Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:994

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-09-2019
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
18/03716
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1941, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Opheffing dwangsom. Art. 611d Rv. Is het de dwangsomrechter toegestaan om de dwangsom op te heffen omdat de hoofdveroordeling is uitgevoerd? Taakverdeling tussen dwangsomrechter en executierechter. Geen grief tegen onjuiste maatstaf vonnis voorzieningenrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03716

Zitting 13 september 2019

CONCLUSIE

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

D'Olmehorst Holding B.V.

tegen

[verweerder]

In deze kortgedingzaak is de vraag aan de orde of het hof op goede gronden heeft geoordeeld dat een dwangsom op de voet van art. 611d Rv wordt opgeheven.

1. Feiten 1 en procesverloop 2

1.1 [betrokkene 1] heeft een affectieve relatie gehad met wijlen [betrokkene 2] (hierna [betrokkene 2] ). [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben samen een minderjarige dochter.

1.2 Op 21 december 2012 heeft [betrokkene 2] van verweerder in cassatie (hierna: [verweerder] ) 6149 van de 6150 geplaatste aandelen in de naamloze vennootschap naar Belgisch recht Azure N.V. (hierna: Azure) gekocht. Het resterende aandeel in Azure werd gehouden door [betrokkene 3] ( [betrokkene 3] ). [verweerder] en [betrokkene 3] waren tevens bestuurders van Azure en zijn dat na de aandelenoverdracht gebleven.

1.3 [betrokkene 2] was oprichter, bestuurder en aandeelhouder van eiseres tot cassatie (hierna: D'Olmehorst). [betrokkene 2] heeft de aandelen Azure ingebracht in D'Olmehorst. Na het overlijden van [betrokkene 2] is [betrokkene 1] als wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige dochter gaan optreden. Zij heeft ook de taak van vereffenaar van de nalatenschap van [betrokkene 2] op zich genomen en zij is tot bestuurder van D'Olmehorst benoemd. [verweerder] en D'Olmehorst ( [betrokkene 1] ) hebben een conflict gekregen over de aandelenverkoop in 2012 en daarover een rechtsstrijd in België gevoerd.

1.4 Bij dagvaarding van 20 januari 2016 heeft D'Olmehorst [verweerder] en [betrokkene 3] gedagvaard voor de voorzieningenrechter te Amsterdam en - kort samengevat - gevorderd hen te veroordelen om een algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) van Azure bijeen te roepen, waarbij het ontslag van [verweerder] en [betrokkene 3] als bestuurders van Azure op de agenda staat en [betrokkene 1] als bestuurder wordt benoemd.

1.5 De voorzieningenrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 8 april 2016 als volgt beslist:

5.1. veroordeelt [verweerder] en [betrokkene 3] om binnen 5 werkdagen na de betekening van dit vonnis op rechtsgeldige wijze en met inachtneming van de formaliteiten als omschreven in art. 533 van het Belgische Wetboek van Vennootschappen een algemene vergadering van aandeelhouders van Azure bijeen te roepen, van welke vergadering de agenda als volgt zal zijn samengesteld:

1. Opening.

2. Ontslag van [verweerder] als bestuurder van de vennootschap. Voorstel van besluit: De algemene vergadering besluit [verweerder] als bestuurder van de vennootschap te ontslaan met ingang van het tijdstip waarop deze vergadering van aandeelhouders zal zijn gesloten.

3. Ontslag van [betrokkene 3] als bestuurder van de vennootschap. Voorstel van besluit: De algemene vergadering besluit [betrokkene 3] als bestuurder van de vennootschap te ontslaan met ingang van het tijdstip waarop deze vergadering van aandeelhouders zal zijn gesloten.

4. De benoeming van [betrokkene 1] , wonende te Nederland [a-straat 1] , tot bestuurder van de vennootschap.

Voorstel van besluit: De algemene vergadering besluit [betrokkene 1] te benoemen tot bestuurder van de vennootschap met ingang van het moment waarop deze vergadering van aandeelhouders zal zijn gesloten.

