Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1030

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-09-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
19/02097
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1727
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van vuurwapen en munitie in verborgen ruimte achter dashboardkastje van auto met verdachte als bijrijder, art. 26.1 WWM. Bewijsklacht voorhanden hebben. Heeft verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht over vuurwapen en munitie gehad? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2020:504 m.b.t. vereisten voor veroordeling van (als pleger) voorhanden hebben van wapen of munitie. Gelet op deze vooropstelling getuigt ‘s hofs oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting en is het (ook in het licht van hetgeen door verdediging is aangevoerd) toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2020/179 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02097

Zitting 15 september 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 12 april 2019 de verdachte wegens “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen.

2. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft bewezen verklaard dat de verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad. In het bijzonder klaagt het middel over het (kennelijke) oordeel van het hof dat de verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht over het vuurwapen en de munitie heeft gehad.

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 25 mei 2016 in de gemeente Haarlemmermeer, een wapen van categorie III sub 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk Crvena Zastava, model CZ99, kaliber 9x19 mm), en munitie van categorie III, te weten vijftien patronen (kaliber 9 x 19 mm), voorhanden heeft gehad.”

De bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest als bedoeld in artikel 365a Sv.

6. In het bestreden arrest heeft het hof daarnaast het volgende overwogen:

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit omdat de verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen dat op 25 mei 2016 in de Ford Focus, waarin de verdachte als passagier zat, is aangetroffen. Voor zover de verdachte wordt verweten dat hij het vuurwapen eerder in Vlaardingen voorhanden heeft gehad, geldt dat de verdachte in een woning van iemand anders was, hem plotseling een vuurwapen werd getoond dat hij heeft beetgepakt en bekeken, maar dit vervolgens heeft teruggegeven. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de verdachte over dat vuurwapen beschikkingsmacht heeft gehad, zodat ook om die reden vrijspraak moet volgen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte [betrokkene 1] en de verdachte op 25 mei 2016 in een personenauto, merk Ford Focus, op de Rijksweg A5 in de gemeente Haarlemmermeer reden.

[betrokkene 1] bestuurde de auto en de verdachte was zijn bijrijder. Verbalisanten zagen deze auto met daarin twee mannen rijden, onderzochten het kenteken waarna hen bleek dat het kenteken van de auto op naam van een vrouw stond. Verbalisanten wilden op grond hiervan - onder meer - onderzoeken of de inzittenden bevoegd waren in deze auto te rijden. Zij gaven de bestuurder een stopteken en zagen dat tijdens het volgen van de politiewagen, zowel de bestuurder als de bijrijder diverse keren voorover bogen. Bij de gevolgde controle bleek hen dat de chauffeur antecedenten had van handel in harddrugs en wapenbezit en de bijrijder een antecedent van bezit van softdrugs. Bij de met toestemming verrichte fouillering troffen zij meerdere mobiele telefoons aan, waarna zij overgingen tot doorzoeking van de auto. Tijdens deze doorzoeking troffen zij achter het dashboardkastje, een pakket met vermoedelijk verdovende middelen aan. Bij dit in folie gewikkeld pak met 1,01 kilo samengeperst vuilwit poeder ging het - naar later bleek - inderdaad om cocaïne (rapport van de forensisch expert d.d. 1 juni 2016, dossierpagina 128). Ook werd nog een geringe hoeveelheid heroïne aangetroffen. De auto is in beslag genomen en later op de dag nader onderzocht. Bij die doorzoeking is achter een ventilatierooster in het dashboard een, half geladen, pistool met bijbehorende munitie aangetroffen. Op de ruwe delen van het vuurwapen, de in- en voorzijde van de loop van het vuurwapen en de scherpe randen van het patroonmagazijn is DNA-materiaal aangetroffen dat - kort samengevat - overeenkomt met het DNA- profiel van de verdachte (NFI-deskundigenrapport d.d. 3 maart 2017).

De verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij niet wist van het vuurwapen in de auto. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de verdachte geconfronteerd met het bovengenoemd NFI-deskundigenrapport, waarna hij heeft verklaard dat hij de week voor zijn aanhouding een wapen te zien heeft gekregen in een woning in Vlaardingen, dat hij ook heeft bekeken waarbij hij het magazijn dat eruit was gehaald er weer in deed. De verdachte verklaarde dat hij niet weet of hij in Vlaardingen het wapen heeft gezien dat op 25 mei 2016 in de auto is aangetroffen. In hoger beroep heeft de verdachte deze verklaring in min of meer gelijke bewoordingen herhaald. De verdachte heeft daaraan toegevoegd dat hij niet wil zeggen met wie hij in de woning was en waar de woning was. Wel verklaart hij dat degene die hem het wapen liet zien geen vriend van hem was. Evenmin wilde de verdachte de naam noemen van degene met wie hij naar de woning is gegaan.

