Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:992

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-10-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
18/05326
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:78
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Concl. plv. AG. Verdachte is veroordeeld voor overtreding van art. 5 WVW 1994 en art. 461 Sr door met een motorcrossfiets op een voor motorvoertuigen verboden bosweg te rijden. 1. 's Hofs oordeel dat de verdachte door met (te) hoge snelheid van 60-80 km/h om 9 uur in de ochtend met een crossmotor te rijden op een bospad waarop hij niet mocht rijden (welk pad tweeënhalve meter breed was en langs beide zijden dichtbegroeid was waardoor het zicht onderweg onoverzichtelijk was, welk zicht door de laagstaande zon nog slechter was, welk pad werd gebruikt door wandelaars, fietsers en ruiters), gevaar op dat bospad kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg kon worden gehinderd, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 2. Het kennelijke oordeel van het hof dat art. 461 Sr (mede) een risico-aansprakelijkheid omvat, inhoudende dat van een verdachte kan worden gevraagd dat hij zich ervan vergewist of hem de toegang tot bepaalde grond niet wordt verboden, is onjuist. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte wist dat hij op de bosweg niet mocht rijden met zijn crossmotor. Daaruit blijkt evenmin dat hij, voordat hij het bospad via de beek had betreden, langs een van de toegangswegen tot het bos is gereden en daar een bord had kunnen zien waarop hem de toegang was verboden. Het bewezenverklaarde feit, voor zover inhoudende dat de toegang op “een voor de verdachte blijkbare wijze” was verboden, is ontoereikend gemotiveerd. Concl. strekt tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05326

Zitting 8 oktober 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 15 november 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twintig dagen hechtenis, waarvan € 500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de verdachte bij datzelfde arrest wegens 2. “zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevinden”, veroordeeld tot een geldboete van € 90,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door één dag hechtenis. Het hof heeft daarnaast de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en bepaald dat deze hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen en de verdachte verwezen in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

  2. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld. De eerste twee middelen klagen over de bewijsvoering van het hof, terwijl het derde middel ziet op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

3 Bewijsvoering

3.1

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“1:

hij op 8 maart 2015 te Overloon, gemeente Boxmeer, als bestuurder van een voertuig (een motor), daarmee rijdende op de weg, een bospad gelegen in een bosperceel wat plaatselijk bekend staat onder de naam [naam] (ingeklemd tussen de [a-straat] , de [b-straat] en de [c-straat] ) gesloten voor motorrijtuigen, met hoge snelheid, althans een ter plaatse te hoge snelheid over dat bospad is gereden, door welke gedraging van hem, verdachte, gevaar op die weg kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg kon worden gehinderd;

2:

hij op 8 maart 2015 te Overloon, gemeente Boxmeer, zonder daartoe gerechtigd te zijn zich met een motorijtuig heeft bevonden op een bosweg, zijnde grond toebehorende aan gemeente Boxmeer, van welke grond de toegang op een voor hem, verdachte, blijkbare wijze door de rechthebbende was verboden.”

3.2

Deze bewezenverklaringen berusten op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal relaas d.d. 17 september 2015 (pg, 4-21), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 8 maart 2015, omstreeks 09.40 uur, kregen surveillance-eenheden van de politie de melding van een aanrijding tussen motorcrossers en BOA’s op de [d-straat] , dan wel [b-straat] te Overloon .

Omschrijving plaats delict

Het voorval had plaatsgevonden op een bospad, dat is gelegen in een bosperceel, dat plaatselijk bekend was onder de naam [naam] . Het gedeelte van het bosgebied waarin het ongeval had plaatsgevonden lag ingeklemd tussen de [a-straat] , de [b-straat] en de [c-straat] . Het lag buiten de bebouwde kom van Overloon in de gemeente Boxmeer .

