Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1048

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
19/02897
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:156
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Witwassen, art. 420bis Sr. Middelen o.m. m.b.t. 1. oordeel hof dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over herkomst geldbedrag en 2. ontbreken uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op door verdachte voorafgaand aan ttz. gedaan aanhoudingsverzoek.

Ad 1. ’s Hofs oordeel dat door verdachte gegeven verklaring over herkomst geld niet concreet of onderbouwd en dus niet verifieerbaar is gebleken, getuigt naar de mening van de AG van een onjuiste rechtsopvatting. ’s Hofs oordeel komt er in de kern op neer dat verdachte, naast zijn eigen verklaring, geen stukken heeft overgelegd die zijn verklaring nader onderbouwen. Door van verdachte te verlangen dat hij zijn stellingen steeds nader onderbouwt, verlangt het hof in feite dat verdachte aannemelijk maakt dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Ad 2. Het p-v van de ttz. houdt niet in de het hof omtrent het verzoek tot aanhouding uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft beslist, noch dat de AG omtrent het verzoek is gehoord. Dit verzuim heeft nietigheid tot gevolg. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/02879.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02897

Zitting 10 november 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 juni 2019 het jegens de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 22 maart 2017 bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en met verbetering van gronden. Bij dat vonnis is de verdachte wegens “witwassen” veroordeeld. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte (19/02879). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.B.E. van Kan en mr. A. Cinar, beiden advocaat te Heerlen, hebben zeven middelen van cassatie voorgesteld.1

4. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie merk ik ambtshalve het volgende op. De cassatieakte vermeldt dat namens de verdachte op 18 juni 2019 cassatie is ingesteld tegen het arrest in de strafzaak door een griffiemedewerker bij het hof ’s-Hertogenbosch. De akte houdt tevens in dat deze griffiemedewerker daartoe gemachtigd is “blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht ontvangen d.d. 14 juni 2019”.

5. De bijzondere volmacht waarnaar in de cassatieakte wordt verwezen, ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Bij de stukken van het geding bevindt zich uitsluitend een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker tot het instellen van cassatie in de met de strafzaak samenhangende ontnemingszaak. Overeenkomstig artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement heeft de raadsman van de verdachte bij portaalbericht van 24 maart 2020 tijdig aan de rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van de bijzondere volmacht tot het instellen van cassatie in de strafzaak. Naar aanleiding hiervan heeft een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad bij schrijven van 8 juni 2020 aan het hof ‘s-Hertogenbosch verzocht het ontbrekende stuk aan de strafadministratie van de Hoge Raad te doen toekomen. Desgevraagd heeft de griffier van het hof bij brief van 29 juni 2020 de Hoge Raad bericht dat deze volmacht in het ongerede is geraakt.

6. Nu de schriftelijke volmacht van de raadsman aan de griffiemedewerker van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om beroep in cassatie in de strafzaak in te stellen ontbreekt, kan de Hoge Raad niet controleren of de volmacht voldoet aan de in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102 m.nt. Borgers, geformuleerde eisen. Wat betreft het beroep in cassatie geldt in het bijzonder de eis dat de volmacht inhoudt de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep.

7. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan echter worden afgeleid dat een onvolkomen volmacht bij het (doen) instellen van het cassatieberoep niet tot niet-ontvankelijkheid behoeft te leiden.2Mijns inziens dient ook de omstandigheid zoals die zich in de onderhavige zaak voordoet, namelijk dat de schriftelijke volmacht bij het hof in het ongerede is geraakt, niet ten nadele van de verdachte tot niet-ontvankelijkheid te leiden. Namens de verdachte is een cassatieschriftuur ingediend door een tweetal advocaten die hebben verklaard daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Daaruit moet worden afgeleid dat aan het instellen van cassatieberoep de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen, zodat de omstandigheid dat de volmacht in het ongerede is geraakt, niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring in het cassatieberoep.

8. Alvorens ik tot bespreking van de middelen overga, geef ik eerst de bewezenverklaring weer, daarna de bewijsoverwegingen van de rechtbank, de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en tot slot de aanvullende bewijsoverweging van het hof, steeds voor zover relevant voor de bespreking van de middelen.

9. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“in de periode van 1 januari 2007 tot en 31 december 2010 in Nederland in totaal € 212.790,- heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

10. De bewezenverklaring is door de rechtbank met gebruik van de Promis-werkwijze gemotiveerd. De bewijsoverwegingen luiden (met weglating van voetnoten) als volgt:

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

In de periode van 15 november 2007 tot en met 8 juni 2010 werden door de Financial Intelligence Unit Nederland aan de Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland ten name van verdachte 11 verdachte transacties gemeld. Dit betroffen 9 contante stortingen, een money transfer en een girale overboeking.

Onverklaarde gelden

Uit onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte contante geldbedragen op zijn rekeningen heeft gestort. Dit betreft zowel de zakelijke bankrekening van verdachte als diverse privérekeningen van verdachte.

De zakelijke bankrekening

Op de zakelijke bankrekening ten name van [A] B.V. is in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010, in totaal € 206.440,- contant gestort. Verdachte is vanaf 1 april 1981 directeur grootaandeelhouder van de onderneming [A] B.V.

Aan de hand van de omschrijvingen kunnen de tientallen contante stortingen worden onderverdeeld in 3 categorieën:

Omschrijving:

Totaalbedrag:

Storting

€ 129.040,-

Storting huur

€ 16.000,-

Storting m.b.t. Harley

€ 61,400,-

Totaal

€ 206.440,-

De privérekeningen

Op de privérekeningen van verdachte is in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010, in totaal € 20.350,- contant gestort.

