Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1000

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
19/01877
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:2045
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft (art. 282 Sr). Geklaagd wordt onder meer over de bewijsvoering ter zake van medeplegen. De AG adviseert het arrest op dit onderdeel in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01877

Zitting 3 november 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 4 april 2019 door het gerechtshof Amsterdam wegens feit 1 primair “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 5.250,00 en aan de verdachte ter zake van datzelfde bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd. Voorts heeft het hof beslist op een drietal vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straffen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.1 Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van het medeplegen van feit 1 niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid en/of de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende is gemotiveerd.

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 23 april 2016 tot en met 24 april 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben zij, verdachte en haar mededaders, toen [slachtoffer] in de woning, gelegen aan [a-straat 1], aanwezig was, de deur van die woning op slot gedaan en [slachtoffer] in die woning meermalen in/op het gezicht en de rug en buik en ribben en handen geslagen en geschopt en gezegd dat hij, [slachtoffer], niet weg mocht, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere kneuzingen in het aangezicht en een breuk aan de binnenzijde van de oogkas en een breuk in het jukbeen en kneuzingen aan een rib heeft bekomen.”

5. Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de inhoud van twaalf, in de aanvulling op het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. De 8 tot en met 12 genummerde bewijsmiddelen hebben betrekking op het letsel van [slachtoffer]. De bewijsmiddelen 1 tot en met 7 houden het volgende in:

“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2016089684-1 van 24 april 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], door aangever ondertekend op 2 mei 2016 (pagina’s 115-118 van het doorgenummerde dossier). Dit proces-verbaal houdt in als de op 24 april 2016 afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer] voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik wens aangifte te doen tegen de personen die mij dit hebben aangedaan. Momenteel lig ik in het BovenIJ ziekenhuis. Mijn hele gezicht zit in elkaar, ik kan momenteel niet eens mijn ogen openen door de zwellingen. Mijn hele lichaam doet pijn, ik heb gekneusde ribben en breuken rond mijn oogkas.

Gisteren [23 april 2016] werd ik naar de [a-straat 1] in Amsterdam gebracht. Ik belde aan en [verdachte] [het hof begrijpt hier en hierna steeds: de verdachte] deed de deur open en ik stapte naar binnen. Direct werd ik aangevallen door twee mannen. Ik werd hard op mijn gezicht geslagen, overal geschopt. Ik mocht niet weg, ze bleven mij slaan en schoppen. Een van de mannen had een zwart trainingspak aan, ongeveer 30 jaar oud, een blanke Nederlandse man met kort donkerblond haar. Die andere man kende ik ook niet maar ik hoorde [verdachte] ‘papa’ tegen hem zeggen, dus het was mij duidelijk dat dat haar stiefvader was.

De mannen vroegen mij of [verdachte] bij mij thuis was geweest. Ik heb eerlijk gezegd dat dat inderdaad zo was. Ik hoorde echter dat [verdachte] dit ontkende. Ze bleef erbij dat ze mij niet kende en dat ze nooit bij mij geweest was. Waarom ze dit ontkende weet ik echt niet. Steeds als ze dit ontkende werd ik door de mannen geslagen. Nadat ik voor de eerste keer in elkaar geslagen was, werd ik op de bank gezet. Mijn ogen zaten toen al vrijwel dicht, ik kon al bijna niets meer zien.

Na verloop van tijd begonnen ze weer, werd ik weer geslagen en geschopt. Hierna moest ik op de grond blijven liggen. Ik ben met tussenpozen regelmatig mishandeld. Ze hebben erge dingen met mij gedaan, naast het slaan en schoppen overal op mijn lichaam, op mijn rug, buik, ribben, gezicht, handen, echt overal. Ik mocht niet weg. Ik heb het wel geprobeerd, maar zag bijna niets en botste tegen de deuren aan. De man in het zwarte trainingspak, die vriend van de stiefvader van [verdachte], die was het ergste van de twee. Die was het gewelddadigste.

