Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1053

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
19/05660
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:220, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Huurrecht. Huur bedrijfshal. Brandschade. Aansprakelijkheid huurder of verhuurder? Art. 7:213 en 7:218 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05660

Zitting 13 november 2020

CONCLUSIE

G.R.B. van Peursem

In de zaak

[eiseres] B.V.

eiseres tot cassatie

(hierna: “[eiseres]”)

adv. aanvankelijk mrs. A.C. van Schaick en N.E. Groeneveld-Tijssens, thans mr. A.C. van Schaick

tegen

[verweerster] B.V.

verweerster in cassatie

(hierna: “[verweerster]”)

adv. mr. T. van Malssen

Is een huurder van een bedrijfshal voor stalling van taxibussen tegenover de verhuurder aansprakelijk voor brandschade aan die hal veroorzaakt door een in brand gevlogen taxibus van de huurder?

[verweerster] heeft een bedrijfshal van [eiseres] gehuurd als stalling voor taxibussen. Bij het door een medewerker van [verweerster] in de hal rijden van een tiende taxibus constateerde deze dat de eerste ingereden taxibus in brand stond. De niet meer te blussen brand heeft tot schade aan de bedrijfshal geleid. [eiseres] vordert schadevergoeding van [verweerster] op grond van art. 7:218 lid 1 BW. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen, omdat de oorzaak van de brand in de risicosfeer van [verweerster] ligt. Het hof heeft de vordering vervolgens afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat de brand is veroorzaakt door een gebrek in de taxibus. Naar het oordeel van het hof betekent het enkele feit dat de brand is ontstaan in de taxibus niet dat [verweerster] aansprakelijk is voor de brandschade aan de gehuurde bedrijfshal.

In cassatie klaagt [eiseres] dat dit laatste oordeel onjuist is gelet op art. 7:218 BW en art. 7:213 BW (goed huurderschap), althans dat hier sprake is van een motiveringsgebrek. Ik zie deze klachten niet slagen.

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 [eiseres], voorheen [A] B.V. (“[A]”) geheten, is een beheermaatschappij die onroerende zaken verhuurt. [verweerster] stelt door middel van lease en/of verhuur motorvoertuigen ter beschikking aan klanten.

1.2 In augustus 2015 heeft [verweerster] een bedrijfshal van [A] aan de [a-straat 1] in [plaats] gehuurd om daarin circa 200 taxibusjes te plaatsen. [verweerster] huurde deze bedrijfshal, groot 2.650 m2, per 26 augustus 2015 voor een huurprijs van € 27,50 per m2 per jaar. De voor [verweerster] als tussenpersoon optredende makelaar [betrokkene 1] heeft in dat kader op 25 augustus 2015 het volgende aan [A] bericht:

“[verweerster] is akkoord en wil graag morgen gebruik gaan maken van het pand. Het lukt mij niet om voor die tijd nog een huurovereenkomst in elkaar te zetten. [verweerster] is een betrouwbare partij dus ik ga er even vanuit dat dit voor jullie geen probleem is.

Onderstaand de uitgangspunten:

 ingangsdatum 26 augustus 2015

 looptijd 1 maand met een wederzijdse opzegtermijn van 1 maand

 verwachte huurtermijn 3 a 4 maanden

 huurprijs € 27,50 m2 /jaar excl. b.t.w.

 oppervlakte 2.650 m2

 energie wordt aan het einde van de overeenkomst afgerekend

 pand wordt opgeleverd in de huidige staat

(…)”

1.3 Op 27 augustus 2015 begon een medewerker van [verweerster], [betrokkene 2], in opdracht van [verweerster] met het plaatsen van de taxibusjes in de bedrijfshal. Toen hij het tiende taxibusje in de hal reed, zag hij dat het busje dat hij als eerste in de hal had geplaatst, vlam had gevat. Hij is er niet in geslaagd de brand te blussen, waardoor de brand zich heeft uitgebreid en schade heeft toegebracht aan de bedrijfshal.

1.4 Bij brief van 20 april 2016 heeft [A] [verweerster] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en heeft zij [verweerster] gesommeerd tot betaling daarvan.

1.5 Op 2 augustus 2016 heeft [A] [verweerster] in rechte betrokken. In eerste aanleg vorderde zij, voor zover nog van belang2, een bedrag in hoofdsom van € 239.600,50, zijnde de schade aan de bedrijfshal na aftrek van de uitkering die zij van haar verzekeraar heeft ontvangen. [A] heeft onder meer een beroep gedaan op een rapport van onderzoeksbureau I-Tek B.V. (“I-Tek”) (prod. 7 bij dagvaarding). I-Tek is ingeschakeld door Delta Lloyd (de opstalverzekeraar van [A]).

1.6 [verweerster] heeft bestreden dat zij aansprakelijk is voor de schade aan de bedrijfshal. Zij heeft aangevoerd dat zij slechts aansprakelijk zou zijn indien zij toerekenbaar tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de huurovereenkomst. Van een dergelijke toerekenbare tekortkoming is volgens [verweerster] geen sprake. [verweerster] heeft een rapport van [B] B.V. (“[betrokkene 4]”) overgelegd (prod. 1 bij cva). [betrokkene 4] is ingeschakeld door TVM Verzekeringen (de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerster]). Subsidiair heeft [verweerster] zich beroepen op eigen schuld en de hoogte van de schade bestreden.

