Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1024

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
18/05490
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1722
Nadere conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:578
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rolbeslissing. HR trekt het arrest van 12 mei 2020 (verdachte n-o in cassatieberoep, geen middelen ingediend) in om in CAG vermelde redenen en geeft aan verdachte een nieuwe termijn voor het doen indienen van een cassatieschriftuur. CAG: Aangenomen moet worden dat het niet verdachte is die de handtekening op de akte van uitreiking met het adres te Zwolle heeft geplaatst, terwijl aan de verdachte geen aanzegging is verzonden op zijn (bekende) buitenlandse adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05490

Zitting 8 september 2020

(ROL)CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

  1. De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 mei 2020 het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet binnen de in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn van twee maanden na de betekening van de aanzegging namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen was ingediend.

  2. Namens de verdachte heeft mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, de Hoge Raad bij brief van 18 augustus 2020 verzocht te bepalen dat voornoemd arrest zijn kracht heeft verloren en aan de verdachte een termijn te geven voor het indienen van een cassatieschriftuur, omdat de aanzegging niet op rechtsgeldige wijze is betekend. Hiertoe wordt aangevoerd dat hoewel die aanzegging volgens de stukken op 3 januari 2020 in persoon zou zijn betekend, de verdachte ten stelligste ontkent dat hij die stukken heeft gekregen en daarvoor heeft getekend. De aanzegging is betekend op een adres in [plaats] , terwijl de verdachte stelt dat hij niet op dat adres woonachtig is, maar in België woont en werkt. Het adres van de verdachte in België wordt ook vermeld in de volmacht tot het instellen van hoger beroep en is opgenomen in het arrest van het gerechtshof van 20 december 2018, aldus de raadsman. Voorts zijn als bijlage bij de brief (kopieën van) Belgische ID-kaarten (2013-2018 en 2018-2028) en het rijbewijs (2019-2029) van de verdachte overgelegd. De handtekening van de verdachte op die stukken komt volgens de raadsman niet overeen met de handtekening op de akte uitreiking van de aanzegging.

  3. Uit de stukken in cassatie blijkt het volgende:

(i) Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2018 vermeldt de volgende persoonsgegevens van de verdachte (vetgedrukt in het origineel):

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993

adres: [a-straat 1] , [postcode] [plaats] .”

(ii) De cassatie-akte van 21 december 2018 vermeldt, voor zover relevant, het volgende (vetgedrukt in het origineel):

“Op 21 december 2018 kwam ter griffie van dit gerechtshof [betrokkene 1] , griffier bij het Gerechtshof te Amsterdam, die – daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte volmacht –

naam [verdachte]

voornamen

geboren [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats]

wonende [b-straat 1] , [postcode] [plaats]

die verklaarde beroep in CASSATIE IN TE STELLEN tegen het arrest d.d. 20 december 2018 (…)”

(iii) De aan die cassatie-akte gehechte volmacht vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

“Geachte heer, mevrouw,

Hierbij verzoek en machtig ik u namens cliënt, de [verdachte] ( [geboortedatum] 1993), woonachtig aan de [a-straat 1] ( [postcode] ) te [plaats] , cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 20 december 2018 in de zaak voorzien van parketnummer 23/003471- 16.

Ik ben door cliënt bepaaldelijk gevolmachtigd tot het instellen van dit rechtsmiddel. Cliënt stemt er mee in dat de oproeping voor de terechtzitting in cassatie aanstonds door u in ontvangst wordt genomen.

Door cliënt wordt het volgende adres opgegeven voor ontvangst van een afschrift van de cassatiedagvaarding:

De [verdachte]

[a-straat 1]

[postcode] [plaats] ”

(iv) De griffie van de Hoge Raad heeft op 20 december 2019, 8 januari 2020 en 28 april 2020 de ‘Basis Registratie Personen’ (hierna: BRP) inzake de verdachte bevraagd en daarbij is gebleken dat in Nederland geen adres van de verdachte bekend was. Zijn laatste bekende historische verblijfplaats betrof: [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] ;

(v) De verdachte was op de data van aanzegging en/of van raadpleging van het BRP niet in Nederland gedetineerd;1

(vi) De aanzegging, gedateerd op 20 december 2019, vermeldt als adres van de verdachte: [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] . Deze is, gezien de akte van uitreiking, op 3 januari 2020 in persoon op dit adres uitgereikt. Voor ontvangst is de volgende handtekening geplaatst:

(vii) Een aanzegging aan de verdachte, gedateerd op 8 januari 2020 en met als adres “ZBWOVHTL2 vermeldt dat op 3 januari 2020 een aanzegging is uitgereikt aan de griffier;