5. De benoeming van [betrokkene 4] , wonende te Nederland [b-straat 1] , tot bestuurder van de vennootschap. Voorstel van besluit: De algemene vergadering besluit [betrokkene 4] te benoemen tot bestuurder van de vennootschap met ingang van het moment waarop deze vergadering van aandeelhouders zal zijn gesloten.

6. Sluiting.

5.2. veroordeelt [verweerder] en [betrokkene 3] hoofdelijk om aan [verweerder]3 een dwangsom te betalen van EUR

20.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van EUR 200.000,- is bereikt.

5.3. bepaalt dat de onder 5.1 vermelde algemene vergadering van aandeelhouders van Azure:

- dient te worden opgeroepen overeenkomstig het bepaalde in artikel 533 van het Belgische Wetboek van Vennootschappen, bij rechtsgeldig opgestelde door [verweerder] en [betrokkene 3] gezamenlijk ondertekende en per aangetekende post aan alle aandeelhouders van Azure te verzenden brieven, (...)

1.6 [verweerder] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en is bij arrest van 29 november 2016 daarin niet-ontvankelijk verklaard.

1.7 Ter uitvoering van dit vonnis hebben [verweerder] en [betrokkene 3] tijdig een oproeping aan D'Olmehorst doen uitgaan voor een op 6 mei 2016 om 16.30 uur te houden AvA ten kantore van Azure.

1.8 Bij e-mail van 5 mei 2016 heeft [verweerder] aan [betrokkene 3] een bijlage gestuurd met daarin een schriftelijke machtiging waarin [betrokkene 3] hem machtigt om eventuele besluiten in de AvA namens haar te ondertekenen en namens haar als aandeelhouder te stemmen.

Bij e-mail van dezelfde dag heeft [betrokkene 3] op deze e-mail gereageerd en voor zover van belang geschreven:

(...) Hierbij bevestig ik, (...), dat ik de volmacht heb ontvangen en gelezen. Ik ga dus akkoord met de machtiging om jou, (...), morgen namens mij op te laten treden zoals beschreven in de machtiging.

1.9 De Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel Antwerpen heeft Azure bij beschikking in kort geding van 6 mei 2016 verboden de AvA op 6 mei 2016 te laten plaatsvinden en [verweerder] bevolen een nieuwe oproeping voor de AvA te laten uitgaan. D'Olmehorst heeft derdenverzet ingesteld tegen deze beslissing.

Bij beschikking van 8 juli 2016 is het derdenverzet ongegrond verklaard. D'Olmehorst heeft hoger beroep hiertegen ingesteld.

1.10 De AvA op 6 mei 2016 is niet doorgegaan. Op 11 mei 2016 hebben [verweerder] en [betrokkene 3] een nieuwe oproeping doen uitgaan voor een op 3 juni 2016 om 16:30 uur te houden AvA.

1.11 Bij exploot van 19 mei 2016 heeft de deurwaarder namens D'Olmehorst aan [verweerder] en [betrokkene 3] het vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 18 mei 2016, dat eveneens handelde over de perikelen rondom de AvA, betekend en het bevel gedaan dit na te komen.

1.12 Op 3 juni 2016 is de geplande AvA gehouden, waarmee is beoogd uitvoering te geven aan de onder 1.5 vermelde veroordeling.

1.13 De deurwaarder heeft op verzoek van D'Olmehorst bij exploot van 17 november 2016 aan [verweerder] aangezegd dat met betrekking tot het bepaalde in het vonnis van 8 april 2016 en het exploot van de deurwaarder van dezelfde datum (waarin is bevolen aan het vonnis te voldoen) is nagelaten om alle aandeelhouders op gelijke wijze voor de op 6 mei 2016 te houden AvA op te roepen. [betrokkene 3] , als houdster van één aandeel, zou niet op gelijke wijze zijn opgeroepen als D'Olmehorst. In het exploot staat verder dat niet is voldaan aan de veroordeling in het vonnis onder 5.1 in samenhang met het bepaalde in 5.3. en dat de onder 5.2 van het vonnis bepaalde dwangsommen tot een maximum van € 200.000,- zijn verbeurd. De deurwaarder heeft (hernieuwd) aan [verweerder] het bevel gedaan dit bedrag van € 200.000,- en kosten te voldoen.

