Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:98

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-02-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
17/00307
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:426
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG naar aanleiding van OM-cassatie over eenvoudige belediging (art. 266 Sr), in het bijzonder bij toegezonden of aangeboden geschrift, ook in rechtsvergelijkend verband. De AG adviseert de uitspraak te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00307

Zitting: 5 februari 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 5 december 2016 door het gerechtshof Amsterdam vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, kort gezegd belediging van een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening door een toegezonden of aangeboden geschrift.

  2. Namens het openbaar ministerie heeft mr. M. Overveer, advocaat-generaal bij voormeld hof, cassatieberoep ingesteld. Bij schriftuur heeft mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het ressortsparket, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel geeft mij aanleiding tot een tamelijk uitvoerige bespreking van de strafbaarheid van opzettelijke beledigende uitingen die niet het karakter van smaad of smaadschrift dragen, wanneer zij schriftelijk, maar niet in het openbaar, worden aangeboden of toegezonden aan de beledigde dan wel aan een derde, niet zijnde een beledigde, met daarnaast bespiegelingen van rechtsvergelijkende aard. Ten behoeve van de leesbaarheid heb ik deze conclusie onderverdeeld in de volgende, van tussenkopjes voorziene paragrafen (en daarachter het randnummer of de randnummers vermeld):

I. Het middel (4)

II. Het bestreden arrest (5 – 6)

III. Inleidende opmerkingen over eenvoudige belediging (7 – 11)

i. Belediging in het openbaar (9)
ii. Belediging iemand in zijn tegenwoordigheid aangedaan (10)
iii. Belediging door een toegezonden of aangeboden geschrift (11)

IV. De wetsgeschiedenis (12 – 18)

V. De cassatierechtspraak (19 – 24)

VI. Rechtsvergelijkende bespiegelingen (25 – 36)

i. België (25 – 27)

ii. Frankrijk (28 – 32)

iii. Duitsland (33 – 34)

iv. Engeland (35 – 36)

VII. Een tussenbalans (37 – 48)

i. Twee rechtsvragen (37)

ii. Eerste rechtsvraag: is alleen (restrictief) toezending of aanbieding van een geschrift aan de beledigde strafbaar, of onder omstandigheden ook (extensief) toezending of aanbieding aan een derde? (38 – 46)

iii. Tweede rechtsvraag: kan toezending of aanbieding van een geschrift aan de beledigde alleen rechtstreeks geschieden, of ook indirect (middellijk)? (47 – 48)

VIII. Beoordeling van het middel (49 – 53)

IX. Slotsom (54 – 56)

Het middel

4. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat het door de verdachte versturen van voor het slachtoffer beledigende geschriften aan niet-beledigde derden, te weten de locoburgemeester en de opvolgend burgemeesters van Amstelveen, niet kan worden aangemerkt als het “toezenden of aanbieden” van een geschrift in de zin van art. 266, eerste lid, Sr omdat vereist is dat die brieven rechtstreeks aan het slachtoffer zijn gericht, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

Het bestreden arrest

5. Voor zover in hoger beroep nog aan de orde, is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

“1.

hij, in de periode van 9 januari 2013 tot en met 11 december 2014, te Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [betrokkene 1] (brigadier van de Politie Eenheid Amsterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, bij geschrift, te weten meerdere brieven, in elk geval één brief, welke zijn/is gericht aan de burgemeester van Amstelveen en/of de locoburgemeester van Amstelveen en/of (een) medewerker(s) van de gemeente Amstelveen, de woorden:

- “Dhr. [betrokkene 1] is dan ook echt rijp voor PBC, verplichte opname is noodzakelijk” en/of vernam

- “Zijn breivikmentaliteit heeft lang genoeg geduurd” en/of

- “Deze illegale agent staat in Amstelveen bekend als een psychopaat, racist, fantast, crimineel etc.” en/of

- Amstelveners weten dat het een kakkerlak is en blijft” en/of

- “Nu deze racist-psychopaat-fantast-ronselaar etc. door kan” en/of

- “Ik zal burgers en de democratische rechtsstaat beschermen tegen zo’n breivik sympathisant” en/of

- “Deze rechts-extremist mag dan denken zijn straf te ontlopen, maar het tegendeel is waar” en/of

- “ [betrokkene 1] is een verrader van de democratie en is een openlijke jihadist” en/of

- “ [betrokkene 1] is een n.afrikanen jager die niets van etniciteit afweet” en/of

- “Deze openlijke racist is namelijk nog steeds werkzaam als agent” en/of

- “Hij is een groot gevaar voor de burgers, de staat en zichzelf” en/of

- “Dat [betrokkene 1] nog steeds werkt als agent is hetzelfde als de voorzitter van ex-partij Martijn die directeur is van een crèche” en/of

- “Europa mag dan in de ban zijn van aanslagen op de democratie en vrijheid maar dat wordt gevoegd door racisten zoals [betrokkene 1] ”

- “In Amstelveen is hij al bekend als psychopaat maar ook in Amsterdam is zijn ster rijzende”,

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking,

heeft toegezonden en/of aangeboden.”

6. Het hof heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:

Vrijspraak

Op grond van de stukken van het procesdossier kan het volgende worden vastgesteld. Op 18 augustus 2011 heeft politieambtenaar [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) de verdachte aangehouden voor het niet op eerste vordering van een opsporingsambtenaar overhandigen van een geldig identificatiebewijs. Naar aanleiding van dat optreden is de verdachte – in de woorden van [betrokkene 1] – een hetze tegen laatstgenoemde begonnen. Daarbij heeft de verdachte op 16 oktober 2013, 9 april 2013 en 11 december 2014 brieven geschreven en verstuurd die waren gericht aan respectievelijk de (toenmalige) locoburgemeester van Amstelveen en twee opvolgend burgemeesters van die gemeente. In die brieven maakt hij melding van vermeende eigenschappen en opvattingen van [betrokkene 1] en van onoirbare ambtshandelingen van [betrokkene 1] en de ‘ [betrokkene 1] -groep’ en worden die gemeentelijk bestuurders opgeroepen [betrokkene 1] onmiddellijk te ontslaan. De brieven zijn door de gemeente ter beschikking gesteld aan de politie en hebben [betrokkene 1] kennelijk via dat kanaal bereikt. In de brieven zijn de bewoordingen gebezigd die onder de eerste negen gedachtestreepjes in de tenlastelegging zijn opgenomen. Het beklag van de verdachte over het politieoptreden van 18 augustus 2011 namens de Politie, eenheid Amsterdam, is bij brief van 16 januari 2013 afgedaan met de vaststelling dat het optreden door de politie jegens de verdachte rechtmatig is geweest.

Het hof stelt voorop dat de inhoud van de brieven buitengewoon kwetsend is voor [betrokkene 1] , temeer omdat (ook het hof) nog niet eens van een begin van aannemelijkheid is gebleken van de juistheid van de aantijgingen die de verdachte in zijn richting heeft gedaan. De vraag die in deze strafzaak echter voorligt, is of de gedragingen van de verdachte zoals deze onder 1 in de tenlastelegging zijn opgenomen, onder het bereik van art. 266 (en 267) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kunnen worden gebracht. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe is het volgende redengevend.

De tenlastelegging is geënt op het derde type belediging dat in art. 266, eerste lid, Sr strafbaar is gesteld, te weten de belediging die is aangedaan door het toezenden of aanbieden van een geschrift of afbeelding. Daarbij moet aangenomen worden dat de steller van de tenlastelegging de daarin genoemde termen ‘toegezonden’ en ‘aangeboden’ in de betekenis van evengenoemde wetsbepaling heeft gebezigd.

Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling, die onder 3.22 en 3.23 is weergegeven in de onder ECLI:NL:PHR:2005:AS8465 gepubliceerde conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad Machielse van 22 februari 2005, leidt het hof af dat onder het toezenden of aanbieden in de zin van de wet niet kan worden begrepen de situatie waarin een geschrift aan een derde is toegezonden of aangeboden met de bedoeling of in de bewustheid van de waarschijnlijkheid dat de beledigde persoon dat geschrift onder ogen krijgt; het moet gaan om een tot de beledigde gericht geschrift. Anders dan door het openbaar ministerie is gesteld, kan het tegendeel naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 1992 (92.210, ongepubliceerd). Het hof merkt overigens op dat het in die laatste zaak kort gezegd ging om geschriften die geacht konden worden te zijn aangeboden aan de beledigden – het openbaar bestuur van een gemeente en bepaalde ambtenaren van diezelfde gemeente – omdat de vier brieven door één van de twee betrokken verdachten waren afgegeven in het gemeentehuis bij de balie van Algemene Zaken. In de onderhavige zaak is van een dergelijk nauw verband tussen de plek waar de geschriften feitelijk zijn aangeboden en de ambtenaar om wie het in die stukken gaat geen sprake.

Het voorgaande brengt in de voorliggende zaak mee dat – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – het door de verdachte versturen van de aan de locoburgemeester en de opvolgend burgemeesters van Amstelveen gerichte brieven niet kan worden aangemerkt als het ‘toezenden’ of ‘aanbieden’ van geschriften in de zin van art. 266, eerste lid, Sr. Vanwege het beperkte bereik dat de wetgever aan deze bepaling heeft willen geven doet aan die conclusie niet af dat er bij het versturen van de brieven, nu deze waren gericht aan gezagsdragers onder wier gezag [betrokkene 1] (in bepaalde situaties1) stond en gezien de indringende inhoud van de brieven, op kon worden gerekend dat [betrokkene 1] uiteindelijk op enigerlei wijze op de hoogte van de stukken zou raken.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Aan de beantwoording van door de raadsman opgeworpen vraag in hoeverre bij de verdachte metterdaad opzet op het beledigen van [betrokkene 1] heeft bestaan komt het hof niet meer toe.”

