Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1050

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
20/03532
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:2037
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vordering van de PG tot cassatie in het belang der wet. Betreft een met de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en veiligheid in verband staande afwijking van vormvereisten voor terechtzittingen. In een jeugdstrafzaak heeft het Hof Den Haag de zaak inhoudelijk ter terechtzitting behandeld terwijl de oudste raadsheer, die zich in quarantaine bevond in verband met COVID-19, via Skype for Business aan de berechting deelnam. In de (fysieke) zittingszaal bevonden zich de voorzitter van de meervoudige kamer, een van de raadsheren, de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte. Volgens de Tijdelijke wet COVID-19 moet voor de inhoudelijke behandeling van een strafzaak een fysieke zitting worden gehouden, een videoconferentie kan daarvoor niet in de plaats komen. Het Hof is er vanuit gegaan dat er in deze zaak een volwaardige fysieke zitting is gehouden, ook al was een van de raadheren slechts online met de zitting verbonden. De verdediging en de advocaat-generaal stemden in met de deelname van een lid van de meervoudige kamer aan de inhoudelijke behandeling door middel Skype for Business. De jeugdstrafzaak werd achter gesloten deuren behandeld. De PG gaat in op de wettelijke regeling van zittingsvoorschriften. Het uitstellen van de behandeling om letterlijk aan zittingsvoorschriften te voldoen ook als die geen redelijk doel dienen, kan volgens de PG een excessief formalisme opleveren en strijdig zijn met het beginsel van voortvarendheid. Nu er tussen de procespartijen overeenstemming is over de gang van zaken, het belang van openbaarheid niet speelt omdat de zaak achter gesloten deuren moet plaatsvinden, er geen belangen van derden in het geding zijn en evenmin fundamentele rechten worden geschonden door de wijze van berechting, is het volgens de PG aan de zittingsvoorzitter om te bepalen of de gang van zaken past in de orde van de zitting. Om de Hoge Raad in de gelegenheid te brengen zich over de wijze van behandeling van deze zaak uit te laten heeft de PG in zijn vordering CW als rechtsmiddel geformuleerd dat er in de onderhavige zaak door het Hof geen arrest is gewezen naar aanleiding van een terechtzitting in de zin van het Wetboek strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2785
V-N 2020/63.18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03532 CW

Zitting 10 november 2020

VORDERING TOT CASSATIE

IN HET

BELANG DER WET

J. Silvis

In de zaak

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

hierna: de betrokkene.

1 Inleiding

1.1. Evenals in vele andere landen is ook de Nederlandse rechtspraak vanaf februari 2020 geconfronteerd met tal van vragen van feitelijke en juridische aard die samenhangen met de pandemie door de uitbraak van het COVID-19 virus.1 Sommige van die vragen betreffen de gezondheidsrisico’s die het houden van zittingen voor publiek en/of procespartijen, dan wel medewerkers in de gerechtsgebouwen met zich brengen. Voor een deel kunnen dergelijke risico’s door maatregelen tot aanvaardbare proporties worden teruggebracht, maar daarbij is naast de schaarste van mensen en middelen telkens een belangrijk punt van aandacht hoe de maatregelen zich verhouden tot de formele voorschriften die gelden voor rechtszittingen. Ook vereisen de maatregelen logistieke voorbereiding, passende instructies, training en communicatie. In relatief korte tijd na een abrupte lockdown van de rechtspraak, is de draad van het houden rechtszittingen weer opgepakt. Dat is in de context van de pandemie op aanvankelijk nog beperkte schaal gebeurd en op aangepaste wijze. Algemeen wordt onderschreven dat de vitale functie van de rechtspraak eist dat de rechtspleging zoveel mogelijk doorgang vindt, uiteraard op verantwoorde wijze.