Ze (het hof begrijpt: [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) kwamen steeds terug op de vraag of [verdachte] bij mij was geweest of niet. Ik zei van wel, [verdachte] zei van niet en dan werd ik weer geslagen en geschopt. Uiteindelijk lieten die mannen mij gaan. Ik ben toen gaan lopen. Ik kwam mensen tegen op straat die de politie hebben gebeld. Van deze mensen hoorde ik dat het inmiddels 03:30 uur in de nacht was.

In de woning waren naast mij dus vier andere personen: die twee mannen, [verdachte] en [betrokkene 3]. [betrokkene 3] is de bewoner van de woning [a-straat 1].

2. De verklaring van getuige [slachtoffer], afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 10 maart 2017. Deze verklaring houdt in als de op 10 maart 2017 afgelegde verklaring van getuige [slachtoffer] voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik blijf bij de verklaringen die ik eerder heb afgelegd. Op 23 april 2016 in de middag ging ik naar de woning aan de [a-straat 1]. In de woning waren één vrouw, [verdachte], en drie mannen: [betrokkene 3] (het hof begrijpt hier en hierna steeds: [betrokkene 3]) en twee anderen (het hof begrijpt: medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1]). Toen ik binnen kwam, werd ik meteen geslagen door twee jongens. Zij bleven mij slaan, schoppen en trappen. Het duurde in totaal van ’s middags tot ’s nachts. Ik ben overal geschopt en geslagen, ze probeerden mijn gezicht het meeste te pakken. Mijn gezicht was total loss. [betrokkene 3] heeft niks naars tegen mij gedaan. Als gevolg van de mishandeling zie ik nu niet zo goed meer. Met mijn linkeroog zie ik dubbel.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016089684-44 van 2 mei 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] (pagina’s 119-120 van het doorgenummerde dossier). Dit proces-verbaal houdt in als de op 2 mei 2016 afgelegde, in dit proces-verbaal samengevatte, verklaring van aangever [slachtoffer] voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Opmerking verbalisant: in aanvulling op zijn eerder afgelegde verklaring verklaarde [slachtoffer]:)

Direct nadat hij in de woning was gekomen, werd hij in elkaar geslagen en werd hij door de twee mannen naar de achterkamer (het hof begrijpt: de slaapkamer) gebracht. Hier werd hij vastgehouden en meerdere malen mishandeld. Zodra [slachtoffer] de woning aan de [a-straat 1] binnen kwam deed [verdachte] de deur direct dicht en draaide zij de deur op slot, zodat hij niet meer weg kon. [verdachte] was bij de mishandelingen aanwezig.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016089684-8 van 24 april 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (pagina’s 1-3 van het doorgenummerde dossier). Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van voornoemde verbalisanten, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 24 april 2016 om 3.26 uur kregen wij de melding te gaan naar de [b-straat] te Amsterdam, alwaar een man met een hoofdwond zou liggen. Aldaar troffen wij een bloedende man aan met meerdere wonden in zijn gezicht. De man gaf op te zijn genaamd [slachtoffer]. Ik, [verbalisant 4], zag dat het gezicht van [slachtoffer] opgezwollen was. Ik zag namelijk dat de huid op en rond zijn ogen zo verdikt was dat hij zijn ogen niet meer kon openen. Ik zag dat er bloed vanuit het gebied van zijn ogen liep. Ik zag dat hij meerdere verwondingen in zijn gezicht had. Ik zag dat [slachtoffer] zichtbaar moeite had met ademen. Hij verklaarde het volgende: “Ik ben 6 uur lang mishandeld. Dit was in de woning van [betrokkene 3] op de [a-straat 1]. Toen ik in de woning kwam, hebben ze me meteen naar grond geschopt en geslagen. Ze hebben me overal geslagen. Ze hebben mij net uit die woning vrij gelaten. Ik was vanmiddag in die woning en ik mocht net pas uit de woning.”

Wij betraden de woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam. De voordeur werd geopend door een persoon die bleek te zijn genaamd [betrokkene 3]. In de woning troffen wij de later aangehouden verdachten aan genaamd [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [verdachte]. Wij hielden op 24 april 2016 om 4.05 uur verdachten [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [verdachte] aan. Alle drie de verdachten bevonden zich in de achterkamer, grenzend aan de achtertuin. De hoofdbewoner, [betrokkene 3], bevond zich met zijn hond in de voorkamer.”