Ter plaatse bleek dat een vijftal collega’s van het samenwerkingsverband Samen Sterk in het Buitengebied doende was met een handhavingsactie op het verbod op motorcrossers in dit bosgebied. Daarbij werd aan motorcrossers een tweetal stoptekens gegeven, waarbij een aanrijding was ontstaan met een van de motorrijders. Ter plaatse werden drie motorcrossers aangetroffen, waarvan er een gewond was. De gewonde motorcrosser bleek later [medeverdachte 2] te zijn.

De twee niet gewonde motorcrossers legitimeerden zich als:

[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , en

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] .

(pg. 5-6)

Uit de door betrokken handhavers afgelegde verklaringen blijkt dat men de handhavingsactie volgens een bepaalde werkwijze hanteerde. (...) Dat houdt in dat ze een bospad uitzoeken, dat aan beide zijde[n] afgeschermd wordt door begroeiing dusdanig dat de ontsnappingskans minimaal is.

De plaats delict betreft een bospad dat regelmatig gebruikt wordt door motorcrossers. Het desbetreffende bosgebied is opengesteld voor wandelaars en fietsers en is verboden voor motorvoertuigen, bromfietsen en paarden.

Dit wordt kenbaar gemaakt middels het landelijk groene openstellingsbord in eigendom van de gemeente Boxmeer. Indien dit bosgebied wel wordt betreden door motorrijtuigen, bromfietsen of paarden is dit een overtreding van artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Het proces-verbaal aanrijdroute BHV nummer 2015051657 d.d. 16 juni 2015 (pg. 93-105), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

(pg. 96)

Het incident had plaatsgevonden in een bosperceel dat was gelegen tussen de [b-straat] en de [c-straat] , gelegen buiten de bebouwde kom van Overloon in de gemeente Boxmeer .

(pg. 104)

Uit onderzoek was gebleken dat er, duidelijk zichtbaar, diverse borden1 waren geplaatst aan de rand van het bosgebied. De tekst op deze borden luidde onder andere: dat het bosgebied was opengesteld en dat:

Het niet is toegestaan met uw motorvoertuig het bos in te gaan

en

De toegang is verboden met motorrijtuig volgens artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht.

3.

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 17 maart 2015 (pg. 230-236), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [medeverdachte 2] :

V = vraag

A = antwoord

A: Ik geef aan jullie een schriftelijke verklaring zoals ik die zelf heb opgesteld. Dat is mijn visie op het hele gebeuren.

V: Je reed door de bossen van Overloon . (...) Wie waren er nog meer bij?

A: [verdachte] en [medeverdachte 1] . (...) [verdachte] reed voorop, ik reed als tweede en [medeverdachte 1] als laatste.

V: Hoe was je zicht onderweg?

A: Als in een tunnel, je rijdt op een recht zandpad, het gaat behoorlijk hard dus je kijkt alleen voor je op het pad.

V: Hoe hard reden jullie ten tijde van het voorval?

A: Ik schat ongeveer 80 kilometer per uur. In de bossen kijk je vooruit en kijk je dus niet op je snelheidsmeter. Op een lang recht stuk gaat het gas open.

Schriftelijke verklaring [medeverdachte 2] (pg. 235-236):

Op 8 maart 2015 rond 9.00 uur zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] en ik met de motor off-road gaan rijden. [verdachte] reed voorop. Ik reed achter hem. Achter mij reed [medeverdachte 1] . Omstreeks 9.40 uur reed [verdachte] een bospad in. Na een paar bochten reden we een dichtbegroeid pad in. Dat pad was ongeveer 2 à 2,5 meter breed.

4.

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 11 maart 2015 (pg. 256-263), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [medeverdachte 1] :

(pg. 257)

V: Je reed door de bossen in Overloon . (...) Wie waren er nog meer bij?

A: Dat waren [medeverdachte 2] en [verdachte] .

V: Wat waren jullie onderlinge posities?

A: [verdachte] reed voorop, daarachter kwam [medeverdachte 2] en ik reed achteraan.

V: Hoe hard reden jullie ten tijde van het voorval?