De Money Transfer

Tot slot heeft verdachte op 24 december 2009 een Money Transfer verricht van € 2.000,-. Verdachte heeft € 2.000,- contant aangeboden met het doel dit bedrag over te maken naar een bankrekening ten name van zichzelf, [verdachte] , in de Verenigde Staten.

Tussenconclusie:

Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode in totaal (€206.440,- + €20.350,- +

€ 2.000,- =) € 228.790,- aan contant geld op zijn zakelijke en zijn privérekeningen gestort.

Van verdachte zijn in de ten laste gelegde periode geen legale inkomstenbronnen bekend. Uit onderzoek door de FIOD is naar voren gekomen dat ten aanzien van verdachte bij de Belastingdienst over de jaren 2007 tot en met 2009 geen aan loonheffing onderworpen inkomsten bekend zijn. De spaartegoeden van verdachte waren in diezelfde jaren nihil dan wel negatief. Evenmin zijn bij de Belastingdienst met betrekking tot de onderneming [A] B.V. over de jaren 2007 tot en met 2009 omzetgegevens bekend. Sterker nog: volgens de accountant van verdachte was [A] B.V. een stilliggende vennootschap waarin geen activiteiten werden ontplooid. Dat laatste werd door verdachte ter zitting bevestigd.

Verdachte is eigenaar van het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] . Zijn onderneming, [A] B.V. was in dat pand gevestigd. In dit pand werden op 14 december 2010 een ontmantelde hennepplantage en zakken met hennepresten aangetroffen. Door de verbalisanten wordt gerelateerd dat ook in 2001 en 2003 in hetzelfde pand hennepplantages werden aangetroffen. In 2006 werd een niet in werking zijnde hennepplantage aangetroffen.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in deze zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd voor de illegale herkomst van de geldbedragen. Wel is in deze zaak sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van illegale inkomsten. Niet alleen omdat van verdachte geen legale inkomstenbronnen bekend zijn, terwijl hij wel grote geldbedragen contant heeft gestort, maar ook omdat in het bedrijfspand van verdachte aan de [a-straat 1] in [plaats] op meerdere momenten (resten van) een hennepplantage werd aangetroffen. Dit betekent dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare verklaring geeft voor de legale herkomst van het geld die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer terzijde kan worden geschoven.

De verklaring van verdachte ten aanzien van de herkomst van de geldbedragen

Op de zitting van 8 maart 2017 heeft verdachte - kort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij legale inkomsten heeft gehad, te weten:

1. inkomsten uit twee hypothecaire geldleningen;

2. inkomsten uit de verhuur van zijn bedrijfspand aan de [a-straat 1] in [plaats] ;

3. ongeveer € 220.000,- uit een erfenis;

4. inkomsten uit de verkoop van motoren.

Inkomsten uit de verhuur van het bedrijfspand

Uit de stukken kan worden afgeleid dat verdachte inkomsten uit de verhuur van een pand heeft gehad. Dit blijkt uit de zich in het dossier bevindende huurovereenkomst, de verklaring die de huurder - [betrokkene 1] - daarover heeft afgelegd en de contante stortingen ad in totaal € 16.000,- op de bankrekening van verdachte met als omschrijving “huur”. Deze huurinkomsten zijn dan ook niet meegenomen in het totaalbedrag dat verdachte volgens het openbaar ministerie heeft witgewassen. Immers, de verhuuropbrengsten ad € 16.000,- zijn van het totaalbedrag van € 228.790,- afgetrokken, zodat een totaalbedrag van (€ 228.790,- -/- € 16.000,- =) € 212.790,- resteert.

Dat verdachte in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 79.200,- aan huurinkomsten heeft gehad, zoals de verdediging heeft bepleit, is niet aannemelijk geworden. Enerzijds kan dit niet uit de zich in het dossier bevindende bankafschriften worden afgeleid, omdat de contante stortingen met als omschrijving “huur” beperkt zijn tot een bedrag van € 16.000,-. Anderzijds heeft verdachte de kwitanties die zijn verhaal, dat er meer stortingen bij zijn die betrekking hebben op huur, zouden kunnen onderbouwen, niet overgelegd. Evenmin is door de verdediging verzocht deze kwitanties, die zich volgens verdachte in een opslagloods bevinden waartoe hij geen toegang heeft omdat hij de huur al enige tijd niet heeft betaald, aan het dossier toe te voegen.

Inkomsten uit hypothecaire geldleningen en uit een erfenis

Op 8 juni 2010 vond een girale overboeking van € 123.650,- plaats op de privérekening van verdachte. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij in 2010 een bedrag van € 135.000,- aan verdachte heeft geleend met als onderpand het bedrijfspand aan de [a-straat 1] in [plaats] . Dit blijkt ook uit een zich in het dossier bevindende hypotheekakte d.d. 4 juni 2010. Los van de vraag of verdachte over het gehele bedrag heeft kunnen beschikken, stelt de rechtbank vast dat deze girale overboeking niet is meegenomen in het totaalbedrag dat verdachte volgens het openbaar ministerie heeft witgewassen. Deze girale overboeking was enkel - na de contante stortingen en de Money Transfer die de jaren daarvoor al hadden plaatsgevonden - reden een onderzoek in te stellen.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat verdachte in 2008 een hypothecaire geldlening ten bedrage van € 165.000,- heeft afgesloten met als onderpand het pand aan de [b-straat 1] in [plaats] . Na aftrek van de aflossingskosten, rente en BTW (19%) kon verdachte over een bedrag van € 39.434,97 beschikken. Tevens heeft verdachte in 2005 een winst gehad van € 134.585,- na de verkoop van een appartement dat hij heeft geërfd. Verdachte moet over dit bedrag nog € 81.390,63 aan belasting betalen. Dit heeft hij tot op heden niet gedaan.