5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2016089684-26 van 24 april 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] (pagina’s 135 -139 van het doorgenummerde dossier). Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van voornoemde verbalisanten, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Wij kregen de opdracht om onderzoek te doen in de woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam. Het betreft een woning op de begane grond. De toegangsdeur van deze woning bevindt zich aan de voorzijde van het pand en bood toegang tot een gang met een tochtdeur. Achter deze tochtdeur bevindt zich een gang met daarin diverse deuren. Vanaf de tochtdeur gezien, was direct aan de linkerzijde het voornoemde vertrek aan de voorzijde van de woning waarin de huurder (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) met zijn honden verbleef. Naast dit vertrek is een slaapkamer met daarin drie bedden. Dit vertrek grenst aan de achtertuin.

6. Een proces-verbaal van getuigenverhoor met nummer PL1300-2016089684-45 van 4 mei 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 10] (pagina’s 160-163 van het doorgenummerde dossier). Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van getuige [betrokkene 3], vóór zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik woon in de [a-straat 1] huis. Ik woon daar al 12 jaar. De laatste twee jaren heb ik twee mensen bij mij inwonen. Een man genaamd [betrokkene 1] en zijn stiefdochter [verdachte] met een moeilijke Poolse achternaam (het hof begrijpt: [verdachte], de verdachte). Ik woon in de woonkamer en zij in de slaapkamer, welke ik achterkamer noem. Het is een gehorige woning. Ik kan u vertellen dat gewoon praten je niet hoort door de muren heen, maar gegil en geschreeuw hoor je wel door de muren heen.

Die dag (het hof begrijpt: 23 april 2019) hoorde ik van [verdachte] dat iemand zou komen. Toen ik te horen kreeg dat iemand zou komen roken, moest ik van [verdachte] in de huiskamer gaan zitten. Ik werd hierdoor geïrriteerd en boos, want het is gewoon mijn eigen huis! Ik heb toen mijn hond gepakt en ben deze gaan uitlaten. Ik kwam terug en ging naar binnen en ik liep naar de achterkamer. Toen ik daar binnen was zag ik in de hoek van de kamer een man met zijn ogen dicht geslagen. Toen ik hem zag in de achterkamer, waren [betrokkene 1] en die andere stevige jongen (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) ook in de slaapkamer. [verdachte] liep in de woning heen en weer. Ik ben in de voorkamer gaan roken. Ik hoorde een paar keer gegil uit de achterkamer.


7. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] met nummer 2016089684 van 29 september 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] (losbladig). Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van getuige [betrokkene 3], voor zover van belang weergegeven


I = interviewer
G = antwoord getuige

Pagina 13/14
G: Ja. Maar, maar eh eh maar, maar het gaat toch om, om, om het punt dus dat wat er gebeurt eh eh eh eh hunnie die, die, die, die eh die, die zeggen d’r gaat iemand komen. Ik zeg gaat iemand komen? Oké, d’r gaat iemand komen. Ik zeg en [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte] zegt ga jij effe lekker naar de huiskamer. Ik zeg ben je wel goed bij je hoofd, in m’n eigen huis? Ik zeg ik ga m’n hond uitlaten, bekijk het effe allemaal hiero.

I: Ja.

G: Ik word een beetje m’n eigen huiskamer in gestuurd. Oké. Nou, toen ben ik m’n huiskamer in gegaan. Of heb ik m’n hond gepakt.
I: Ja.

G: Ik heb m’n hond uitgelaten. Ben een uur ruim bijna hè. En toen ben ik thuis toen gekomen. Ben ik, was ik nog boos. Ben ik niet eens naar binnen gegaan. En na een kwartier denk ik nou, ga toch maar effe naar binnen. En toen zag ik wat er allemaal gebeurd was. Nou ja.