1.2. De wetgever heeft door middel van de in april in het Staatsblad gepubliceerde Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid (Stb. 2020, 124), deels met terugwerkende kracht vanaf 16 maart 2020, beoogd door tijdelijke voorzieningen en wettelijke aanpassingen de continuïteit van het rechtsverkeer te waarborgen gedurende de uitbraak van het coronavirus. Die wet bevat, onder meer, bepalingen op basis waarvan zittingen in gerechtelijke procedures in burgerlijke, bestuursrechtelijke en ook in strafrechtelijke zaken via elektronische weg kunnen plaatsvinden. Wel zijn daar uitzonderingen op geformuleerd. Zo laat artikel 28 van de Tijdelijke wet COVID-19 niet toe dat de inhoudelijke behandeling van strafzaken via elektronische weg plaats vindt zonder dat een fysieke zitting wordt gehouden. Dat geldt ook voor de behandeling van een vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming of tot de verlenging daarvan. De ratio van deze beperkingen ligt, volgens de memorie van toelichting, in de zwaarte van de gevolgen wanneer het gaat om (verlengde) gevangenhouding en voor wat de inhoudelijke behandeling van strafzaken betreft in het belang van de openbaarheid.

1.3. De vraag die in deze vordering aan de orde wordt gesteld, is in hoeverre het toelaatbaar is dat bij de inhoudelijke behandeling van een strafzaak ter terechtzitting een van de rechters daaraan door middel van een tweezijdig elektronisch middel (in dit geval met beeld en geluid) deelneemt zonder fysiek aanwezig te zijn in de zittingszaal. In de onderhavige zaak speelt het belang van de openbaarheid niet, aangezien de behandeling ‘achter gesloten deuren’ plaatsvindt, zoals in jeugdstrafzaken is voorgeschreven. Deze vordering is erop gericht om de Hoge Raad in de gelegenheid te stellen zich nadrukkelijk uit te spreken over de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden een rechter/raadsheer wegens een verhindering om fysiek ter terechtzitting aanwezig te zijn kan deelnemen aan het onderzoek ter terechtzitting door middel van een beeld en geluidverbinding (videoconferentie) of een ander tweezijdig elektronisch hulpmiddel.

2 Omschrijving van de zaak

2.1. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een arrest van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage van 15 oktober 2020 in een strafzaak tegen een jeugdige persoon waarbij het hof de verdachte (a) niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep voor zover dat zich uitstrekte tot een vrijspraak, (b) een deel van de dagvaarding nietig heeft verklaard en (c) de verdachte van het overige heeft vrijgesproken.

2.2. Tegen de beslissing van het hof is geen rechtsmiddel ingesteld waardoor het onherroepelijk is geworden. Cassatie in het belang der wet kan worden ingesteld (art. 78 RO, art. 456 Sv).

2.3. De berechting vond plaats achter gesloten deuren, aangezien het een jeugdstrafzaak betreft. De opgeroepen verdachte was niet verschenen, de tot het voeren van de verdediging bepaaldelijk gemachtigde raadsman van de verdachte wel. De behandeling heeft daarom op tegenspraak plaatsgevonden.2 De tenlastelegging, voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde, houdt in, kort gezegd, de verwijten van beschikbaar hebben van professioneel vuurwerk en voorbereidingshandelingen tot verkoop van professioneel vuurwerk. Er zijn geen benadeelde partijen of slachtoffers in het geding.

2.4. De zaak is bijzonder omdat een van de raadsheren in de zittingscombinatie van het gerechtshof tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak met instemming van de verdediging en de advocaat-generaal heeft deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel met beeld en geluid, meer specifiek met gebruikmaking van Skype for Business. De betreffende raadsheer was verhinderd om fysiek in de zittingzaal aan het onderzoek ter terechtzitting deel te nemen wegens gezinsquarantaine, omdat een gezinslid symptomen vertoonde die passen bij een besmetting met COVID-19.

2.5. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt hierover zakelijk weergegeven als volgt:

De verdachte, opgeroepen als:

[Naam],

geboren te [Geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, wonende te [Woonplaats], is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. K.M.S. Bal, advocaat te Arnhem, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.

De voorzitter deelt vervolgens mede dat [Naam] de oudste raadsheer heden niet fysiek ter terechtzitting aanwezig kan zijn nu zij in gezinsquarantaine is gegaan, omdat een gezinslid symptomen vertoont die passen bij een besmetting met het COVID-19 virus. Nu de aard van de zaak zich niet verzet tegen behandeling daarvan middels een videoconferentie en het belang van een snelle afdoening van de zaak uitstel onwenselijk maakt vraagt hij aan de raadsvrouw van de verdachte en aan de advocaat-generaal of zij ermee kunnen instemmen dat [naam raadsheer] aan het onderzoek ter terechtzitting deelneemt door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel, te weten Skype for Business.