Deze legale gelden zijn echter geen verklaring voor de vele contante stortingen op de bankrekening van verdachte. Deze gelden worden namelijk, normaal gesproken, via de notaris (giraal) overgemaakt op een bankrekening. Volgens verdachte zijn deze stortingen inderdaad giraal aan hem overgemaakt. Dat verdachte de erfenis op een Finse bankrekening heeft laten storten en geld van die rekening heeft opgenomen dan wel in Finland is gaan opnemen, is onaannemelijk zonder nadere onderbouwing. Kort en goed: dat de contante stortingen (deels) afkomstig zouden zijn uit inkomsten uit een hypothecaire geldlening of de verkoopwinst waarover verdachte kon beschikken, is niet te verifiëren.

Inkomsten uit de verkoop van motoren

De verklaring van verdachte dat een groot deel van de contante stortingen betrekking had op de verkoop van motoren, heeft verdachte, ondanks herhaalde toezeggingen daartoe, op geen enkele wijze onderbouwd. Verdachte heeft tijdens zijn verhoren aangegeven over stukken te beschikken die zijn verhaal kunnen onderbouwen. Deze stukken heeft hij echter, ondanks meerdere gelegenheden daartoe, tot op heden niet overgelegd. Sterker nog: ook nadat het gerechtshof de zaak heeft terugverwezen, heeft verdachte geen stukken overgelegd die zijn inkomsten uit de verkoop van motoren zou kunnen onderbouwen. Op zitting heeft hij slechts aangegeven dat deze stukken zich in dezelfde opslagruimte bevinden als de kwitanties van de huurinkomsten.

De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode door verdachte traceerbare stortingen en overboekingen zijn gedaan die niet kunnen worden verklaard uit legale inkomsten. Van verdachte mag worden verlangd dat hij zijn verklaring dat hij over legale inkomsten beschikte, onderbouwt met concrete en verifieerbare informatie. Nu verdachte dit heeft nagelaten en van verdachte ook anderszins geen legale inkomstenbronnen aannemelijk zijn geworden, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de legale herkomst van het geld. Al het voorgaande in overweging nemende is de rechtbank dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de contante stortingen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist. Verdachte heeft in totaal een geldbedrag van € 212.790,- verworven, waarna hij dit bedrag voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen door het contant op bankrekeningen te storten of over te boeken naar andere bankrekeningen op zijn naam of van zijn bedrijf. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode € 212.790,- heeft witgewassen.

11. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 mei 2019 kan worden afgeleid dat de verdachte aldaar niet werd bijgestaan door een raadsman en zelf het woord tot verdediging heeft gevoerd. De verdachte heeft onder meer het volgende verklaard:

“De voorzitter deelt mede:

Verdachte heeft zelf meermalen om aanhouding van de zaak gevraagd, maar de zaak is, los daarvan, te lang blijven liggen. De zaak is eerder aangehouden omdat verdachte geen raadsman had. Verdachte heeft nadien nogmaals om aanhouding gevraagd, maar dat verzoek is niet nogmaals toegewezen.

(…)

De verdachte verklaart als volgt:

(…)

Ik heb een gebouw gehad in [plaats] op de [a-straat 1] . Dat gebouw heb ik verhuurd aan [betrokkene 1] . Hij had een bedrijf genaamd: [B] .

Mijn zoon heeft indertijd de huurovereenkomst gesloten met [betrokkene 1] . Dat is gebeurd met tussenkomst van een makelaar. De huurder had echter betalingsproblemen. Hij betaalde maanden niet, maar uiteindelijk zijn alle huurpenningen betaald.

De huurder beschikte verder over Harley Davidson motoren die hij ombouwde naar choppers. Ik heb geld aan [betrokkene 1] geleend en als hij dan een motor had verkocht kreeg ik het terug. Wat mij het meest verbaast is dat de bankafschriften in het dossier niet volledig zijn en dat er geen enkele storting op die bankafschriften te zien is afkomstig uit Finland. Daarnaast volgt uit het dossier ook niet dat ik geld van de rekening heb afgehaald, terwijl dat wel is gebeurd. Het overzicht is niet compleet.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij alle huurpenningen heeft betaald, maar dat hij geen extra geld kreeg van mij. Helaas heb ik op dit moment helemaal geen geld. De bewijsstukken die mijn betoog kunnen onderbouwen liggen bij [C] , maar ik moet aan hen eerst € 3.000,- betalen voor ik toegang krijg tot die stukken en dat geld heb ik niet. Ik heb ook geen geld voor een advocaat op dit moment dus ik kan de bewijsstukken niet aanleveren.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat hij dat al vaker heeft verklaard, ook in eerste aanleg.

In de loop van de tijd is mijn financiële situatie nog slechter geworden. Ik heb € 60,- per week om te van te leven. Dan blijft er niet veel over. Ik kan mij voorstellen dat de rechtbank en advocaat-generaal de bewijzen willen hebben die mijn stellingen ondersteunen. Dat begrijp ik, maar ik kan de stukken niet aanleveren omdat ik daar geen geld voor heb. De voorzitter zegt mij dat ook via de bank gegevens kunnen worden opgevraagd en dat dit niet zo duur is. Ik zeg u dat ik daarvoor heb gebeld met bijvoorbeeld Finland. Ik weet niet in welke maanden geld van de erfenis, ad € 196.000,- heb ontvangen. Het opvragen van een bankafschrift kost per maand € 5,-. Het opvragen van de bankafschriften van 5 jaar kost derhalve € 300,-. Ik heb dat geld niet.

De voorzitter deelt mede:

Volgens u zijn er ook contante opnames geweest. U had bij de ING-bank kunnen vragen om dag- of maandafschriften. Dat had u veel eerder kunnen doen. Maar u heeft enkel verwezen naar de stukken die bij [C] liggen.