1.14 D'Olmehorst is overgegaan tot het leggen van executoriale beslagen ten laste van [verweerder] .

1.15 Bij dit kort geding inleidende dagvaarding van 13 april 2017 heeft [verweerder] D'Olmehorst gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam en heeft daarbij - samengevat en voor zover thans van belang - gevorderd de dwangsom, die is gesteld op de veroordeling in het dictum onder 5.1 van het vonnis van de voorzieningenrechter Amsterdam van 8 april 2016 op te heffen, althans te verminderen tot een in goede justitie te beoordelen mate.

1.16 De voorzieningenrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 8 mei 2017 de bij vonnis van de voorzieningenrechter van 8 april 2016 opgelegde dwangsom voor zover deze is verbonden aan de in het dictum onder 5.3 eerste gedachtestreepje weergegeven veroordeling die ziet op de door [verweerder] en [betrokkene 3] gezamenlijk ondertekende, per aangetekende post aan [betrokkene 3] als aandeelhouder te verzenden brief inhoudende de oproeping voor de algemene vergadering van aandeelhouders, opgeheven en het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.17 D’Olmehorst is, onder aanvoering van vier grieven4, van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam en heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [verweerder] zal afwijzen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het hoger beroep.

1.18 [verweerder] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.

1.19 Het hof heeft bij arrest van 3 juli 2018 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

1.20 D’Olmehorst heeft tegen dit arrest tijdig5 cassatieberoep ingesteld.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.

D’Olmehorst heeft afgezien van repliek en [verweerder] heeft afgezien van dupliek.6

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.5, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (voor de leesbaarheid citeer ik ook de rov. 3.4 en 3.6):

“3.4. De klachten van d’Olmehorst tegen het oordeel van de voorzieningenrechter komen er op neer dat een uitdrukkelijke en schriftelijke instemming van [betrokkene 3] met een andere wijze van oproeping (en welke andere wijze van oproeping) ontbreekt en dat de e-mail van [betrokkene 3] van 5 mei 2016 niet als zodanige instemming kan worden gezien. De voorzieningenrechter heeft volgens d’Olmehorst miskend dat [betrokkene 3] in het geheel niet is opgeroepen voor de AVA.

3.5.

Het hof overweegt als volgt. Naar de letter van het vonnis van 8 april 2016 genomen zouden [verweerder] en [betrokkene 3] als bestuurders van Azure de aan hen voorgeschreven oproeping van de aandeelhouders van Azure voor een AVA niet alleen aan d’Olmehorst hebben moeten doen uitgaan, maar ook aan [betrokkene 3] als aandeelhouder. Het hof verenigt zich echter met het kennelijke oordeel van de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis dat (het dictum van het vonnis van 8 april 2016 aldus moet worden begrepen dat) een oproeping van [betrokkene 3] per aangetekende brief achterwege kan blijven in geval van uitdrukkelijke en schriftelijke instemming van [betrokkene 3] met oproeping langs andere weg en dat zodanige instemming gelegen is in een door [verweerder] en [betrokkene 3] ondertekende oproeping van d’Olmehorst per aangetekende brief op de wijze zoals hier heeft plaatsgehad. Uit de gevolgde gang van zaken volgt immers genoegzaam (i) dat [betrokkene 3] op de hoogte was van de bijzonderheden van de te houden AVA en (ii) dat verzending van dezelfde oproeping aan [betrokkene 3] zinledig was, zodat (iii) [betrokkene 3] er klaarblijkelijk mee had ingestemd dat haar afzonderlijke oproeping achterwege zou blijven. Bij gebreke van belang kan hetgeen de voorzieningenrechter nog heeft overwogen omtrent de bij e-mail van 5 mei 2016 door [betrokkene 3] aan [verweerder] gegeven volmacht verder onbesproken blijven. Hetzelfde geldt voor de klacht dat ten tijde van het versturen van deze e-mail de termijn voor voldoening aan het vonnis van 8 april 2016 reeds was verstreken.