De raadsvrouw en de advocaat-generaal stemmen hiermee in.

De voorzitter deelt hierop mede dat [naam raadsheer] wordt geacht ter terechtzitting tegenwoordig te zijn door middel van meergenoemd communicatiemiddel.

Het hof beveelt vervolgens dat het ter terechtzitting van 16 juni 2020 geschorste onderzoek opnieuw wordt aangevangen, nu de samenstelling van het hof gewijzigd is.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor, met uitzondering van het onder 2 tenlastegelegde nu de verdachte in eerste aanleg van dat feit is vrijgesproken en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld.

(…)

De voorzitter geeft de raadsvrouw namens haar cliënt het laatste woord.

De raadsvrouw deelt mede dat alles inmiddels is gezegd.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1.5 oktober 2020 te 09.00 uur,

Dit proces-verbaal is door de voorzitter en de griffier vastgesteld en ondertekend.

2.6. Ik merk op dat uit het proces-verbaal verder blijkt dat tijdens het verloop van de terechtzitting de oudste raadsheer die online deelneemt ook vragen stelt en opmerkingen maakt.

3 Relevante bepalingen Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid

Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid

Paragraaf 6. Tijdelijke voorziening ten aanzien van strafzaken

Artikel 27. (horen of verhoren per telefoon)

1. In aanvulling op artikel 78a van het Wetboek van Strafrecht en artikel 131a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien dit noodzakelijk is in verband met de uitbraak van COVID-19, voor het horen, verhoren of ondervragen van personen in plaats van videoconferentie waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand komt, gebruik worden gemaakt van een ander tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.

2. Tenzij sprake is van uiterste noodzaak, is het eerste lid niet van toepassing:

a. ten aanzien van de verdachte die wordt voorgeleid voor de rechter-commissaris in verband met de inbewaringstelling;

b. ten aanzien van de verdachte die wordt gehoord bij de behandeling van een vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming of tot de verlenging daarvan.

3. In geval in verband met de uitbraak van COVID-19 gebruik wordt gemaakt van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel blijft hoofdstuk II van het Besluit videoconferentie buiten toepassing.

Artikel 28. (mondelinge behandeling in strafzaken)

1. Indien in strafzaken het houden van een fysieke zitting in verband met de uitbraak van COVID-19 niet mogelijk is, kan de mondelinge behandeling plaatsvinden door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op een zitting indien het betreft:

(…)

b.de inhoudelijke behandeling van de strafzaak ter terechtzitting.

4 Beschouwing

4.1. De fysieke terechtzitting in de onderhavige zaak, afgezien van de zich op afstand bevindende oudste raadsheer, vond plaats in het Paleis van Justitie te Den Haag. Dat is ook in normale omstandigheden de gebruikelijke zittingsplaats voor het Hof Den Haag. Toch kan het zinvol zijn het wettelijk kader voor de bepaling van zittingsplaatsen te schetsen, met het oog op (andere) denkbare varianten van zogenaamde ‘hybride zittingen’ (deels fysiek/deels via een tweezijdig elektronisch medium). Ik stel voorop dat de zittingsvoorschriften zoveel mogelijk functioneel moet worden uitgelegd, met oog voor de ratio van die bepalingen en met inachtneming van fundamentele rechten.

4.2. De Wet RO ligt ten grondslag aan de regeling van zittingsplaatsen. Op de voet van art. 21b Wet RO zijn bij algemene maatregel van bestuur voor elk gerecht zittingsplaatsen aangewezen binnen het rechtsgebied waarin het gerecht is gelegen. Daarbij is rekening gehouden met het belang van een goede toegankelijkheid van rechtspraak en het belang van een goede bedrijfsvoering van het gerecht. De minister van Justitie en Veiligheid kan, gehoord de Raad en het College van procureurs-generaal, binnen het rechtsgebied waarin het gerecht is gelegen overige zittingsplaatsen aanwijzen, al dan niet voor een bepaalde periode. Verder kan de minister, na overleg met de Raad en het College van procureurs-generaal, bepalen dat in een zaak de terechtzitting zal worden gehouden op een door hem aan te wijzen locatie in of buiten het rechtsgebied waarin het gerecht is gelegen, indien dit noodzakelijk is in verband met de veiligheid van personen of andere zwaarwegende omstandigheden.