A: Als ik moet gokken dan denk ik 70 plus. Voor mijn gevoel hadden we er een redelijke vaart in zitten. Ik heb wel een kilometerteller, maar die klopt niet. Ik heb hier ook niet op gekeken.

V: Was de weg overzichtelijk, kon je zijwegen of bospaden van links en rechts goed zien aankomen?

A: Nee, het was dichtbegroeid en dus ook niet erg overzichtelijk.

5.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 1 september 2016, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Door de laagstaande zon was het zicht niet optimaal. Ik reed voor mijn gevoel 60 tot 80 km/u.

6.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van dit hof op 1 november 2017, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 8 maart 2015 te Overloon, gemeente Boxmeer , heb gereden met een motor op een bospad gelegen in een bosperceel dat plaatselijk bekend staat onder de naam [naam] . Ik reed daar samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ik reed ongeveer 60 km per uur. We reden in formatie achter elkaar. Ik reed voorop aan de linkerkant. Het bospad werd gebruikt door wandelaars, fietsers en ruiters. Het zicht was door de laagstaande zon niet optimaal.”

4 Het eerste middel

4.1

Het middel klaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu met name daaruit niet kan volgen dat door de wijze van motorrijden van de verdachte op dat bospad c.q. die weg, gevaar op die weg kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg kon worden gehinderd. De bewezenverklaring is op grond hiervan niet voldoende met redenen omkleed.

4.2

De bijzondere bewijsoverwegingen in het bestreden arrest houden, voor zover van belang, het volgende in:

“Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij zich op zondag 8 maart 2015 met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bezig hield met motorcrossen. [medeverdachte 2] noemt het off-road rijden. Off-road suggereert dat het niet op de weg gebeurt. Zoals hiervoor reeds vastgesteld, was het betreffende bospad evenwel een weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof stelt nadrukkelijk voorop dat het openbaar verkeer dat op deze weg is toegestaan is beperkt tot wandelaars en fietsers. Dat brengt met zich mee dat verdachte aldaar dus niet met zijn crossmotor mocht rijden en dat de wel toegestane weggebruikers op die weg, de wandelaars en fietsers, niet berekend (hoeven te) zijn op aldaar - wederrechtelijk - rijdende motorcrossers.

Naast het feit dat verdachte niet met zijn crossmotor op dit pad had mogen rijden, wijst het hof erop dat ook voor motorcrossers die zich op de weg begeven de geldende verkeersregels van toepassing zijn. Belangrijke uitgangspunten in het verkeer zijn - onder meer - acht slaan op de toegestane snelheid en rijden met een ter plaatse verantwoorde snelheid, voldoende afstand houden, de weg overzien en in staat zijn het bestuurde voertuig binnen de beschikbare ruimte voor het voertuig tot stilstand kunnen brengen. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte aan deze uitgangspunten deels niet voldaan.

Verdachte reed als voorste motorrijder in een driemansformatie. Het pad, dat volgens [medeverdachte 2] tweeënhalve meter breed was, was langs beide zijden dicht begroeid. Bij de politie heeft [medeverdachte 2] verklaard dat het zicht onderweg was als in een tunnel. “Je rijdt op een recht zandpad, het gaat behoorlijk hard, dus je kijkt alleen voor je op het pad”. [medeverdachte 1] noemde het pad dicht begroeid en niet erg overzichtelijk. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat het zicht door de laag staande zon niet optimaal was. [medeverdachte 2] schatte de snelheid ten tijde van het voorval op ongeveer 80 kilometer per uur. Hij merkt daarover op dat je in de bossen vooruit kijkt en dus niet op je snelheidsmeter. Op een lang recht stuk gaat het gas open, zo verklaarde hij. [medeverdachte 1] schatte de snelheid ten tijde van het voorval in op 70 plus (het hof begrijpt: meer dan 70 kilometer per uur), maar merkt daarbij op dat hij een niet-kloppende kilometerteller had en dat hij daarop niet heeft gekeken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij op 8 maart 2015 op het voornoemde bospad heeft gereden op zijn motor met een snelheid van rond de 60 kilometer per uur.