De verdachte verklaart als volgt:

Ik had nooit gedacht dat ik in deze situatie terecht zou komen. U zegt mij dat mijn raadsman ook eerder nader onderzoek had kunnen vragen. Ik ben niet juist geïnformeerd door mijn vorige advocaat. Ik wil niet negatief over hem zijn, maar dat is mijn opinie.

De voorzitter deelt mede:

Het gaat erom dat er een aantal contante stortingen gedaan is. U hebt als achterliggend verhaal verklaard dat [betrokkene 1] huurpenningen moest betalen, maar dat hij dat niet op tijd deed. U financierde hem vóór zodat hij de motoren kon ombouwen. Als hij die motoren dan had omgebouwd en verkocht, dan kreeg u de huur terug plus wat u hem extra had gegeven. U had ook in een eerder stadium van deze procedure kunnen verklaren dat u ook contante opnames heeft gedaan, zodat dit onderzocht had kunnen worden.

De verdachte verklaart als volgt:

Dat is een fout van mij en mijn advocaat destijds. U zegt mij dat de stortingen uit huur zouden voortkomen en uit de verkoop van de motoren van [betrokkene 1] en vraagt mij of dat een verklaring vormt voor al die bedragen? Ik zeg u dat dit klopt. Het betreft de huurpenningen en de financiering die ik deed voor [betrokkene 1] . Het lijkt veel te zijn, maar in de veroordeling heeft de rechtbank helemaal geen rekening gehouden met de huurpenningen, enkel voor zover het gaat om een bedrag van € 16.000,-. De huur bedroeg € 2.000,- per maand en als de huur berekend wordt over de periode van 2008 tot en met 2010 dan is dan een ander bedrag dan het bedrag waar justitie vanuit gaat. U vraagt mij of die contante bedragen uit de hennepteelt voortkomen. Nee. Ik vind dat zo raar. Ik word altijd met die vraag geconfronteerd. Ik heb er niets mee te maken. U zegt mij dat het hof vaker mensen treft die zeggen niets met het tenlastegelegde te maken te hebben. Dat geloof ik. U zegt mij dat ik eerder veroordeeld ben wegens overtreding van de Opiumwet. Ik ben veroordeeld ter zake van het plegen van voorbereidingshandelingen. U hoort het vaak, maar ik heb daar echt niets mee te maken.

(…)

De verdachte verklaart als volgt:

Wat zij hebben gevonden was oude troep. U vraagt mij waar ik mijn geld mee verdiende in de jaren die het betreft? Ik leefde van de huur die ik ontving van [betrokkene 1] en zijn financiering en van de erfenis, waarvan een bedrag van € 196.000,- over bleef. Dit laatste staat ook in de stukken. U zegt mij dat [betrokkene 1] heel anders heeft verklaard en vraagt mij hoe dat zou kunnen? Daar kan ik geen antwoord op geven, ik weet het niet. Hij zegt wel dat hij huur heeft betaald. Ik zie [betrokkene 1] niet meer. U zegt mij dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het raar is dat geld in Finland op een rekening is gestort en dat ik het er weer af heb gehaald. Ik zeg u dat het zo niet zit. Ik heb het bedrag van € 196.000,- laten overboeken naar mijn privérekening of naar de rekening van [A] B.V. Die laatste rekening gebruikte ik het meest, namelijk in 95% van de gevallen. Ik ging niet naar Finland om geld in mijn achterzak te steken. U vraagt mij of het zo is dat geld naar de rekening van [A] B.V. is geboekt en dat ik dat geld van de rekening heb gehaald? Ja, ik heb daar mijn reizen en dagelijkse dingen van betaald. U zegt mij dat daar geen stukken van zijn. Ik vroeg bij de bank in Finland om stukken, maar omdat ik niet meer weet in welke maand dat was, zou ik de gegevens op moeten vragen van 5 jaar en dat kost € 300,-. U vraagt mij of ik dat bedrag, dat relatief gering is vergeleken bij het bedrag dat de rechtbank noemt, niet kan lenen? Je kunt niet lenen in mijn situatie. Dan moet je naar familie of vrienden en dan wil je dat niet lenen.

De jongste raadsheer zegt mij dat ik het bedrag wellicht van mijn dochter, die ter terechtzitting aanwezig is, zou kunnen lenen. Dat zou ik niet doen. Ik ben al blij dat zij mij hier heeft gebracht. Als zij dat niet zou doen, dan zou ik € 48,- moeten betalen om op en neer te reizen.

De voorzitter deelt mede:

De rechtbank bespreekt in haar vonnis twee hypothecaire geldleningen waaruit u geld zou hebben gekregen. Eén bedrag is in de berekening meegenomen, namelijk het geld van [betrokkene 2] . Verder is er nog een lening voor de woning aan de [b-straat] . Volgens de rechtbank gaan dergelijke transacties altijd giraal en is het niet logisch dat het contant zou gaan. Volgens u ging het ook giraal en nam u het geld daarna op, maar u kunt dat niet aantonen.

De verdachte verklaart als volgt:

Er kwam een bedrag vrij om van te leven, namelijk € 34.000,-. Dat bedrag is naar mijn bankrekening gestuurd. Dat heb ik opgenomen. De transactie van [betrokkene 2] ging van de notaris naar de SNS-bank om af te lossen.

De voorzitter deelt mede:

Dat is niet meegenomen in hele totaalbedrag inderdaad. De contante stortingen zijn alleen meegerekend die als ‘huur’ staan vermeld. De contante stortingen waarbij geen omschrijving stond zijn niet meegeteld. Volgens u kreeg u van [betrokkene 1] huur en inkomsten uit motoren, maar [betrokkene 1] heeft verklaard dat het anders is en u heeft uw verhaal niet onderbouwd.