Inleidende opmerkingen over eenvoudige belediging

7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 266, eerste lid, Sr in verbinding met art. 267 sub 2° Sr, welke laatstgenoemde bepaling de mogelijkheid biedt tot strafverhoging indien de belediging wordt aangedaan aan “een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”. De in de tenlastelegging voorkomende term “beledigd” moet dan ook geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in art. 266, eerste lid, Sr voorkomende uitdrukking “belediging”. Het gaat in deze zaak niet om de vraag of de politieambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was, en daarom concentreert mijn conclusie zich op het bepaalde in art. 266, eerste lid, Sr, dat sinds 1 mei 1984 als volgt luidt:2

“1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”

8. Eenvoudige belediging kan enkel bestaan indien van smaad of smaadschrift geen sprake is. Het gaat hier derhalve doorgaans om uitingen die geen beschuldiging van een bepaald (concreet) feit behelzen. Het eerste lid van art. 266 Sr beschrijft drie verschijningsvormen van eenvoudige belediging: (i) in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, (ii) in tegenwoordigheid van de beledigde mondeling of door feitelijkheden en (iii) door een toegezonden of aangeboden geschrift.

i. Belediging in het openbaar

9. Eenvoudige belediging in het openbaar doet zich voor wanneer de beledigende uitlatingen zijn gedaan onder zodanige omstandigheden of op zodanige wijze dat zij in beginsel door anderen dan degene tegenover wie zij zijn gedaan zouden kunnen worden waargenomen.3 Is de belediging in dat geval bovendien schriftelijk gedaan, dan zal zij ter kennis moeten zijn gekomen van meer personen dan alleen de beledigde.4 De veroordeling wegens openbare belediging door bij alle leden van de gemeenteraad enkel een brief te bezorgen waarin het gemeentebestuur werd beledigd, hield in cassatie geen stand.5 Voorts is opzet op de openbaarheid van de beledigende uiting niet noodzakelijk. In dit opzicht verschilt de openbaarheidseis van het overigens aanverwante delictsbestanddeel “ruchtbaarheid geven’” als bedoeld in art. 261, eerste lid, Sr (smaad). Een wezenskenmerk van de strafbaarstelling van smaad is dat de verdachte handelt met het kennelijke doel aan zijn beschuldiging ruchtbaarheid te geven, dat wil zeggen deze ter kennis van het publiek te brengen. Daaruit kan het voor smaad vereiste opzet worden afgeleid. Met zodanig “publiek” is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.6 De term “ruchtbaarheid” van art. 261, eerste lid, Sr duidt daarmee op een wat groter publiek bereik dan nodig is bij eenvoudige belediging om deze openbaar te achten. Niet hoeft de aantijging daadwerkelijk die brede(re) kring van betrekkelijk willekeurige personen te bereiken, beslissend is of de verdachte met dat kennelijke doel handelde; dat kan ook het geval zijn indien de smadelijke uitlating feitelijk aan niet meer dan één persoon is gedaan.7 Voor de openbaarheid van eenvoudige belediging is daarentegen beslissend of anderen dan degene tegenover wie de belediging werd gedaan deze waarnemen, ongeacht of de verdachte dat heeft gewild.

ii. Belediging iemand in zijn tegenwoordigheid aangedaan

10. Van belediging iemand in zijn tegenwoordigheid aangedaan is vanzelfsprekend sprake indien de beledigde in de fysieke nabijheid verkeert van degene die beledigt en de belediging rechtstreeks waarneemt. De fysieke nabijheid is echter geen vereiste. Ook in een internationaal (long distance) telefoongesprek kan de belediging rechtstreeks iemand in zijn tegenwoordigheid zijn aangedaan. Dat hoeft niet anders te zijn bij een ingesproken voicemail, ook al verneemt in dat geval de betrokkene de belediging (pas) bij het afluisteren van de voicemail waarop het bericht is ingesproken en dus op een later tijdstip dan dat de belediging feitelijk is gedaan. In zijn arrest van 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1114, NJ 2014/53 maakte de Hoge Raad daar met betrekking tot de toen voorliggende zaak geen punt van: het hof heeft met zijn oordeel dat de belediging de aangeefster aldus in haar tegenwoordigheid mondeling is aangedaan, niet een te ruime uitleg gegeven aan art. 266, eerste lid, Sr. Daarbij zij aangetekend dat de voicemail was ingesproken op de eigen telefoon van de beledigde en derhalve kan worden gezegd dat de belediging de beledigde rechtstreeks en persoonlijk was toegevoegd.

iii. Belediging door een toegezonden of aangeboden geschrift

11. In de onderhavige zaak is tenlastegelegd dat de belediging de beledigde door een toegezonden of aangeboden geschrift is aangedaan en heeft het hof vastgesteld dat de brieven van de verdachte door de gemeente aan de politie ter beschikking zijn gesteld en kennelijk via dat kanaal de beledigde hebben bereikt. De vraag of onder deze omstandigheden wel of niet kan worden gesproken van belediging in het openbaar respectievelijk in tegenwoordigheid van de beledigde, laat ik rusten; deze verschijningsvormen van eenvoudige belediging zijn in die zin niet relevant voor de bespreking van het middel. Ik volsta hier met de opmerking dat zich gevallen laten denken, vergelijkbaar met de onderhavige zaak, waarin een aan een derde toegezonden beledigend geschrift zonder meer niet als “belediging in het openbaar” of als “belediging in tegenwoordigheid” kan worden aangemerkt. De vraag of zo een schrijven een “aangeboden of toegezonden geschrift” oplevert, valt mitsdien in zulke gevallen samen met de vraag of dergelijke uitingen, vergelijkbaar met die van de verdachte in de onderhavige zaak, (als misdrijf) binnen het bereik van de strafwet vallen, zolang en voor zover zij niet tevens bijvoorbeeld smaad(schrift) of bedreiging behelzen. Het voorgaande neemt overigens niet weg dat ik in mijn rechtsvergelijkende beschouwingen er niet goed omheen kan om (ter verduidelijking van de materie) daarbij tevens de beledigingsvormen “in het openbaar” respectievelijk “in tegenwoordigheid van de beledigde” te betrekken, maar dan uiteraard bezien vanuit de rechtskaders van enkele ons omringende landen.
IV. De wetsgeschiedenis

12. Ten opzichte van de oorspronkelijke wettekst heeft art. 266, eerste lid, Sr in de loop der tijd slechts een beperkt aantal wijzigingen ondergaan. In de formulering die met de invoering van ons Wetboek van Strafrecht in 1886 kracht van wet kreeg, kwam iets anders dan thans tot uitdrukking dat eenvoudige belediging zich in drie varianten kan voordoen:

“Elke opzettelijke beleediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, iemand hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrifte, hetzij in zijne tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift, aangedaan, wordt, als eenvoudige beleediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.”8

13. De “Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt” (verder, naar haar voorzitter, de Staatscommissie-De Wal) had reeds in haar art. 292 voorgesteld eenvoudige belediging strafbaar te stellen, met dien verstande dat als strafbepalende omstandigheden “daden” en “in het openbaar” tot uitgangspunt werden genomen, terwijl met belediging “in het openbaar” zowel de belediging “in tegenwoordigheid” van de beledigde alsook in een “tot hem gericht geschrift” werd gelijkgesteld:

“[1] Elke opzettelijke beleediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij door daden, hetzij in het openbaar bij monde of geschrifte, iemand aangedaan, wordt als eenvoudige beleediging gestraft met geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.
[2] Met beleediging in het openbaar wordt gelijk gesteld die welke plaats heeft in tegenwoordigheid van den beleedigde of in een tot hem gerigt geschrift.”9

De memorie van toelichting bij dit oorspronkelijk regeringsontwerp hield onder meer in dat het tweede lid van de bepaling ook de “vooral jegens ambtenaren niet zeldzame beleediging door middel van brieven” omvatte.10

14. In zijn wetgevingsadvies was de Raad van State kritisch op de voorgestelde beledigingstitel van het nieuwe wetboek, omdat daarin de strafbaarstelling van zowel smaad als eenvoudige belediging zich mede uitstrekte over niet-openbare uitlatingen. De Raad van State meende dat “bijzondere gesprekken” en “brieven” geen aanleiding tot strafvervolging behoorden te geven.11 De regering zag dit echter anders en bood het voorstel in dit opzicht ongewijzigd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan. Ook de commissie van rapporteurs had evenwel bezwaar tegen de woorden “of in een tot hem gerigt geschrift”. De bestraffing van dergelijke vormen van belediging ging deze commissie te ver.12 Niettemin hield minister Modderman van Justitie voet bij stuk:

“Het is den Minister onmogelijk in te zien dat het te ver gaat belediging strafbaar te achten ook dàn als zij geschiedt door een toegezonden of aangeboden geschrift. Wie onder vier oogen, in een oogenblik van drift, iemand een scheldwoord naar het hoofd werpt, zou strafbaar zijn en daarentegen niet hij, die in koelen bloede een beleedigenden brief schrijft? Werd het denkbeeld der Commissie verwezenlijkt, dan zal het geraden zijn beleedigende woorden en uitdrukkingen eenvoudig op stukjes papier te schrijven – des noods drage men voorraad in zijn zakboekje – en die eenvoudig over te reiken.
Overigens is de redactie van het artikel een weinig vereenvoudigd.”13

15. In deze reactie op de kritiek dat de strafbaarstelling van belediging door “tot hem gerigt geschrift” te ruim was, sprak de minister van een “toegezonden of aangeboden geschrift”. Deze door de minister als “vereenvoudigde redactie” bestempelde bewoordingen hebben de uiteindelijke wettekst gehaald (zie hierboven randnummer 12). Dat wijst erop dat de minister aan de bewoordingen “tot hem gerigt geschrift” enerzijds en de formulering “toegezonden of aangeboden geschrift” anderzijds geen inhoudelijk verschil toekende.

