Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1045

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-09-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
19/04490
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1743
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belaging (art. 285b Sr), opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing ex art. 509hh.1.b Sv (art. 184a Sr) en bedreiging met zware mishandeling (art. 285 Sr). 1. Bewijsklacht bedreiging met zware mishandeling; 2. Klacht over verwerping verweer dat bij de straf rekening moet worden gehouden met bijz. vw. waar verdachte zich reeds lange tijd aan heeft moeten houden en over strafmotivering t.a.v. overschrijding redelijke termijn in h.b.; 3. omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad. 1 en 2. HR: art. 81.1. RO. Ad 3. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast (vgl. ECLI:NL:HR:2020:914).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04490

Zitting 22 september 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 27 september 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 01-150211-16 wegens “belaging”, in de zaak met parketnummer 01-161934-16 wegens “opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering” , in de zaak met parketnummer 01-161934-16 wegens 2 primair “bedreiging met zware mishandeling” en in de zaak met parketnummer 01-845551-16 wegens “opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.

  2. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat de in de zaak met parketnummer 01-161934-16 onder 2 primair bewezenverklaarde bedreiging met zware mishandeling “door opzettelijk dreigend een stilettomes met de scherpe kant richting aangever te houden op korte afstand en ter hoogte van diens buik” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Daartoe voert het middel allereerst aan dat “het hof heeft vastgesteld dat het mes onder categorie IV onder 7 valt en zodoende - zoals ook de verdediging heeft bepleit - geen stilettomes is”. Het middel voert voorts aan dat, nu het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat de “verdachte geen stekende bewegingen heeft gemaakt met het mes, het mes niet bovenhands heeft vastgepakt, niet de kant van aangever op kwam en ook geen gestrekte arm had” en gelet op het door de verdediging gevoerde verweer, het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een situatie die bij de aangever de redelijke vrees kon opwekken dat hij zwaar mishandeld zou gaan worden, niet zonder meer begrijpelijk is, zodat de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is/zijn omkleed.

3.2.

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 01-161934-16 onder 2 tenlastegelegd dat:

“primair:

hij op of omstreeks 2 augustus 2016 te [plaats] [slachtoffers] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een stilettomes met de scherpe kant richting die [slachtoffers] gehouden op korte afstand en ter hoogte van diens buik;

subsidiair:

hij op of omstreeks 2 augustus 2016 te [plaats] een of meer wapens van categorie I, onder 1, te weten een uitklapbaar Laguiole mes (een stilettomes), bij zich heeft gedragen, althans voorhanden heeft gehad”.

3.3.

Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“primair:

hij op 2 augustus 2016 te [plaats] [slachtoffers] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een stilettomes met de scherpe kant richting die [slachtoffers] gehouden op korte afstand en ter hoogte van diens buik”.

3.4.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2019 gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman van de verdachte aldaar ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/161934-16 onder meer het volgende aangevoerd1:

Feit 2 bedreiging/ dragen van een mes

10. De [slachtoffers] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij een zwarte auto zag en dat hij mijn cliënt herkende als bestuurder. Hij heeft vervolgens zijn legerjas aangetrokken en is naar buiten gegaan naar eigen zeggen, ik citeer, “omdat ik verhaal wilde halen in die zin dat ik hem wilde staande houden”.2 Op de vraag waarom hij niet gelijk de politie belde, toen hij hem in de auto herkende verklaart [slachtoffers] : “Dat had geen zin, want de politie komt dan drie dagen later pas aanrijden.” Toen [slachtoffers] cliënt aantrof, liep hij hem achterna en pakte hem vast. Cliënt pakte daarop een mes uit zijn zak en hield dit voor zich. Cliënt had daarbij volgens [slachtoffers] géén gesterkte arm, kwam niet in de richting van [slachtoffers] en heeft ook géén stekende bewegingen gemaakt.

11. Dat aangever [slachtoffers] bewust in de wijk op zoek is gegaan naar cliënt blijkt ook uit de door de politie bekeken camerabeelden3 en zijn verklaringen bij de politie.4 Daarnaast blijkt uit zijn bij de politie afgelegde verklaring ook dat cliënt op het moment dat hij het mes gepakt zou hebben op ongeveer 1 meter afstand stond.5

12. Kortom aangever [slachtoffers] is nog geen maand nadat hij bij de politie had verklaard dat cliënt niet spoort en hij meerdere keren had gezegd, ik citeer: “Het wordt tijd dat er iets aan gedaan wordt”6, bewust op zoek gegaan naar cliënt toen hij hem in zijn auto zag rijden. Wilde [slachtoffers] het recht in eigen hand nemen? Hij was in ieder geval erg gericht op cliënt blijkt uit zijn verklaringen.