Nog afgezien van het feit dat verdachte helemaal niet op zijn motor mocht rijden op het bospad, had hij zijn snelheid terug moeten brengen tot een veilige snelheid. Een veilige snelheid is een snelheid waarbij verdachte gelegenheid zou hebben gehad om acht te slaan op eventueel overig verkeer en waarbij hij voldoende tijd zou hebben gehad om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen indien zich iets of iemand voor hem op de weg zou begeven, dan wel om dit voorwerp of deze persoon te kunnen ontwijken. Door met hoge snelheid, althans met een ter plaatse te hoge snelheid, over dat bospad te rijden, kon door verdachte gevaar op die weg worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg worden gehinderd. Verdachte was zich ook overigens bewust van het soort verkeer dat hij op het bospad kon tegen komen, immers ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat het bospad werd gebruikt door wandelaars, fietsers en ruiters.”

4.3

Het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit is toegesneden op art. 5 WVW 1994. De in de bewezenverklaring voorkomende woorden “gevaar” en “hinder” moeten dan ook worden geacht te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.

4.4

Het middel klaagt blijkens de toelichting in het bijzonder dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat op het in de bewezenverklaring bedoelde bospad regelmatig ongelukken zijn veroorzaakt door motorcrossers. Het middel klaagt voorts dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat het bospad ten tijde van de bewezenverklaarde feiten gebruikt werd door wandelaars, fietsers of ruiters, waardoor uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat een wandelaar, fietser of een ruiter door het rijden van de verdachte is en/of kon worden gehinderd, noch dat voor hen een gevaarlijke situatie is ontstaan.

4.5

Ik merk allereerst op dat de bewezenverklaring niet inhoudt dat door de gedraging van de verdachte gevaar is veroorzaakt dan wel het verkeer is gehinderd, maar dat door de gedraging de verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg kon worden gehinderd. Voor zover de steller van het middel meent dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat op het bewezenverklaarde tijdstip medeweggebruikers “concreet gevaar of hinder hebben ondervonden” dan wel “daadwerkelijk personen aanwezig waren ten aanzien van wie dat gevaar en/of de hinder zich concreet heeft voorgedaan” kan het middel reeds daarom in zoverre niet slagen.2

4.6

Art. 5 WVW 1994 beoogt het belang van de verkeersveiligheid (middels het bestanddeel “gevaar”) respectievelijk de vlotheid van de doorstroming van het verkeer (middels het bestanddeel “hinder”) te beschermen.3 Het gevaar is gelegen in een reële of aanzienlijk verhoogde kans op schade van goed of lijf.4 Dat houdt niet in dat er overig verkeer ter plaatse moet zijn, maar wel dat er ter plaatse regelmatig ander verkeer aanwezig placht te zijn.5 Het verkeer moet met andere woorden “werkelijk dan wel potentieel” aanwezig zijn.6 Ook al was er bijvoorbeeld bij het rijden door het rode licht geen verkeer ter plekke, toch was het min of meer toevallig dat er geen ongeval door veroorzaakt was en was het meer geluk dan wijsheid dat er geen verkeer naderde.7 Aan het veroorzaken van dat gevaar moet ongeoorloofd gedrag ten grondslag liggen. Geschreven én ongeschreven normen staan aan de basis van het ongeoorloofde karakter van de gevaarzetting of hinder op de weg.8

4.7

Gelet op het voorgaande is de opvatting die aan het middel ten grondslag ligt, inhoudende dat, wil er sprake zijn van een gevaarlijke situatie als bedoeld in art. 5 WVW 1994, uit de bewijsvoering moet blijken dat dat gevaar of de hinder zich in het verleden regelmatig heeft verwezenlijkt, dan wel dat daaruit moet blijken dat op het bewezenverklaarde tijdstip daadwerkelijk personen aanwezig waren ten aanzien van wie dat gevaar en/of de hinder zich concreet moet hebben voorgedaan, onjuist. Het middel faalt ook in zoverre.