16. De nieuwe redactie van het wetsartikel kon echter eerst evenmin op algehele instemming rekenen; verscheidene Kamerleden vonden het bereik van de strafbepaling nog altijd te groot. Om dat bereik enigszins te verkleinen stelde de commissie van rapporteurs bij amendement voor tussen de woorden “aangeboden” en “geschrift” het woord “open” in te lassen. De regering nam dit amendement aanvankelijk, om wetssystematische redenen, over.14 Maar daarmee was het gesleutel aan de delictsomschrijving nog niet afgerond. Een volgend amendement diende zich aan, met als doel het bestanddeel “open” juist weer te schrappen. Dit amendement werd eveneens bij meerderheid van stemmen aangenomen.15 De discussie die in dit verband ontstond, richtte zich op de vraag of zulke “particuliere zaken” als beledigingen in gesloten en aan de beledigde bezorgde brieven een strafbare belediging konden behelzen en in het strafrecht thuishoorden. Aanwijzingen voor het antwoord op de vraag of het “toezenden” dan wel het “aanbieden” ook aan een niet-beledigde derde kan geschieden, zijn, voor zover ik heb kunnen nagaan, aan dat debat niet rechtstreeks te ontlenen.

17. De in 1900 door de toenmalig minister van Justitie Cort van der Linden gedane “Wetsvoorstellen tot herziening van het Wetboek van Strafrecht” (gezamenlijk bekend als de Novelle Cort van der Linden)16 bevatten het voorstel om art. 266 Sr zo te wijzigen dat de strafbare eenvoudige belediging zich onder meer “door een hem of een lid van zijn gezin [mijn cursivering, EH] toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding” kon manifesteren. Uit de toelichting erop blijkt de minister ook van oordeel te zijn geweest dat “niet iedere beleediging door de strafwet behoort te worden tegengegaan.”17 De toelichting bij zijn voorstellen laat echter onduidelijk of hij de met betrekking tot de schriftelijke belediging voorgestelde toevoeging “hem of een lid van zijn gezin”, als een nadere inperking ten opzichte van “iemand toegezonden of aangeboden”, dan wel als een uitbreiding ten opzichte van “hem aangeboden of toegezonden” van de strafbaarstelling beschouwde. Dit vraagpunt is onbeantwoord gebleven en behoefde in dat wetgevend kader ook geen antwoord meer; tot een inhoudelijke behandeling in het parlement van de wetsvoorstellen-Van der Linden is het namelijk niet gekomen.18

18. Nadien is art. 266 (eerste lid) Sr in een drietal jaren (1934, 1954 en 1984) aan enkele kleine wijzigingen onderworpen geweest.19 Voorts is de beledigingstitel van het Wetboek van Strafrecht éénmaal herzien, hetgeen onder meer leidde tot de toevoeging van een tweede lid aan art. 266 Sr. In 1968 onderzocht een werkgroep onder voorzitterschap van G.E. Langemeijer in opdracht van de minister of het wenselijk was wijziging te brengen in het samenstel van de strafrechtelijke bepalingen met betrekking tot belediging, in het bijzonder die in relatie tot hoofden van bevriende staten en buitenlandse mogendheden.20 In de toelichting bij het naar aanleiding van het commissierapport ingediende voorstel tot wetswijziging citeerde de minister dit rapport instemmend, voor zover daarin de belediging werd getypeerd als:

“een maatschappelijk verschijnsel, waartegenover het recht noodzakelijk grote moeite moet hebben zijn gedragslijn te bepalen. Dit ligt zowel hieraan dat een in rechte hanteerbare omschrijving van hetgeen men zou willen beschrijven aan de subtiliteit van dit laatste nimmer ten volle recht kan doen wedervaren, alsook hieraan dat bestrijding van het op zich zelf beschouwd ongewenste hier bijzonder gemakkelijk belangen kan treffen, die de rechtsorde behoort te ontzien.”21

De vraag of bestrijding van eenvoudige belediging met strafrechtelijke middelen wel voldoende gerechtvaardigd en doeltreffend kan zijn, beantwoordde de minister evenwel bevestigend.22 Uit de herziening van de beledigingstitel ontstond de “Wet van 25 maart 1978, houdende nieuwe regelen betreffende strafbare belediging”. Het aan art. 266 Sr toegevoegde tweede lid bevat een bijzondere strafuitsluitingsgrond voor gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen.23 Beschouwingen over de niet-openbare schriftelijke belediging trof ik in de parlementaire geschiedenis van deze wet niet aan.

De cassatierechtspraak

19. Voor zover mij bekend, is de rechtsvraag in hoeverre een niet-openbare belediging door middel van aanbieding of toezending van een geschrift aan een derde het misdrijf van eenvoudige belediging kan opleveren, in de jurisprudentie van de Hoge Raad tweemaal aan de orde gekomen.

20. In HR 22 juni 1942, ECLI:NL:HR:1942:34, NJ 1942/647 had het hof bewezenverklaard dat de verdachte aan de echtgenote van R. een brief had geschreven en verzonden met een voor die R. beledigende inhoud. R. zou vreemd gaan met een ander wijf, een hoer/slet, en zou ook de verdachte hebben gevraagd tegen betaling etc., etc. Geklaagd werd primair dat de verdachte niet het opzet had om te beledigen en subsidiair dat geen van de in art. 266 Sr genoemde gevallen zich voordeed, aangezien het geschrift was gericht en toegezonden aan de echtgenote van R. Er zou derhalve geen sprake zijn van een aan de beledigde toegezonden of aangeboden geschrift, terwijl zich evenmin een andere in art. 266 Sr genoemde omstandigheid voordeed. Toenmalig A-G Wijnveldt meende dat het middel geen doel trof. Hij kwam tot de conclusie dat uit het stuk met aantijgingen het opzet tot beledigen voldoende naar voren kwam en voorts dat het stuk als een aan de beledigde toegezonden geschrift moest worden beschouwd. Ter adstructie wees de A-G op de grote overeenkomst met een beslissing van het Hoog Militair Gerechtshof (HMG). In die (in zekere zin spiegelbeeldige) zaak waren verschillende feiten van echtbreuk van een vrouw gemeld in een brief die aan haar echtgenoot was geadresseerd. De brief was onder de deur van de echtelijke woning geschoven. Omdat de wijze van bezorging er blijkbaar toe strekte de brief in handen van en ter kennis van beide echtgenoten te brengen, was hier volgens het oordeel van het HMG sprake van belediging. A-G Wijnveldt verwees met instemming naar deze uitspraak van het HMG en daaruit zou kunnen worden opgemaakt dat hij de opvatting was toegedaan dat de woorden “toegezonden of aangeboden” in art. 266 Sr weliswaar op zichzelf betrekking hebben op de persoon van de beledigde, maar dat voor de vaststelling daarvan niet uitsluitend de geschreven tekst, dat wil zeggen de adressering en/of aanhef van het schrijven, van belang is, maar ook de wijze waarop en de plek waar het geschrift is aangeboden.24 Het hangt aldus van de omstandigheden af hoe “toezenden of aanbieden” moet worden opgevat, aldus de A-G, die er voorts op attendeerde dat met de schrapping van het zinsdeel “in een tot hem gerigt geschrift” uit het wetsvoorstel van 1881, ruimte was ontstaan om art. 266 Sr toepasselijk te achten op situaties waarin de schriftelijke belediging niet (rechtstreeks) aan de beledigde is gericht. De Hoge Raad – ik keer weer terug naar zijn arrest van 22 juni 1942 – beoordeelde de kwestie vanuit een ander perspectief en stelde vast dat de bewezenverklaarde tenlastelegging slechts inhield dat de verdachte aan de echtgenote van R. een brief had geschreven en verzonden met voor R. beledigende inhoud. De bewezenverklaarde tenlastelegging vermeldde echter niet dat de verdachte het opzet had om R. te beledigen of dat de verdachte zelfs maar beoogde dat R. van de aan zijn echtgenote toegezonden brief kennis zou nemen en dat de brief de beledigde ook inderdaad had bereikt, zodat het tenlastegelegde niet strafbaar was en de primaire klacht gegrond. Deze overweging laat de denkbare mogelijkheid open dat het feitencomplex wellicht wél tot een veroordeling wegens belediging van R. had kunnen leiden, indien tenlastelegging en bewezenverklaring hadden ingehouden dat was beoogd dat R. van de brief zou kennisnemen en deze brief R. uiteindelijk ook had bereikt.

21. Het tweede arrest is van 22 december 1992 (nr. 92.210). Hoewel niet gepubliceerd, is het arrest in de onderhavige zaak wel in hoger beroep opgemerkt. Uit de bewijsmiddelen in die zaak bleek dat afschriften van een beledigend geschrift waren gedeponeerd in brievenbussen van inwoners van de gemeente Haaren. Daarnaast was een aantal exemplaren van het schrijven aangeboden bij de balie Algemene Zaken van de gemeente. Het hof verklaarde onder feit 1 bewezen (kort gezegd) het medeplegen van opzettelijke belediging van (i) het College van Burgemeester en Wethouders, (ii) de gemeenteraad en (iii) de gemeente Haaren, zulks “door een geschrift”. Onder feit 2 was het medeplegen van opzettelijke belediging van een drietal gemeenteambtenaren door een aan hen toegezonden geschrift bewezenverklaard. A-G Meijers concludeerde (ambtshalve) dat de verdachte moest worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De Hoge Raad las de bewezenverklaring van feit 1 (evenwel) in zoverre verbeterd dat het tenlastegelegde “aan dat College en/of die gemeenteraad en/of die gemeente toegezonden of aangeboden” kennelijk per abuis niet in de bewezenverklaring was opgenomen. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat het hof uit de aanbieding van een viertal exemplaren van de brief aan de balie van de afdeling Algemene Zaken van de gemeente kennelijk had afgeleid en kon afleiden dat het geschrift aan het College van Burgemeester en Wethouders, de gemeenteraad en de gemeente was aangeboden.

22. Deze wijze waarop de Hoge Raad voormeld feit 1 afdeed, onderstreept nog eens dat toezending of aanbieding van het geschrift een delictsbestanddeel is dat moet worden bewezenverklaard, wil het feit als belediging kunnen worden gekwalificeerd. Daarnaast lijkt te kunnen worden aangenomen dat het moet gaan om toezending of aanbieding aan de beledigde. De Hoge Raad las immers voor elk van de in de bewezenverklaring genoemde beledigden in, dat het geschrift aan ieder van hen was aangeboden. Ware dat anders, dan had de Hoge Raad aan de bewezenverklaring niet hoeven toevoegen dat het aanbieden en/of toezenden aan de in de bewezenverklaring genoemde beledigde overheidsorganen was geschied.

