Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:986

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-10-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
18/01034
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1964
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Klacht over het opzet op het misleiden van twee personen o.m. door hen te vertellen dat beveiligingsmedewerkers op de luchthaven waren omgekocht. De AG adviseert de Hoge Raad het beroep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/01034

Zitting 8 oktober 2019

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 16 november 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen en een taakstraf voor de duur van 60 uren, met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/05513. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.1

3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op het bewijsverweer van de verdediging inhoudende dat de verdachte geen opzet heeft gehad op misleiding van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met betrekking tot het omkopen van douaneambtenaren, zodat de bewezenverklaringen onvoldoende met redenen zijn omkleed.

5. Ten laste van de verdachte (en de medeverdachte) heeft het hof bewezenverklaard dat:

“zij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te ’s-Gravenhage en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen(en)

a)

een ander, te weten [betrokkene 1] door misleiding heeft geworven, met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene 1] bestaande die uitbuiting en misleiding uit het:

 benaderen van die [betrokkene 1] met het verzoek verdovende middelen vanuit Marokko naar Nederland te vervoeren, en

 betalen van een retourvliegticket naar Marokko en het verschaffen van onderdak in Marokko voor die [betrokkene 1] en

 beloven van een geldbedrag aan die [betrokkene 1] voor het vervoer van verdovende middelen vanuit Marokko naar Nederland, en

 die [betrokkene 1] meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthaven(s) waren omgekocht waardoor het vervoer van verdovende middelen naar Nederland probleemloos zou verlopen, en

 betalen voor de aanschaf van een paspoort van die [betrokkene 1] , en

 overhandigen van een geldbedrag aan die [betrokkene 1] bij terugkeer in Nederland en na overhandiging en in ontvangstneming van die verdovende middelen;

b)

een ander, te weten [betrokkene 2] , heeft geworven, met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene 2] , terwijl die [betrokkene 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, bestaande die uitbuiting uit het:

 benaderen van die [betrokkene 2] met het verzoek verdovende middelen vanuit Marokko naar Nederland te vervoeren, en

 betalen van een retourvliegticket naar Marokko en het verschaffen van onderdak in Marokko voor die [betrokkene 2] , en

 beloven van een geldbedrag aan die [betrokkene 2] voor het vervoer van verdovende middelen vanuit Marokko naar Nederland, en

 die [betrokkene 2] meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthaven(s) waren omgekocht waardoor het vervoer van verdovende middelen naar Nederland probleemloos zou verlopen, en

 betalen voor de aanschaf van een paspoort van die [betrokkene 2] , en

 overhandigen van een geldbedrag aan die [betrokkene 2] bij terugkeer in Nederland en na overhandiging en in ontvangstneming van die verdovende middelen;

c)

een ander, te weten [betrokkene 1] door misleiding, heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten bestaande die misleiding uit het:

 benaderen van die [betrokkene 1] met het verzoek verdovende middelen vanuit Marokko naar Nederland te vervoeren, en

 betalen van een retourvliegticket naar Marokko voor die [betrokkene 1] en het verschaffen van onderdak in Marokko voor die [betrokkene 1] , en

 beloven van een geldbedrag aan die [betrokkene 1] voor het vervoer van verdovende middelen vanuit Marokko naar Nederland, en

 die [betrokkene 1] meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthaven(s) waren omgekocht waardoor het vervoer van verdovende middelen naar Nederland probleemloos zou verlopen, en

 betalen voor de aanschaf van een paspoort van die [betrokkene 1] , en

 overhandigen van een geldbedrag aan die [betrokkene 1] bij terugkeer in Nederland en na overhandiging en in ontvangstneming van die verdovende middelen;”