3.6.

Het voorgaande voert het hof tot de conclusie dat met de voorzieningenrechter moet worden geoordeeld dat de dwangsom zijn doel voorbij zou schieten en het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan [verweerder] te dezen heeft betracht, zodat de dwangsom terecht is opgeheven zoals in het dictum van het bestreden vonnis omschreven. Hierop stuiten de grieven af.”

2.2

Onderdeel 1 valt uiteen in vier subonderdelen. Subonderdeel 1.1 klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van de bevoegdheid van de dwangsomrechter om de dwangsom op te heffen in een geval als het onderhavige waarin de dwangsomrechter in het dwangsomvonnis uitdrukkelijk heeft bepaald op welke wijze de hoofdveroordeling uitgevoerd dient te worden, maar die hoofdveroordeling niet conform die instructies van de dwangsomrechter is uitgevoerd. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat in een geval als het onderhavige, voor de vraag of de veroordeelde in de onmogelijkheid is komen te verkeren om aan de hoofdveroordeling te voldoen, enkel bepalend is of het voor de veroordeelde onmogelijk was om tijdig de instructies van de rechter ter uitvoering van die hoofdveroordeling op te volgen. Het subonderdeel voert aan dat het niet aan de dwangsomrechter is die op een vordering tot opheffing heeft te oordelen de oorspronkelijke en duidelijke instructies zoals die in het dwangsomvonnis zijn neergelegd achteraf op zodanige wijze uit te leggen dat de uitvoering daarvan op losse schroeven komt te staan. Dat zou indruisen tegen het in de drie Beneluxlanden aanvaarde rechtsbeginsel dat de mogelijkheden om terug te komen van een rechterlijke beslissing beperkt zijn.

2.3

Bij de beoordeling van subonderdeel 1.1 neem ik het volgende tot uitgangspunt.

Het gaat hier over de in art. 611d Rv vastgelegde bevoegdheid van de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, om de dwangsom op vordering van de veroordeelde op te heffen, de looptijd ervan op te schorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom te verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Daarbij dient bedacht te worden dat een eenmaal verbeurde dwangsom voor het hele bedrag verbeurd blijft, hetgeen meebrengt dat art. 611d Rv restrictief dient te worden uitgelegd.7 Ook moet in het oog worden gehouden dat tegen de uitspraak waarbij de dwangsom werd opgelegd rechtsmiddelen hebben opengestaan en art. 611d Rv er niet toe dient een extra procedure te bieden waarin wordt geoordeeld over de juistheid van de hoofdveroordeling.8

2.4

Art. 611d lid 1 Rv is gelijkluidend aan art. 4 lid 1 van de Benelux-Overeenkomst houdende de eenvormige wet betreffende de dwangsom van 26 november 1973 (hierna: de EW). Met betrekking tot de uitleg van art. 4 lid 1 EW heeft de Hoge Raad het volgende overwogen9:

“3.6.1

Blijkens rechtspraak van het BenGH moet art. 4 lid 1 EW als volgt worden uitgelegd.

3.6.2

Wat betreft de bevoegdheid van de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, om daarvan terug te komen, is in BenGH 27 juni 2008, zaak A 2007/2/11, ECLI:NL:XX:2008:BE8660, NJ 2008/399 ( [.../...] ) als volgt overwogen:

“9 Uit de Gemeenschappelijke Memorie van Toelichting moet worden afgeleid dat het de rechter die de dwangsom heeft opgelegd niet is toegestaan om terug te komen van zijn beslissing een dwangsom als prikkel tot uitvoering van de hoofdveroordeling op te leggen, en dat hij enkel over het al dan niet behoud en de omvang van de dwangsom opnieuw kan beslissen in geval van onmogelijkheid om aan de nog niet uitgevoerde hoofdveroordeling te voldoen.