4.8

Welwillend gelezen – want niet verder toegelicht - bevat het middel nog de algemene klacht dat onvoldoende is gemotiveerd dat door de wijze van motorrijden van de verdachte op dat bospad c.q. die weg, gevaar op die weg kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg kon worden gehinderd.

4.9

Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte vanaf 9:00 uur in de ochtend met een crossmotor heeft gereden op een bospad dat kan worden aangemerkt als een weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, dat het openbaar verkeer dat op deze weg is toegestaan, is beperkt tot wandelaars en fietsers, dat de verdachte met twee andere motorrijders op een tweeënhalve meter breed pad reed dat langs beide zijden dichtbegroeid was waardoor het zicht onderweg onoverzichtelijk was - als in een tunnel -, dat het zicht door de laagstaande zon bovendien nog slechter was en dat de verdachte daar met (te) hoge snelheid (ongeveer 60 – 80 km/h) heeft gereden. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte heeft verklaard dat het bospad werd gebruikt door wandelaars, fietsers en ruiters, waaruit blijkt dat op dat bospad potentieel verkeer aanwezig was. Gelet op het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat door de gedragingen van de verdachte gevaar op dat bospad kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg kon worden gehinderd, niet onbegrijpelijk en de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. Het middel faalt ook in zoverre.

4.10

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1

Het middel klaagt dat de onder 2 bewezenverklaarde “blijkbaarheid van het verbod voor de verdachte” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, en/of dat het hof het bewijsverweer dat de toegang niet op een voor de verdachte blijkbare wijze was verboden, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

5.2

De bijzondere bewijsoverwegingen in het bestreden arrest houden, voor zover van belang, het volgende in:

Ad 1 (brief).

De weg, het onverharde bospad dat gelegen is in een bosperceel dat plaatselijk bekend staat onder de naam [naam] (en ingeklemd ligt tussen de [a-straat] , de [b-straat] en de [c-straat] ), is, zo blijkt uit pagina 6 van het dossier, opengesteld voor wandelaars en fietsers en is verboden voor motorrijtuigen, bromfietsen en paarden. Deze weg is een weg in de zin van art. 1 lid 1 sub b van de Wegenverkeerswet 1994, te weten een voor het openbaar verkeer openstaande weg of pad, zij het dat het openbaar verkeer dat op die weg is toegestaan is beperkt tot wandelaars en fietsers.

Ad a (pleidooi).

Twee soorten borden, die op verschillende plaatsen aan de rand van het bosgebied en bij toegangswegen tot het bosgebied waren geplaatst, maakten duidelijk dat het gebied voor verkeer was opengesteld, maar dat het niet toegestaan was dit gebied met een motorrijtuig te betreden. Door zich met een crossmotor, zijnde een motorrijtuig, op dit bospad te begeven heeft verdachte zich zonder daartoe gerechtigd te zijn op dit bospad bevonden.

Het door de verdachte gevoerde verweer dat de toegang niet op een voor hem blijkbare wijze was verboden wordt verworpen.

Dit verweer is gebaseerd op de stelling dat verdachte, met twee medemotorrijders, beweerdelijk via een alternatieve route in het bosperceel en op het bospad is terechtgekomen en aldus de betreffende bordjes niet heeft gezien. Verdachte heeft verklaard dat zij na het viaduct over de A73 naar beneden gereden zijn, alwaar zij door een beek gereden zijn en vervolgens het bos zijn ingereden via een bospad. Dit betreft volgens verdachte een andere (toegangs)route dan waarvan de politie in het dossier uitgaat als vermoedelijke (toegangs)route van de motorrijders en verklaart waarom er geen verbodsbord is gezien.