23. De beslissing van de Hoge Raad aangaande het hiervoor genoemde feit 2 is mijns inziens relevant in het kader van de rechtsvraag of aanbieding of toezending aan de beledigde ook indirect kan plaatsvinden. Uit de gebezigde bewijsmiddelen bleek namelijk niet dat de drie in de bewezenverklaring van feit 2 genoemde beledigde ambtenaren zélf het beledigende schrijven fysiek in ontvangst hadden genomen. Eén van de ambtenaren had verklaard dat hij een exemplaar van een collega had gekregen, de verklaring van de tweede ambtenaar luidde dat hij een van de, bij de balie van de afdeling Algemene Zaken afgegeven, exemplaren in handen had gekregen en de derde had van het schrijven kennisgenomen. Het op deze verklaringen gebaseerde bewijsoordeel dat het ging om een aan hen toegezonden geschrift was kennelijk niet zo problematisch dat de Hoge Raad daarin aanleiding zag om ambtshalve in te grijpen.

24. Cassatierechtspraak van later datum waarin het toezenden of aanbieden van het geschrift in de zin van art. 266 Sr een rechtskwestie vormde, heb ik niet aangetroffen. Wel zij hier nog terzijde gewezen op HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3247. De verdachte had een filmpje samengesteld waarin seksuele gedragingen van vrouw A zichtbaar waren en waaraan een foto van vrouw B, de beledigde, was toegevoegd. Uit de bewijsmiddelen volgde dat de verdachte dit, aldus gemonteerde, filmpje aan een vriend had verstuurd en dat deze vriend het filmpje in een WhatsApp-groepsgesprek had geplaatst. Het openbaar ministerie vervolgde de verdachte wegens belediging in het openbaar bij afbeelding. Bewezenverklaard was slechts dat het feit “bij afbeelding” was geschied.25 De belediging “bij afbeelding” is evenwel alleen als eenvoudige belediging strafbaar indien zij in het openbaar dan wel door toezending of aanbieding plaatsvindt. De Hoge Raad liet zich (ambtshalve) over dit punt verder niet inhoudelijk uit, maar overwoog over de tenlastelegging en de bewezenverklaring enkel dat deze “zien op een belediging die een ander bij afbeelding is aangedaan.” Het gaat dan ook te ver om te zeggen dat dus de bewijsconstructie in dat opzicht in orde was, de kwalificatie belediging was al niet zonder meer begrijpelijk om andere redenen.26 De Hoge Raad oordeelde namelijk dat aan de enkele omstandigheid dat de foto van de aangeefster in dit filmpje is opgenomen nog niet kan worden ontleend dat het tonen van die afbeelding de strekking heeft de aangeefster in een ongunstig daglicht te plaatsen en haar aan te randen in haar eer en goede naam, en vernietigde de uitspraak.

Rechtsvergelijkende bespiegelingen

i. België

25. Naar Belgisch recht is belediging strafbaar op grond van art. 448 Strafwetboek (verder: Sw), luidend:

“[1] Hij die hetzij door daden, hetzij door geschriften, prenten of zinnebeelden iemand beledigt in een van de omstandigheden in artikel 444 bepaald, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig [euro] tot vijfhonderd [euro] of met een van die straffen alleen.

[2] Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, in een van de omstandigheden in artikel 444 bepaald, iemand die drager is van het openbaar gezag of van de openbare macht of die met een openbare hoedanigheid is bekleed, door woorden beledigt in zijn hoedanigheid of wegens zijn bediening.”

26. Vergelijkbaar met het Nederlandse onderscheid tussen smaad en (eenvoudige) belediging, grenst het Belgische strafrecht belediging af van laster en eerroof; voor belediging is niet vereist dat aan de beledigde een bepaald feit wordt ten laste gelegd.27 Belediging door woorden – de mondelinge belediging – is ingevolge art. 448, tweede lid, Sw slechts strafbaar jegens de genoemde personen in hun specifieke hoedanigheid (doorgaans ambtenaren). Tot medio 2004 was mondelinge belediging van, kort gezegd, niet-ambtenaren een overtreding en strafbaar gesteld in art. 561, onder 7° (oud), Sw. Deze bepaling is echter bij Wet van 17 juni 2004 tot Wijziging van de Nieuwe Gemeentewet vervallen. Een belediging tegen “iemand” in de zin van het eerste lid is strafbaar indien zij geschiedt door daden, geschriften, prenten of zinnebeelden. Een te bewijzen delictsvoorwaarde is dat de belediging plaatsvindt “in een van de omstandigheden in art. 444 Sw bepaald”.28 Dit artikel houdt het volgende in:

“De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot tweehonderd [euro], wanneer de tenlasteleggingen geschieden:
Hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen;
Hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken;
Hetzij in om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen;
Hetzij door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden;
Hetzij ten slotte door geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden.”

27. De vijf beschreven gevallen begrenzen de strafbaarheid tot uitingen die, de een meer dan de ander, zich door een zekere mate van openlijkheid kenmerken. Het Hof van Cassatie spreekt in dit verband wel van “la publicité spéciale” of van “openbaarmaking”.29 Belediging ten overstaan van uitsluitend de beledigde zelf of één enkele derde is bijgevolg in de regel niet strafbaar. De laatste twee van de genoemde vijf omstandigheden uit deze – ook op laster en eerroof toepasselijke – bepaling richten zich expliciet op (onder meer) de aanrandingen van eer of goede naam door geschriften. In de literatuur wordt dan ook aangenomen dat de eerste drie omstandigheden, die betrekking hebben op de plaats van handeling, (primair) zien op mondelinge uitingen.30 Schriftelijke beledigingen zijn strafbaar wanneer zij hetzij verspreid of verkocht, te koop aangeboden of openlijk tentoongesteld worden (het vierde geval), hetzij aan verscheidene personen worden toegestuurd of medegedeeld (het vijfde geval). Sporadisch heeft het Hof van Cassatie zich over de reikwijdte van deze artikelleden uitgesproken.31 Voor overtreding van het vierde geval is naar zijn oordeel “verspreiding, en derhalve openbaarmaking, vereist.” De mededeling aan een of meer personen beantwoordt in de regel niet aan dat vereiste. Tegelijkertijd wordt door het Hof van Cassatie niet uitgesloten dat de toezending of mededeling van een schrijven aan één persoon onder bijzondere omstandigheden reeds aan verspreiding in de zin van het vierde geval gelijkstaat.32 In zijn uitspraak van 23 oktober 1916, Pas. 1917, 290 oordeelde het Hof van Cassatie over het vijfde geval voorts dat de voor strafbaarheid vereiste openbaarheid niet het directe gevolg hoeft te zijn van een handeling van de schrijver van het geschrift zelf. Voldoende is dat de ‘publieklijkheid’ het noodzakelijk gevolg is van het toezenden van het schrijven aan de geadresseerde, hetgeen impliceert dat de dader de ‘publieklijkheid’ heeft gewild. De bestreden uitspraak van het Brusselse Hof van Beroep in de zaak hield in dat de schrijvers hun schrijven hadden geadresseerd aan een “fonctionnaire public” en daarbij een onderzoek verzochten, waardoor zij moeten hebben geweten dat het schrijven met meer personen zou worden gedeeld en gecommuniceerd, hetgeen ook is gebeurd. Uit deze feitelijke vaststellingen vloeide reeds voort dat de klacht over schending van art. 444 Sw faalde.

ii. Frankrijk

28. Evenals in Nederland en België wordt in Frankrijk “diffamation” (laster, smaad) onderscheiden van “injure” (belediging). De belediging kan “in het openbaar” en “niet-openbaar” geschieden. De eerstgenoemde vorm is geregeld in de “Loi du 29 juillet 1881 sur la liberté de la presse”, de tweede (en minder zware) in de Code Pénal.

29. De omschrijving en strafbaarstelling van zowel de diffamation als de injure in het openbaar kan men aantreffen in art. 29 van de wet van 29 juli 1881. Het tweede lid van art. 29 zegt:

“Toute expression outrageante, termes de mépris ou invective qui ne renferme l'imputation d'aucun fait est une injure.”

De strafbedreiging van l'injure commise is te vinden in art. 33, waarin tevens wordt gerept van “par les mêmes moyens”, waarmee wordt aangesloten bij de terminologie van art. 32 (laster, smaad), welke bepaling wat betreft de “moyens” op haar beurt weer verwijst naar “des moyens énoncés en l'article 23.” Dit art. 23 houdt het volgende in:

“Seront punis comme complices d'une action qualifiée crime ou délit ceux qui, soit par des discours, cris ou menaces proférés dans des lieux ou réunions publics, soit par des écrits, imprimés, dessins, gravures, peintures, emblèmes, images ou tout autre support de l'écrit, de la parole ou de l'image vendus ou distribués, mis en vente ou exposés dans des lieux ou réunions publics, soit par des placards ou des affiches exposés au regard du public, soit par tout moyen de communication au public par voie électronique, auront directement provoqué l'auteur ou les auteurs à commettre ladite action, si la provocation a été suivie d'effet.”

Wat het opschrift “Des crimes et délits commis par la voie de la presse ou par tout autre moyen de publication” van de artikelen 23-41 al doet vermoeden, wordt door het samenstel van de genoemde bepalingen duidelijk: voor eenvoudige belediging in de zin van de wet van 29 juli 1881 is openbaarheid vereist.