10 Uit het voorgaande volgt dat de dwangsomrechter aan artikel 4, lid 1, van de Eenvormige Benelux-wet Dwangsom niet de bevoegdheid kan ontlenen om de dwangsom opnieuw te beoordelen, wanneer die beoordeling niet gebeurt om na te gaan of de opgelegde dwangsom nog zin heeft als prikkel tot uitvoering van de hoofdveroordeling, dus in het kader van een mogelijke opheffing, schorsing of aanpassing van de dwangsom. (…)”

3.6.3

Van onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen als bedoeld in art. 4 lid 1 EW is sprake indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel – dat wil zeggen: als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren – zijn zin verliest. Dit laatste moet worden aangenomen in een geval waarin niet tijdig aan de hoofdveroordeling is voldaan, indien het onredelijk zou zijn om meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. (Vgl. BenGH 25 september 1986, zaak A 1984/5, ECLI:NL:XX:1986:AC9501, NJ 1987/909 (Van der Graaf/Agio))

Het vorenstaande brengt mee dat de rechter uit hoofde van art. 4 lid 1 EW dient te onderzoeken of de veroordeelde sinds zijn veroordeling redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De onmogelijkheid om de hoofdveroordeling uit te voeren moet dan ook in beginsel worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de hoofdveroordeling. (Vgl. BenGH 29 april 2008, zaak A 2006/5/12, ECLI:NL:XX:2008:BD4245, NJ 2008/309 (Pet Center/ […] ))”

2.5

Het is, zoals ook uit de geciteerde rechtsoverwegingen van HR 20 februari 2015 volgt, vaste rechtspraak dat van onmogelijkheid in de zin van art. 611d Rv om aan de hoofdveroordeling te voldoen sprake is, indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel zijn zin verliest en het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht.10 Deze maatstaf wijkt volgens de Hoge Raad niet af van de eisen van de redelijkheid en billijkheid.11

2.6

Kern van het oordeel van het hof in de bestreden rov. 3.5 is dat weliswaar naar de letter van het vonnis van 8 april 2016 genomen ook [betrokkene 3] als aandeelhouder van Azure op de voorgeschreven wijze zou moeten zijn opgeroepen voor een AvA (te weten bij rechtsgeldig opgestelde door [verweerder] en [betrokkene 3] gezamenlijk ondertekende en per aangetekende post te verzenden brief), maar dat in dit geval een oproeping van [betrokkene 3] per aangetekende brief achterwege kan blijven omdat sprake is van haar uitdrukkelijke en schriftelijke instemming met oproeping langs andere weg. Die instemming ligt besloten in de mede door [betrokkene 3] ondertekende oproeping van de enig andere aandeelhouder D’Olmehorst per aangetekende brief. Daaruit blijkt volgens het hof genoegzaam dat (i) [betrokkene 3] op de hoogte was van de bijzonderheden van de te houden AvA en (ii) verzending van dezelfde oproeping aan [betrokkene 3] zinledig was, zodat (iii) [betrokkene 3] er klaarblijkelijk mee had ingestemd dat haar afzonderlijke oproeping achterwege zou blijven.

2.7

Het hof heeft aldus bij de beoordeling van de al dan niet toewijsbaarheid van de vordering - dat wil zeggen bij de beoordeling of de dwangsom kan worden opgeheven, opgeschort of verminderd op de voet van art. 611d Rv - onderzocht of [verweerder] in de onmogelijkheid verkeert om aan de veroordeling te voldoen, in het bijzonder of er sprake is van een situatie waarin de dwangsom als dwangmiddel zijn zin verliest en het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan [verweerder] te dezen heeft betracht. Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf toegepast. Vaste rechtspraak van het BenGH en de Hoge Raad is immers (zie onder 2.4 en 2.5) dat de onmogelijkheid in de zin van art. 611d Rv om aan de hoofdveroordeling te voldoen zich ook voordoet indien het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. Dat het hof in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheid uit hoofde van art. 611d lid 1 Rv de desbetreffende hoofdveroordeling heeft uitgelegd, is het hof toegestaan.12 Het subonderdeel faalt mitsdien.