(viii) Uit een door de raadsman overgelegd document met inlichtingen uit de BRP van de gemeente [plaats] van 19 augustus 2020 blijkt dat de verdachte per 12-01-2018 vanaf het adres [b-straat 1] te [plaats] is uitgeschreven uit de BRP (vertrokken naar onbekend) en dat die uitschrijving op 29 maart 2018 in het BRP is verwerkt en sindsdien zichtbaar was;

(ix) Als bijlage bij de brief van de raadsman van 18 augustus 2020 bevinden zich foto’s van de handtekening van de verdachte.

o Verdachtes handtekening op zijn Belgische ID-kaart (2013-2018):

o Verdachtes handtekening op zijn Belgische ID-kaart (2018-2028):

o Verdachtes handtekening op zijn rijbewijs (2019-2029):

4. Bij de beoordeling van de betekening van de aanzegging, stel ik het volgende voorop. Wanneer de stukken van een rechtsgeding na het instellen van cassatie door de griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen, moet daarvan op grond van art. 435, eerste lid, Sv aan de verdachte mededeling worden gedaan. Daartoe laat de procureur-generaal aan de verdachte aanzeggen dat die stukken zijn ontvangen. Die aanzegging moet aan de verdachte worden betekend. Tot 1 januari 2020 diende die betekening te geschieden volgens de voorschriften als bedoeld in art. 585 e.v. (oud) Sv. Sindsdien zijn die voorschriften neergelegd in art. 36a e.v. Sv.3 Binnen twee maanden nadat de aanzegging is betekend, dient op straffe van niet-ontvankelijkheid een cassatieschriftuur te zijn ingediend (art. 437, tweede lid, Sv).

5. Voorts dient bij de beoordeling van het namens de verdachte gedane verzoek tot het wijzen van een herstelarrest het volgende voorop te worden gesteld. Sinds 2001 volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat indien – achteraf bezien – een arrest van de Hoge Raad als gevolg van een administratieve vergissing ten onrechte is gewezen, de Hoge Raad onder omstandigheden bereid is zijn uitspraak te herstellen door middel van een herstelarrest.4 Zo zijn – mede met het oog op de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM – herstelarresten gewezen als de betekening van de aanzegging aan de verdachte onjuist is geschied dan wel geen afschrift van deze aanzegging aan de raadsman is toegezonden en de verdachte vervolgens wegens het ontbreken van een schriftuur niet-ontvankelijk is verklaard.5 Gezien de ernst van de juridische gevolgen van dergelijke administratieve tekortkomingen en de omstandigheid dat de Hoge Raad in laatste instantie uitspraak doet, wordt het van belang geacht dat de eerdere uitspraak in dergelijke gevallen wordt hersteld. Een herstelarrest maakt dan dat de verdachte in de cassatieprocedure alsnog een eerlijke behandeling van zijn zaak als bedoeld in art. 6 eerste lid, EVRM kan krijgen.

6. Gelet op de vooral vanuit wetenschappelijke hoek geuite bezwaren ten aanzien van de door de Hoge Raad aanvaarde buitenwettelijke mogelijkheid om via herstelarresten zijn beslissingen te herstellen omdat daarmee het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken wordt doorkruist,6 hecht ik eraan hier op te merken dat in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering wordt beoogd te voorzien in een (ruime) wettelijke basis voor het intrekken van arresten die de Hoge Raad ten onrechte heeft gewezen. Het voorstel voor een nieuw art. 5.5.21 Sv luidt volgens de op de website van de Rijksoverheid gepubliceerde ambtelijke versie van het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, versie juli 2020, aldus:

“1. In het geval bij de behandeling van het beroep in cassatie middelen van cassatie ten onrechte buiten behandeling zijn gelaten dan wel ten gevolge van een onjuiste betekening van de aanzegging in cassatie geen middelen van cassatie zijn ingediend, kan de Hoge Raad het arrest dat hij heeft gewezen, intrekken. De beslissing tot intrekking wordt op de openbare zitting uitgesproken.

2. De Hoge Raad kan voorts in een arrest een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent verbeteren.

3. De beslissing om opnieuw arrest te wijzen of een gewezen arrest te verbeteren kan worden genomen door de leden van de Hoge Raad die het in te trekken of te verbeteren arrest hebben gewezen. Bij ontstentenis van één van deze leden treedt een ander in zijn plaats.