13. Nadat hij cliënt uit het oog was verloren, opnieuw in het zicht kreeg, liep hij hem achterna waarna hij hem vastpakte om aldus “verhaal te halen”. Cliënt heeft zich vervolgens aan de greep van [slachtoffers] weten te onttrekken waarna hij een mes getoond zou hebben.

14. Het in deze context tonen van een mes, zonder iets te zeggen, zonder de arm te strekken, zonder de kant van [slachtoffers] op te komen en zonder stekende bewegingen te maken is niet van dien aard dat bij de [slachtoffers] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen, dan wel slachtoffer zou worden van een zware mishandeling. Voor het onder 2 primair tenlastegelegde feit dient dan ook vrijspraak te volgen.

15. Ook voor het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit dient vrijspraak te volgen. De steller van de tenlastelegging verwijt cliënt immers dat hij een wapen van categorie I onder 1, te weten een stiletto mes bij zich heeft gedragen. Uit het onderzoek van dit wapen blijkt echter dat het aangetroffen mes geen stiletto was en dus geen wapen van categorie I onder 1.7

3.5.

Het bestreden arrest houdt het volgende in:8

Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

Het hof kan zich vinden in de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen en neemt deze, onder aanvulling, over.

(…)

Ter zake van feit 2 primair:

Aangever [slachtoffers] heeft bij zijn aangifte verklaard9 dat hij zich op 2 augustus 2016, omstreeks 21:00 uur bevond in de woonkamer in zijn woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . Aangever zag op bovengenoemd tijdstip een kleine zwarte auto de straat in rijden. Hij dacht te zien dat verdachte als bestuurder in die auto zat. Aangever is vervolgens zijn woning uitgelopen. Hij zag op dat moment de kleine zwarte auto niet meer. Aangever is vervolgens in de wijk rond gaan lopen en zag plotseling op de [b-straat] te [plaats] eerder genoemde kleine zwarte auto rijden. Hij zag dat de auto richting de [c-straat] reed. Aangever verloor hem vervolgens weer uit het oog en is weer richting zijn woning gelopen. Omstreeks 21:20 uur zag aangever verdachte op de [d-straat] lopen. Hij zag dat hij in de richting van de [e-straat] liep. Aangever liep in de richting van verdachte en sprak hem aan op de hoek van de [f-straat] met de [e-straat] . Aangever deelde verdachte mede dat hij hier niet mocht komen omdat hij een straatverbod had. Hij hoorde dat verdachte zei: “Ik mag lopen waar ik wil!”. Aangever deelde hem mede dat hij de politie zou bellen. Hij zag dat verdachte boos reageerde. Aangever pakte verdachte met zijn linkerhand vast aan zijn rechtermouw. Hij deed dit om hem staande te houden aangezien hij met de politie aan het bellen was. Hij voelde dat verdachte met kracht zijn rechterarm naar achter bewoog en zijn rechterarm losrukte. Aangever zag dat verdachte op een afstand van ongeveer een meter van hem vandaan stond en een lange donkere jas aan had, dat verdachte zijn rechterhand bewoog naar zijn rechterjaszak en hieruit een mes haalde. Hij zag dat dit een uitklapbaar mes was. Hij zag dat verdachte het mes uitklapte en dit in zijn rechterhand vast had en dit mes in zijn richting bewoog. Hij zag dat verdachte dit mes met het scherpe punt in zijn richting vasthield ter hoogte van zijn buik. Aangever zag een heel erg boze blik in zijn ogen. Hij schrok hier zo erg van en voelde zich zo erg bedreigd dat hij direct naar achteren liep omdat hij dacht dat verdachte hem daadwerkelijk zou steken.