6. Onder het hoofd “Strafmotivering” heeft het hof nog het volgende overwogen:

“De verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele maanden samen met haar medeverdachten schuldig gemaakt aan het uitlokken en brengen tot en faciliteren van het vervoeren van hasj vanuit Marokko naar Nederland louter voor het persoonlijk financieel gewin van de verdachte en haar medeverdachten van een minderjarig slachtoffer en een andere jonge vrouw. Daarbij werd de slachtoffers een voor hen aantrekkelijk geldbedrag beloofd dat echter minimaal te noemen was in verhouding tot de met de drugs beoogde winsten en de risico's die de slachtoffers liepen in geval van betrapping van het transport van de drugs. Daarbij werd bovendien de slachtoffers valselijk voorgespiegeld dat de risico's verbonden aan die smokkel klein waren omdat de douane zou zijn omgekocht. Tevens rekent het hof het de verdachte aan dat zij van haar positie als stagiaire bij het Jongeren Toezicht Team (verder: JTT) misbruik heeft gemaakt door het minderjarige slachtoffer dat aan het JTT was verbonden en daar werkzaamheden verrichtte voor een drugstransport te ronselen, terwijl de politie het JTT juist geformeerd heeft om jongeren met een slechte of precaire maatschappelijke uitgangspositie dan wel een moeilijke thuissituatie verder te helpen en om het afglijden in de criminaliteit van hen te voorkomen.”

7. Vooropgesteld moet worden dat het een rechter die over de feiten oordeelt en het tenlastegelegde bewezen acht, is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.2 Voorts geldt dat indien een bewijsverweer is gevoerd, de verwerping ervan kan zijn besloten in de gebezigde bewijsmiddelen.

8. Ik meen dat de verwerping van het in het middel genoemde bewijsverweer uit de bewijsvoering van het hof volgt en dat de bewezenverklaringen voldoende naar de eis der wet met redenen zijn omkleed. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat uit diverse verklaringen van de aangeefsters en de verdachte blijkt dat de verdachte wist dat de aangeefsters misleid werden door onder meer de mededeling dat de beveiligingsmedewerkers van de luchthaven zouden zijn omgekocht, waardoor het vervoer probleemloos zou verlopen. Ik verwijs daarvoor naar de inhoud, voor zover hier van belang, van de volgende bewijsmiddelen:

De verklaring van aangeefster [betrokkene 2] bij de politie (bewijsmiddel 2):

“Ongeveer in maart of april (het hof begrijpt: 2008) hoorde ik [verdachte] tegen me zeggen dat een vriendin van haar drugs smokkelde vanuit het buitenland naar Nederland. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat ze het zelf ook wilde gaan. Ik heb gezegd dat ik er meer over wilde weten. [verdachte] heeft toen haar vriendin gebeld om wat af te spreken. Ik heb nog gevraagd waarom mannen het smokkelwerk niet deden. Ik hoorde dat vrouwen makkelijker werden doorgelaten. Er waren ook mensen omgekocht. Hiermee bedoel ik de beveiligingsmensen op vliegvelden.

[…]

Via [verdachte] hebben we afgesproken in [A] in Den Haag. Ik was er met [verdachte] , [betrokkene 2] en de contactpersoon die, we [betrokkene 3] noemden. Ik hoorde [betrokkene 3] zeggen dat we naar Marokko zouden gaan om hasj op te halen. We zouden met het vliegtuig gaan. Er was geen probleem. De beveiligers op de vliegvelden zouden zijn omgekocht. […]. Omdat [betrokkene 3] vertelde dat de beveiligers op de vliegvelden waren omgekocht, besloten [betrokkene 2] en ik om het doen.”

De verklaring van aangeefster [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris (bewijsmiddel 5):

“ [verdachte] bemoeide zich wel steeds met het gesprek als zij er bij was.”

De verklaring van aangeefster [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris (bewijsmiddel 9):

“Dan werd steeds met ons doorgesproken wat wij moesten doen en hoe het smokkelen in zijn werk zou gaan en toen hebben wij ook andere meisjes ontmoet die drugs smokkelden. [verdachte] en [betrokkene 3] waren er steeds bij.