(…)

De voorzitter deelt mede:

Het hof heeft uitgebreid bestudeerd wat bij de rechtbank is besproken. In hoger beroep zullen niet alle stukken nog eens worden doorgenomen. Als u meent dat stukken verkeerd zijn opgenomen of de rechtbank er niets van heeft begrepen, dan kunt u dat zeggen.

De verdachte verklaart als volgt:

Ik vind het raar dat niet alle bankafschriften in het dossier aanwezig zijn, maar slechts een paar. Er is geen enkel bankafschrift aanwezig waarop opnames te zien zijn en er zijn ook geen bankafschriften aanwezig waarop betalingen uit Finland te zien zijn. Daarnaast is alleen een bedrag van € 16.000,- opgenomen voor huurpenningen, terwijl [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij alle jaren huurpenningen heeft betaald, maar dat laatste wordt niet geaccepteerd. (…)

De verdachte verklaart als volgt:

Ik ontvang maandelijks € 690,- aan AOW en nog € 120,- huursubsidie en daarnaast nog een klein pensioen van € 176,-. Op een vraag van de advocaat-generaal zeg ik dat mijn bewindvoerder als laatste contact heeft gehad met [C] over de stukken. Uit dat contact bleek dat een bedrag van € 3.000,- betaald moet worden voordat tot afgifte van die de stukken wordt overgegaan. De stukken zijn nog wel aanwezig volgens [C] . De advocaat-generaal vraagt mij of aan [C] is gevraagd of zij uit de administratie alleen de relevante stukken voor deze zaak kunnen selecteren? Als ze de stukken moeten selecteren, dan willen ze dan ten minste de helft van € 3.000,- wordt betaald.”

12. In het bestreden arrest heeft het hof het volgende overwogen:

“Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

(…)

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf. Daarnaast zal het hof de bewijsoverweging in het vonnis van de rechtbank voor zover dit betreft de laatste alinea op pagina 3 van het vonnis vervangen door de volgende overweging:

Het hof stelt vast dat in de ten laste gelegde periode van de verdachte geen legale inkomsten bekend waren, terwijl hij wel grote bedragen contant heeft gestort op meerdere bankrekeningen. Verdachte heeft weliswaar gesteld dat daar tegenover ook grote contante opnames stonden, maar deze stellingen zijn niet concreet of onderbouwd en dus niet verifieerbaar gebleken, terwijl van verdachte mag worden verwacht dat hij in de gegeven omstandigheden een concrete, min of meer verifieerbare verklaring geeft voor de legale herkomst van de gestorte contante gelden, die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer ter zijde kan worden geschoven. Ondanks meerdere toezeggingen van verdachte in dit verband, om de herkomst van de gelden door middel van onder meer kwitanties en/of bankafschriften aan te tonen, heeft verdachte dit nagelaten en is geen sprake van een begin van aannemelijkheid van enige legale herkomst van de gelden. Dat het gaat om contante opnames van een bepaalde ING-rekening is in een zodanig late fase van de procedure aangevoerd dat dat op zichzelf niet geldt als verifieerbaar gegeven nu voorgeschreven bewaartermijnen mogelijk al verstreken zijn. Het hof acht derhalve bewezen dat sprake is van witwassen.

(…)

Voorts heeft het hof geconstateerd dat bij de strafvervolging van verdachte de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, is geschonden. Verdachte is vanwege het ten laste gelegde in verzekering gesteld op 31 maart 2011. De rechtbank Limburg, locatie Maastricht heeft op 23 november 2012 vonnis gewezen, waarna dit hof het vonnis bij arrest van 3 oktober 2016 heeft vernietigd omdat de inleidende dagvaarding niet juist was betekend. De zaak is teruggewezen naar de rechtbank Limburg, locatie Maastricht en deze rechtbank heeft vervolgens vonnis gewezen op 22 maart 2017. Verdachte heeft op 4 april 2017 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De zitting bij het hof vond plaats op 29 mei 2019 en het arrest dateert van 12 juni 2019.

Tussen het instellen van het hoger beroep en het arrest van het hof is derhalve een periode van 2 jaar en ruim 2 maanden verstreken, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 2 maanden is overschreden. Bovendien heeft de procedure in zijn geheel, sinds de inverzekeringstelling van de verdachte, 8 jaar en ruim 3 maanden in beslag genomen, hetgeen onredelijk lang is.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank, voor de duur van 10 maanden, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur 6 maanden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal op die straf in mindering worden gebracht.”

13. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd met vervanging van de laatste alinea op pagina 3 van het vonnis. Door de laatste alinea op pagina 3 van het vonnis te vervangen door een nieuwe bewijsoverweging, is het door het hof bevestigde vonnis onbegrijpelijk (gemotiveerd).

14. De redactie van de bewijsoverweging van het hof vertoont gelijkenis met de redactie van de laatste alinea op pagina 5 van het door het hof bevestigde vonnis. De bewijsoverweging van het hof is echter toegespitst op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Gezien het voorgaande betreft de verwijzing van het hof naar pagina 3 van het door het hof bevestigde vonnis mijns inziens een kennelijke verschrijving door het hof. De Hoge Raad kan deze schrijffout verbeterd lezen, waardoor de feitelijke grondslag aan het middel komt te vervallen. De enkele omstandigheid dat het hof in de bewijsoverweging, anders dan de rechtbank, niet heeft benoemd dat het tot de bewezenverklaring van een specifiek geldbedrag komt, doet daaraan niet af.

15. Het eerste middel faalt.

16. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het bewezen verklaarde geldbedrag onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig is.