1.7 Bij vonnis van 23 augustus 2017 heeft de kantonrechter het in hoofdsom gevorderde bedrag (herberekend op € 239.574,653) toegewezen. Daartoe is onder meer overwogen:

“4.3.3 [verweerster] heeft tegengesproken dat zij in haar zorgplicht is tekortgeschoten. Zij heeft echter erkend dat de schadeveroorzakende brand is ontstaan in een van haar taxibussen die in de bedrijfshal was geplaatst. Hoewel [verweerster] uitvoerig is ingegaan op de – klaarblijkelijk niet meer vast te stellen – oorzaak daarvan, is naar het oordeel van de kantonrechter die oorzaak voor de beoordeling van de vorderingen van [A] niet van belang. Tegenover [B] B.V. heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij tijdens het binnenrijden van de busjes en het ontdekken van de brand alleen was in de loods (verklaring van 16 juni 2016, pagina 3, welke verklaring als bijlage gevoegd is bij het expertiserapport). Ter zitting is dit bevestigd door [betrokkene 3] namens [A]. [verweerster] heeft dit niet weersproken. Ook overigens is niet gesteld of gebleken dat de brand is ontstaan door toedoen van (medewerkers van) [A], zodat [A] op dit punt geen enkel verwijt treft. De oorzaak van de brand ligt dan ook geheel in de risicosfeer van [verweerster] en is om die reden aan haar toe te rekenen. Daarmee staat vast dat [verweerster] door het ontstaan van de brand in haar zorgplicht als huurder is tekort geschoten.”

De subsidiaire verweren van [verweerster] zijn in rov. 4.4.1-4.5.5 verworpen.

1.8 [verweerster] heeft hoger beroep ingesteld en vier grieven geformuleerd. De eerste grief is gericht tegen het hiervoor geciteerde oordeel in rov. 4.3.3 van het vonnis. De andere grieven bestrijden de verwerping van de subsidiaire verweren.

1.9 Bij arrest van 1 oktober 2019 heeft het hof ’s-Hertogenbosch het vonnis vernietigd en de vorderingen van (thans) [eiseres] alsnog geheel afgewezen. De daaraan ten grondslag liggende overwegingen kunnen als volgt worden samengevat.

1.10 In rov. 3.7 stelt het hof voorop dat een huurder pas aansprakelijk is voor schade aan de verhuurde zaak wanneer die schade is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst (art. 7:218 lid 1 BW). Verder overweegt het hof dat het bewijsvermoeden van art. 7:218 lid 2 BW niet geldt bij brandschade. Volgens het hof betekent het feit dat de brand is ontstaan in het taxibusje niet dat de brandschade het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming:

“3.7. Naar het oordeel van het hof is de eerste grief van [verweerster] die is gericht tegen voormeld oordeel van de kantonrechter, terecht aangevoerd, dit gelet op het volgende.

Op grond van artikel 7:218 lid 1 BW is een huurder pas dan aansprakelijk voor schade aan de verhuurde zaak indien die schade is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. Het tweede lid van artikel 7:218 BW bepaalt dat alle schade wordt vermoed te zijn ontstaan door een aan de huurder toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst, behoudens brandschade en, in geval van huur van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, schade aan de buitenzijde van het gehuurde.

Van belang in dit verband is hetgeen is vermeld in de Memorie van Toelichting op voormeld wetsartikel (Kamerstukken 26089, nr. 3):

Het tweede lid bevat twee uitzonderingen. Die voor brandschade is ontleend aan het huidige artikel 1600 lid 2. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat een aansprakelijkheid voor brand voor de huurder een te zware last zou meebrengen, wanneer het risico dat de oorzaak van de schade in het duister blijft voor zijn rekening zou komen.

Waar ieder[e] verhuurder zijn onroerende zaken tegen brand verzekerd pleegt te hebben, is het punt daar overigens van ondergeschikt belang.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat het enkele feit dat de brand is ontstaan in een taxibusje van [verweerster], onvoldoende is om te kunnen concluderen dat de schade aan de bedrijfshal voor rekening en risico van [verweerster] komt. Van aansprakelijkheid aan de zijde van [verweerster] kan immers pas dan sprake zijn indien zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht als huurder. Met het enkele feit dat de brand is ontstaan in een taxibusje van [verweerster], is niet gegeven dat de brandschade het gevolg is van een aan [verweerster] toerekenbare tekortkoming als huurder.

De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot het gestelde tekortschieten van [verweerster] ligt bij [eiseres].”

1.11 Het hof is daarna ingegaan op het debat over de stelling van [eiseres] dat de brand is veroorzaakt door een gebrek in het taxibusje (lekkende remleiding). Het hof heeft in dat kader de bevindingen van I-Tek en [betrokkene 4] weergegeven (rov. 3.8-3.10):

“3.8. [eiseres] heeft in dit verband gesteld dat [verweerster] een gebrekkige taxibus in de bedrijfshal heeft geplaatst, welke taxibus in brand is gevlogen ten gevolge waarvan (ernstige) brandschade is ontstaan en de bedrijfshal is verwoest. Volgens [eiseres] bestond het gebrek in een lekkende remleiding in het busje en is daardoor de brand [is] veroorzaakt. Zij verwijst daartoe naar het technisch rapport van I.Tek B.V. dat in opdracht van haar verzekeraar is opgemaakt (productie 7 bij de inleidende dagvaarding). In het rapport is vermeld dat een deel van de remleiding van het taxibusje waarin de brand is ontstaan, is veilig gesteld en nader is onderzocht door Kiwa/Gastec in Apeldoorn. De remleiding is aldaar getest op een waterdruk van 300 bar, 400 bar en 500 bar. Hieromtrent is in het rapport van I.Tek (op pagina 19) vermeld:

Tijdens het door Kiwa/Gastec ingestelde onderzoek is vastgesteld dat er bij alle hiervoor genoemde (water)drukken [er] sprake was van een lekkage, die volgens de uitvoerder van het onderzoek/de testen in de remleiding aanwezig is en wel in het deel dat zich in de wartel bevindt. Van de testen zijn filmopnamen vervaardigd die aan I.Tek B.V. ter beschikking zijn gesteld. Deze beelden zullen in het dossier worden bewaard.

Op pagina 22 van het rapport van I.Tek B.V. is onder “Resumé technisch onderzoek” onder meer vermeld:

Remvloeistof betreft een brandbare stof, waarvan zeer zeker niet kan worden uitgesloten dat deze gedurende de lekkage in aanraking is gekomen met een heet oppervlak in het motorcompartiment en aldaar op enig moment de brand heeft veroorzaakt.

Op pagina 28 van het rapport van I.Tek B.V. is onder “Resumé/conclusie” onder meer vermeld:

- De brand is met zekerheid ontstaan in de taxibus van het merk Ford, voorzien van het kenteken [kenteken].