30. Of aan het openbaarheidsvereiste is voldaan, hangt af van de omstandigheden, zo illustreert een arrest van het Cour de Cassation van 10 april 2013. In deze zaak had de verdachte zich op haar eigen MSN-pagina en Facebooktijdlijn negatief uitgelaten over haar leidinggevende. In de bestreden uitspraak was vastgesteld dat de MSN-pagina en de Facebook-pagina beide slechts toegankelijk waren voor een beperkte kring van personen aan wie toegang moest worden verleend en die dus “une communauté d’intérêts” vormde. Geen openbaarheid derhalve, en om die reden werd de verdachte door de appelrechter vrijgesproken. Daarin ging het Cour de Cassation nog mee (“exactement déduit que ces propos ne constituaient pas des injures publiques”), maar dat nam niet weg dat de cassatierechter de bestreden uitspraak vernietigde omdat de appelrechter had verzuimd na te gaan of de litigieuze uitingen (wel) waren te kwalificeren als “injures non publique” in de zin van art. R. 621-2 van de Code Pénal.33

31. Art. R. 621-2 van de Code Pénal is ondergebracht onder de “Contraventions contre les personnes” en luidt:

“L'injure non publique envers une personne, lorsqu'elle n'a pas été précédée de provocation, est punie de l'amende prévue pour les contraventions de la 1re classe.”

Niet-publieke belediging is derhalve (slechts) een overtreding, waarop de maximaal gestelde geldboete van de eerste categorie 38 euro bedraagt.34 Evenals voor de diffamation non publique (R. 621-1) geldt voor de niet-openbare belediging: “les expressions injurieuses visant une personne autre que le destinataire de la lettre qui les contient ne sont punissables que si ladite lettre a été adressée dans des conditions exclusives d'un caractère confidentiel.”35 Uitingen over niet-geadresseerde derden gedaan in een “correspondance personnelle et privée” moeten zelfs “dans des conditions exclusives de tout [mijn cursivering, EH] caractère confidentiel” zijn vooraleer zij zich als diffamation respectievelijk injure “non publique” laten kwalificeren.36

32. Van een adressering “onder omstandigheden waarin een vertrouwelijk karakter ontbreekt”, en dus strafbaarheid bestaat, lijkt niet snel sprake te zijn. Ik noem twee voorbeelden. In de zaak die leidde tot een uitspraak van het Cour de Cassation van 17 januari 1995 had de verdachte een brief geschreven aan de “sécretaire générale” van een private universiteit. (Deze sécretaire générale had de verdachte ervan op de hoogte gesteld dat zij de persoonlijke sécretaire was van de decaan.) In de brief werden de decaan en twee anderen beledigd en werd tevens gedreigd dat als de decaan zich niet aan “la réalité” van de onderzoeken van de verdachte zou houden, de resultaten daarvan zouden worden gepubliceerd. Ondanks deze dreiging van openbaarmaking en ondanks de vaststelling van de appelrechter dat (a) de verdachte wel wist dat de decaan op de hoogte zou raken van de brief en (b) de brief niet inhield dat deze vertrouwelijk was, sprak de appelrechter de verdachte vrij: “il résulte tant de la nature des informations données que de la vulgarité du ton que la lettre est destinée à rester confidentielle entre l'auteur et sa correspondante et qu'il est indifférent à cet égard que la lettre soit dépourvue de toute mention prescrivant la confidentialité dès lors qu'il est de principe, et sauf exception clairement exprimée, qu'une lettre adressée à personne dénommée demeure confidentielle.” De cassatierechter oordeelde dat geen sprake was van een brief “adressée dans des conditions exclusives d'un caractère confidentiel” en verwierp het cassatieberoep van de beledigden.37 De tweede zaak leidde tot een arrest van het Cour de Cassation van 7 mei 2018. De verdachte was veroordeeld ter zake van “diffamation” en “injure non publique” vanwege een e-mail aan een collega, die was doorgestuurd aan een drietal andere collega’s die volgens de verdachte de hypocrisie van de instelling waaraan zij werkten begrepen. De appelrechter stelde vast dat de gekozen bewoordingen geen vertrouwelijkheid indiceerden en overwoog dat het (vervolgens) doorsturen van een aanvankelijk aan één persoon gestuurde e-mail aan drie anderen, zonder enige nadere aanwijzing, die anderen kon doen denken dat de aan hen gegeven informatie niet geheim of vertrouwelijk was bedoeld. Dit gold volgens de appelrechter temeer nu de verdachte in zijn schrijven aangaf dat hij het rectoraat van Lille en het ministerie van Onderwijs zou waarschuwen. Er was, volgens de feitenrechter, te minder aanleiding om vertrouwelijkheid aan te nemen omdat de verdachte enkele dagen na zijn e-mail soortgelijke uitlatingen had gedaan ten overstaan van media. Het Cour de Cassation kon zich met de motivering van de appelrechter niet verenigen, nu de e-mail van de verdachte (i) was gericht aan een viertal collega’s die de verdachte kennelijk – al dan niet terecht – beschouwde als naaste collega’s, (ii) zij het karakter had van “une correspondance personnelle et privée” en (iii) zij het vertrouwelijke karakter had verloren, zo was gebleken, door het handelen van een van de geadresseerden.38 Deze laatste overweging ligt in de lijn van de (cassatie)rechtspraak waarin de auteur van de uiting – ook als hij dreigt met publicatie ervan – straffeloos blijft indien de ontvanger deze verspreidt en waarin wordt benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van de ontvanger is ten aanzien van een “vertrouwelijke” belediging of lasterlijke bewering discretie in acht te nemen.39 Vertrouwelijkheid lijkt echter niet aan de orde ingeval het schrijven is bedoeld om een uit veel personen bestaande organisatie attent te maken op de inhoudelijke boodschap van het schrijven.40

iii. Duitsland

33. In Duitsland wordt eveneens onderscheiden tussen enerzijds “Beleidigung” (vgl. eenvoudige belediging) en anderzijds “Üble Nachrede” (vgl. smaad) en “Verleumdung” (vgl. laster); voor smaad en laster is vereist dat het gaat om “ehrenrührige Tatsachenbehauptungen”.41 Beleidigung is strafbaar gesteld in § 185 van het Strafgesetzbuch (hierna: StGB), en wel als volgt:

“Die Beleidigung wird mit Freiheitsstrafe bis zu einem Jahr oder mit Geldstrafe und, wenn die Beleidigung mittels einer Tätlichkeit begangen wird, mit Freiheitsstrafe bis zu zwei Jahren oder mit Geldstrafe bestraft.”

Anders dan bijvoorbeeld de Franse wettekst, geeft de Duitse (evenals de Nederlandse) van belediging geen nadere omschrijving. In de rechtspraak wordt Beleidigung echter aangeduid als “der Angriff auf die Ehre einer Person durch Kundgabe von Missachtung”.42 Deze Kundgabe vergt een uiting, die kan worden overgebracht door middel van “Wort, Schrift, Bild, Gesten, symbolische Handlungen oder Tätlichkeiten”.43 Een openbaarheidsvereiste is er niet. Beledigende waardeoordelen kunnen ter kennis worden gebracht van de beledigde persoon of van een derde. “Ehrverletzende Tatsachenbehauptungen” zijn slechts als belediging strafbaar als zij tot de beledigde zelf zijn gericht.44Geuit jegens een derde leveren zij “Üble Nachrede” (§ 186 StGB) of “Verleumdung” (§ 187 StGB) op. Voor de voltooiing van de Kundgabe – en daarmee van het delict – is aldus voldoende dat de beledigende uiting “mit Willen des Täters” ter kennis komt van de beledigde of van een derde.45 In het laatste geval moet concreet vaststaan wie object van de belediging is.46Daarvoor volstaat dat het die derde duidelijk is om welke persoon het gaat zonder dat deze de derde of de dader “bekannt sein muss”.47 Voorts is een vereiste dat de beledigde of derde de uiting als beledigend opvat.48

34. Weliswaar is voor de voltooiing van het delict niet nodig dat de belediging (rechtstreeks) tot de beledigde is gericht, maar dat laat onverlet dat voor strafbaarheid – of preciezer gezegd: vervolgbaarheid – in beginsel noodzakelijk is dat de belediging de beledigde uiteindelijk bereikt. Ik wijs er overigens op dat ingevolge § 194 StGB het hier een klachtdelict betreft49 en dat op de voet van § 77 StGB de uitoefening van het klachtrecht in beginsel slechts toekomt aan “der Verletzte”.50

iv. Engeland

35. Wijzigingen in de strafbaarstelling van beledigende uitlatingen hebben zich recent voorgedaan in Engeland (en Wales). Van belang zijn de artikelen 4 tot en met 6 van de Public Order Act 1986, tot 1 februari 2014 in zoverre luidende:

Artikel 4:

“Fear or provocation of violence.

(1) A person is guilty of an offence if he —

(a) uses towards another person threatening, abusive or insulting words or behaviour, or

(b) distributes or displays to another person any writing, sign or other visible representation which is threatening, abusive or insulting,

with intent to cause that person to believe that immediate unlawful violence will be used against him or another by any person, or to provoke the immediate use unlawful violence by that person or another, or whereby that person is likely to believe that such violence will be used or it is likely that such violence will be provoked.

(2) An offence under this section may be committed in a public or a private place, except that no offence is committed where the words or behaviour are used, or the writing, sign or other visible representation is distributed or displayed, by a person inside a dwelling and the other person is also inside that or another dwelling.

(3) [vervallen]

(4) A person guilty of an offence under this section is liable on summary conviction to imprisonment for a term not exceeding 6 months or a fine not exceeding level 5 on the standard scale or both”

Artikel 5:

Harassment, alarm or distress

(1) A person is guilty of an offence if he —

(a) uses threatening, abusive or insulting words or behaviour, or disorderly behaviour, or

(b) displays any writing, sign or other visible representation which is threatening, abusive or insulting,

within the hearing or sight of a person likely to be caused harassment, alarm or distress thereby.

(2) An offence under this section may be committed in a public or a private place, except that no offence is committed where the words or behaviour are used, or the writing, sign or other visible representation is displayed, by a person inside a dwelling and the other person is also inside that or another dwelling.

(3) It is a defence for the accused to prove —

(a) that he had no reason to believe that there was any person within hearing or sight who was likely to be caused harassment, alarm or distress, or

(b) that he was inside a dwelling and had no reason to believe that the words or behaviour used, or the writing, sign or other visible representation displayed, would be heard or seen by a person outside that or any other dwelling, or

(c) that his conduct was reasonable.