Op 5 augustus 2016 heeft aangever aanvullend verklaard10 dat verdachte geen stekende bewegingen maakte met het mes. In hoger beroep heeft [slachtoffers] ten overstaan van de raadsheer-commissaris zijn eerdere verklaringen herhaald.11

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben gerelateerd12 dat zij op 2 augustus 2016 omstreeks 21:18 uur de melding kregen van het Operationeel Centrum om te gaan naar de [f-straat] te [plaats] . Aldaar had een bedreiging met een mes plaatsgevonden en zou de dader tevens zijn straatverbod hebben overtreden. Omstreeks 21:20 uur reden verbalisanten over de [g-straat] , alwaar zij werden aangesproken door melder, tevens aangever. Hij vertelde verbalisanten dat de dader een stuk voor hem liep en wees richting een persoon met een zwarte jas, ongeveer 200 meter verderop. Zij reden naar de man toe en zagen dat hij voldeed aan het opgegeven signalement. Verbalisant [verbalisant 2] sprak de man, naar later blijkt verdachte [verdachte] , aan en vorderde de uitlevering van het mes. [verdachte] gaf aan dat hij in zijn linker broekzak een mes had zitten. Verbalisant voerde een veiligheidsfouillering uit en trof inderdaad in linker broekzak van [verdachte] een stiletto aan.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft gerelateerd13 dat hij een onderzoek heeft ingesteld naar het onder verdachte aangetroffen mes. Uit onderzoek is gebleken dat het mes een wapen betreft dat valt onder artikel 2 lid 1, categorie IV onder 7, van de Wet Wapens en Munitie.

Het hof overweegt als volgt. Aangever [slachtoffers] heeft verklaard dat verdachte op het moment dat hij verdachte staande wilde houden en de politie wilde bellen, een mes uit zijn jas haalde en met de scherpe kant in zijn richting, ter hoogte van zijn buik hield. Deze verklaring van aangever wordt ondersteund door het feit dat de verbalisanten enkele ogenblikken na het incident bij verdachte een mes aantroffen. Het betoog van verdachte, dat de bedreiging niet heeft plaatsgevonden en dat aangever [slachtoffers] van aangeefster [betrokkene 1] moet hebben vernomen dat hij altijd een mes bij zich draagt, volgt het hof niet. [slachtoffers] heeft direct na het incident bij de meldkamer van de politie melding gemaakt van de bedreiging met het mes en er is geen enkele concrete aanwijzing waaruit valt af te leiden dat aangeefster [betrokkene 1] hierover met [slachtoffers] tevoren had gesproken. Evenals de rechtbank acht het hof de verklaring van aangever [slachtoffers] betrouwbaar en betrekt bij dit oordeel dat aangever zijn verklaring ook niet heeft aangezet, nu hij aanvullend heeft verklaard dat verdachte geen stekende bewegingen heeft gemaakt met het mes.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging met zware mishandeling van aangever [slachtoffers] .”

3.6.

De aanvulling bewijsmiddelen van het hof houdt het volgende in:14

“Naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, komt de bewezenverklaring van de rechtbank ter zake van feit 2 primair mede te berusten op het volgende bewijsmiddel.

Ter zake van feit 2 primair (parketnummer 01/161934-16)

Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 10 april 2019, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffers] [luidt, AG] als volgt.

Ik heb bij de politie de waarheid gesproken en blijf bij mijn verklaringen. (...) Ik kan mij niet herinneren of ik [betrokkene 1] nog gesproken heb op de avond van 2 augustus 2016 voordat ik naar buiten ging. (...) Ik zag een zwarte auto en ik heb hem [het hof begrijpt: [verdachte]] in die zwarte auto zien zitten. Ik herkende hem aan zijn kale kop. Ik ben toen naar buiten gegaan, omdat ik verhaal wilde halen in die zin dat ik hem wilde staande houden vanwege het overtreden van een straatverbod. (...) Ik verloor hem even uit het oog en vervolgens zie ik hem dan op straat. Ik liep daarop naar hem toe. Het zal dan zo’n vijf minuten later zijn geweest vanaf het moment dat ik naar buiten ging.

(...) als ik bij de politie heb gezegd dat ik hem bij zijn hand heb gepakt dan zal dat zo zijn geweest. Hij trok zich vervolgens agressief los van mij en trok een mes uit zijn zak dat hij vervolgens op mij richtte ter hoogte van mijn buik. Hij hield het mes niet bovenhands, maar recht voor zich uit. Hij had daarbij geen gestrekte arm. Ik deinsde vervolgens zo’n anderhalve meter achteruit. Hij kwam daarop niet mijn kant op en heeft met dat mes geen stekende bewegingen naar mij gemaakt. Het was wel heel dreigend. Volgens mij was het een klapmes.”