- De brand ontstond aan de linker voorzijde in het motorcompartiment (bestuurderszijde).

- Als gevolg van de zeer ernstige aantasting van de Ford en met name het motorcompartiment, kon de exacte oorzaak van de brand niet meer worden vastgesteld.

- Gezien het feit echter dat er aan een op de hoofdremcilinder aangesloten remleiding is gelast/gesoldeerd en de betreffende remleiding ter hoogte van de aansluitwartel op de hoofdremcilinder een lekkage vertoont, alsmede het feit dat remvloeistof een brandbare stof betreft, is de meest aannemelijke oorzaak voor het ontstaan van de brand het ontbranden van remvloeistof geweest, dat uit de remleiding is gelekt c.q. gevloeid en op hete onderdelen in het motorcompartiment terecht is gekomen als gevolg van een lek en/of scheur in die remleiding.

3.9. [verweerster] betwist dat de meest aannemelijke oorzaak voor het ontstaan van de brand moet worden gezocht in een lekkende remleiding van het taxibusje. Zij verwijst in dit verband naar het rapport van de deskundige [betrokkene 4] van [B] B.V. dat als productie 1 bij conclusie van antwoord door haar in het geding is gebracht. [betrokkene 4] heeft weliswaar niet het desbetreffende taxibusje kunnen onderzoeken omdat dat inmiddels was gesloopt, maar hij heeft wel de beschikking gekregen over het foto- en filmmateriaal in het dossier van I.Tek B.V. Ook het veilig gestelde stukje remleiding is aan [betrokkene 4] ter beschikking gesteld voor nader onderzoek. [betrokkene 4] heeft het stukje remleiding laten onderzoeken door Philips Research Material Analysis en door Element Materials Technolgy[.] De conclusie van dat onderzoek is dat de druppels op de remleiding geen gevolg kunnen zijn van uitgevoerde las-/soldeerwerkzaamheden omdat de druppels ongelegeerd koper betreffen, afkomstig van een elektrakabel.

Onderdeel van het onderzoek van [betrokkene 4] betrof verder onder meer: het inwinnen van informatie bij de technische afdeling van Ford Nederland omtrent de reminstallatie van de onderhavige Ford en het inwinnen van informatie bij S.A. Oleotest N.V. gevestigd te Antwerpen omtrent de technische gegevens van de remvloeistof.

- Op pagina’s 17 en 18 van het rapport van [betrokkene 4] is onder “Samenvatting en conclusie” onder meer het volgende vermeld: dat deze brand mogelijk een gevolg zou zijn van lekkage van remvloeistof, zoals gepresenteerd door I-Tek is uiterst onwaarschijnlijk te achten, immers de uitgevoerde reconstructie waaruit dit zou moeten blijken is uitgevoerd op basis van onjuiste parameters, namelijk is een veel hogere testdruk gehanteerd dan de gebruikelijke werkdruk en is afgeperst met water en niet met remvloeistof (andere viscositeit). Bovendien kan het geconstateerde lek ook een gevolg zijn van de brand.

- Tenslotte was op het moment van ontdekken van de brand, het voertuig al te zeer afgekoeld voor het nog kunnen ontsteken van een damp afkomstig van remvloeistof;

- dat aan de leiding zou zijn gesoldeerd wordt tegengesproken door het onderzoek door Element. De op de leiding aangetroffen druppels moeten afkomstig zijn van een gesmolten elektrakabel; een onderzoek door rapporteur naar een andere brandoorzaak kan niet meer worden ingesteld, het betreffende taxibusje is inmiddels gesloopt en de loods gerepareerd;

- met betrekking tot een andere brandoorzaak dient te worden gedacht aan sluiting in de elektra (veel bedrading zou loshangend onder het dashboard zijn aangetroffen) of een van buiten komend onheil in de vorm van een weggeworpen sigarettenpeuk welke in de motorruimte terecht is gekomen.

Resumerend wordt dan ook gesteld, dat rapporteur de conclusie van de onderzoekers van I-TEK deelt, namelijk dat de oorzaak van het ontstaan van deze brand niet meer vastgesteld kon worden.

3.10. De door beide partijen ingeschakelde deskundigen hebben op elkaars bevindingen gereageerd (respectievelijk productie 18 van [A] in eerste aanleg en productie 22 van [verweerster] in eerste aanleg), waarbij zij hebben gepersisteerd bij hun bevindingen en conclusies, met dien verstande dat I.Tek B.V. erkent dat, gelet op het nadere onderzoek in opdracht van [verweerster], de conclusie van I.Tek B.V. dat het op de remleiding aangetroffen koperkleurig materiaal het gevolg is geweest van lassen/solderen geen stand kan houden.”

1.12 Het hof is tot de slotsom gekomen dat op basis van de deskundigenrapporten niet kan worden vastgesteld dat de brand is ontstaan doordat [verweerster] een gebrekkige taxibus in de bedrijfshal heeft geplaatst of doordat [verweerster] anderszins is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst (rov. 3.11-3.14):

“3.11. Naar het oordeel van het hof kan aan de hand van het deskundigenrapport van I-Tek B.V. niet worden vastgesteld dat [verweerster] is tekortgeschoten in haar zorgplicht als huurder zoals [eiseres] stelt. De bevindingen van I-TEK over de meeste aannemelijke oorzaak van de brand zijn mede gebaseerd op haar conclusie dat er aan een op de hoofdremcilinder aangesloten remleiding is gelast/gesoldeerd. Aan die bevindingen doet afbreuk dat I.Tek B.V. heeft erkend dat haar conclusie dat het op de remleiding aangetroffen koperkleurig materiaal het gevolg is geweest van lassen/solderen geen stand kan houden.

3.12. Bij deze stand van zaken acht het hof de stelling van [eiseres] over de oorzaak van de brand onvoldoende onderbouwd tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerster] op grond van het rapport van [betrokkene 4]. Hierbij komt dat externe oorzaken niet kunnen worden uitgesloten (zie ook de opmerkingen van [betrokkene 4] op pagina 5 van productie 22) en dat daarnaar geen althans onvoldoende onderzoek is gedaan. Het hof ziet geen aanleiding om zelf een deskundige te benoemen om onderzoek te laten doen naar het ontstaan van de schade, in aanmerking genomen dat het taxibusje is vernietigd en de bedrijfshal is hersteld.