17. In de toelichting betogen de stellers van het middel dat de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven over de (legale) herkomst van het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag. De verdachte heeft verschillende stukken overgelegd die zijn stellingen onderbouwen, zoals huurovereenkomsten en hypotheekakten met betrekking tot de verkoop van onroerend goed in Finland. Daarbij heeft de verdachte het hof erop gewezen dat de bankafschriften die in het dossier zitten niet compleet zijn en dat bankafschriften van de rekening van de verdachte in Finland geheel ontbreken. Het oordeel van het hof dat geen sprake is van een begin van aannemelijkheid van enige legale herkomst van de gelden is dan ook onbegrijpelijk. Het had op de weg van justitie en het hof gelegen om naar de gegeven verklaringen nader onderzoek te doen, aldus de stellers van het middel.

18. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen een bepaald misdrijf en het aangetroffen voorwerp, kan witwassen niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.3 Voor deze situatie is in de rechtspraak een zogenoemd ‘stappenplan’ ontwikkeld. In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond, heeft de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak samengevat en ten aanzien van het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (waaronder artikel 420bis Sr) het volgende overwogen:

“2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”

19. Samengevat komt het stappenplan dat dient te worden toegepast in zaken waarin de vraag rijst of een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf op het volgende neer:4

(i) Allereerst zal beoordeeld moeten worden of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden ‘het vermoeden van witwassen’ rechtvaardigen.

(ii) Indien sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij ‘een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ aflegt over de herkomst van het bij de verdachte aangetroffen voorwerp. De verdachte hoeft echter niet aannemelijk te maken, laat staan te bewijzen, dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

(iii) Als de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie daarnaar nader onderzoek te doen. De rechter zal vervolgens op basis van de resultaten van dit onderzoek moeten beoordelen of witwassen bewezen kan worden.

20. Enkele (recente) arresten illustreren dat de uitkomst van het stappenplan sterk verweven is met de concrete feiten en omstandigheden van het geval. In HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36, werd bij de verdachte een aantal gebruikersbolletjes cocaïne aangetroffen waarna hij werd aangehouden. Nadat de verdachte was overgebracht naar het politiebureau werd er bij de insluitingsfouillering onder meer een contant geldbedrag van € 662,50 aangetroffen in de kleding van de verdachte. De door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden rechtvaardigden volgens het hof het vermoeden dat het aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Over de herkomst van het geld verklaarde de verdachte dat het geld afkomstig was uit verschillende bronnen; hij had geld meegenomen toen hij door zijn moeder uit huis werd gezet, hij had zijn uitkering gepind, hij had zijn playstation verkocht en hij had het casino bezocht. Het hof verwierp dit verweer en overwoog daartoe dat de verdachte, anders dan zijn eigen verklaring, geen stukken had overgelegd waaruit de legale herkomst van dit geld zou blijken. De Hoge Raad casseerde en overwoog dat het hof ten onrechte in het midden had gelaten of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring had gegeven over de herkomst van het geldbedrag.

21. In HR 24 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668, NJ 2019/299 m.nt. Rozemond, oordeelde het hof dat de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling waaruit bleek van een surplus van ongeveer € 55.000,- aan contante uitgaven dat niet kon worden verantwoord uit legale contante inkomsten, het vermoeden van witwassen rechtvaardigde en dat onder die omstandigheden van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring zou geven waaruit volgt dat dit surplus niet van misdrijf afkomstig was. De verdachte verklaarde in hoger beroep dat het in de kasopstelling opgenomen beginsaldo onjuist was omdat hij aan het begin van de kasopstelling beschikte over een groot bedrag aan contant spaargeld dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan zijn huwelijk had opgebouwd. Het hof was echter van oordeel dat deze verklaring niet concreet, noch te verifiëren en bovendien op voorhand hoogst onwaarschijnlijk was. Bij zijn oordeel nam het hof onder meer in aanmerking dat de verdachte niet kon aangeven hoeveel spaargeld hij had, niet kon meedelen waaraan en wanneer hij het spaargeld had uitgegeven en dat hij zijn spaargeld niet bij een bank bewaarde. Evenmin kon de verdachte verklaren wáár hij zijn spaargeld precies bewaarde. Hij had daarover wisselend verklaard. Hij had dit spaargeld bij de Belastingdienst niet opgegeven en ook in de huwelijkse voorwaarden was niets vermeld over spaargeld. Tot slot waren er geen getuigen die verdachtes spaargeld ooit hadden gezien. Daaruit volgde naar het oordeel van het hof dat er geen legale inkomstenbron aannemelijk was geworden en dat het niet anders kon zijn dan dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen. Dit oordeel liet de Hoge Raad in stand.

22. In het eerder genoemde arrest HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2353, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond, had de verdachte een boot gekocht ter waarde van € 142.000,-. Hij had dit bedrag voldaan door een andere boot in te ruilen die op naam stond van een medeverdachte. Het resterende verkoopbedrag van € 90.000,- had hij contant voldaan. De verdachte verklaarde dat de door hem betaalde contante geldbedragen afkomstig waren uit privévermogen. Volgens de verdachte genoot hij als fiscaal jurist een riant salaris, ontving hij neveninkomsten en kreeg hij ook een geldelijke vergoeding voor werkzaamheden die hij verrichtte voor vrienden en kennissen. Daarbij had de verdachte ook concrete bedragen genoemd. De Hoge Raad casseerde en achtte het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring had gegeven over de herkomst van het geld niet zonder meer begrijpelijk, nu de verdachte met een concrete verwijzing naar zijn inkomsten uit arbeid had gesteld dat de geldbedragen een legale herkomst hadden. De vaststelling van het hof dat de verdachte, ondanks een door hem gedane toezegging, geen relevante stukken had overgelegd deed daaraan niet af.