Het hof wil in het voordeel van verdachte aannemen dat hij niet de route heeft gereden die de politie in het dossier als de vermoedelijke route heeft beschreven, maar stelt tegelijkertijd vast dat verdachte dan in het bosperceel is gekomen door gebruik te maken van een (al dan niet droog liggende) beek. De rechthebbende op het bosperceel hoefde er niet op bedacht te zijn dat verkeersdeelnemers op die wijze bij het perceel zouden komen. Het komt voor risico van verdachte dat hij van de weg is afgegaan en door een beek is gereden en op die manier kennelijk de borden heeft gemist die hem wezen op de verbodsbepaling voor motorrijtuigen. Dit doet niet af aan het feit dat de plaatsing van de borden maakt dat de toegang op een voor verdachte blijkbare wijze was verboden. Anders gezegd: van een rechthebbende op een perceel kan niet worden gevergd dat hij om de twee meter op de grens van zijn perceel bebording plaatst die melding maakt van een op het perceel geldend verbod.”

5.3

Het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit is toegesneden op art 461 Sr. Dit artikel luidt:

“Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.”

5.4

Het hof heeft blijkens zijn bewijsvoering vastgesteld dat op verschillende plaatsen en duidelijk zichtbaar, aan de rand van het bosgebied en bij toegangswegen tot het bosgebied borden waren geplaatst, welke borden duidelijk maakten dat het gebied voor verkeer was opengesteld maar dat het niet toegestaan was dit gebied met een motorrijtuig te betreden. Het hof heeft overwogen dat het voor risico van de verdachte komt dat hij na het viaduct over de A73 naar beneden is gereden, door een beek is gereden en vervolgens het bos is ingereden via een bospad en op die manier kennelijk de borden heeft gemist die hem wezen op de verbodsbepaling voor motorrijtuigen, en dat dit niet afdoet aan de omstandigheid dat de plaatsing van de borden maakt dat de toegang op een voor verdachte blijkbare wijze was verboden.

5.5

Het hof meent derhalve kennelijk dat art. 461 Sr (mede) omvat een risico-aansprakelijkheid; de verdachte heeft de borden weliswaar niet gezien, maar had ze wel kunnen zien als hij zich ervan had vergewist of hem de toegang was ontzegd. Dat de verdachte de borden niet heeft gezien komt zo bezien voor zijn eigen rekening omdat hij op een wijze het bos heeft betreden – namelijk niet via de toegangswegen maar via een droogliggende beek - waar de eigenaar van het bos niet op bedacht behoefde te zijn.

5.6

De steller van het middel meent dat het hof hier uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het kenbaarheidsvereiste van art. 461 Sr. De steller van het middel meent dat “het betreden van een bos op een plaats waar geen bord wordt aangetroffen noch enig ander teken van verboden toegang zichtbaar is, geen strafbaar feit oplevert”, waardoor de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

5.7

In de wetsgeschiedenis vond ik geen aanwijzing hoe de “voor hem blijkbare wijze” als bedoeld in art. 461 Sr moet worden uitgelegd.9 De jurisprudentie van de Hoge Raad geeft wel richting. Het in art. 461 Sr bedoelde verbod kan onder meer door daden, door het stellen van tekens gegeven worden. Daartoe komen opschriften in aanmerking, waaruit de bedoeling van de rechthebbende blijkt, zoals het bord 'Verboden toegang'.10 Uit HR 7 december 1903, W 8005 leid ik af dat de dader in elk geval het verbod moet hebben kunnen waarnemen.11 Van toepassing op de onderhavige zaak is HR 7 februari 1927, W 11 649, NJ 1927, p. 350. De verdachte was veroordeeld voor overtreding van art. 461 Sr door – kort gezegd - zonder daartoe gerechtigd te zijn op een rijdier te hebben gereden in het landgoed Meyendel. De kantonrechter had aan het bewezenverklaarde “een voor hem blijkbare wijze” ten grondslag gelegd dat het landgoed Meyendel was afgezet met op duidelijk zichtbare wijze geplaatste borden met het opschrift “Verboden toegang”, dat de verdachte langs deze borden moet zijn gereden indien hij de gewone ingangswegen had gevolgd en dat het ook mogelijk is door de duinen en tussen de waarschuwingsborden door het verboden terrein te bereiken. De Hoge Raad oordeelde dat geen van de bewijsmiddelen iets inhield omtrent de vraag welke ingangsweg de verdachte heeft gevolgd en dat de verdachte heeft verklaard dat hij geen waarschuwingsbord had gezien. De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de toegang naar het Meyendel op voor de verdachte blijkbare wijze was verboden en vernietigde het vonnis.