(4) [vervallen]

(5) [vervallen]

(6) A person guilty of an offence under this section is liable on summary conviction to a fine not exceeding level 3 on the standard scale.”

Artikel 6:

Mental element: miscellaneous.

[…]

(3) A person is guilty of an offence under section 4 only if he intends his words or behaviour, or the writing, sign or other visible representation, to be threatening, abusive or insulting, or is aware that it may be threatening, abusive or insulting.

(4) A person is guilty of an offence under section 5 only if he intends his words or behaviour, or the writing, sign or other visible representation, to be threatening, abusive or insulting is aware that it may be threatening, abusive or insulting or (as the case may be) he intends his behaviour to be or is aware that it may be disorderly.

[...]”

Een campagne onder de naam “reform section 5”, tevens bekend onder de slogan “Feel free to insult me”, maakte zich vanaf mei 2012 sterk voor de opheffing van de in art. 5 strafbaar gestelde “insults”. Kern van de boodschap was (en is) dat beledigingen die niet tevens een provocatie van geweld (art. 4) of bedreiging behelzen dan wel “abusive” zijn, niet in het strafrecht thuishoren.51 De campagne is voor de deelnemers in die zin succesvol verlopen, dat ingevolge art. 57 van de Crime and Courts Act 2013 in art. 5, eerste lid, en art. 6, vierde lid, van de Public Order Act 1986 de woorden “abusive or insulting” zijn vervangen door “or abusive”.

36. Dat laat overigens onverlet dat art. 127 van de Communications Act 2003 (nog altijd) strafbaar stelt het via een “public electronic communications network” verzenden van een “message or other matter that is grossly offensive or of an indecent, obscene or menacing character”.

Een tussenbalans

i. Twee rechtsvragen

37. Ik keer terug naar de door het middel aan de orde gestelde kwestie. Bij de beoordeling van de reikwijdte en toepasselijkheid van het delictsbestanddeel “toegezonden of aangeboden” in art. 266 Sr moeten twee rechtsvragen van elkaar worden onderscheiden. Eerst komt in het vizier de zuiver materieelrechtelijke vraag aan wie het toezenden of aanbieden dient te geschieden: is restrictief alleen de toezending of aanbieding van een beledigend geschrift aan de beledigde strafbaar, of kan extensief onder omstandigheden óók de (enkele) toezending of aanbieding van zo een geschrift aan een derde strafbaar zijn? Indien deze eerste vraag in de restrictieve zin wordt beantwoord, dient vervolgens de meer met de feiten en omstandigheden van het concrete geval verweven tweede rechtsvraag te worden bezien wanneer van toezending of aanbieding aan de beledigde kan worden gesproken: kan zulks louter rechtstreeks geschieden, of ook indirect (middellijk) via één of meer tussenschakels?

ii. Eerste rechtsvraag: is alleen (restrictief) toezending of aanbieding van een geschrift aan de beledigde strafbaar, of onder omstandigheden ook (extensief) toezending of aanbieding aan een derde?

38. Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad vloeit mijns inziens het antwoord op de eerste rechtsvraag niet dwingend voort. Niettemin meen ik dat er voldoende argumenten zijn om deze rechtsvraag, voor zover deze ingekort luidt of alleen toezending of aanbieding van het geschrift aan de beledigde strafbaar is, in bevestigende zin te beantwoorden.

39. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever de reikwijdte van strafbare belediging als bedoeld in art. 266 Sr willen beperken door het limitatief noemen van een aantal voorwaarden voor strafbaarheid. Het debat in de jaren van toen, ging voornamelijk over de vraag of voor belediging in geschrift plaats in het strafrecht was. Minister Modderman zag echter niet in waarom een belediging straffeloos zou (moeten) blijven indien deze schriftelijk was gedaan, doch strafbaar behoorde te zijn wanneer zij mondeling aan de beledigde was toegevoegd. De uiteindelijk gekozen bewoordingen “toegezonden of aangeboden”, werden door de minister opgevat als een vereenvoudigde redactie ten opzichte van de eerdere formulering “tot hem gerigt”. Of in dat opzicht inderdaad van een vereenvoudiging kan worden gesproken laat ik in het midden, van meer belang is nu dat gelet op de wetsgeschiedenis het standpunt in de – zowel vroege52 als meer recente53 – literatuur kan worden onderschreven dat het naar alle waarschijnlijkheid de bedoeling van de wetgever is geweest uitsluitend de aan de beledigde toegezonden of aangeboden schriftelijke belediging strafbaar te stellen. De twee mij bekende, en in de randnummers 20 en 21 reeds beschreven, arresten waarin de Hoge Raad zich over deze thematiek heeft uitgesproken, wijzen denk ik in dezelfde richting. In het arrest van 22 juni 1942 casseerde de Hoge Raad ambtshalve omdat niet was tenlastegelegd en bewezenverklaard dat de verdachte op zijn minst bedoeld had dat het schrijven de beledigde zou bereiken. En in het arrest van 22 december 1992 repareerde de Hoge Raad een gebrek in de bewezenverklaring door daarin te lezen dat het geschrift aan de beledigden was toegezonden.

40. Wetsgeschiedenis, literatuur en rechtspraak van de Hoge Raad wijzen dus in de richting van een restrictieve uitleg van het bestanddeel “toegezonden of aangeboden”: de schriftelijke belediging moet aan de beledigde zijn toegezonden of aangeboden. Deze vaststelling stemt, lijkt mij, overeen met de inwendige systematiek van art. 266 Sr. Een beledigende uiting is, verkort gezegd, strafbaar indien zij hetzij in het openbaar, hetzij de beledigde zelf wordt aangedaan. Heimelijk kwaad spreken en roddelen over iemand buiten diens directe aanwezigheid om, mondeling dan wel schriftelijk, levert in deze benadering niet het misdrijf van eenvoudige belediging op. Een dergelijke systematiek spreekt door haar eenvoud aan.54 Dat geldt naar het mij voorkomt niet bij een extensieve interpretatie van “toegezonden of aangeboden”. In die benadering is eenvoudige belediging strafbaar wanneer deze hetzij in het openbaar is aangedaan, hetzij mondeling aan de beledigde persoonlijk is toegevoegd, hetzij aan wie dan ook schriftelijk is toegezonden of aangeboden. Het verschil in uitkomst is dan dat in de extensieve benadering de tegen een derde geuite belediging (wel) strafbaar is louter wanneer deze schriftelijk is gedaan. Een materieelrechtelijk of rechtstheoretisch argument dat dit verschil overtuigend rechtvaardigt, kan ik niet noemen.

41. In de inleiding op het middel wordt hier tegenover gesteld dat “een redelijke wetstoepassing [...] met zich brengt dat een geschrift met een beledigende tekst […] ook indirect aan het slachtoffer ter kennis kan komen en alsdan onder het bereik van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht valt.” Ter onderbouwing van dat standpunt wordt aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad over bedreiging, strafbaar gesteld in art. 285 Sr. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging.55

42. De vergelijking tussen beide delicten gaat mijns inziens mank. In de eerste plaats verschillen zij naar aard en ernst. Bedreiging is een ernstig misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid, waarvan de strafwaardigheid noch in Nederland, noch in de ons omringende landen ter discussie staat. Dat ligt bij belediging anders. Zij is een uitingsdelict dat is ingevoerd teneinde de eer en goede naam (de waardigheid) van een persoon te beschermen en wordt beschouwd als één van de lichte misdrijven uit ons Wetboek van Strafrecht, een misdrijf bovendien ten aanzien waarvan eind jaren zestig/begin jaren zeventig van de vorige eeuw de vraag nog werd bezien of het niet zou kunnen worden gemist. Die discussie heeft zich in meer of mindere mate ook in de ons omringende landen voorgedaan. Als gezegd heeft dat ertoe geleid dat in Engeland de strafbaarheid ervan is opgeheven, in België de mondelinge belediging van “iemand” (de niet-ambtenaar) thans niet meer strafbaar is en in Frankrijk de niet-openbare belediging een overtreding is met als sanctie een maximale geldboete van 38 euro. De Nederlandse wetgever heeft er voor gekozen de eenvoudige belediging slechts in bepaalde gevallen onder het bereik van de strafwet te brengen. Hij heeft immers in art. 266, eerste lid, Sr de vormen omschreven die strafbaar zijn. In de wijze van afbakening van de strafbare gevallen, verschilt art. 285, eerste lid, Sr van art. 266, eerste lid, Sr. Opmerking verdient evenwel dat de Hoge Raad de reikwijdte van art. 285, eerste lid, Sr enigszins heeft begrensd door te eisen dat de bedreigde van de bedreiging op de hoogte moet zijn geraakt. Maar dat en waarom hierin dan aanleiding zou moeten worden gevonden om art. 266, eerste lid, Sr juist extensief te interpreteren in vergelijking met de (klaarblijkelijke) bedoeling van de wetgever en de rechtspraak, vermag ik niet in te zien.

43. Met het voorgaande wil ik niet zeggen dat er geen enkel argument valt te noemen, dat vóór een extensieve interpretatie van het bestanddeel “toegezonden of aangeboden geschrift” pleit. Betoogd zou kunnen worden dat strafbaarheid van aan derden gerichte geschriften past binnen de ratio legis van de strafbaarstelling van belediging, dit is de bescherming van de eer en goede naam van de betrokken persoon. Bovendien zou kunnen worden gesteld dat die bescherming meer nog dan vroeger gewenst is doordat het doorzenden of “forwarden” van beledigingen aanzienlijk eenvoudiger is geworden en het internet het potentiële bereik van doorgezonden beledigende geschriften ontegenzeggelijk heeft vergroot.56 De onderhavige zaak illustreert dat aan derden gerichte schriftelijke beledigingen de beledigde wel degelijk serieuze schade kunnen berokkenen. De buitengewoon onbetamelijke en grievende uitlatingen van de verdachte zijn verzonden aan prominente derden die bovendien over de beledigde persoon enige zeggenschap kunnen uitoefenen (aldus de overwegingen van het hof) en van een dusdanig ambtenarenapparaat gebruik maken dat verspreiding van de uitlating te verwachten is, althans niet onvoorzien kan zijn. Ik wijs erop dat het hof heeft overwogen dat de uitlatingen de verdachte via een omweg hebben bereikt. En zelfs als zulks niet zo zou zijn geweest, kan worden volgehouden dat de verdachte door zijn handelswijze het slachtoffer heeft aangetast in diens eer en goede naam.