3.13. Aan bewijslevering door het horen van getuigen onder wie de onderzoekers van I-TEK B.V., zoals door [eiseres] aangeboden, komt het hof gelet op het vorenstaande niet toe. Overigens is het bewijsaanbod van [eiseres] ook onvoldoende gespecificeerd. Van haar had mogen worden verlangd dat zij had toegelicht welke vragen onbeantwoord zijn gebleven in het deskundigenrapport en welke vragen aan de onderzoekers hadden kunnen voorgelegd in het kader van een getuigenverhoor. In het bewijsaanbod worden ook geen concrete feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden.

3.14. Naar het oordeel van het hof kan, op grond van het voorgaande, niet worden vastgesteld dat de onderhavige brand is ontstaan doordat, zoals [eiseres] stelt, [verweerster] een gebrekkige taxibus in de bedrijfshal heeft geplaatst, welke taxibus in brand is gevlogen ten gevolge waarvan (ernstige) brandschade is ontstaan en de bedrijfshal is verwoest. Evenmin is komen vast te staan dat de brand anderszins is ontstaan doordat [verweerster] zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen ingevolge de met [A] gesloten huurovereenkomst.

1.13 Het hof heeft op die gronden geconcludeerd dat de eerste grief van [verweerster] gegrond is en dat de vordering van [eiseres] reeds om die reden niet toewijsbaar is (rov. 3.15). Het hof is niet toegekomen aan een bespreking van de overige grieven.

1.14 [eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Zij heeft kort gezegd geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, met veroordeling van [verweerster] tot terugbetaling van € 11.810,42 (zijnde de proceskosten die [eiseres] op grond van het bestreden arrest aan [verweerster] heeft voldaan). [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten en vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd.

2 Bespreking van het cassatieberoep

2.1

Het cassatieberoep bestaat uit een inleiding (nrs. 1-5), één klacht (met een rechtsklacht en een motiveringsklacht), een toelichting (nrs. 6-13) en een paragraaf over terugbetaling van de proceskosten (nr. 14).

2.2

De cassatieklacht is gericht tegen het oordeel in rov. 3.7 dat met het enkele feit dat een in de bedrijfshal geparkeerde taxibus van [verweerster] in brand is gevlogen, niet is gegeven dat de schade aan de bedrijfshal het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming van [verweerster]. Verder bestrijdt de klacht de slotsom in rov. 3.14 dat de oorzaak van het in brand vliegen van de taxibus niet kan worden vastgesteld.

2.3

Volgens de klacht geven deze oordelen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over art. 6:74 BW, 7:218 BW, 149 Rv en 150 Rv. Als het hof was uitgegaan van een juiste rechtsopvatting had het beslist (1) dat het feit dat de schade aan de bedrijfshal is ontstaan doordat een daarin door [verweerster] geparkeerde en aan [verweerster] toebehorende taxibus in brand is gevlogen, een tekortkoming van [verweerster] is die behoudens tegenbewijs aan haar wordt toegerekend en voor haar rekening en risico komt en (2) dat [verweerster] de schade van [eiseres] moet vergoeden nu de oorzaak van het in brand vliegen van de taxibus niet kan worden vastgesteld. Als het hof dit niet heeft miskend, dan is onbegrijpelijk waarom het hof de vordering heeft afgewezen.

2.4

De toelichting op de klacht vangt aan met een weergave van het standpunt van [eiseres] in feitelijke instanties (nr. 6) en het oordeel van het hof (nr. 7). In nr. 8 volgt een juridisch kader over art. 7:218 BW. Vermeld wordt verder dat het begrip tekortkoming ziet op alle gevallen waarin de prestatie van de schuldenaar in enig opzicht achter blijft bij hetgeen de verbintenis vergt en dat hierin niet besloten ligt dat de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend4. Nrs. 9 en 10 van de toelichting wijzen erop dat in deze zaak vast staat dat de schade is ontstaan doordat een taxibus van [verweerster] in brand is gevlogen nadat deze door haar was geparkeerd in de bedrijfshal en dat [eiseres] niet bij de brand is betrokken. Betoogd wordt dat het in de gehuurde bedrijfshal plaatsen van een schadeveroorzakende taxibus (een taxibus die in brand vliegt en daardoor schade veroorzaakt) een tekortkoming is, omdat een goed huurder zich van zo’n gedraging behoort te onthouden (nr. 11). De (vervolg)vragen waardoor de brand in de taxibus is ontstaan, en of de taxibus gebrekkig was, betreffen de toerekenbaarheid van de tekortkoming en in zoverre rusten stelplicht en bewijslast volgens [eiseres] op [verweerster] (nrs. 8, 9 en 12)5.

2.5

Ik stel voorop dat de vraag of de huurder aansprakelijk is voor schade aan het gehuurde pas aan de orde komt als de schade tijdens de huurperiode is ontstaan6. Art. 7:218 lid 3 BW en 7:224 lid 2 BW bevatten (bewijs)regels met betrekking tot de staat waarin het gehuurde oorspronkelijk verkeerde. In onze zaak is niet in geschil dat de brandschade aan de bedrijfshal is ontstaan toen [verweerster] deze hal huurde.

2.6

Op grond van art. 7:218 lid 1 BW is de huurder aansprakelijk voor schade aan de verhuurde zaak als de schade is ontstaan door een aan hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. Ingevolge art. 7:218 lid 2 BW wordt schade aan de verhuurde zaak vermoed hierdoor te zijn veroorzaakt. Lid 2 bevat echter een uitzondering voor brandschade. De memorie van toelichting noemt als reden voor die uitzondering dat aansprakelijkheid voor brand een te zware last voor de huurder zou meebrengen wanneer het risico dat de oorzaak in het duister blijft voor zijn rekening zou komen7. In onze zaak gaat het om brandschade en kan [eiseres] zich dus niet op het vermoeden van lid 2 beroepen. Deze uitgangspunten staan niet ter discussie: zowel in het arrest (rov. 3.7) als in het cassatieberoep (nr. 8 van de toelichting op de klacht) wordt hiervan uitgegaan.