4.3. Op grond van art. 21 Wet RO stelt het bestuur van een gerecht een zaaksverdelingsreglement vast, waarin per zittingsplaats is bepaald voor welke categorieën van zaken in die zittingsplaats zittingen worden gehouden. Ook daarbij wordt in ieder geval rekening gehouden met het belang van een goede toegankelijkheid van rechtspraak. Verder kan op grond van art. 3 lid 1 Besluit orde van dienst gerechten de voorzitter van de meervoudige kamer of degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer bepalen dat in verband met de omstandigheden in een bepaalde zaak voor de behandeling van die zaak op andere dagen, tijdstippen of plaatsen zittingen worden gehouden dan is vastgesteld in het reglement.

4.4. Volgens het zaaksverdelingsreglement van het Hof Den Haag worden zaken in alle categorieën in beginsel behandeld in het Paleis van Justitie te Den Haag.3 Daarnaast bestaan andere wettelijke zittingsplaatsen (Rotterdam, Dordrecht) die in een individuele zaak kunnen worden toegewezen. De term zittingsplaats heeft in dit verband de betekenis van fysieke locatie. De openingstijden en plaats van de griffie zijn wettelijk verbonden met de zittingsplaats (art. 10 Wet RO; art. 10 Besluit Orde van dienst gerechten).

4.5. In zaken tegen minderjarige verdachten zijn de bepalingen van het wetboek van toepassing voorzover genoemde Titel daar geen afwijkende bepalingen bevat (art. 488 lid 1 Sv). Volgens het Wetboek van strafvordering vindt een terechtzitting in strafzaken kennelijk plaats in een zittingzaal (vgl. art. 268, 273, 296, 297, 300 Sv). In art. 268 lid 3 Sv staat dat behalve de rechters en de griffier ‘aan de tafel der rechtbank’ niemand plaats neemt. Op grond van art. 273 lid 3 Sv kan de voorzitter de verdachte die de orde verstoort ‘zijn verwijdering uit de zittingzaal bevelen’.

4.6. De Grondwet bepaalt in lid 1 van art. 121 dat terechtzittingen in het openbaar plaatsvinden, met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald. In zaken van volwassenenstrafrecht is openbaarheid van de terechtzitting het uitgangspunt (art. 269 Sv). In een zittingzaal moet dus ruimte zijn voor publiek. Het uitgangspunt van openbaarheid is ook vastgelegd in artikel 6, eerste lid, EVRM en artikel 14, eerste lid, IVBPR. Deze bepalingen laten onder omstandigheden wel toe dat wordt afgeweken van het uitgangspunt van openbaarheid, zoals bijvoorbeeld in jeugdstrafzaken doorgaans het geval is.

4.7. De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek, maar kan een ander lid van de kamer belasten met de leiding van het onderzoek. De behandeling van strafzaken tegen volwassenen vindt, als hiervoor gesteld, plaats in het openbaar (art. 269 Sv), maar kan met inachtneming van wettelijke criteria ter beoordeling van de rechtbank of het hof geheel of gedeeltelijk ‘met gesloten deuren’ plaatsvinden. In zaken tegen jeugdigen (personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt) is het uitgangspunt dat die achter gesloten deuren plaatsvindt (art. 495b Sv). De voorzitter kan tot bijwoning van de besloten terechtzitting aan bepaalde personen bijzondere toegang verlenen. Aan het slachtoffer of de nabestaanden van het slachtoffer wordt toegang verleend, tenzij de voorzitter wegens bijzondere redenen anders beslist. Ook is het de voorzitter die openbare behandeling kan gelasten indien naar zijn oordeel het belang van de openbaarheid van de zitting zwaarder moet wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, diens medeverdachte, ouders of voogd.