I: Ja. Ja. die [betrokkene 2] die was dus al in jouw huis. En toen zij tegen jou zeiden van er gaat iemand komen, waar waren zij toen?

G: Achterkamer.

I: In de achterkamer.

G: Ja.

G: ..ik wist niet eens wie d’r kwam, dat er iemand zou komen. Dus er wordt gezegd, iemand komt met 5 minuten, ga jij effe daar naar toe. Ik zeg, wat?

I: Ja. Was jij ook in de achterkamer dan?

G: Nee, ik was in de voorkamer.

I: Jij was in de voorkamer. En toen, omdat [verdachte] tegen jou zei van ga jij maar naar de huiskamer...

G: Ja.

I: Want waar was jij dan, toen ze dat zei?

G: Ik was, ik was eh eh eh ik kom net van buiten lopen weer.
Pagina 16

G: Ben ik nog voor de deur blijven zitten, want ik was nog steeds boos. Gewoon voor de deur. [verdachte] liep steeds heen en weer, heen en weer eh zenuwachtig. Ik denk nou eh ja, ik denk ik doe m’n hond zo in de huiskamer. En ik kijk zo en ik zie wat er allemaal gebeurd is. Nou en toen ben ik in paniek geraakt. Eh...

G: Ik zei eh ik denk wat is dit nou?

I: En eh wat zag je toen?

G: Nou, dat hij helemaal in mekaar geslagen was.


Pagina 27/28

G: In één keer, ik zei toch [verdachte] liep steeds heen en weer, heen en weer eh zenuwachtig. En ja, <hoe heet dat> ik denk ik ga toch maar kijken. Ik denk misschien, weetje. Eh ik hoor dat die man d’r toch was in eh in één keer en oké, nou, ik ga kijken. Toch maar een poffie ook gedaan, ik denk weetje. En dan kom ik daaro en ik zie wat er allemaal gebeurd is. Eh nou toen heb ik een pof genomen en toen was ik m’n verstand bijster. Ik wist eh ik heb een kwartier buiten gezeten. Ik wist niet eens dat ie d’r nog was. Maar [verdachte] liep steeds heen en weer stie- zenuwachtig. En toen merkte, kwam, kwam ik er dus achter dat, dat ie d’r wel was. Ja oké, maar...

G: Nee. Kijk, kijk, toen heb ik die pof genomen. Wat ik zei, wat eh eh eh nou, hij lag <?> eh eh als je de deur in komt zo, de slaapkamer en dan heb ik hier een kast staan. Maar dan zag ik dat ie dan zo, toen zag ik zo o... En ik heb die pof aangepakt van [verdachte], ik heb een pof genomen.

(...)

G: En toen hoorde ik wat en toen ben ik er naar toe gegaan. En toen zag ik eh ik zeg hé, laat die man met rust eh... Maar ik moet ook op m’n hond letten en eh alles om me heen, wat er gebeurde en dus.
I: En die man die lag op de grond?

G: Ja. En toen heb ik weer een pof gekregen en toen ben ik naar, weer naar m’n hond.

Pagina 28

I: Wie waren d’r toen in die achterkamer?

G: Heel simpel. [betrokkene 1] en eh en, en die [slachtoffer] (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer]) eh die [betrokkene 2] waren in de achterkamer. En [verdachte] stond precies, die was heen en weer aan het lopen. Ik loop er toch maar naar toe. Staat ze precies in de opening, krijg ik m’n pof. En ik zie, ik zie die man, ik krijg m’n poffie. En ik denk, ik pak die pof aan.

Pagina 29

G: ... heb die pof aangepakt. Ik ben daar naar toe gegaan. Ik ben in paniek geraakt,

Ik heb er niks mee te maken. Het was in die kamer. Ik krijg m’n pof. Ik raak in paniek. Ik kan niks gezegd hebben. Ik eh eh eh…

1 : Nee. Nee, dat is duidelijk. Dat is duidelijk.

G: Is echt helemaal duidelijk. En toen ben ik daar eh en toen zus, zo. En eh heb [verdachte] nog een pofje gebracht bij mij. En, en toen hoorde ik na een tijdje hoorde ik eh...