2.7

Onder de verplichtingen uit de huurovereenkomst in de zin van art. 7:218 lid 1 BW worden zowel de wettelijke verplichtingen als de contractuele verplichtingen van de huurder verstaan. De bepaling is een samenvatting van hetgeen zonder deze regeling ook al uit art. 6:74 BW zou voortvloeien. Dit blijkt uit de memorie van toelichting8:

“De huurder is op grond van de huurovereenkomst jegens de verhuurder alleen aansprakelijk voor schade aan de zaak die is ontstaan doordat hij is tekortgeschoten in enige verplichting die krachtens die overeenkomst op hem rustte. Men denke aan de in deze afdeling opgenomen verplichtingen de zaak als een goed huurder te gebruiken, de kleine herstellingen te verrichten en geen veranderingen of toevoegingen aan te brengen die hij niet op de voet van art. 215 mocht aanbrengen, alsook aan hetgeen door partijen verder in hun overeenkomst aan verplichting[en] op de huurder is gelegd. Het eerste lid van het onderhavige artikel bevat dan ook geen materiële regel, doch slechts een samenvatting van wat ook zonder die bepaling uit de algemene regels van art. 6:74 zou voortvloeien. Dit lid dient dan ook slechts als inleiding tot de volgende leden.”

2.8

Een belangrijke wettelijke verplichting in dit verband is het goed huurderschap. Op grond van art. 7:213 BW dient een huurder zich als een goed huurder te gedragen. Handelen als goed huurder is datgene doen wat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en maatschappelijke zorgvuldigheid mag worden verlangd, mede gelet op de rechten en belangen van de verhuurder en derden. Dit betekent onder meer dat de huurder zorgvuldig moet omgaan met de gehuurde zaak en dat hij een zorgplicht heeft om schade aan het gehuurde te vermijden9. Art. 7:213 BW is een inspanningsplicht en geen risicoverdeling naar verkeersopvattingen. De enkele mogelijkheid dat een gedraging van een huurder tot schade aan het gehuurde leidt, betekent niet dat deze gedraging een schending van zijn zorgplicht als goed huurder oplevert. Daarvan is pas sprake als het risico op schade van dien aard is dat de huurder zich als goed huurder van die gedraging had behoren te onthouden10.

2.9

In onze zaak is de grondslag van de vordering van [eiseres], voor zover in cassatie relevant, dat [verweerster] een aan haar toebehorende taxibus in de bedrijfshal heeft geparkeerd en dat deze taxibus in brand is gevlogen. Volgens [eiseres] volgt hieruit dat [verweerster] zich niet als een goed huurder heeft gedragen (art. 7:213 BW) en daarmee tekort is geschoten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst (art. 7:218 BW). [eiseres] wijst erop dat zij haar vordering in feitelijke instanties heeft gebaseerd op art. 7:213 jo. 7:218 jo. 6:74 BW11. Ook citeert [eiseres] een passage uit haar memorie van antwoord waarin zij aanvoert dat [verweerster] voor de voertuigen verantwoordelijk is, dat de voertuigen vanwege wanbetaling door een taxibedrijf terugkwamen uit de lease, dat [verweerster] de staat van de voertuigen niet kende en dat zij kon verwachten dat het taxibedrijf op het onderhoud had bezuinigd12.

2.10

Andere grondslagen zijn niet (meer) in beeld. [eiseres] baseert haar vordering niet op schending van contractuele verplichtingen13. In cassatie zijn geen klachten gericht tegen de oordelen (i) dat niet kan worden vastgesteld dat de brand is ontstaan doordat [verweerster] een gebrekkige taxibus in de bedrijfshal heeft geplaatst en (ii) dat externe oorzaken niet kunnen worden uitgesloten (rov. 3.11-3.14). In dat verband heeft het hof mede gewezen op de reactie van [betrokkene 4] (prod. 22), waarin de mogelijkheid wordt genoemd dat een smeulende sigarettenpeuk in de motor terecht is gekomen. Ook schadeplichtigheid ingevolge art. 6:173 BW (aansprakelijkheid voor gebrekkige roerende zaken, sinds 2005 geldend voor motorrijtuigen14) is dus niet aan de orde15.

2.11

Het hof heeft onderkend dat [verweerster] een aan haar toebehorende taxibus in de bedrijfshal heeft geparkeerd, dat deze taxibus in brand is gevlogen en dat hierdoor grote schade aan het gehuurde is ontstaan. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze feiten niet dat de brandschade het gevolg is van een aan [verweerster] als huurder toerekenbare tekortkoming (rov. 3.7). Dit oordeel acht ik in de omstandigheden van dit geval niet onjuist of onbegrijpelijk. In het kader van goed huurderschap diende te worden beoordeeld of [verweerster] heeft voldaan aan haar zorgplicht om schade aan het gehuurde te vermijden (zie hiervoor in 2.8) en in de genoemde feiten ligt geen gevaarzettende gedraging besloten.

2.12

In mijn ogen mocht het hof voorbij gaan aan de stellingen dat [verweerster] de staat van de voertuigen niet kende en kon verwachten dat het taxibedrijf had bezuinigd op het onderhoud. Concrete aanwijzingen voor een verhoogd gevaar op (brand)schade aan het gehuurde zijn hierin volgens mij niet te lezen. Overigens is algemeen gangbaar dat de kosten van onderhoud van een geleased voertuig voor rekening komen van de lessor (hier: [verweerster]) en niet van de lessee (hier: het taxibedrijf).

2.13

Kortom, uit de stellingen van [eiseres] volgt niet dat [verweerster] tekort is geschoten in haar zorgplicht om schade aan het gehuurde te voorkomen. Bij die stand van zaken behoefde het hof, anders dan de klacht betoogt, niet te oordelen dat het feit dat de schade aan de bedrijfshal is ontstaan doordat een daarin door [verweerster] geparkeerde en aan [verweerster] toebehorende taxibus in brand is gevlogen, een tekortkoming van [verweerster] in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert.