5.8

Gelet op het voorgaande is in het onderhavige geval het kennelijke oordeel van het hof dat art. 461 Sr (mede) een risico-aansprakelijkheid omvat, inhoudende dat van een verdachte kan worden gevraagd dat hij zich ervan vergewist of hem de toegang tot bepaalde grond niet wordt verboden, onjuist. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

5.9

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt niet dat de verdachte wist dat hij op de betreffende bosweg niet mocht rijden met zijn crossmotor. Uit die gebezigde bewijsmiddelen blijkt evenmin dat de verdachte, voordat hij het bospad via de beek had betreden, langs een van de toegangswegen tot het bos is gereden en derhalve een bord had kunnen zien waarop hem, als motorcrosser, de toegang tot dat bos was verboden.12 Het onder 2 bewezenverklaarde feit, voor zover inhoudende dat de toegang op “een voor de verdachte blijkbare wijze” was verboden, is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt ook daarover terecht.

5.10

Het middel is terecht voorgesteld.

6. Het derde middel, dat klaagt over de schending van de inzendtermijn, is naar ik meen terecht voorgesteld maar behoeft geen nadere bespreking nu het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde kan worden gesteld.

7. Het eerste middel faalt, het tweede middel is terecht voorgesteld en het derde middel behoeft geen bespreking.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 De aanvulling bewijsmiddelen houdt hier als voetnoot in: “Op deze borden staat dat het bosperceel toebehoort aan de gemeente Boxmeer, zie pg. 100 en 104 van het politiedossier”.

2 Overigens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat “tussen de in art. 5 WVW 1994 opgenomen varianten "wordt" en "kan worden" een met die bewoordingen overeenkomend, gradueel doch niet-wezenlijk verschil bestaat”; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3691, NJ 2016/64.

3 A.E. Harteveld & H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994. Een strafrechtelijk commentaar, Deventer: Gouda Quint 1999 (tweede druk), p. 101.

4 Vgl. J. Remmelink, bewerkt door A.E. Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Kluwer 2012, paragraaf 4.2 e.v.

5 Vgl. HR 21 april 1953, NJ 1953/487, HR 6 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8632, NJ 1991/257 m.nt. Th.W. van Veen. In dat laatste arrest was overigens bewezenverklaard “in gevaar brengen” en niet “in gevaar kunnen brengen”.

6 J. Remmelink, bewerkt door A.E. Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Kluwer 2012, paragraaf 4.2 e.v.

7 A.E. Harteveld & H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994. Een strafrechtelijk commentaar, Deventer: Gouda Quint 1999 (tweede druk), p. 103.

8 A.E. Harteveld & H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994. Een strafrechtelijk commentaar, Deventer: Gouda Quint 1999 (tweede druk), p. 96.

9 Zo wordt in de wetsgeschiedenis van art. 461 Sr in H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1886), Deel III, Haarlem: Tjeenk Willink 1891, p. 341-345 dit bestanddeel niet besproken.

10 HR 29 oktober 1934, NJ 1935, p. 60, en J.W. Fokkens in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 3 bij art. 461 Sr, actueel t/m 1 september 1985.

11 Vgl. HR 7 december 1903, W 8005.

12 Vgl. HR 7 februari 1927, W 11 649, NJ 1927, p. 350.