4.8. Het uitgangspunt van de voor invoering van de Tijdelijk wet COVID-19 al bestaande wettelijke regeling over videoconferentie in het strafrecht is dat videoconferentie kan worden toegepast in alle gevallen waarin in het strafproces sprake is van een horen, verhoren of ondervragen van een persoon (zoals een verdachte of getuige). De betrokken organisaties in de strafrechtketen kunnen zelf besluiten of - en zo ja, in welke situaties – videoconferentie wordt toegepast. Daarnaast is in artikel 131a Sv bepaald dat de finale beslissing over het gebruik van videoconferentie in een individueel geval telkens bij de horende (rechterlijk) ambtenaar ligt. Een recente wijziging van het Besluit videoconferentie (hierna: het Besluit) strekt ertoe om in meer situaties binnen het strafproces videoconferentie mogelijk te maken (Besluit van 20 maart 2020, Stb. 101). De Tijdelijke wet COVID-19 is een aanvulling op de eerder al bestaande mogelijkheden gebruik te maken van telecommunicatiemiddelen in de strafprocedure. Artikel 28 regelt in dat verband dat een mondelinge behandeling in een strafrechtelijke procedure mogelijk is zonder dat een fysieke zitting in de rechtbank plaatsvindt, zij het dat de mogelijkheid een fysieke zitting achterwege te laten wordt beperkt tot de procedures waarin niet de behandeling van een vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming of tot de verlenging daarvan dan wel de inhoudelijke behandeling van de strafzaak aan de orde is.

4.9. In de memorie van toelichting bij Tijdelijke wet COVID wordt het vereiste van een fysieke zitting gekoppeld aan de omstandigheid dat daarbij in ieder geval de rechters, de griffier en de officier van justitie aanwezig zijn (MVT, p. 13). De Tijdelijke wet COVID Justitie en Veiligheid voorziet er niet in dat een van de rechters aan de zitting deelneemt aan de fysieke zitting zonder daarbij fysiek aanwezig te zijn. Dat geldt ook voor het openbaar ministerie. Indien een fysieke zitting plaatsvindt en daarbij dus een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie aanwezig is, kunnen de verdachte en zijn raadsman evenals andere procesdeelnemers daaraan wel deelnemen door middel van videoconferentie of een telefonische verbinding, zoals is geregeld in artikel 27 van de Tijdelijke wet COVID-19. Er zal volgens de memorie van toelichting welwillend moeten worden omgegaan met de wens van de raadsman om zelf wel, of juist niet fysiek aanwezig te zijn. In voorkomend geval kan hem in voorafgaand overleg de keuze worden gelaten om hetzij bij de fysieke zitting aanwezig te zijn, hetzij daaraan deel te nemen via een elektronische verbinding (dus een videoconferentie of een ander tweezijdig elektronisch communicatiemiddel), al dan niet na voorafgaande schriftelijke wisseling van standpunten met het openbaar ministerie.

4.10. Het belang dat gediend wordt door de eis dat de inhoudelijke behandeling van strafzaken tegen volwassenen door middel van een fysieke zitting in een zittingzaal moet plaatsvinden, is onder meer de openbaarheid. Ook het EVRM stelt als eis voor een eerlijk proces dat het in de openbaarheid plaatsvindt. Maar op zichzelf staat dat gegeven, afgezien van de nationale wetgeving, niet volledig in de weg aan berechting door middel van een videoconferentie mits compensatiemaatregelen kunnen worden getroffen om de openbaarheid van de procedure te waarborgen.4 Van het belang van een openbaar proces kunnen het openbaar ministerie en de verdachte in samenspraak met de rechter evenwel geen afstand doen, omdat openbaarheid een belang is van het publiek en geen recht van procespartijen. Maar dit terzijde, want de openbaarheid is in deze zaak geen issue.

4.11. Uit de wettelijke regeling vloeit m.i. voort dat voor de inhoudelijke behandeling van een strafzaak, ook betreffende jeugdigen, een fysieke zitting in een zittingzaal moet plaatsvinden. De vraag van de toelaatbaarheid van het op afstand door middel van Skype for Business als raadsheer deelnemen aan de behandeling van een strafzaak door de meervoudige kamer, kan worden onderscheiden van de vraag of er in dat geval nog wel sprake is van een fysieke zitting. Ik meen dat als het zwaartepunt van de zitting ligt in de zittingzaal, van daaruit de behandeling volledig gevolgd kan worden en zowel de voorzitter, die de regierol heeft, als het openbaar ministerie zich daar bevinden, terwijl de toegang voor de verdachte en de raadsman van de verdachte of een daartoe rechthebbende derde niet is belemmerd, de zitting als een fysieke zitting gekenmerkt kan worden. Het enkele feit dat een raadsheer door middel van een videoconferentie-verbinding deelneemt, zonder lijfelijk aanwezig te zijn in de zittingzaal doet daar niet aan af. De volgende vraag is of een fysieke zitting op een dergelijke wijze rechtens mag plaatsvinden als het gaat om de inhoudelijke behandeling van een jeugdstrafzaak.