44. Toch lijkt mij deze argumentatie nog niet voldoende om te opteren voor een wetsuitleg waarin een aan wie dan ook toegezonden of aangeboden geschrift strafbare belediging kan behelzen, en wel op grond van het volgende. Ik memoreerde reeds dat blijkens de wetsgeschiedenis van art. 266, eerste lid, Sr op wetgevend niveau steeds terughoudendheid is beleden, in die zin dat men het vanuit de ultimum remedium-gedachte er wel over eens was dat niet iedere aantasting in de eer of goede naam het inroepen van het strafrecht rechtvaardigt. Natuurlijk kunnen eerder ingenomen standpunten zich wijzigen als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen en ruimere communicatiemiddelen zoals sociale media.57 Daar staat dan wel naast dat vanwege de brede betekenis van het delictsbestanddeel “in het openbaar”, veel van de op internet te vinden aantastingen in de eer en goede naam reeds als openbare belediging strafbaar zijn. De mogelijk in het algemeen te signaleren tendens om op wetgevingsniveau de voorkeur te geven aan breed geformuleerde strafbaarstellingen waarbij die ultimum remedium-gedachte wat naar de achtergrond wordt verdrongen,58 doet zich, als ik het goed zie, niet of nauwelijks voor in de sfeer van de uitingsdelicten, aangezien zij een beperking van de vrijheid van meningsuiting impliceren.59 Tegen die achtergrond verbaast het niet dat in Engeland en België de strafbaarheid van belediging is opgeheven respectievelijk is ingeperkt tot slechts zeer bepaalde gevallen.

45. Dat neemt evenwel niet weg dat mijn blik over de landsgrenzen laat zien dat het bereik van de strafbaarstelling van eenvoudige belediging van rechtsorde tot rechtsorde verschilt. Toegespitst op het onderhavige geval zou de verdachte zich naar Engels recht niet schuldig hebben gemaakt aan strafbare belediging, naar Duits recht echter wel (zonder meer zelfs). Zou de verdachte in België hebben terechtgestaan, dan zou voor eventuele strafbaarheid in dit verband beslissend zijn het antwoord op de vraag of is toegezonden aan één, dan wel aan “verscheidene” derden. En in Frankrijk zouden de gedragingen van de verdachte de overtreding van “l’injure non publique” opleveren, indien en voor zover kan worden vastgesteld dat aan de geschriften elke vertrouwelijkheid ontbreekt, een vaststelling waaraan hoge eisen worden gesteld. Deze verscheidenheid aan opvattingen sterkt mij in de gedachte dat een restrictieve rechtsuitleg, een uitleg dus die strookt met de bedoeling van de wetgever, zich goed laat verdedigen en voorts dat, in weerwil van het betoog in de inleiding op het middel , “een redelijke wetsuitleg” hier niet dwingt tot een ruimere interpretatie van art. 266, eerste lid, Sr.

46. Ik stel mij op het standpunt dat de woorden “toegezonden of aangeboden geschrift” in art. 266, eerste lid, Sr moeten worden begrepen als “aan de beledigde” toegezonden of aangeboden geschrift.

iii. Tweede rechtsvraag: kan toezending of aanbieding van een geschrift aan de beledigde alleen rechtstreeks geschieden, of ook indirect (middellijk)?

47. Met de voorafgaande beantwoording van de eerste opgeworpen rechtsvraag is echter nog niet de (tweede) rechtsvraag beantwoord onder welke omstandigheden een geschrift kan worden geacht te zijn “toegezonden of aangeboden” aan de beledigde als bedoeld in art. 266, eerste lid, Sr. De in deze conclusie besproken uitspraken van de Hoge Raad uit 1942 en 1992 wijzen in de richting dat de toezending of aanbieding niet steeds rechtstreeks aan de beledigde hoeft te geschieden om strafbare toezending of aanbieding aan de beledigde aan te nemen. Wanneer van strafbare toezending of aanbieding aan de beledigde op niet-rechtstreekse wijze sprake is, laat zich moeilijk in algemene zin verwoorden. Wanneer echter kan worden vastgesteld dat (i) de verdachte de bedoeling of de wetenschap heeft gehad dat zijn geschrift de daardoor beledigde persoon zal bereiken en (ii) hij dat geschrift heeft doen uitgaan op zodanige wijze dat inderdaad te verwachten valt dat het geschrift de beledigde langs indirecte weg zal bereiken, terwijl (iii) het geschrift de beledigde daadwerkelijk heeft bereikt, zal naar mijn inzicht kunnen worden gezegd dat de verdachte het geschrift aan de beledigde heeft “toegezonden of aangeboden” als bedoeld in art. 266, eerste lid, Sr.

48. Zo een benadering lijkt mij in overeenstemming te zijn met wetsgeschiedenis, rechtspraak en vakliteratuur, waarbij ik terzijde aanteken dat de strafbaarheid van beledigingen die de beledigde via een omweg bereiken naar Duits recht aanvaard is, terwijl dat in Frankrijk het geval is voor de buiten vertrouwelijkheid verzonden geschriften. De bedoelde benadering komt mij ook als juist voor, omdat zij enerzijds voorkomt dat het (al dan niet elektronisch) schriftelijk, in een zekere vertrouwelijkheid door middel van onbeschaafde of kwetsende woorden, luchten van het hart als misdrijf onder het bereik van de strafwet valt, en anderzijds de mogelijkheid openlaat dat de beledigende uiting die iemand op slinkse wijze via een of meer derden toevoegt en die dus via een omweg (op middellijke wijze) de beledigde bereikt wél tot een veroordeling wegens het misdrijf van art. 266 Sr kan leiden.

Beoordeling van het middel

49. Voor zover het middel klaagt dat het hof door de in de cassatieschriftuur opgeworpen vraag “of het toezenden of aanbieden van een geschrift of afbeelding met een beledigende tekst aan een derde, niet zijnde de beledigde, [...] kan worden aangemerkt als het 'toezenden of aanbieden’ van geschriften in de zin van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht” in negatieve zin te beantwoorden, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, faalt het middel aangezien de rechtsopvatting van het hof aldus geformuleerd niet onjuist is.

50. Het oordeel van het hof dat in casu geen sprake is van een aan de beledigde – rechtstreeks dan wel indirect (middellijk) – toegezonden of aangeboden geschrift, acht ik echter niet toereikend gemotiveerd, en wel om de navolgende redenen.

51. Het hof heeft – overeenkomstig de in de tenlastelegging gekozen bewoordingen – vastgesteld dat de verdachte brieven heeft “geschreven en verstuurd die waren gericht aan respectievelijk de (toenmalige) locoburgemeester van Amstelveen en twee opvolgend burgemeesters van die gemeente.” Deze brieven zijn vervolgens “door de gemeente” aan de beledigde ter beschikking gesteld, zodat moet worden aangenomen dat de brieven de beledigde niet rechtstreeks, maar via een omweg hebben bereikt. Ten aanzien van de bedoeling of de bewustheid (wetenschap) van de verdachte dat het geschrift de beledigde zou bereiken, heeft het hof niets vastgesteld. Over de geschiktheid van verdachtes handelwijze om als toezending of aanbieding van het geschrift aan de beledigde te functioneren, houdt het arrest van het hof slechts in dat tussen de plek waar de geschriften feitelijk zijn aangeboden en de ambtenaar om wie het in die stukken gaat niet een zo nauw verband bestaat als in de eerder genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 1992. Maar daarnaast stelt het hof in de daaropvolgende alinea vast dat er “gezien de indringende inhoud van de brieven, op kon worden gerekend dat [betrokkene 1] uiteindelijk op enigerlei wijze op de hoogte van de stukken zou raken.”

52. Voorts is niet (zonder meer) begrijpelijk de overweging van het hof “dat onder het toezenden of aanbieden in de zin van de wet niet kan worden begrepen de situatie waarin een geschrift aan een derde is toegezonden of aangeboden met de bedoeling of in de bewustheid van de waarschijnlijkheid dat de beledigde persoon dat geschrift onder ogen krijgt”, en derhalve dat “het moet gaan om een tot de beledigde gericht geschrift”. Uit deze overweging zou ook nog kunnen worden afgeleid dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het delictsbestanddeel “[aan de beledigde] toegezonden of aangeboden geschrift”, door niet onder ogen te zien dat toezending of aanbieding van een geschrift aan de beledigde ook indirect (middellijk) kan plaatsvinden, hetgeen mijns inziens dán van een onjuiste rechtsopvatting zou getuigen. Met name indien de verdachte een geschrift aan een derde richt met de bedoeling of in de wetenschap dat het geschrift langs die weg de beledigde bereikt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder dat schrijven wordt toegezonden of aangeboden – het geschrift worden geacht aan de beledigde te zijn toegezonden of aangeboden. Naar mijn mening heeft het hof onvoldoende tot uitdrukking gebracht zich ervan te hebben vergewist dat van zo een indirecte (middellijke) toezending of aanbieding in de zin van art. 266, eerste lid, Sr (in samenhang met art. 267 sub 2° Sr) in het onderhavige geval geen sprake is.

53. In het licht van het voorgaande is niet toereikend gemotiveerd het oordeel dat van een aan de beledigde toegezonden of aangeboden geschrift geen sprake is. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
IX. Slotsom

54. Het middel slaagt.

55. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

56. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie art. 11 van de Politiewet 2012 en art. 172 van de Gemeentewet.