3.7.

Het middel klaagt allereerst dat de bewezenverklaring dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend een stilettomes met de scherpe kant richting aangever te houden op korte afstand en ter hoogte van diens buik, niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, “omdat het hof heeft vastgesteld dat het mes onder categorie IV onder 7 valt en zodoende - zoals ook de verdediging heeft bepleit - geen stilettomes is”.

3.8.

Art. 2, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) luidt, voor zover van belang, aldus:

“Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

1° stiletto’s, valmessen en vlindermessen;

(…)

Categorie IV

(…)

7° Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen.”

3.9.

Blijkens zijn bewijsoverweging heeft het hof inderdaad vastgesteld dat het bij de bedreiging gebruikte mes onder artikel 2, eerste lid, categorie IV onder 7 WWM valt. Daarmee heeft het hof het bewezenverklaarde gebruik van een “stilettomes” ontoereikend gemotiveerd. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden.

3.10.

Voor de kwalificatie van bedreiging met zware mishandeling is niet relevant of het daarbij gebruikte mes kan worden gecategoriseerd als een “stilettomes” zoals bedoeld art. 2, eerste lid, categorie I onder 1 WWM. Het hof heeft ook niet overwogen dat het door de verdachte tonen van het mes bij de aangever de redelijke vrees kon opwekken dat hij zwaar mishandeld zou gaan worden omdat het door de verdachte gebruikte mes gecategoriseerd kon worden als een stilettomes in de zin van de WWM. Integendeel, door te overwegen dat het bij de bedreiging gebruikte mes onder art. 2, eerste lid, categorie IV onder 7 WWM valt, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het gebruikte mes geschikt was om de aangever mee te bedreigen. Onder categorie IV onder 7 vallen immers “voorwerpen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen”. Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat het hof kennelijk abusievelijk het woord “stiletto” niet heeft weggestreept uit de tenlastelegging. Door de bewezenverklaring aldus verbeterd te lezen dat deze inhoudt dat de verdachte “opzettelijk dreigend een mes met de scherpe kant richting die [slachtoffers] heeft gehouden”, wordt geen afbreuk gedaan aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit. Het middel faalt in zoverre.

3.11.

Het middel klaagt voorts dat, gelet op het door de verdediging gevoerde verweer en de vaststellingen van het hof inhoudende dat de verdachte geen stekende bewegingen heeft gemaakt met het mes, het mes niet bovenhands heeft vastgepakt, niet de kant van de aangever op kwam en ook geen gestrekte arm heeft gehad, ‘s hofs oordeel dat sprake is geweest van een situatie die bij aangever de redelijke vrees kon opwekken dat hij zwaar mishandeld zou gaan worden doordat de verdachte een stilettomes op korte afstand van aangever ter hoogte van diens buik heeft gehouden, niet zonder meer begrijpelijk is, zodat de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is/zijn omkleed.

3.12.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen15 en dat het opzet van de verdachte op het teweeg brengen van zulk een indruk was gericht.16 Een bedreiging kan worden gedaan met gedragingen of bewoordingen, dan wel een combinatie van beide, die zodanig zijn dat direct daardoor een dergelijke vrees redelijkerwijs kan ontstaan. Ook bewoordingen die niet zodanig zijn dat zij op zich al een redelijke vrees voor zware mishandeling kunnen doen ontstaan, kunnen onder omstandigheden een strafbare bedreiging met zware mishandeling opleveren. Van de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden moet dan uit de bewijsmiddelen blijken.17 Gedragingen die een bedreiging opleveren, kunnen zich in allerlei varianten voordoen. Het gebruik van een wapen is een voor de hand liggend voorbeeld van bedreigend gedrag.18

3.13.