4.12. Hoe een zitting mag plaatsvinden volgt naar mijn mening niet zonder meer uit zittingsvoorschriften. Een eerlijk proces vereist dat voortvarendheid wordt betracht en dat minimaal de redelijke termijn in acht wordt genomen, waarvan kan worden afgeleid dat de behandeling van strafzaken niet zonder goede grond mag worden uitgesteld. Of het naar de letter voldoen aan zittingsvoorschriften een voldoende goede grond is voor uitstel, kan daarom niet zonder enige afweging worden beslist omdat er anders sprake zou kunnen zijn van excessief formalisme. Bij de te maken afweging komt gewicht toe aan het feit dat door de heersende covidpandemie de voortgang in de rechtspleging ernstig wordt belemmerd.

4.13. Wanneer zittingsvoorschriften in het geding zijn, kan de beoordeling van deze kwestie doorgaans plaatsvinden door de voorzitter van de meervoudige kamer aan wie in het wettelijk systeem immers de verantwoordelijkheid voor de orde van de zitting is opgedragen. Gezien de wettelijke beperking van de inhoudelijke behandeling van strafzaken tot fysieke terechtzitting, moet er een zitting worden gehouden die als zodanig gekwalificeerd kan worden. Wil er nog van een fysieke zitting kunnen worden gesproken in onderscheid van een rechtszitting door middel van een videoconferentie betekent dat, zoals hiervoor over fysieke zitting is gesteld, dat in ieder geval ook de voorzitter fysiek aanwezig zal moeten zijn in de zittingzaal; hetzelfde geldt voor de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie (hier de advocaat-generaal). In die context is de vraag of een van de raadsheren in een besloten zitting door middel van een Skype for business verbinding (tweezijdig beeld en geluid) als het ware ‘aan de tafel’ van de meervoudige kamer kan aanschuiven, in mijn ogen, een kwestie van de zittingsorde waarover de voorzitter beslist. Ik merk daarbij op dat in een eenvoudige besloten zitting met alleen professionele deelnemers zoals in dit geval, de voorzitter zonder veel moeite de garantie kan hebben dat ook de door een videoconferentie deelnemende raadsheer voldoende kan waarnemen wat er zich afspeelt.

4.14. Zowel de raadsman van de verdachte, alsook de advocaat-generaal ter zitting stemmen in de onderhavige zaak in met de deelname van de oudste raadsheer aan de zitting op afstand door “Skype for business”. Deze consensualiteit is van belang. Er zijn, gezien de eerder vermelde kenmerken van deze zaak geen belangen van derden in het geding, die niet ter zitting zijn vertegenwoordigd. De voorzitter dient zich ervan op de hoogte te stellen of de via een videoconferentie verbonden raadsheer volwaardig aan de zitting kan deelnemen. Het gaat dan om eisen van technische kwaliteit van de beeld en geluidverbinding. Ook aan het feit dat de onderhavige zaak in beslotenheid plaats vindt mag geen afbreuk worden gedaan door (te) kwetsbare verbindingen toe te staan. Een algemeen geformuleerd relatief open aanknopingspunt voor die beoordeling is het Besluit videoconferentie (Stb. 2006, 610) waarin staat:

Hoofdstuk III Eisen aan het systeem

artikel 4

1 Het systeem door middel waarvan videoconferentie wordt toegepast, is zodanig ingericht dat:

a. de betrokken personen een natuurgetrouwe weergave krijgen van hetgeen zich in de andere ruimte afspeelt;

b. overleg kan worden gevoerd zonder dat dit voor derden hoorbaar is;

c. stukken kunnen worden uitgewisseld, en

d. het systeem is beveiligd tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking;

e. het systeem aan de internationale standaarden voldoet indien de videoconferentie plaatsvindt met een persoon die zich buiten Nederland bevindt.

(…)

4.15. Ik heb geen reden om aan te nemen dat het in dit geval gebruikte middel (Skype for Business) niet aan deze eisen zou voldoen.