Het hof is van oordeel dat de hierboven weergeven - enkele en op geen enkele wijze te verifiëren - verklaring van de verdachte onvoldoende is om te bewijzen dat de verdachte, in de ten laste gelegde periode, in Vlaardingen een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de verdachte op 25 mei 2016 in een auto zat waarin een vuurwapen is gevonden. Daarop is DNA-materiaal aangetroffen waaruit DNA-profielen zijn afgeleid die overeenkomen met het DNA-profiel van de verdachte. Die feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs van het ten laste gelegde, terwijl de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Als zodanig geldt in elk geval niet de door de raadsvrouw, niet nader onderbouwde, geopperde mogelijkheid van ‘secundaire overdracht’, mede in aanmerking genomen dat op drie plekken op het vuurwapen DNA-materiaal is aangetroffen dat (blijkens de daaruit verkregen twee DNA-mengprofielen en het DNA-hoofdprofiel) overeenkomt met dat van de verdachte, terwijl dat wapen bovendien verstopt was achter een ventilatierooster. De verdachte heeft zelf slechts, zoals hiervoor overwogen, ontkend dat hij wist van het vuurwapen in de auto. Die enkele ontkenning is onder de gegeven omstandigheden onvoldoende om verdachte vrij te pleiten. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte op 25 mei 2016 het vuurwapen en de zich in het patroonmagazijn bevindende kogelpatronen voorhanden heeft gehad.”

Bij de bespreking van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. In een tweetal recente arresten van 31 maart 2020 heeft de Hoge Raad ten aanzien van het voorhanden hebben van een wapen of munitie het volgende overwogen:

“2.4

Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).

Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.”1

8. Een bewezenverklaring van het ‘voorhanden hebben’ van een (vuur)wapen en/of munitie in de zin van artikel 26 WWM kan derhalve volgen indien (i) een wapen zich bij of in de directe omgeving van de verdachte bevindt, (ii) de verdachte zich in zekere mate bewust is van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van dat wapen, en (iii) de verdachte feitelijke macht heeft over dat wapen.

9. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en nadere bewijsoverweging kan worden afgeleid dat het vuurwapen en de munitie zijn aangetroffen in de auto waarin de verdachte op dat moment als bijrijder zat. Nadat verbalisanten de bestuurder van deze auto een stopteken hadden gegeven, zagen zij de verdachte diverse keren voorover buigen. Bij doorzoeking van het voertuig werd vervolgens achter een ventilatierooster, in het dashboard, een half geladen vuurwapen gevonden. Op de ruwe delen van het vuurwapen, de in- en voorzijde van de loop van het vuurwapen en de scherpe randen van het patroonmagazijn zijn DNA-mengprofielen, waaronder een profiel dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte, alsmede een DNA-hoofdprofiel van de verdachte aangetroffen. De verdachte heeft ontkend zich bewust te zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen en de munitie in de auto waarin hij zich bevond Ten aanzien van de aanwezigheid van zijn DNA op het wapen heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zijn DNA mogelijk een week voor zijn aanhouding op het wapen terecht is (of: kan zijn) gekomen toen hem in een woning in Vlaardingen een wapen werd getoond. Hij heeft dit wapen toen kortstondig vastgehouden. De verdachte weet echter niet of dit hetzelfde wapen is als het wapen dat op 25 mei 2016 in de auto is aangetroffen.

10. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen in Vlaardingen. In dat oordeel ligt in dit geval – mede gelet op de motivering ter zake – besloten dat het hof het door de verdachte geschetste scenario met betrekking tot de aanwezigheid van zijn DNA op het wapen ongeloofwaardig heeft geacht. Dit oordeel, dat zich in cassatie slechts in beperkte mate laat toetsen, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte zich bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen en eerst nadat hij ter terechtzitting in eerste aanleg werd geconfronteerd met het deskundigenrapport van het NFI een verklaring heeft afgelegd. Daarbij komt dat de verklaring van de verdachte in aanzienlijke mate op toevalligheden berust en op geen enkele wijze nader is onderbouwd.

11. Uit het voorafgaande volgt dat het wapen en de munitie zich hebben bevonden in de directe nabijheid van de verdachte, dat de verdachte zich opvallend gedroeg op het moment dat verbalisanten de bestuurder van het voertuig een stopteken gaf en dat DNA-materiaal van de verdachte op het wapen is aangetroffen. Het hof heeft aldus in het licht van de specifieke omstandigheden van het geval uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van het in de auto aanwezige vuurwapen en daarover feitelijke macht heeft gehad. Daarbij heeft het hof in het bijzonder betekenis kunnen toekennen aan de vaststelling dat de verdachte geen redelijke, geloofwaardige, hem ontlastende verklaring heeft gegeven voor het in de auto aanwezige vuurwapen en de munitie.

12. Het middel faalt.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251 m.nt. Sackers, en HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:510, NJ 2020/252 m.nt. Sackers. Zie ook de conclusies van PG-HR Silvis voorafgaand aan beide arresten waarin hij verschillende arresten van de Hoge Raad bespreekt en uitgebreid ingaat op de criteria ‘aanwezigheid’, ‘beschikkingsmacht’ en ‘bewustheid’.