Van belang voor de onderhavige zaak zijn twee arresten waarin de Hoge Raad de middelen waarin werd geklaagd over de bewezenverklaarde bedreiging met art. 81, eerste lid, RO afdeed. Ik wijs allereerst op HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8948. Bewezenverklaard was dat de verdachte het slachtoffer had bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk dreigend een mes te tonen en/of voor zich te houden in de richting van het slachtoffer. Uit de bewijsvoering bleek dat de verdachte eerder in een tram het latere slachtoffer een klap had gegeven. Op straat rende het slachtoffer achter de verdachte aan. De verdachte draaide zich vervolgens om en hield een mes in zijn hand voor zich, waarbij hij tegen het slachtoffer zei dat hij hem niet moest volgen. Ik wijs voorts op HR 21 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:90. Bewezenverklaard was dat de verdachte het slachtoffer had bedreigd met zware mishandeling door opzettelijk dreigend het slachtoffer een mes te tonen. Uit de bewijsvoering bleek dat, nadat het slachtoffer tegen de verdachte riep: “Opkankeren, ga je kankermoeder lastigvallen”, de verdachte kwaad werd en meteen een mes trok, met het mes in de hand op het slachtoffer kwam afgestormd en tegen hem riep dat hij, verdachte, een Marokkaan was en dat het slachtoffer niet over zijn moeder moest beginnen, en dat hij terug zou komen. Het slachtoffer sprong vervolgens naar achteren.

3.14.

Terug naar de onderhavige zaak. Uit de bewijsvoering blijkt het volgende. De latere aangever [slachtoffers] zag dat de verdachte boos reageerde nadat hij de verdachte had meegedeeld dat hij niet ter plekke mocht komen omdat hij een straatverbod had en dat hij de politie zou bellen. Terwijl [slachtoffers] met de politie belde, pakte hij de verdachte met zijn linkerhand vast aan zijn rechtermouw. Nadat de verdachte zich had losgerukt uit de greep van [slachtoffers] , stonden beide mannen op ongeveer een meter afstand van elkaar. De verdachte haalde uit zijn jaszak een mes, dat hij uitklapte en in de richting van [slachtoffers] bewoog, waarbij de verdachte het mes met de scherpe punt in de richting van [slachtoffers] vasthield ter hoogte van zijn buik. [slachtoffers] zag daarbij een “heel erg boze blik” in de ogen van de verdachte, waarvan [slachtoffers] zo erg schrok en waardoor hij zich zo bedreigd voelde, dat hij direct naar achteren liep omdat hij dacht dat de verdachte hem daadwerkelijk zou steken. Gelet op deze vaststellingen acht ik het oordeel van het hof dat bij [slachtoffers] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, zonder meer toereikend gemotiveerd. Dat, zoals ter terechtzitting door de verdediging is aangevoerd, niet is vastgesteld dat de verdachte bij het tonen van het mes aan [slachtoffers] “een gesterkte arm had, in de richting van [slachtoffers] kwam, stekende bewegingen heeft gemaakt of iets heeft gezegd”, maakt dat oordeel niet anders. De verwerping van het verweer ligt in de bewijsvoering besloten. Het middel faalt ook in zoverre.

3.15.

Het middel faalt in beide onderdelen.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel heeft betrekking op de strafoplegging. Het klaagt allereerst dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer/uitdrukkelijk onderbouwde standpunt "dat bij de strafoplegging rekening zal moeten worden gehouden met de omstandigheid dat in eerste aanleg de rechtbank de aan de voorwaardelijk opgelegde straf verbonden bijzondere voorwaarden ten onrechte dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard zodat verdachte sedert een lange periode zich aan die voorwaarden heeft moeten houden”. Het middel klaagt ten tweede dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld “dat de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn van berechting is geschonden niet tot strafverlaging leidt omdat, indien de berechting strafproces in zijn totaliteit wordt bezien, dus zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn”.

4.2.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2019 gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:19

Strafmaat

Dadelijke uitvoerbaarheid en gedeeltelijke tenuitvoerlegging

17. De rechtbank heeft cliënt voor belaging, bedreiging en overtreding van gedragsaanwijzingen veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met daaraan gekoppeld meerdere bijzondere voorwaarden. Deze bijzondere voorwaarden heeft de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaard niettegenstaande de omstandigheid dat zowel belaging als bedreiging niet zonder meer kunnen worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf en dus als een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.20 Deze veroordeling heeft echter wel tot gevolg gehad dat cliënt zich al meer dan 2½ jaar (en als de eerdere schorsing hierbij wordt betrokken ruim 3 jaar) aan deze voorwaarden heeft moeten houden. Waarbij zeker voor de opgelegde gebiedsgeboden geldt dat dit een inbreuk maakt op zowel het werk van cliënt als ook zijn persoonlijke levenssfeer omdat niet alleen vrienden, maar ook cliënten woonachtig waren en zijn op plekken die onder de gebiedsverboden vielen. Zelfs [plaats] CS valt hieronder.