2.14

In haar s.t. onder 3 brengt [eiseres] nog naar voren dat de huurder het gehuurde op grond van art. 7:224 BW bij het einde van de huur ter beschikking van de verhuurder dient te stellen. Volgens [eiseres] schiet de huurder daarin in beginsel tekort als hij het gehuurde niet oplevert in de staat waarin het zich bij aanvang van de huur bevond. Zij verwijst naar een arrest van Uw Raad van 30 juni 2017 over bruikleen16. Uw Raad overwoog hierin dat een bruiklener de zaak bij het einde van de bruikleen in beginsel dient terug te geven in de staat waarin hij deze heeft ontvangen (s.t. onder 4). [eiseres] beroept zich in de kern op (overeenkomstige toepassing van) die regel (s.t. onder 5).

2.15

Allereerst merk ik op dat in het cassatiemiddel geen beroep is gedaan op art. 7:224 BW en dat evenmin wordt verwezen naar stellingen in de gedingstukken in feitelijke instanties over de oplevering bij het einde van de huur. De klacht kan daarom op processuele gronden al niet slagen. Niettemin bespreek ik de klacht ook inhoudelijk.

2.16

In het arrest van 30 juni 201717heeft Uw Raad inderdaad de regel geformuleerd dat een bruiklener de zaak bij het einde van de bruikleen in beginsel dient terug te geven in de staat waarin hij deze heeft ontvangen18. Die regel gold ook naar oud huurrecht19.

2.17

Naar het huidige huurrecht is de genoemde regel echter niet meer onverkort toepasselijk20. Een beschadiging aan de gehuurde zaak brengt als zodanig niet mee dat de huurder tekortschiet in de nakoming van zijn verplichting tot teruggave van het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst (art. 7:224 lid 1 BW). Dit volgt onder meer uit de volgende passage in de memorie van toelichting bij art. 7:224 BW over de staat waarin het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst moet verkeren21:

“In welke staat de zaak moet worden teruggegeven volgt uit het stelsel van de onderhavige titel. De huurder moet haar teruggeven zonder dat zij nog herstellingen behoeft die krachtens art. 217 voor zijn rekening zijn, en zonder schade waarvoor hij aansprakelijk is. Zij mag echter gebreken vertonen die de verhuurder verplicht is te verhelpen. Men zie de art. 206, 217 en 218. Hoe het gaat met veranderingen en toevoegingen moet worden beoordeeld aan de hand van art. 216.”

2.18

In dit opzicht dient het geval van een beschadiging van de gehuurde zaak te worden onderscheiden van het (ook uit de huurrechtelijke jurisprudentie bekende) geval dat de gehuurde zaak is gestolen. Bij diefstal schiet de huurder wel tekort in zijn verplichting om de zaak bij het einde van de huur weer ter beschikking te stellen van de verhuurder. Heeft de huurder geen schuld aan de diefstal, dan moet worden bezien of de tekortkoming de huurder naar verkeersopvattingen kan worden toegerekend22.

2.19

De brandschade aan de bedrijfshal brengt dus op zichzelf niet mee dat [verweerster] tekortschiet in haar verplichting om die hal bij het einde van de huurovereenkomst weer ter beschikking te stellen aan [eiseres]. Het beroep van [eiseres] op art. 7:224 BW en op de regel uit het arrest van 30 juni 2017 treft dus geen doel.

2.20

Daarmee acht ik het cassatieberoep ongegrond. Bij die stand van zaken kom ik niet toe aan de vordering van [eiseres] tot terugbetaling van de proceskosten die zij op grond van het hofarrest heeft voldaan. Deze vordering is geformuleerd voor het geval het bestreden arrest wordt vernietigd (nr. 14 van de procesinleiding in cassatie).

Overigens lijkt deze vordering mij ook niet toewijsbaar als Uw Raad toch vernietigt en verwijst. Volgens vaste rechtspraak is in cassatie alleen plaats voor een veroordeling tot terugbetaling van hetgeen waartoe een partij in de bestreden uitspraak is veroordeeld indien Uw Raad die uitspraak vernietigt en het geding op de voet van art. 420 Rv zelf afdoet23.

3 Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1.1-3.1.2 van het bestreden arrest: Hof ‘s-Hertogenbosch 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3600, WR 2020/56 en aan rov. 2 onder a t/m e en k van het vonnis: Rb. Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Tilburg, 23 augustus 2017, zaaknummer 5286164 CV EXPL 16-6142 (ongepubliceerd). De weergave van het procesverloop is onder meer gebaseerd op rov. 3.2-3.4 van het bestreden arrest.

2 In eerste aanleg vorderde [A] ook nog € 39.474,- wegens huurderving. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen en hiertegen is in hoger beroep niet opgekomen.

3 Zie rov. 4.5.1 van het vonnis en rov. 3.4 van het arrest. Overigens wordt in rov. 4.9 en het dictum van het vonnis, kennelijk abusievelijk, een bedrag van € 239.547,65 genoemd.

4 Verwezen wordt naar: Van Zeben/Du Pon, Parlementaire Geschiedenis boek 6 BW, 1981, p. 258 (TM bij art. 6.1.8.1 (thans art. 6:74 BW)), Asser/Sieburgh 6-I 2016/317 en HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2541, NJ 1998/272 (Brok/Huberts).

5 Verwezen wordt naar: Van Zeben/Du Pon, Parlementaire Geschiedenis boek 6 BW, 1981, p. 263-265 (TM bij art. 6.1.8.2 (thans art. 6:75 BW)), Asser/Sieburgh 6-I 2016/370 (het cassatiemiddel noemt kennelijk per abuis randnummer 270) en HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6092, RvdW 2007/421, WR 2007/60 (Zweedsestraat/Torenstad).