2.8

Subonderdeel 1.2 betoogt dat het hof voorts heeft miskend dat in de instructies van de dwangsomrechter in het dwangsomvonnis expliciet is opgenomen dat de aan alle aandeelhouders per aangetekende post te verzenden oproepingsbrieven door [verweerder] en [betrokkene 3] gezamenlijk ondertekend dienen te worden. Dat gegeven was dus al verdisconteerd in het dwangsomvonnis, maar heeft de dwangsomrechter er niet van weerhouden te bepalen dat de aldus opgestelde en ondertekende oproepingsbrieven aan alle aandeelhouders, dus ook aan [betrokkene 3] , per aangetekende post verzonden dienden te worden. Dit brengt volgens het subonderdeel voorts met zich dat de door het hof gereleveerde omstandigheden ook niet kunnen worden beschouwd als ten tijde van het wijzen van het dwangsomvonnis nog niet bekende omstandigheden die na het dwangsomvonnis zijn ingetreden en als gevolg waarvan het voor [verweerder] (en [betrokkene 3] ) onmogelijk is geworden de hoofdveroordeling na te komen. Daar komt bij dat de dwangsomrechter ook bekend was met het feit dat Azure slechts twee aandeelhouders heeft, te weten D’Olmehorst en [betrokkene 3] en dat [betrokkene 3] bestuurder was van Azure, die omstandigheid dan ook geacht moet worden in het dwangsomvonnis mede te zijn verdisconteerd, terwijl die omstandigheid voor de dwangsomrechter evenmin aanleiding heeft gevormd om zijn beslissing anders vorm te geven dan in het dwangsomvonnis is gedaan.

2.9

De rechter dient bij de beoordeling van de al dan niet toewijsbaarheid van de op de voet van art. 611d Rv ingestelde vordering te onderzoeken of de veroordeelde sinds zijn veroordeling redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. 13 Het gaat dus niet om een eventueel gebrek aan zorgvuldigheid daterend van vóór de veroordeling.

De hoofdveroordeling in deze zaak betreft het op rechtsgeldige wijze en met inachtneming van de formaliteiten van art. 533 van het Belgisch Wetboek van Vennootschappen bijeen roepen van een AvA van Azure. Het hof heeft door te oordelen dat het zinledig zou zijn dat [betrokkene 3] een mede door haar ondertekende oproeping aan zichzelf zou moeten sturen, als criterium genomen dat het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te eisen dan [verweerder] heeft betracht. Dit geeft, zoals hiervoor bij de behandeling van subonderdeel 1.1 aan de orde is geweest, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

De omstandigheden dat de voorzieningenrechter die het vonnis van 8 april 2016 heeft gewezen op de hoogte was van het gegeven dat [betrokkene 3] toentertijd aandeelhouder en bestuurder was van Azure en dat in het dictum van het vonnis van 8 april 2016 in rov. 5.3 (toch) is bepaald dat de AvA moet worden opgeroepen bij rechtsgeldig door [verweerder] en [betrokkene 3] gezamenlijk ondertekende en per aangetekende post aan alle aandeelhouders van Azure te verzenden brieven, laten onverlet dat het hof de vordering tot opheffing van de dwangsomveroordeling aan de hand van de maatstaf of [verweerder] in de onmogelijkheid verkeerde om aan de veroordeling te voldoen diende te beoordelen en verhinderen niet dat het hof bij die beoordeling kon overwegen dat door instemming met een andere wijze van kennisgeving aan [betrokkene 3] kon worden volstaan.