23. Het verschil in uitkomst tussen de besproken zaken is wellicht te verklaren door de uiteenlopende mate van concreetheid van de verklaring van de verdachte.5 Het hof mag in ieder geval niet in het midden laten of de door de verdachte gegeven verklaring concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Evenmin mag het hof van de verdachte verlangen dat hij steeds een nadere onderbouwing van zijn verklaring verschaft door middel van schriftelijke bescheiden.

24. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. In cassatie staat niet ter discussie dat de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen kunnen rechtvaardigen. In het door het hof bevestigde vonnis heeft de rechtbank in vervolg daarop geoordeeld dat dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het aangetroffen geldbedrag. In zoverre heeft de rechtbank het hiervoor beschreven stappenplan gevolgd en getuigt het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting.

25. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de door de verdachte gegeven verklaring over de herkomst van het geld niet concreet of onderbouwd is en dus niet verifieerbaar is gebleken. Met de redenering die daarna volgt, gaat het hof mijns inziens voorbij aan het hierboven omschreven stappenplan. In de kern komt het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank met betrekking tot de door de verdachte gegeven verklaring over de herkomst van het geld er immers op neer dat verdachte, naast zijn eigen verklaring, geen stukken heeft overgelegd die zijn verklaring nader onderbouwen. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Door van de verdachte te verlangen dat hij zijn stellingen steeds nader onderbouwt, verlangt het hof in feite dat de verdachte aannemelijk maakt dat het geld niet van misdrijf afkomstig is, terwijl de tweede stap nu juist niet zo ver strekt.6 De verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld is concreet en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Bovendien heeft de verdachte reeds ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de stukken die zich in het dossier bevinden niet compleet zijn en heeft hij inzichtelijk gemaakt op welke wijze zijn verklaring is te verifiëren. Het Openbaar Ministerie had de verklaring van de verdachte nader kunnen onderzoeken, bijvoorbeeld door bij het door de verdachte genoemde verhuisbureau [C] B.V. te Geleen stukken op te vragen, het dossier te completeren met de ontbrekende bankafschriften dan wel door middel van een rechtshulpverzoek.

26. Het tweede middel slaagt.

27. Het derde middel behelst de klacht dat het hof in strijd met artikel 422 Sv geen blijk heeft gegeven dat het bestreden arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

28. Zoals reeds onder 12 weergegeven houdt het bestreden arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel in: “Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting”.

29. Op grond van artikel 422 lid 2 Sv dient de beraadslaging in hoger beroep te geschieden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad.

30. Het middel berust op de opvatting dat het hof in het arrest tot uitdrukking dient te brengen dat het heeft beraadslaagd naar aanleiding van zowel het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg als dat in hoger beroep. Die opvatting is echter onjuist. Zoals de Hoge Raad in arresten van 4 september 2018 en 9 oktober 2018 heeft overwogen, verplicht geen rechtsregel het hof om met zoveel woorden in zijn arrest tot uitdrukking te brengen dat het heeft beraadslaagd naar aanleiding van zowel het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep als het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.7

31. Het derde middel is tevergeefs voorgesteld.

32. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in feitelijke instanties is geschonden.

33. Het is een eis van vaste rechtspraak dat een cassatiemiddel een stellige en duidelijke klacht betreft over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.8 Dat betekent dat het middel dient aan te geven waartegen het zich keert en op welke gronden het steunt. Het middel kan dus niet volstaan met (een) blote (herhaling van) stellingen en verweren, zonder dat het aangeeft “waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn”.9 Nu het middel geheel in het midden laat waarom de door het hof gegeven beslissing ten aanzien van de redelijke termijn, zoals hiervoor onder 12 weergeven, onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn, kan het niet worden aangemerkt als cassatiemiddel in de zin van de wet.

34. Het vijfde middel klaagt dat het hof geen uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing heeft gegeven op het door de verdachte voorafgaand aan de terechtzitting gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

35. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2019 houdt onder meer het volgende in:

“De verdachte (…) is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.

De voorzitter deelt mede dat de verdachte bij e-mailbrief van 22 januari 2019 het hof heeft laten weten dat hij op dit moment geen advocaat heeft, dat hij zijn uiterste best heeft gedaan om er een te krijgen maar dat het nog niet is gelukt om een advocaat te regelen door gebrek aan financiële middelen voor het betalen van de eigen bijdrage. Verdachte heeft daarom verzocht om het onderzoek te schorsen in het belang van de verdediging. Nu verdachte te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van zijn aanwezigheidsrecht met bijstand van een advocaat heeft het hof voorafgaand aan de zitting aangekondigd hiermee te zullen instemmen, zoals reeds aan alle procesdeelnemers bekend is gemaakt.

Naar aanleiding van het door verdachte gedane verzoek schorst het hof, gehoord de advocaat-generaal, het onderzoek tot de terechtzitting van 29 mei 2019 te 11.00 uur (verwachte behandelduur: 90 minuten in samenhang met de ontnemingszaak onder parketnummer 20-001097-17), in het belang van de verdediging, met bevel tot oproeping van verdachte tegen voormelde datum en voormeld tijdstip.”

36. Zoals hiervoor onder 11 reeds weergegeven, houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 mei 2019 onder meer het volgende in:

“De voorzitter deelt mede:

Verdachte heeft zelf meermalen om aanhouding van de zaak gevraagd, maar de zaak is, los daarvan, te lang blijven liggen. De zaak is eerder aangehouden omdat verdachte geen raadsman had. Verdachte heeft nadien nogmaals om aanhouding gevraagd, maar dat verzoek is niet nogmaals toegewezen.