6 Kamerstukken II, 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 29 (MvT vaststelling titel 7.4 (Huur)), ook te vinden in: De Jonge/De Wijkerslooth-Vinke/Gelink (red.), Parlementaire Geschiedenis Huurrecht, 2008, p. 311, Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/97, GS Huurrecht (J.K. Six-Hummel), art. 7:218 BW, aant. 12, A.R. de Jonge, Huurrecht, 2019, nr. 24, H.J. Rossel, Huurrecht algemeen (R&P nr. VG4), 2011, nrs. 5.1.2.2.1 en 5.10.2.4 en (onder oud huurrecht) HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6340, NJ 2000/586 m.nt. P.A. Stein, JM 2000/137 m.nt. H.J. Bos (Gemeente Nuth/[…]).

7 Kamerstukken II, 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 29 (MvT vaststelling titel 7.4 (Huur)), ook te vinden in: De Jonge/De Wijkerslooth-Vinke/Gelink (red.), Parlementaire Geschiedenis Huurrecht, 2008, p. 311, Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/98, A.R. de Jonge, Huurrecht, 2019, nr. 24 en GS Huurrecht (J.K. Six-Hummel), art. 7:218 BW, aant. 14.

8 Kamerstukken II, 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 28 (MvT vaststelling titel 7.4 (Huur)), ook te vinden in: De Jonge/De Wijkerslooth-Vinke/Gelink (red.), Parlementaire Geschiedenis Huurrecht, 2008, p. 310. Vgl. ook GS Huurrecht (J.K. Six-Hummel), art. 7:218 BW, aant. 11 en (onder oud huurrecht) conclusie A-G Huydecoper voor HR 30 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6340, NJ 2000/586 m.nt. P.A. Stein, JM 2000/137 m.nt. H.J. Bos (Gemeente Nuth/[…]), nr. 5.

9 GS Huurrecht (C.L.J.M. de Waal), art. 7:213 BW, aant. 15 en 17, A.R. de Jonge, Huurrecht, 2019, nr. 18.3.3, J.Ph. van Lochem, Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11), 2019/3.3, Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/96, H.J. Rossel, Huurrecht algemeen (R&P nr. VG4), 2011, nr. 5.3.3.1 en (onder oud huurrecht) HR 27 november 1959, ECLI:NL:HR:1959:208, NJ 1960/105 (Jut/Hovinga).

10 Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/105, J.A. Tuinman, in T&C Huurrecht, art. 7:213 BW, aant. 3c en (onder oud huurrecht) conclusie A-G Bakels voor HR 19 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9335, JOL 2002/246 (Algemene Woningbouwvereniging/X), nr. 2.8. Zie ook conclusie A-G Huydecoper voor HR 29 mei 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH2952, NJ 2009/244 ([…]/De Alliantie), nrs. 11-12 en, in het kader van onrechtmatige daad, HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6934, NJ 2006/244, JA 2006/83 m.nt. W.H. van Boom, AV&S 2007/6 m.nt. F.T. Oldenhuis (Bildtpollen/[…]).

11 Nr. 6 van de toelichting op de klacht in het cassatiemiddel onder verwijzing naar inleidende dagvaarding onder 29, mva onder 3.2-3.7, cva onder 40 en mvg onder 4.3.

12 Nr. 6 van de toelichting op de klacht in het cassatiemiddel onder verwijzing naar mva onder 3.38 en mvg onder 4.4.

13 Uit het dossier blijkt het volgende over de contractuele verhouding. De huurovereenkomst is één dag voor de beoogde ingangsdatum gesloten en alleen op hoofdlijnen per mail vastgelegd (zie hiervoor in 1.2). Volgens [eiseres] hadden partijen de intentie om de huurovereenkomst vast te leggen volgens het ROZ-model, maar was de daartoe opgestelde concept-overeenkomst nog niet getekend toen de brand ontstond (zie inleidende dagvaarding 7 en comparitieaantekeningen [eiseres] in eerste aanleg, blz. 2, één na laatste gedachtenstreepje; de concept-overeenkomst is te vinden in bijlage 3 bij prod. 3 bij cva [verweerster]). [eiseres] heeft in het kader van een debat over brandpreventiemiddelen een beroep gedaan op een artikel uit de ROZ-bepalingen (mva 3.15-3.19), maar dit debat speelt in cassatie geen rol.

14 Wet van 16 juni 2005, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en het Burgerlijk Wetboek teneinde het verhaal van schade die wordt veroorzaakt als gevolg van een ongeval met of een gebrek aan een motorrijtuig te vergemakkelijken, Stb 2005/357 en Kamerstukken II, 2004–2005, 29 955, nr. 3, p. 4-5 (MvT bij die Wet). Zie voor een toepassing bij brandschade ontstaan door kortsluiting in een vrachtauto: Hof Amsterdam 2 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:353 en Hof Amsterdam 21 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:65 (tussenarrest en eindarrest inzake Schavemaker/Planet Little Kids c.s.); het hiertegen gerichte cassatieberoep ging niet over art. 6:173 BW: HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3016, NJ 2018/153 m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2018/21 m.nt. F.T. Oldenhuis.

15 In het midden kan daarom blijven in hoeverre [eiseres] een beroep heeft willen doen op art. 6:173 BW (vergelijk in dat verband mva 3.4-3.5).

16 HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1186, NJ 2017/287, JOR 2017/282 m.nt. J.E. Jansen ([…]/ZLM).

17 HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1186, NJ 2017/287, JOR 2017/282 m.nt. J.E. Jansen ([…]/ZLM) en daarover: Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/195-197, W.D.M. Rijnenberg, Aansprakelijkheid van de bruiklener, NTBR 2018/33 en A.H. Lamers, De zorgplicht als ‘goed huisvader’ voor een geleende zaak, TAV 2017/179.

18 In dezelfde zin al: HR 30 april 1937, ECLI:NL:HR:1937:112, NJ 1937/900 m.nt. E.M. Meijers (Stellema/Blank) en hierover J.G. Gräler, Bruikleen, verbruikleen en geldlening (Mon. BW nr. B89) 2012/23.3.2 en N.E. Groeneveld-Tijssens, Bewaarneming (Mon. BW nr. B73) 2020/25. Kritiek op de regel is te vinden in Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/209. Van Schaick acht onjuist dat, zoals in het arrest van 30 juni 2017 is geoordeeld, sprake is van een niet-toerekenbare tekortkoming indien de bruiklener de zaak niet in de staat teruggeeft waarin hij deze heeft ontvangen, maar wel de zorg van een goed bruiklener in acht heeft genomen. Volgens Van Schaick wordt hiermee zonder goede zin de weg geopend naar remedies die met een enkele tekortkoming in verband staan (zoals ontbinding en nakoming). Hij meent dat het zuiverder is om te zeggen dat de bruiklener het geleende moet teruggeven en dat hij in beginsel aansprakelijk is voor de schade die de uitlener lijdt doordat de zaak niet wordt teruggegeven of niet in de staat waarin een goed bruiklener de zaak behoort terug te geven.