4.16. Moet de skypende raadsheer in toga? Volgens art. 2 van het Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie zijn raadsheren gekleed in het voor hun ambt voorgeschreven kostuum, bestaande uit een toga en een bef wanneer zij binnen een gebouw, dat als gerechtsgebouw dienst doet, in de uitoefening van hun ambt aanwezig zijn op een terechtzitting of wanneer zij in een gebouw als vorenbedoeld anders dan ter terechtzitting een ambtsverrichting vervullen, waarbij het dragen van het kostuum gepast is. Hieraan kan worden ontleend dat de oudste raadsheer die op afstand online deelnam, niet in toga met bef gehuld hoefde te zijn.

4.17. Er worden door de zitting doorgang te laten vinden, voor zover ik kan beoordelen, geen normen van een eerlijk proces geschonden. Gebruikmaking van de bevoegdheid van de voorzitter om de zittingsorde te handhaven is overigens niet ter beoordeling van de cassatierechter omdat het een handeling betreft.5 Ik meen dan ook dat dit door mij ingestelde cassatieberoep niet moet slagen.

4.18. Om toch een vordering tot cassatie in het belang de wet te doen baseer ik het middel op de stelling dat er in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van een onderzoek ter terechtzitting in de zin van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding waarvan arrest kan worden gewezen.

5 Rechtsmiddel

5.1. Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder artikel 488 Sv, 415 Sv in verband met artikel 350 Sv, en/of verzuim van vormen doordat het Gerechtshof Den Haag op 15 oktober 2020 in de zaak met rolnummer 22-000300-19, parket nummer 10-070137-18, arrest heeft gewezen, terwijl dit niet is geschied naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in de zin van de toepasselijke bepalingen.

6 Slotsom

6.1. Op grond van het voorgaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden beslissing in het belang der wet zal vernietigen en zal verstaan dat de door uw Raad gegeven beslissing geen nadeel zal toebrengen aan door de betrokkenen verkregen rechten.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Uit een door het Bureau van de Jurisconsult van het EHRM op basis van een rondvraag bij de in de Raad van Europa verbonden verdragsstaten (EVRM) en bij internationale organisaties opgesteld en regelmatig ververst overzicht, dat is verspreid in het Superior Courts Network in de Raad van Europa, blijkt dat vanaf april 2020 de rechtspleging wereldwijd met deze problematiek wordt geconfronteerd. Op 10 juli 2020 vond een webinar plaats in het kader van het Forum of the Superior Courts Network (SCN): “Adapting judicial systems to the COVID-19 pandemic and its potential impact on the right to a fair trial”, vermeld in Information Note on the Court’s Case Law, nr. 242 July 2020, p. 29. Illustratief is de aangekondigde publicatie (995/2020) van de Venice Commission, Interim Report on measures taken in the EU Member States as a result of the COVID-19 crisis and their impact on democracy, the rule of law and fundamental rights, 8 October 2020. Zie ook de op 16 oktober 2020 gehouden speech van de President van het EHRM Robert Spano, “The ECHR and the Pandemic – Rule of Law as the Lodestar of the Convention System”. Seventh Annual Regional Rule of Law Forum for South East Europe. Bron:https://www.echr.coe.int/Documents/Speech_20201016_Spano_7th_Rule_Law_Forum_SE_Europe_ENG.pdf

2 De verschijningsplicht in jeugdstrafzaken (495a Sv) staat niet in de weg aan toepassing van art. 279 Sv (ECLI:NL:HR:2003:AH9978).

3 Stcrt-2016-23179.

4 Het gaat er bij openbaarheid van rechtspraak volgens het EHRM om dat het publiek kennis kan verwerven over tijd en plaats van zittingen en dat er goede toegang is in gerechtsgebouw. Als daaraan onder omstandigheden niet kan worden voldaan is de Staat verplicht te zorgen voor compensatoire maatregelen om te borgen dat het publiek en de media zodanige toegang (effective access) hebben dat zij het proces kunnen volgen (EHRM 14 november 2000, 35115/97, Riepan v. Austria, § 29; EHRM 29 november 2007, 9852/03 and 13413/04, Hummatov v. Azerbaijan, § 144.)

5 Hoge Raad, 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3318: 3.4. Voorzover het middel erover klaagt dat de Voorzitter van het Hof op een onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het handhaven van de orde op de terechtzitting door de publieke tribune te ontruimen, kan het evenmin tot cassatie leiden nu de klacht een handeling betreft waartegen beroep in cassatie niet openstaat.