37. Uit het proces-verbaal kan niet worden afgeleid wanneer en op welke gronden de verdachte (opnieuw) om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting heeft verzocht. Een blik achter de papieren muur leert dat de verdachte bij e-mail van 29 april 2019 zowel in de strafzaak als in de samenhangende ontnemingszaak een verzoek om aanhouding heeft gedaan voor de terechtzitting op 29 mei 2019. De verdachte heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij nog geen advocaat heeft, dat hij inmiddels onder bewind staat, dat hij de eigen bijdrage op dat moment niet kan betalen en derhalve meer tijd nodig heeft om geld te sparen zodat hij de eigen bijdrage wel kan voldoen en zich alsnog ter terechtzitting kan laten bijstaan door een advocaat. Een medewerker van de ‘verkeerstoren’ van het hof heeft de verdachte bij e-mail van 29 mei 2019 namens de voorzitter medegedeeld dat het verzoek om aanhouding van zowel de strafzaak als de samenhangende ontnemingszaak is afgewezen en beide zaken inhoudelijk zullen worden behandeld op de terechtzitting van 29 mei 2019 om 11.00 uur.

38. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan door de verdachte ter terechtzitting worden gedaan. Uit het samenstel van de bepalingen in de artikelen 278 lid 3 en 4, 329, 330 en 331 lid 1 Sv, die ingevolge artikel 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, volgt dat op een verzoek van de verdachte om uitstel van de behandeling als bedoeld in artikel 278 lid 3 Sv ter terechtzitting moet worden beslist – nadat het Openbaar Ministerie omtrent dat verzoek is gehoord – en dat het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen met nietigheid is bedreigd. Indien het verzoek om aanhouding reeds voorafgaande aan de terechtzitting wordt gedaan, kan om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht eveneens voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt, worden kenbaar gemaakt hoe het voorlopige oordeel van het gerecht omtrent het verzoek luidt. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd.10

39. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 mei 2019 houdt niet in dat het hof omtrent het verzoek tot aanhouding uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft beslist, noch dat de advocaat-generaal omtrent het verzoek is gehoord. Uit het proces-verbaal van de zitting kan slechts worden opgemaakt dat het hof het verzoek reeds heeft afgewezen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 38 is vooropgesteld, had het hof voorafgaand aan de terechtzitting van 29 mei 2019 slechts een voorlopig oordeel omtrent het verzoek aan de verdachte kenbaar kunnen maken. Dit neemt niet weg dat het hof op de terechtzitting van 29 mei 2019, nadat het Openbaar Ministerie op het verzoek zou zijn gehoord, op het verzoek om aanhouding had moeten beslissen. Dit verzuim heeft nietigheid tot gevolg.

40. Het vijfde middel is terecht voorgesteld.

41. Het zesde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte de uitspraak van de rechtbank heeft bevestigd terwijl de bevestigde uitspraak niet een weergave bevat van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en het hof de bewijsmiddelen ook niet heeft aangevuld.

42. In het door het hof bevestigde vonnis heeft de rechtbank de bewezenverklaring met gebruik van de Promis-werkwijze gemotiveerd. In zijn arrest van 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze zogenoemde Promis-werkwijze op zichzelf niet onverenigbaar is met de wettelijke voorschriften over de bewijsmotivering.11

43. Het zesde middel is evident kansloos.

44. Het zevende middel bevat de klacht dat het hof tijdens de behandeling van de zaak geen bijzondere aandacht heeft geschonken aan de positie van de verdachte die zonder raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen. In het bijzonder klaagt het middel dat het hof de verdachte ten onrechte niet de informatie heeft verstrekt die hij voor zijn verdediging behoeft, dat het hof ten onrechte de verklaring van de verdachte niet heeft opgevat als een onderzoekswens alsmede dat het hof niet heeft gezocht naar de materiële waarheid.

45. Aangezien het zevende middel enigszins verband houdt met het tweede en het vijfde middel, welke middelen mijns inziens moeten slagen, meen ik dat het zevende middel geen bespreking behoeft. In het geval Uw Raad evenwel hieromtrent nader geïnformeerd wenst te worden, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

46. Het tweede en vijfde middel slagen. Het eerste, derde en zesde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vierde middel is geen cassatiemiddel in de zin van de wet.

47. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

48. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de schriftuur is tweemaal een vijfde middel voorgesteld. Ik zal het tweede middel V aanmerken als het zesde middel.

2 Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416 m.nt. Borgers. Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen voorafgaand aan HR 8 oktober 2019, zaaknummer 17/05765 (zowel de conclusie als het arrest zijn niet gepubliceerd).

3 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456; HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2104, NJ 2011/531; HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:127, NJ 2014/78 m.nt. Borgers; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194; HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:325; HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1500, en HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197.

4 Vgl. onder meer F.G.H. Kristen (red.), Bijzonder strafrecht: strafrechtelijke handhaving van sociaal-economisch en fiscaal recht in Nederland (Pompe reeks, nr. 96), Den Haag: Boom Juridisch 2019, p. 139-144, en J.P. Rozemeijer in: M.P.C. Scheepmaker (red.), Misdaadgeld, witwassen en ontnemen (Justitiële verkenningen 2015, nr. 1 ), Den Haag: Boom Juridisch 2015, p. 25-39.

5 Vgl. F.G.H. Kristen (red.), Bijzonder strafrecht: strafrechtelijke handhaving van sociaal-economisch en fiscaal recht in Nederland (Pompe reeks, nr. 96), Den Haag: Boom Juridisch 2019, p. 143-144 .

6 Vgl. de reeds eerder genoemde arresten HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond, en HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36.

7 HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1432, rov. 2.4, en HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1887, rov. 2.4.

8 Vgl. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434, en HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881.

9 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179, en de daar aangehaalde jurisprudentie waaronder HR 2 maart 1999, NJ 1999/739, en HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9754.

10 Vgl. o.m. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NJ 2007/454; HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:330; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934.

11 Overigens merk ik nog op dat mij de relevantie van het door de stellers van het middel in de schriftuur genoemde arrest voor de onderhavige zaak ontgaat.