4. Na een beslissing tot intrekking als bedoeld in het eerste lid wordt de zaak, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.11, door de Hoge Raad in behandeling genomen op een openbare zitting.”7

7. Terug naar het onderhavige geval. In de als bijlage bij de cassatieakte gevoegde volmacht tot het instellen van cassatie wordt als woonadres van de verdachte en als adres voor de ontvangst van een afschrift van de cassatiedagvaarding ondubbelzinnig zijn Belgische adres vermeld. Dat de opgemaakte cassatieakte vervolgens het (historische) adres van de verdachte in [plaats] vermeldt, doet daaraan niet af.

8. Indien een verdachte, zoals in dit geval, niet is ingeschreven in het BRP, niet in Nederland is gedetineerd en ook geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, maar wel een bekend adres in het buitenland heeft, dient de betekening op dat buitenlandse adres plaats te vinden.8 Uit de betekeningsstukken van de Hoge Raad blijkt evenwel dat in dit geval geen aanzegging naar het opgegeven Belgische adres is gestuurd. Een en ander zou verder zonder gevolgen kunnen blijven indien zou blijken dat de aanzegging de verdachte (tijdig) op een ander adres in persoon is uitgereikt. In de onderhavige zaak is dat naar mijn oordeel niet het geval. Weliswaar geeft de akte van uitreiking van de aanzegging op het adres in [plaats] aan dat deze aanzegging op 3 januari 2020 in persoon is betekend, maar de handtekening voor ontvangst op die akte lijkt in het geheel niet op de handtekening van de verdachte zoals die blijkt uit de door de raadsman overgelegde (officiële) stukken van de verdachte, aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld. Nu daarmee moet worden aangenomen dat het niet de verdachte is die de handtekening op de akte van uitreiking met het adres te [plaats] heeft geplaatst,9 terwijl aan de verdachte geen aanzegging is verzonden op zijn (bekende) buitenlandse adres, geef ik de Hoge Raad in overweging om een herstelarrest te wijzen waarbij het arrest van 12 mei 2020 wordt ingetrokken. Daarnaast geef ik de Hoge Raad in overweging om aan de verdachte een termijn te geven voor het indienen van een cassatieschriftuur.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal bepalen dat het arrest van de Hoge Raad in de onderhavige zaak wordt ingetrokken en dat aan de verdachte een termijn voor het indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt gegeven.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit een de verdachte betreffend detentieoverzicht van 1 september 2020 blijkt dat hij in de periode ná 12 mei 2016 nog gedetineerd is geweest van 13 februari 2020 tot 20 februari 2020 en dat hij zich thans – sinds 3 augustus j.l. – in detentie bevindt (in verband met de tenuitvoerlegging van de aan hem in de onderhavige zaak opgelegde straf).

2 Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

3 Sinds 1 januari 2020 zijn de artikelen 585 e.v. Sv komen te vervallen. Bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82, zijn die artikelen naar Titel IIB Kennisgeving van gerechtelijke mededelingen (artikelen 36a e.v. Sv) verplaatst. De tekst van die artikelen correspondeert in hoofdlijnen met het voormalige art. 585 e.v. Sv.

4 Zie voor de introductie hiervan: HR 30 oktober 2001, NJ 2002/230 en NJ 2002/231 m.nt. JdH.

5 Zie: HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2917, NJ 2006/23 m.nt. Y. Buruma, HR 16 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG4182, HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6754 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3637.

6 Zie o.a. J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken (diss. Groningen), Arnhem 1989, p. 486-489, alsmede dezelfde auteur in zijn noot onder HR 30 oktober 2001, NJ 2002/231, en Buruma in zijn noot onder HR 10 mei 2005, NJ 2006/23. Borgers heeft in zijn noot onder HR 10 januari 2012, NJ 2012/249, vervolgens de vraag aan de orde gesteld of het niet beter zou zijn de herstelmogelijkheid van de strafrechter een plaats te geven in het Wetboek van Strafvordering.

7 Dit zal in de toekomst onder meer de zittingsrechter kunnen behoeden voor de situatie waarin hij aan de verdachte en eventuele slachtoffers moet uitleggen dat de strafzaak in hoger beroep opnieuw moet worden behandeld omdat in de cassatieprocedure achteraf bezien ten onrechte is aangenomen dat de pleitnota in hoger beroep bij de stukken ontbrak, terwijl die vergissing vervolgens niet meer kon worden hersteld. Zie voor de bezwaren die in een dergelijk geval tegen een herstelarrest zijn ingebracht de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Knigge, ECLI:NL:PHR:2016:492. De Hoge Raad heeft de bezwaren die in deze aanvullende conclusie zijn geformuleerd tot de zijne gemaakt en daarom in de betreffende zaak afgezien van een herstelarrest.

8 Vlg. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.19 e.v.

9 Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2393, r.o. 2.3.