19 Zie daarover GS Huurrecht (J.K. Six-Hummel), art. 7:216 BW, aant. 51 en art. 7:224 BW, aant. 51 met verwijzingen naar HR 25 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4373, NJ 2005/338, WR 2004/278 m.nt. J. Dammingh (Dupomex/[…]), HR 12 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1428, NJ 2005/24, JBPr 2005/30 m.nt. E.L. Schaafsma-Beversluis (/Trudo), A. Kloosterman, Oplevering van de woning aan het einde van de huurovereenkomst: huidig, toekomstig en Belgisch recht, WR 1999-4, p. 79 en de Toelichting op het Ontwerp Houwing, p. 927 bij art. 7.4.3.3 (waarop het huidige art. 7:215 BW mede is gebaseerd). De genoemde passage uit het Ontwerp Houwing is te vinden in De Jonge/De Wijkerslooth-Vinke/Gelink (red.), Parlementaire Geschiedenis Huurrecht, 2008, p. 267.

20 GS Huurrecht (J.K. Six-Hummel), art. 7:216 BW, aant. 51 en art. 7:224 BW, aant. 51. De regel wordt nog wel genoemd in Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/133 en H.J. Rossel, Huurrecht algemeen (R&P nr. VG4), 2011, nrs. 5.10.2.1 en 5.10.2.2.1.

21 Kamerstukken II, 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 35 (MvT vaststelling titel 7.4 (Huur)), ook te vinden in: De Jonge/De Wijkerslooth-Vinke/Gelink (red.), Parlementaire Geschiedenis Huurrecht, 2008, p. 359. Zie ook: A.R. de Jonge, Huurrecht, 2019, nr. 24, GS Huurrecht (J.K. Six-Hummel), art. 7:216 BW, aant. 51 en art. 7:224 BW, aant. 51 en I.C.K. Mol en E.H.H. Schelhaas, Reikwijdte opleveringsverplichtingen verhuurder en huurder, TvHB 2011-3, p. 113-115.

22 HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2469, NJ 1998/69 (Spruijt/Tigchelaar), mijn conclusie voor HR 16 december 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1074, RvdW 2017/15 (gestolen rijplaten), nrs. 2.1-2.12, conclusie A-G Rank-Berenschot voor HR 1 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1111, RvdW 2013/1315 (gestolen geluidsapparatuur), nrs. 2.10-2.15, Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/131, GS Huurrecht (J.K. Six-Hummel), art. 7:224 BW, aant. 21, H.J. Rossel, Huurrecht algemeen (R&P nr. VG4), 2011, nr. 5.1.2.5.2, G.T. de Jong, Niet-nakoming van verbintenissen (Mon. BW nr. B33) 2017/19.3, GS Verbintenissenrecht (C. Cauffman en P. Croes), art. 6:75 BW, aant. 8.11. Zie nader over de verkeersopvattingen in dit kader: P. Memelink, De verkeersopvatting, diss. 2009, nr. 3.5.2, B.G.P. Rogmans, Verkeersopvattingen (Mon. BW A20), 2007, nrs. 15 en 23 en Asser/Sieburgh 6-I 2016/353-361. Kritisch over het arrest Spruijt/Tigchelaar zijn: P. Abas, Wat komt – in de zin van art. 6:75 BW – naar de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de schuldenaar?, NTBR 1998/3, p. 87 en A.C. van Schaick, Verkeersopvattingen in het goederenrecht, in: S.E. Bartels en J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, 2000, p. 89.

23 HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:531, NJ 2020/138, JOR 2020/192 m.nt. J.H.M. Spanjaard, HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:483, NJ 2020/125, JOR 2020/185 m.nt. C.R. Christiaans, JPF 2020/82 m.nt. B.E. Reinhartz, HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1845, NJ 2020/17, JBPr 2020/7 m.nt. G.C.C. Lewin, JOR 2020/61 m.nt. F.M.A. ‘t Hart, Ondernemingsrecht 2020/97 m.nt. I.P.M.J. Janssen (InsingerGilissen c.s./X), HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2013, RvdW 2016/923 (X/Fundashon Korporashon Pa Desarayo di Korsou) en HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1733, NJ 2013/464, IER 2014/11 m.nt. F.W.E. Eijsvogels, JIN 2013/181 m.nt. M.R. Rijks (Boston Scientific/OrbusNeich). Kritisch over deze regel zijn: Van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20) 2019/132, I.M.A. Lintel, Vernietiging door de Hoge Raad: gevolgen van de vernietiging bij verwijzing, TCR 2019-1, p. 38-39, I.M.A. Lintel in haar annotatie bij HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:728, JBPr 2018/47, nr. 8 en A.I.M. van Mierlo in zijn annotatie bij HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2455, NJ 2019/126, nr. 11. Ook T.R.B. de Greve heeft ervoor gepleit dat in cassatie een terugbetalingsvordering kan worden ingesteld, zie zijn annotatie bij Rb Dordrecht 14 juni 2007, ECLI:NL:RBDOR:2007:BA7309, JBPr 2007/87 (NNEK/Mourik), nr. 2. Overigens overwoog Uw Raad in het arrest van 20 maart 2020 dat een partij in een afzonderlijk geding wel kan worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen aan haar is betaald op grond van een in appel uitgesproken proceskostenveroordeling, indien door vernietiging in cassatie van de uitspraak de rechtsgrond hieraan is ontvallen. Daartoe is verwezen naar HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:728, NJ 2019/127 m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPr 2018/47 m.nt. I.M.A. Lintel, JIN 2018/116 m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.M. Kuipers.