18. Daarnaast is van belang dat de rechtbank op 30 april 2018 deze voorwaardelijke, niet onherroepelijke, gevangenisstraf gedeeltelijk ten uitvoer heeft gelegd. De rechtbank gelaste de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 6 weken en ten aanzien van het restant van deze voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een verlening van de proeftijd met 18 maanden. De rechtbank gaf daarbij ook gehoor aan het verzoek van de officier van justitie om direct uitspraak te doen, zodat - als de vordering zou worden toegewezen - cliënt meteen aangehouden kon worden. Dit is ook gebeurd, wat vanzelfsprekend schadelijk was voor zijn patiënten en zijn medewerkers, kortom voor zijn bedrijf. In feite betrof de aanleiding voor de tenuitvoerlegging een principiële kwestie. Cliënt wilde bij Kairos niet vrijwillig een (behandel)overeenkomst tekenen in het kader van de WGBO. Dit heeft cliënt 6 weken detentie “gebracht”, of beter gezegd: “gekost”. Tijdens deze detentie is cliënt opgenomen in het ziekenhuis met een forse maagbloeding en is een cliënte overleden tijdens zijn afwezigheid. Geconstateerd moet bovendien worden dat de kennelijk eerder gestelde eis door Kairos van het tekenen van een behandelovereenkomst bij Reinier van Arkel helemaal geen issue meer was. Dit onderzoek is, zoals u heeft kunnen lezen uitgevoerd en afgerond. Een overeenkomst hoefde cliënt niet te tekenen.

19. Ik verzoek bij de strafoplegging rekening te houden met deze gedeeltelijke tenuitvoerlegging en deze al uit gezeten gevangenisstraf van 6 weken te verdisconteren in de op te leggen straf. Dat uw hof deze mogelijkheid heeft, blijkt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 2017:

“Aantekening verdient nog dat de rechter die kennisneemt van het hoger beroep op de voet van art. 14e, tweede lid, Sr respectievelijk art. 77za, tweede lid, Sr het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid kan opheffen en bij de strafoplegging rekening kan houden met de omstandigheid dat een in eerste aanleg voorwaardelijk opgelegde straften tijde van de uitspraak in hoger beroep reeds (gedeeltelijk) is geëxecuteerd.” 21

(…)

Conclusie

25. Al deze omstandigheden afwegend, verzoek ik u, bij bewezenverklaring, cliënt een straf op te leggen gelijk aan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis en in detentie in verband met de executie van de gedeeltelijke tenuitvoerlegging heeft doorgebracht. Cliënt is immers niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld terwijl zijn eerdere veroordelingen van zeer lang geleden zijn. Daarnaast heeft hij zich meer dan 3 jaar aan allerlei bijzondere voorwaarden moeten houden hetgeen een grote impact op leven heeft gehad, terwijl de reclassering toezicht en/of interventies niet geïndiceerd wordt geacht.”

4.3.

De strafmotivering van het hof houdt het volgende in:

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster [betrokkene 1] . Verdachte heeft daartoe gedurende een periode van bijna tien maanden veelvuldig brieven, pamfletten, e-mailberichten, sms-berichten en bloemen gestuurd naar aangeefster en haar familieleden, zich opgehouden bij haar woning en haar werk, terwijl het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat dit niet op prijs werd gesteld en als zeer hinderlijk werd ervaren. Het handelen van verdachte heeft het leven van aangeefster en haar familie in behoorlijke mate verstoord. Verdachte is er meerdere keren op gewezen dat hij daarmee moest stoppen. Verdachte bleek echter niet voor rede vatbaar en zelfs interventies van de politie en een gedragsaanwijzing hebben verdachte er niet van weerhouden aangeefster op de hiervoor beschreven wijze lastig te blijven vallen. De bewezenverklaarde feiten hebben blijkens haar verklaringen, een zware impact op aangeefster gehad en hebben veel spanningen veroorzaakt.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van aangever [slachtoffers] door dreigend een stilettomes met de scherpe kant, op korte afstand en ter hoogte van diens buik te houden. Het hof kan zich voorstellen dat deze ervaring voor aangever zeer beangstigend is geweest.