2.10

Het subonderdeel faalt mitsdien.

2.11

Subonderdeel 1.3 veronderstelt dat de bestreden overweging op het uitgangspunt berust dat door de wijze waarop uitvoering aan de hoofdveroordeling is gegeven die hoofdveroordeling (in toereikende mate) is uitgevoerd nu het daarmee beoogde doel is bereikt. Het subonderdeel klaagt dat het hof aldus oordelend en beslissend heeft miskend dat het de dwangsomrechter niet is toegestaan om de uitvoering van de hoofdveroordeling te onderzoeken met het oog op de vaststelling dat de veroordeling tot de dwangsom geen voorwerp meer heeft, omdat de hoofdveroordeling reeds is uitgevoerd. De bevoegdheid om dat vast te stellen komt echter enkel toe aan de executierechter.14

2.12

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag, aangezien het hof niet heeft beoordeeld of de hoofdveroordeling reeds is uitgevoerd zoals door het subonderdeel wordt betoogd. Het hof heeft in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheid uit hoofde van art. 611d lid 1 Rv de desbetreffende hoofdveroordeling uitgelegd en is aan de hand van de daarvoor geldende maatstaf tot het oordeel gekomen dat de op de voet van art. 611d Rv ingestelde vordering toewijsbaar is. Het subonderdeel faalt mitsdien.

2.13

Subonderdeel 1.4 klaagt dat het hof onbegrijpelijk en in ieder geval onvoldoende (inzichtelijk) heeft gemotiveerd dat in de door [verweerder] en [betrokkene 3] ondertekende oproeping van D’Olmehorst per aangetekende brief op de wijze zoals die heeft plaatsgevonden de uitdrukkelijke schriftelijke instemming van [betrokkene 3] met (haar) oproeping langs andere weg ligt besloten. Het hof heeft volgens het subonderdeel met dit oordeel miskend dat het bepaalde in art. 533 van het Belgische Wetboek van Vennootschappen er niet in voorziet dat een (individuele) aandeelhouder kan instemmen met het achterwege blijven van zijn oproeping voor een AvA. Het is niet aan (het bestuur van) de vennootschap, noch aan een individuele aandeelhouder om te bepalen dat zijn afzonderlijke oproeping achterwege kan blijven. Dat een afzonderlijke oproeping van [betrokkene 3] zinledig is, is dan ook volgens het subonderdeel onbegrijpelijk. Bovendien is het oordeel van het hof, dat [betrokkene 3] er klaarblijkelijk mee had ingestemd dat haar afzonderlijke oproeping achterwege kan blijven, volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, nu dat oordeel enkel is gebaseerd op (i) de omstandigheid dat [betrokkene 3] op de hoogte was van de bijzonderheden van de te houden AvA van de onjuiste en daarmee onbegrijpelijke veronderstelling van het hof (ii) dat een afzonderlijke oproeping van [betrokkene 3] zinledig is. Althans is het oordeel van het hof dienaangaande onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd, zo voert het subonderdeel aan, nu zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, niet valt in te zien dat in de enkele omstandigheid dat [betrokkene 3] de aan D’Olmehorst verzonden oproepingsbrief mede heeft ondertekend een uitdrukkelijke en schriftelijke wilsverklaring ligt besloten dat zij met een andere wijze van haar oproeping voor de AvA instemt.

2.14

Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof heeft geoordeeld dat een aandeelhouder kan instemmen met het achterwege blijven van zijn oproeping voor een AvA, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.5 van het bestreden arrest (slechts) geoordeeld dat een oproeping van [betrokkene 3] per aangetekende brief achterwege kan blijven in geval van uitdrukkelijke en schriftelijke instemming van [betrokkene 3] met oproeping langs andere weg.

2.15

Bovendien geldt dat, voor zover de motiveringsklacht zich keert tegen de uitleg van het hof van art. 533 van het Belgische Wetboek van Vennootschappen met betrekking tot de wijze van oproeping van aandeelhouders voor een AvA, deze klacht zich niet laat beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof omtrent de inhoud en de uitleg van het Belgische recht te betrekken. De klacht stuit daarmee af op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO.