En eh en toen hoorde ik wat. Toen ben ik er naar toe gegaan eh eh heb ik gezegd hé, wateh...

I: En nou hoor, nou zegje tegen mij, ik hoorde wat en toen ben ik er naar toe gegaan.

Wat hoorde je dan? ,

G: Ja, ik hoorde een beetje geschreeuw. Maar ik denk ik hoorde gestommel, maar ik denk uhum. Eh eh ik kon niet zien eh wie wat deed.

Maar ik kom binnen en ik zie eh eh wat is dit eh en eh ik zeg hé eh... Nou eh kreeg ik weer een pofje.

Pagina 43

G: Toen begon bij [betrokkene 1] het muntje te vallen.

(...)

G: Nou [betrokkene 1] die zat eh over, over, over de slachtoffer, maar die deed niks meer. En die zegt [verdachte] komen, komen, komen. En [verdachte] zegt nee, nee, nee.

(...)

I: Toen kwam ze niet en toen.

G: Toen geloofden ze hem. En toen...

I: Toen geloofden ze hem.

G: ja en toen eh pff eh vroeg ie kan ik weg, ik zeg van mij kan je weg. Het moest eventjes eh eh...

I: O ja en toen mocht ie weg.

(…)

G: Want eh, uiteindelijk mocht ie dus weg.

6. Ten aanzien van het bewijs van feit 1 primair heeft het hof in het bestreden arrest voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde bepleit op de grond dat de verdachte niet nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en dat de (enkele) omstandigheid dat zij niet heeft ingegrepen en zich niet van het geweld heeft gedistantieerd, niet meebrengt dat zij als medepleger van het feit kan worden aangemerkt.

Het hof overweegt als volgt.

Feitelijke toedracht

[slachtoffer] heeft zich op 23 april 2016 in de middag naar de woning van [betrokkene 3] aan de [a-straat 1] te Amsterdam begeven. Deze woning bevindt zich op de begane grond; er is een hal en een gang met een woonkamer aan de voorzijde en een slaapkamer die aan de achtertuin grenst. Het betreft een kleine, gehorige woning. De verdachte, aanwezig in deze woning, had tegen [betrokkene 3] gezegd dat hij naar de Woonkamer moest gaan omdat iemand langs zou komen. [betrokkene 3] was verontwaardigd dat hij in zijn eigen huis de opdracht kreeg zich terug te trekken in de woonkamer en is kort daarna zijn hond gaan uitlaten.

Toen [slachtoffer] aan kwam bij de woning waren daar naast de verdachte ook [betrokkene 2] en [betrokkene 1], de stiefvader van de verdachte, aanwezig. De verdachte heeft de deur voor [slachtoffer] geopend, deed de deur daarna dicht en draaide deze op slot. Direct daarna is [slachtoffer] aangevallen door [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Hij mocht niet weg en werd urenlang vastgehouden, tot ongeveer 03:30 uur de volgende ochtend. Gedurende die tijd is hij meermalen (hard) geslagen en geschopt door [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. De mishandelingen vonden met name plaats in de slaapkamer. De verdachte liep heen en weer in de woning en was geregeld in de slaapkamer. Toen [betrokkene 3] daar op een gegeven moment poolshoogte kwam nemen, gaf zij hem een “pofje” [het hof begrijpt: cocaïne om te roken], [betrokkene 2] en [betrokkene 1] wilden steeds van de verdachte en [slachtoffer] weten of zij elkaar kenden en of de verdachte bij [slachtoffer] thuis was geweest. Telkens als [slachtoffer] dit bevestigde, ontkende de verdachte dit, waarna [slachtoffer] weer werd geslagen en geschopt. [slachtoffer] is, nadat hij de woning mocht verlaten, rond 03.30 uur door een voorbijganger bloedend op straat aangetroffen. Hij had meerdere verwondingen in zijn gezicht en zijn ogen waren zo verdikt dat hij deze niet meer kon openen. De verdachte is om 04.05 uur samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangehouden in de woning aan de [a-straat]. Zij bevonden zich toen alle drie in de achterkamer, grenzend aan de tuin.