Het hof heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte verschillende keren eerder onherroepelijk door de strafrechter is veroordeeld, maar niet ter zake van soortgelijke delicten. Ook heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 12 september 2019 waarin, in tegenstelling tot het reclasseringsadvies van 2 januari 2017, een straf wordt geadviseerd zonder bijzondere voorwaarden, nu de reclassering inschat dat reclasseringstoezicht en/of interventies niet geïndiceerd zijn. Daarbij heeft het hof eveneens gekeken naar het Psychodiagnostisch rapport d.d. 28 augustus 2019, waarnaar verwezen is in het eerstgenoemde reclasseringsrapport.

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 5 september 2016, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 18 januari 2017 vonnis gewezen. Hiertegen is op 30 januari 2017 hoger beroep ingesteld namens verdachte. Het hof wijst dit arrest op 27 september 2019. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is daarom sprake van schending van de redelijke termijn en wel met een periode van bijna 8 maanden. Echter, wanneer het strafproces in zijn totaliteit wordt bezien, dus zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, is er geen sprake van een schending van de redelijke termijn. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om aan deze termijnoverschrijding consequenties te verbinden anders dan de enkele constatering dat de termijn in hoger beroep is geschonden.

Alles overwegende acht het hof het passend en geboden verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.”

4.4.

Het middel klaagt allereerst – zoals eerder al aangegeven – dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer/uitdrukkelijk onderbouwde standpunt “dat bij de strafoplegging rekening zal moeten worden gehouden met de omstandigheid dat in eerste aanleg de rechtbank de aan de voorwaardelijk opgelegde straf verbonden bijzondere voorwaarden ten onrechte dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard zodat verdachte sedert een lange periode zich aan die voorwaarden heeft moeten houden”.

4.5.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De responsieplicht op grond van de tweede volzin van art. 359, tweede lid Sv heeft mede betrekking op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten betreffende de straftoemeting.22 Niet ieder ter terechtzitting ingenomen standpunt noopt bij niet-aanvaarding evenwel tot een nadere motivering. Wil een ingenomen standpunt de - uiteindelijk in cassatie te toetsen - verplichting tot beantwoording scheppen, dan moet dit standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren zijn gebracht.23 De Hoge Raad stelt zich bij de beoordeling van het expliciete dan wel impliciete oordeel van het hof over de vraag of het gaat om een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt terughoudend op.24 Toetssteen is of het aangevoerde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Is het Hof in zijn arrest van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt afgeweken, terwijl het, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid, dan heeft dit verzuim ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.25

4.6.

In hoger beroep is namens de verdachte - kort samengevat – betoogd dat:

(i) de rechtbank de aan de voorwaardelijke gevangenisstraf gekoppelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard, terwijl zowel belaging als bedreiging niet zonder meer kunnen worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf en als een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen;

(ii) de verdachte zich al ten minste 2,5 jaar aan deze voorwaarden heeft moeten houden;

(iii) de rechtbank op 30 april 2018 zes weken van de door haar opgelegde voorwaardelijke, niet onherroepelijke, gevangenisstraf ten uitvoer heeft gelegd en ten aanzien van het restant van deze voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf de proeftijd met 18 maanden heeft verlengd.

Aansluitend is het verzoek gedaan om bij de strafoplegging rekening te houden met de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en de al uitgezeten zes weken te verdisconteren in de op te leggen straf. Tot slot wordt in de vorm van een conclusie “gelet op al deze omstandigheden” verzocht om bij bewezenverklaring een straf op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis en in detentie in verband met de executie van de gedeeltelijke tenuitvoerlegging heeft doorgebracht, nu de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld terwijl zijn eerdere veroordelingen van zeer lang geleden zijn. Daartoe wordt tevens aangevoerd dat de verdachte zich meer dan drie jaren aan allerlei bijzondere voorwaarden heeft moeten houden, hetgeen een grote impact op zijn leven heeft gehad, terwijl door de reclassering toezicht en/of interventies niet geïndiceerd wordt geacht.

4.7.

Het hof heeft de veroordeelde, net zoals de rechtbank, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr, en heeft – anders dan de rechtbank – geen bijzondere voorwaarden gesteld.

4.8.

