hoeslaken vervoerd van Arnhem naar Tiel. Daar heeft hij die hennepplanten geknipt. Het hof gaat er bij de strafoplegging van uit dat het bij zijn betrokkenheid gaat om een hoeveelheid van 12 tot 15 kilogram hennep, zoals verdachte zelf heeft verklaard. Verdachte heeft hiermee bijgedragen aan het bevorderen en in stand houden van het illegale hennepcircuit. Het betreft een ernstig feit, aangezien de uit hennepplanten verkregen stof THC schadelijk is voor de volksgezondheid. Kennelijk heeft verdachte zich niet om deze gevolgen bekommerd en heeft hij slechts gehandeld uit winstbejag.

Het hof heeft in het voordeel van verdachte in de strafoplegging meegewogen dat hij blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 februari 2019 niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Het hof houdt verder in het voordeel van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Deze overschrijding dient bij de strafoplegging gecompenseerd te worden. Zonder schending van de redelijke termijn zou het hof aan verdachte hebben opgelegd een gevangenisstraf van 9 weken, maar gelet op de overschrijding van de redelijke termijn acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf van 8 weken (met aftrek van voorarrest) passend en geboden. Vanwege de aard en de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit en gelet op zijn betrokkenheid daarbij, acht het hof de oplegging van een taakstraf niet passend.

6. Vooropgesteld kan worden dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daarvoor van belang acht. Die afweging is aan hem voorbehouden en zijn oordeel daaromtrent behoeft geen motivering. In cassatie is geen ruimte om te onderzoeken of de juiste straf opgelegd is en of de straf past bij de relevante factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.1 Wel dient de rechter zich te houden aan de motiveringsvereisten zoals voorgeschreven door artikel 359 Sv. Bij de beantwoording van de vraag of een of de strafmotivering voldoet aan de eisen, pleegt de Hoge Raad zich terughoudend op te stellen.2

7. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de keuze van het hof voor een gevangenisstraf langer dan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, gelet op de (vorm en mate van) betrokkenheid van de verdachte bij het feit, onbegrijpelijk zou zijn.

8. In dat verband verwijst de schriftuur naar jurisprudentie waaruit zou blijken dat de oriëntatiepunten met betrekking tot hennepfeiten niet (zonder meer) zien op verdachten die een ondergeschikte rol vervullen, waarbij een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wordt aangehaald.3 De gelijkenis tussen die jurisprudentie en de onderhavige zaak wordt in de schriftuur evenwel nauwelijks nader toegelicht. In dat verband wordt slechts aangestipt dat in de zaak waarnaar de schriftuur verwijst en waarin een taakstraf is opgelegd ook sprake was van het knippen van hennep. Zo er al sprake is van een algemene regel ten aanzien van de geldigheid van de oriëntatiepunten in geval van het knippen van hennep, miskent de steller van het middel hiermee dat het hof nadrukkelijk heeft overwogen dat de rol van de verdachte in casu verder strekte dan het knippen van hennep. Die handelingen heeft de verdachte immers doen voorafgaan door het in beddengoed gewikkeld vervoeren van die hennep na een zogenaamde hennep-rip. Anders dan in de schriftuur betoogd is van een straftoemeting die zodanige verbazing wekt dat die onbegrijpelijk moet worden beoordeeld dus geen sprake.4

9. Voor zover de steller van het middel (nogmaals) wijst op de documentatie van de verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, stuit de klacht af op de in het voorgaande genoemde vrijheid die de rechter toekomt bij de strafoplegging. Ook overigens bevat het arrest in voldoende mate de redenen die tot oplegging van de straf hebben geleid, waarmee is voldaan aan de voorschriften zoals bedoeld in artikel 359 lid 5 Sv. Daarnaast is voldaan aan het bepaalde in artikel 359 lid 6 Sv, doordat het hof in het bijzonder de redenen heeft opgegeven om de keuze voor een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf te expliciteren.

10. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 264-265.

2 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 268.

3 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juli 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5790.

4 Vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006, 549.