Beoordeling hof

Het hof leidt uit de hiervoor weergegeven feiten, bezien in samenhang met de inhoud van de overige bewijsmiddelen, af dat de verdachte een actieve en substantiële bijdrage heeft geleverd aan de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer]. Zij heeft de voordeur op slot gedraaid nadat [slachtoffer] de woning was binnengegaan. In haar nabijheid is [slachtoffer] onmiddellijk geslagen en geschopt en is hij vervolgens meermalen en langdurig mishandeld door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in de slaapkamer, waar de verdachte zich regelmatig bevond. Door de toegebrachte verwondingen en het voortgaande geweld kon [slachtoffer] geen kant op. Niet alleen kan dit de verdachte niet zijn ontgaan, zij heeft voorts een faciliterende rol gespeeld door [betrokkene 3] weg te sturen/houden van de slaapkamer teneinde te voorkomen dat hij zou ingrijpen. Toen [slachtoffer] door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] keer op keer aan een kruisverhoor, gevolgd door mishandelingen als het antwoord hen niet zinde, werd onderworpen, heeft de verdachte dit verergerd door hetgeen [slachtoffer] vertelde steeds te betwisten.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte een zodanig significante bijdrage heeft geleverd aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer], met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen haar, [betrokkene 2] en [betrokkene 1], zodat zij dit feit heeft medegepleegd. De omstandigheid dat zij van feit 2 wordt vrijgesproken, maakt dit niet anders. In het licht van het voorgaande merkt het hof nog op dat, anders dan bepleit door de raadsvrouw, er geen grond is de aanvullende verklaring van [slachtoffer] buiten beschouwing te laten bij de bewijsbeslissing. De omstandigheid dat deze eerst enige tijd na het tenlastegelegde incident is afgelegd en niet geheel gelijkluidend is aan de eerdere aangifte en de later bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring doet daaraan niet af.”

7. De in de toelichting op het middel aangevoerde klachten tegen de verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer, bestrijden in de eerste plaats de feitelijke vaststellingen die het hof daaraan ten grondslag heeft gelegd. Een aantal van deze feitelijke vaststellingen zou niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Daarnaast kan volgens de steller van het middel uit deze vaststellingen van het hof niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte het voor medeplegen vereiste opzet op het delict en op de samenwerking met de medeverdachten heeft gehad. Tot slot wordt tegengesproken dat de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is geweest.

8. Of de feitelijke vaststellingen van het hof zijn af te leiden uit de bewijsmiddelen kan in cassatie niet anders dan terughoudend worden beoordeeld. Het is immers de feitenrechter die de feiten in een zaak vaststelt. Ook de uitleg van de feiten, zoals de interpretatie van een verklaring, valt daaronder.2 Om die reden kan de uitleg die het hof aan in de bewijsmiddelen vervatte verklaringen heeft gegeven, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

9. De steller van het middel betwist ten eerste dat uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat de verdachte de voordeur van de woning na de binnenkomst van [slachtoffer] op slot heeft gedraaid “met de bedoeling te voorkomen dat aangever die woning zou verlaten als hij dat zou willen”. Niet bestreden is dat de bewijsmiddelen inhouden dát de verdachte de voordeur op slot heeft gedraaid. Het hof heeft dat niet onbegrijpelijk beschouwd als een onderdeel van de actieve en substantiële bijdrage die de verdachte aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft geleverd. Over de bedoeling die de verdachte daarmee had, heeft het hof niet iets overwogen. Dat was ook niet nodig, want bewijsmiddel 3 houdt met zoveel woorden in dat zodra [slachtoffer] de woning betrad de verdachte de deur direct dicht deed en op slot draaide “zodat hij niet meer weg kon.”

10. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou, aldus de steller van het middel, evenmin kunnen worden afgeleid dat de verdachte zich “regelmatig” bevond in de slaapkamer waarin [slachtoffer] werd mishandeld. [slachtoffer] heeft onder meer verklaard dat hij direct na binnenkomst in de woning in elkaar werd geslagen en naar de desbetreffende slaapkamer is gebracht waar hij werd vastgehouden en meerdere malen werd mishandeld, en dat de verdachte bij de mishandelingen aanwezig was (bewijsmiddel 3). De mishandelingen duurden “in totaal van ’s middags tot ‘s nachts” (bewijsmiddel 2). Het slachtoffer is “met tussenpozen” mishandeld (bewijsmiddel 1). Reeds uit dit een en ander in onderlinge samenhang bezien heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte zich “regelmatig” in de slaapkamer bevond. In dit verband kan ook nog erop worden gewezen dat de bewijsmiddelen inhouden dat [slachtoffer] de verdachte ontkennend kon horen antwoorden op de vraag of de verdachte en [slachtoffer] elkaar kenden en de verdachte wel eens bij [slachtoffer] thuis was geweest (bewijsmiddel 1). Voorts heeft de getuige [betrokkene 3] verklaard dat de verdachte zenuwachtig in de woning heen en weer liep, dat zij toen hij in de slaapkamer/achterkamer poolshoogte kwam nemen “in de opening” stond en dat hij van haar toen een ‘pofje’ had gekregen (bewijsmiddelen 6 en 7). Mede in het licht van de vaststelling van het hof dat het een kleine woning betrof, heeft het hof ook daaruit kunnen afleiden dat de verdachte zich “regelmatig” in de slaapkamer bevond.

11. Ten derde kan volgens de steller van het middel niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte een faciliterende rol speelde door [betrokkene 3] weg te sturen/houden. Daartoe wordt eensdeels aangevoerd dat de bewijsmiddelen weliswaar inhouden dat de verdachte tegen [betrokkene 3] heeft gezegd “lekker naar de huiskamer te gaan”, maar dat uit de verklaring van [betrokkene 3] ook volgt dat de achterliggende reden daarvoor was dat “iemand zou komen roken”. Anderdeels zou uit de bewijsmiddelen niet kunnen worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die hem – toen hij in de slaapkamer poolshoogte kwam nemen – een ‘pofje’ heeft aangereikt en/of zij dit heeft gedaan met de intentie hem bij de mishandelingen weg te sturen/houden.

12. Ten aanzien van de achterliggende reden om de verdachte naar de huiskamer te sturen, is het van belang er hier op te wijzen dat de bewijsmiddelen niet inhouden dat de verdachte [betrokkene 3] naar de huiskamer stuurde omdat er iemand zou komen roken, maar dat de verdachte aan [betrokkene 3] heeft meegedeeld dat dit de reden was dat hij naar de huiskamer moest gaan (bewijsmiddel 6). Uit de omstandigheden dat de verdachte toen [slachtoffer] in de woning binnenkwam direct de deur op slot draaide en dat [slachtoffer] onmiddellijk werd aangevallen door de stiefvader en een vriend van de stiefvader van de verdachte, heeft het hof kunnen afleiden dat de werkelijke reden om [betrokkene 3] weg te houden niet was dat [slachtoffer] zou komen roken.

13. Wat het ‘pofje’ betreft, is de als bewijsmiddel 7 gebezigde verklaring van [betrokkene 3] wat minder eenduidig. Die verklaring houdt evenwel onder meer in dat [betrokkene 3] is gaan kijken in de slaapkamer en dat hij toen “die pof [heeft] aangepakt van [verdachte]”. Ook houdt de verklaring in “dat toen hij in de slaapkamer ging kijken [betrokkene 1] en [slachtoffer] en [betrokkene 2] daar aanwezig waren”. De verdachte was heen en weer aan het lopen. [betrokkene 3] liep er toch maar naartoe. “Staat ze precies in de opening, krijg ik m’n pof.” Volgens [betrokkene 3] heeft “[verdachte] nog een pofje gebracht bij mij”. Uit deze onderdelen van de verklaring van [betrokkene 3] in onderlinge samenhang bezien heeft het hof kunnen afleiden dat toen [betrokkene 3] bij de slaapkamer op een gegeven moment poolshoogte kwam nemen, de verdachte hem een ‘pofje’ heeft gegeven. Het oordeel dat dit de vrijheidsbeneming en de voortzetting daarvan faciliteerde, is niet onbegrijpelijk.