Het hof heeft in de strafmotivering geen overweging gewijd aan het namens de verdachte gevoerde betoog betreffende (de motivering van) de beslissing van de rechtbank om de aan de voorwaardelijke gevangenisstraf gekoppelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en de omstandigheid dat de verdachte zich als gevolg van die beslissing al lange tijd aan deze voorwaarden heeft moeten houden. Dit geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Het hof heeft het betreffende verweer immers niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hoeven beschouwen. Daarbij merk ik nog op dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk dreigend een stilettomes met de scherpe kant richting de aangever heeft gehouden op korte afstand en ter hoogte van diens buik. Namens de verdachte is in hoger beroep niet aangevoerd dat en waarom de rechtbank de bijzondere voorwaarden in onderhavig geval niet dadelijk uitvoerbaar had kunnen verklaren, maar slechts dat de rechtbank daartoe is overgegaan, terwijl belaging en bedreiging niet zonder meer kunnen worden gekarakteriseerd als een geweldsmisdrijf. Uit de bewezenverklaring zowel in eerste aanleg als in hoger beroep blijkt afdoende dat de bedreiging in dit geval als een geweldsmisdrijf moet worden aangemerkt. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

4.9.

Het middel klaagt in de tweede plaats dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd “omdat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat in hoger beroep de schending van de redelijke termijn van berechting is geschonden niet tot strafverlaging leidt omdat, indien de berechting strafproces in zijn totaliteit wordt bezien, dus zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn”.

4.10.

Bij de beoordeling van deze klacht moet het volgende worden vooropgesteld. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over het oordeel omtrent de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. In zo’n geval moet immers worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd.26

4.11.

In de onderhavige zaak is de bestreden uitspraak op tegenspraak gewezen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de daaraan gehechte pleitnotities houden niet in dat aldaar door of namens de verdachte is geklaagd over de (te verwachten) overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat zo een verweer niet is gevoerd. Daarmee kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd over het oordeel van het hof omtrent de overschrijding van de redelijke termijn en daarmee ook niet over het gevolg dat het hof aan een ambtshalve geconstateerde overschrijding van die termijn heeft verbonden. Het middel faalt ook in zoverre.

4.12.

Het middel faalt.

5 Het derde middel

5.1.

Het middel klaagt dat het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten onrechte vervangende hechtenis heeft opgelegd voor de duur van 20 dagen. De Hoge Raad dient het arrest te vernietigen voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast en zal bepalen dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, aldus de steller van het middel.

5.2.

Blijkens het bestreden arrest heeft het hof de verdachte de verplichting heeft opgelegd om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer een bedrag te betalen van € 1.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twintig dagen hechtenis. Het middel is gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 terecht voorgesteld. Het bestreden arrest kan niet in stand blijven voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast. De Hoge Raad kan in plaats daarvan bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

6. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde middel is terecht voorgesteld.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met overname van de in de pleitaantekeningen gebruikte opmaak en voetnoten.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffers] , d.d. 10 april 2019.

3 Proces-verbaal bekijken camerabeelden p. 68 t/m 76 en proces-verbaal van bevindingen p. 77.

4 Proces-verbaal van aangifte p. 118-119 en proces-verbaal van verhoor [slachtoffers] p. 121-122.

5 Proces-verbaal van aangifte p. 119.

6 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffers] p. 82.

7 Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen p. 131-134.

8 Met overname van de door het hof gebruikte opmaak en voetnoten.

9 Proces-verbaal aangifte d.d. 2 augustus 2016, pagina 118-120.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 augustus 2016, pagina 121-122.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 april 2019.

12 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 2 augustus 2016, pagina 20-21.

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 augustus 2016, pagina 131.

14 Met overname van de door het hof gebruikte opmaak.

15 Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448.

16 Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3135 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096.

17 HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7062, NJ 2005/145.

18 Machielse in aant. 6 bij art. 285 Sr in Noyon, Langemeijer, Remmelink, actueel t/m 1 oktober 2012.

19 Met overname van de in de pleitaantekeningen gebruikte opmaak en voetnoten.

20 Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 12 maart (bedoeld zal zijn februari, AG) 2013, ECLI:NL:2013:BY8434 rov. 4.3; Hoge Raad 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3379 rov. 5.5; Hoge Raad 11 april 2017, ECLI:NL:2017:646 rov. 2.4 en Hoge Raad 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:436, rov. 2.5.

21 Hoge Raad 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3186, rov. 5.8.

22 Vgl. HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9216.

23 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/ 393 m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.7.1.

24 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2014:2128.

25 Vgl. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3376.

26 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.9 en HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817, rov. 2.3. Zie voorts HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2850.