2.16

Voor het overige is het (kennelijke) oordeel van het hof, dat sprake is van een uitdrukkelijke en schriftelijke instemming van [betrokkene 3] met oproeping langs andere weg, namelijk dat zodanige instemming is gelegen in de door [verweerder] en [betrokkene 3] ondertekende oproeping van D’Olmehorst per aangetekende brief, en dat [betrokkene 3] daarmee langs andere weg voor de AvA is opgeroepen, niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd en kan het oordeel voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het subonderdeel faalt mitsdien.

2.17

Onderdeel 2 bevat een voortbouwklacht en faalt gelet op het falen van onderdeel 1.

2.18

Nu beide onderdelen niet tot cassatie kunnen leiden, dient het cassatieberoep te worden verworpen. Dit kan m.i. met toepassing van art. 81 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2018, onder 2, waarin wordt verwezen naar het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2017, onder 2.1-2.11.

2 Voor zover thans van belang. Zie onder 1 van het arrest van het hof Amsterdam van 3 juli 2018. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg onder 1 van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2017.

3 Bedoeld zal zijn D’Olmehorst.

4 Zie processtuknummer 7 van het B-dossier.

5 De procesinleiding in cassatie is op 28 augustus 2018 ingediend in het portaal van de Hoge Raad. De cassatietermijn bedraagt in deze zaak acht weken (zie art. 402 lid 2 Rv in verbinding met art. 339 lid 2 Rv).

6 In het A-dossier ontbreekt de brief van mr. J.G.M. Roels met productie 8 van 19 april 2017 (processtuknummer 2 in het B-dossier).

7 Zie ook de annotatie van A.I.M. van Mierlo in NJ 2017/123, onder 3.

8 A.W. Jongbloed en N.W.M. van den Heuvel, T&C Rv, commentaar op art. 611d Rv, aant. 2. Zie over de reikwijdte van art. 611d Rv en de exclusieve bevoegdheid van de dwangsomrechter nader HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2455, NJ 2019/126, m.nt. A.I.M. van Mierlo.

9 HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:396, NJ 2017/123, m.nt. A.I.M. van Mierlo.

10 Zie naast de onder 2.4 genoemde arresten van het BenGH van 25 september 1986 en van 29 april 2008 ook: BenGH 25 mei 1999, zaak A 1997/2, ECLI:NL:XX:1999:AD3060, NJ 2000/14, m.nt. H.J. Snijders (Greenib/Aaltink), rov. 13; BenGH 27 juni 2008, zaak A 2007/2/11, ECLI:NL:XX:2008:BE8660, NJ 2008/399 ( [.../...] ), rov. 9 en 10; HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2906, NJ 2000/13, rov. 3.3; HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5887, NJ 2003/521, rov. 3.5.2; HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL004, NJ 2012/528, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.4.2; HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:396, NJ 2017/123, m.nt A.I.M. van Mierlo, rov. 3.6.3. Zie ook o.m. P.A. Stein, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, 2018, Deventer: Kluwer, par. 16.6.5; A.W. Jongbloed en N.W.M. van den Heuvel, T&C Rv, commentaar op art. 611d Rv, aant. 6.b.; M.B. Beekhoven van den Boezem, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 611d Rv, aant. 3.

11 Zie HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0832, NJ 1993/598, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3 en HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2906, NJ 2000/13, rov. 3.3.

12 HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:396, NJ 2017/123, m.nt A.I.M. van Mierlo, rov. 3.7.2.

13 Zie in dit verband HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0004, NJ 2012/528, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.4.2 en de in noot 8 en 9 genoemde arresten.

14 Verwezen wordt naar BenGH 27 juni 2008, zaak A 2007/2/11, ECLI:NL:XX:2008:BE8660, NJ 2008/399 ( [.../...] ), rov. 9 en 10.