U vraagt mij naar de rol van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . Zij regelden de tickets en zorgden dat de reis goed verliep. Van [betrokkene 5] heb ik de tickets naar Marokko gekregen. Ik geloof wel dat [verdachte] bij alle gesprekken aanwezig was. [betrokkene 3] liet ons weten wanneer we gingen afspreken en zo. In die zin hadden we meer contact met [betrokkene 3] dan met [verdachte] . Maar tijdens de afspraken zelf hadden ze een gelijke rol en zei de één niet meer dan de ander.”

 De verklaring van de verdachte bij de politie (bewijsmiddel 16):

“Slechts eenmaal zochten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] contact via mij om in contact te komen met meisjes in Nederland. Het waren allemaal meisjes die kwetsbaar waren. Of de meisjes hadden problemen thuis of de meiden zaten in een instelling. Dit deden [betrokkene 4] en [betrokkene 5] , omdat deze meiden veel sneller 'ja' zouden zeggen tegen een drugstransport. Voor deze meiden is drie dagen naar Marokko en € 2.000,- erg aantrekkelijk.

[betrokkene 4] en [betrokkene 5] waren erg overtuigend. Zij maakten de reis heel aantrekkelijk voor hen en vertelden dat er weinig risico's aan vastzaten.”

De verklaring van de verdachte bij de politie (bewijsmiddel 18):

“ [betrokkene 4] en [betrokkene 5] vertelden ook dat douanebeambten waren omgekocht. Ik was hier zelf bij. Dit was in café [B] in Den Haag toen dit verteld werd. Ik hoorde de meisjes vragen of er geen risico's aan de drugstransporten zouden zitten. Ik hoorde [betrokkene 4] op een heel mooie manier vertellen dat er altijd wel een risico was, maar deze erg klein was. Zo werden de foto's en de namen van de meiden die de drugs zouden smokkelen aan de douanebeambten doorgegeven, zodat deze niet gecontroleerd zouden worden.”

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof (bewijsmiddel 20):

“Ik kan me wel herinneren dat er is gesproken over risico's. Er waren veel mensen bij. Er werd zoiets gezegd van: "De douane is omgekocht." Ik weet niet of die risico's wel meevielen. Ik zou zelf geen drugs vervoeren, daar ben ik te bang voor. De risico's werden zo voorgespiegeld, zodat de meiden zouden gaan. De meiden zouden er vast ook geld voor krijgen, maar ik weet niet hoeveel. Ik denk wel dat de intentie was om de drugstransporten mooier voor te spiegelen.

Ik ben bij een gesprek geweest waarin gesproken werd over een drugstransport naar Marokko. Het was de bedoeling dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] daar naar toe zouden gaan.

De consequentie van mijn handelen is geweest dat [betrokkene 2] een drugstransport heeft uitgevoerd. De bijdrage die ik daaraan geleverd heb, is dat ik het voor haar normaal heb doen laten lijken.”

9. Overigens, ook als zou worden gemeend dat de bewezenverklaringen niet met voldoende redenen zijn omkleed, is cassatie niet gerechtvaardigd. Er wordt immers geklaagd over telkens slechts één van de in totaal zes tenlastegelegde en bewezenverklaarde handelingen c.q. gedachtestreepjes. Door het vrijspreken van het “meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthavens(s) waren omgekocht”, wordt de aard en ernst van hetgeen overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard (en is gekwalificeerd), in het geheel beschouwd niet aangetast.3 Gelet op de strafmotivering van het hof zou het vrijspreken van dat onderdeel van de bewezenverklaring evenmin invloed hebben gehad op de hoogte van de strafoplegging.

10. Het middel faalt en kan mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de zaak van een derde verdachte (zaaknummer 18/00174) is het beroep in cassatie ingetrokken.

2 Zie onder meer HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2646, rov. 2.3 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 237.

3 Zie HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191, HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5831 en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen (rov. 2.5.2).