2 De bepaling werd voor het laatst gewijzigd bij de Wet indeling geldboetecategorieën (Stb. 1984, 91; i.w.tr. op 1 mei 1984).

3 HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9108, NJ 2010/410. Vgl. reeds HR 9 juni 1941, ECLI:NL:HR:1941:80, NJ 1941/709, waarin de Hoge Raad oordeelde dat belediging in een café waar naast degene tegen wie de woorden gezegd werden slechts de eigenaresse van dat café aanwezig was, als openbare belediging kon worden aangemerkt.

4 Zie HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8465, NJ 2005/287: “De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat het versturen van de in de bewezenverklaring aangeduide en hiervoor […] bedoelde geschriften aan de daar genoemde personen heeft meegebracht dat de beledigende passages ter kennis zijn gekomen van anderen dan de geadresseerden.” Dit arrest had betrekking op één beledigde, maar de brieven waren per fax verstuurd aan een drie- of viertal geadresseerden. Dat achtte de Hoge Raad onvoldoende voor openbaarheid.

5 HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3143, NJ 2002/129.

6 Zie: HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9186, NJ 2008/430; HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009, NJ 2011/325; HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2848, NJ 2017/6; en HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:967, NJ 2017/248.

7 HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9186, NJ 2008/430 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2848, NJ 2017/6.

8 Stb. 1881, 35.

9 Staatscommissie De Wal, Ontwerpen van een Wetboek van Strafregt en daartoe behoorende wetten met toelichting, Den Haag: Belinfante 1875, p. 43.

10 Staatscommissie De Wal, a.w., p. 197.

11 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1886), deel II, tweede druk, p. 390-391.

12 Smidt, a.w., p. 413.

13 Smidt, a.w., p. 413.

14 Smidt, a.w., p. 415.

15 Smidt, a.w., p. 416-417.

16 Zie over inhoud en achtergronden E.M. Moerman & P.A.M. Mevis, ‘De Novelle Cort van der Linden en zijn betekenis voor de discussie over enige actuele aspecten van materieel strafrecht’, DD 2013, 47.

17 P.W.A. Cort van der Linden, Herziening van het Wetboek van Strafrecht Deel I: wetsontwerpen en toelichting, Den Haag: Belinfante 1900, p. 139.

18 Opvolgend minister van Justitie Loeff trok de voorstellen in, zie Kamerstukken II 1901/02, 37, nr. 37.

19 In 1934 (Stb. 1934, 405) werd aan de belediging bij geschrift de belediging door middel van een afbeelding gelijkgesteld, in 1954 (Stb. 1954, 169) werd de maximaal op het feit gestelde geldboete gewijzigd en in 1984 (Stb. 1984, 91) vond opnieuw wijziging van de strafbedreiging plaats, maar toen dus vanwege de invoering van boetecategorieën.

20 Rapport van de werkgroep artikel 117 van het Wetboek van Strafrecht, Den Haag 1969.

21 Kamerstukken II 1970/71, 11 249, nr. 3, p. 4.

22 Kamerstukken II 1970/71, 11 249, nr. 3, p. 3-4.

23 Ook werd het woord “iemand” in de tekst van art. 266, eerste lid, Sr verplaatst; zie de “Wet van 25 maart 1978, houdende nieuwe regelen betreffende strafbare belediging” (Stb. 1978, 155).

24 In zoverre week zijn opvatting af van die van Noyon en Simons; volgens de leer van deze auteurs doelt art. 266 Sr op een aan de beledigde persoon rechtstreeks toegezonden of aangeboden geschrift; zie T.J. Noyon, Het Wetboek van Strafrecht verklaard, deel 3, Arnhem: Gouda Quint 1926, art. 266, aant. 4, p. 29 en D. Simons, Leerboek van het Nederlandsche strafrecht, tweede deel: bijzondere strafbare feiten, derde druk, Groningen: Noordhoff 1918, p. 56.

25 Vrijspraak van het bestanddeel “in het openbaar” was in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad niet verrassend; vgl. HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3143, NJ 2002/129, waarin een geschrift de gehele gemeenteraad was toegezonden (zie ook randnummer 9 en voetnoot 5).

26 Bovendien is bekend dat de Hoge Raad ook al in 2015 bijzonder spaarzaam was in het toepassen van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen Zie over de ambtshalve cassatie nader A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 94-99. Zie voorts HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0129, NJ 2013/242.

27 Zo ook A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen: Kluwer 2010, p. 279 en M. De Busscher e.a. (red), Wet en Duiding Strafrecht, Larcier 2012, p. 423.

28 De in 2004 opgeheven overtredingsvariant kende dit vereiste niet.

29 Hof van Cassatie 23 oktober 1916, Pas. 1917, 290 en Hof van Cassatie 29 mei 1990, Belgisch Staatsblad 1990, nr. 566.

30 Aldus De Nauw, a.w., p. 270-271 en De Busscher e.a. (red), a.w., p. 423.

31 Zie voor een overzicht van de cassatierechtspraak over art. 444 Sw: F. Deruyck e.a. (red.), Strafrecht, Brugge: Die Keure 2010, p. 406-407. In het kader van de onderhavige zaak relevante Belgische cassatierechtspraak van na 2010, heb ik niet gevonden.

32 Hof van Cassatie 29 mei 1990, Belgisch Staatsblad 1990, nr. 566.

33 Cour de Cassation 10 april 2013, nr. 11-19.530, ECLI:FR:CCASS:2013:C100344.

34 De maximale boetebedragen per boetecategorie zijn vastgesteld in art. 131-13 Code Pénal.

35 Cour de Cassation 17 januari 1995, nr. 94-80.912. Zie ook Cour de Cassation 7 mei 2018, nr. 16-85.035, ECLI:FR:CCASS:2018:CR00915, waarin art. R. 621-1 weliswaar centraal stond, maar geconstateerd werd dat ook art. R. 621-2 in het geding was. Vgl. voorts de rechtspraak over art. R. 621-1 aangehaald in Y. Mayaud m.m.v. C. Gayet, Code Pénal annoté, Parijs: Dalloz 2018, p. 1585-1586.

36 Zie Cour de Cassation 14 mei 2013, nr. 12-84.042, ECLI:FR:CCASS:2013:CR02546. Dit geldt overigens ook voor schriftelijke uitingen die uitsluitend zijn geadresseerd aan degene tegen wie zij zijn gericht; verwezen zij naar Cour de Cassation 11 april 2012, nr. 11-87.688.

37 Cour de Cassation 17 januari 1995, nr. 94-80.912.

38 Cour de Cassation 7 mei 2018, nr. 16-85035, ECLI:FR:CCASS:2018:CR00915.

39 Zie Y. Mayaud m.m.v. C. Gayet, Code Pénal annoté, Parijs: Dalloz 2018, p. 1586, onderdeel 5.

40 Vgl. Cour de Cassation 25 november 2014, nr. 13-83.123, ECLI:FR:CCASS:2014:CR05957.

41 Schönke/Schröder, Strafgesetzbuch Kommentar, München: C.H. Beck 2014, p. 1873.

42 Zie: Bundesgerichtshof 29 mei 1951, BGH 1, 289; Bundesgerichtshof 18 november 1957, BGH 11, 67; en Bundesgerichtshof 21 februari 1989, BGH 36, 148.

43 Schönke/Schröder, a.w., p. 1877.

44 Schönke/Schröder, a.w., p. 1873; T. Fischer, Strafgesetzbuch mit Nebengesetzen, München: C.H. Beck 2018, p. 1345.

45 Fischer, a.w., p. 1351 en Schönke/Schröder, a.w., p. 1882.

46 Bundesgerichtshof 12 januari 1956, BGH 9, 17.

47 H. Satzger & W. Schluckebier, StGB Strafgesetzbuch Kommentar, Köln: Wolters Kluwer 2019, p. 1293.

48 Bundesgerichtshof 12 januari 1956, BGH 9, 17.

49 De in de bepaling geformuleerde uitzondering op het klachtvereiste voor belediging van bevolkingsgroepen, is voor de onderhavige zaak niet van betekenis.

50 Dat wil zeggen: “der Träger des durch den verwirklichten Tatbestand unmittelbar geschützten Rechtsgutes”, Bundesgerichtshof 18 januari 1983, BGH 31, 210.

51 Zie http://reformsection5.org.uk.

52 Zie Simons, a.w., p. 56 en Noyon, a.w. (1926), p. 42.

53 Zie: A.L.J. Janssens, Strafbare belediging (diss. Groningen) Amsterdam: Thela 1998, p. 244; de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Machielse vóór HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8465, NJ 2005/287, onderdeel 3.23; en Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, art. 266, aant. 4.

54 Vgl. in dit verband Noyon, a.w. (1926), p. 42.

55 Zie: HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448; HR 19 juni 2007, ECLILNL:HR:2007:BA3135; HR 10 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6562, NJ 2009/109; en HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6181, NJ 2012/502, m.nt. Reijntjes.

56 Vgl. NLR, a.w., art. 266, aant. 4.

57 Vgl. NLR, a.w., art. 266, aant. 4: “Valt nu onder toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding ook iets dat iemand aan een ander of anderen toezendt met de bedoeling dat het onder de ogen zal komen van hem die er in wordt aangevallen en met de waarschijnlijkheid dat dit geschieden zal? Het HMG beantwoordde deze vraag bevestigend. In de vorige druk werd dit oordeel bekritiseerd. De vraag is of deze kritiek ook thans nog, in een tijdperk waarin de sociale media hun intrede hebben gedaan, onverkort geldt.”

58 Crijns wijst op deze tendens om onwenselijke gedragingen strafbaar te stellen en daarbij de voorkeur te geven aan breed geformuleerde strafbaarstellingen, waarmee de ultimum remedium-gedachte wat naar de achtergrond wordt gedrongen. Zie J. Crijns, ‘Strafrecht als ultimum remedium. Levend leidmotief of archaïsch desideratum?', AA 2012, p. 11-18.

59 In dit verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op de afschaffing van de strafbaarstelling van godslastering van art. 147 (oud) Sr.