14. Voor zover het middel klaagt dat de feitelijke vaststellingen die het hof aan de verwerping van het gevoerde verweer ten grondslag heeft gelegd niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, is het tevergeefs voorgesteld.

15. Dan de klacht die ziet op het voor medeplegen vereiste opzet op het gronddelict en op de onderlinge samenwerking. In de bewezenverklaring ligt als oordeel van het hof besloten dat de verdachte nauw en bewust met haar mededaders heeft samengewerkt tot het opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven van [slachtoffer]. Het hof heeft onder meer overwogen dat het de verdachte niet kan zijn ontgaan dat [slachtoffer] door zijn verwondingen en het voortgaande geweld geen kant op kon en dat zij voorts een “faciliterende rol” heeft gespeeld door [betrokkene 3] weg te sturen/houden van de slaapkamer teneinde te voorkomen dat hij zou ingrijpen. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat het niet anders kan dan dat de verdachte moet hebben geweten dat [slachtoffer] van zijn vrijheid was beroofd, dat haar opzet daarop was gericht en dat zij daartoe met haar mededaders bewust heeft samengewerkt.

16. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en wordt door de in de bewijsvoering van het hof besloten liggende vaststellingen in onderlinge samenhang gedragen. Tot een nadere motivering van dat oordeel was het hof niet gehouden. Ook deze klacht faalt.

17. Ten aanzien van de klacht over het oordeel dat de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van verzoekster aan het delict van voldoende gewicht is geweest, moet het volgende worden vooropgesteld. Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht – de Hoge Raad noemt: het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht –, dan rust op de rechter die desondanks oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering dit medeplegen nauwkeurig te motiveren. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zijn bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Evenmin is uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd of – zelfs – hoofdzakelijk na het strafbare feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. Zeker in zulke situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.3

18. In de bewijsvoering van het hof ligt besloten dat het medeplegen van het delict door de verdachte en haar mededaders in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. De verdachte heeft [slachtoffer] in de woning binnengelaten. Direct nadat [slachtoffer] de woning betrad heeft zij de deur op slot gedraaid en zo feitelijk verhinderd dat [slachtoffer] zich uit de voeten zou (kunnen) maken. Daaropvolgend is [slachtoffer] aangevallen door twee mannen en door hen ernstig fysiek mishandeld. De verdachte was daarbij aanwezig. Door de in de woning eveneens aanwezige [betrokkene 3] van de slaapkamer weg te sturen/houden, heeft de verdachte voorkomen dat hij zou ingrijpen en de vrijheidsberoving zou beëindigen. Dat zij [slachtoffer] niet zelf heeft mishandeld of in fysieke zin heeft vastgehouden, althans dat zulks niet blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, doet aan het voorgaande niet af.

19. Het daarop gebaseerde oordeel dat de bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht voor medeplegen is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Daarop strandt de laatste klacht.

20. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

21. Het tweede middel klaagt over de vervangende hechtenis die aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel is verbonden.

22. Het middel is gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.

23. Het middel slaagt.

24. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

25. Namens de verdachte is op 12 april 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 11 februari 2020 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

26. Het middel is gegrond.

27. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede en het derde middel slagen.

28. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In navolging van de aangehechte machtiging tot het instellen van cassatieberoep vermeldt de cassatieakte dat het cassatieberoep zich enkel keert tegen “de veroordeling voor feit 1 en tegen de vorderingen tenuitvoerlegging”. Die verklaring moet in overeenstemming met de door de Hoge Raad aan beperkingen van het cassatieberoep gestelde grenzen zo worden opgevat dat het cassatieberoep mede is gericht tegen de beslissingen tot oplegging van straffen en maatregelen. Zie HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, NJ 2018/59, m.nt. Mevis (rov. 2.6).

2 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 164.

3 Zie o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond.