Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:966

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
18/04989
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1809
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Concl. plv. AG. Art. 404.2.a Sv. Stond voor verdachte hoger beroep open? Hof heeft verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep omdat de kantonrechter art. 9a Sr had toegepast. Conclusie plv. AG: art. 404.2.a Sv moet aldus worden gelezen dat indien met toepassing van art. 9a Sr weliswaar geen straf is opgelegd, maar de rechter wél aanleiding heeft gezien tot het opleggen van een maatregel, hoger beroep niet is uitgesloten. Strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04989

Zitting 1 oktober 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 23 oktober 2018 door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, waarbij de verdachte schuldig is verklaard “zonder oplegging van straf” aan “[g]een voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier” en waarbij de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 5.432,80, te vermeerderen met wettelijke rente, in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr tot hetzelfde bedrag, te vervangen door 62 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof “ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 404, tweede lid onder a Wetboek van Strafvordering” omdat – naar het oordeel van het hof – “geen hoger beroep open[staat] tegen een vonnis betreffende een overtreding waarbij met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel is toegepast.” Aangevoerd wordt hoofdzakelijk dat het hof, door art. 404 Sv toe te passen in een zaak die gelet op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel geen bagatelzaak betreft, inbreuk heeft gemaakt op het recht op berechting in twee instanties.

  4. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de verdachte in haar hoger beroep is de regeling die is neergelegd in art. 404, Sv, tweede lid, onder a, Sv1 in combinatie met de tenlastelegging van belang.2

5. In de onderhavige zaak is de tenlastelegging toegespitst op artikel 425 Sr. Zij ziet daarmee uitsluitend op een overtreding. De kantonrechter heeft de tenlastegelegde overtreding bewezen verklaard, maar, gelet op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, aanleiding gezien de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

6. Art. 404, tweede lid, Sv luidt als volgt:

“2. Tegen de vonnissen betreffende overtredingen, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken, tenzij terzake in de einduitspraak:

a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of

b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 50.”

7. Art. 9a Sr luidt als volgt:

“Indien de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, kan hij in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.”

8. Art. 9a Sr is in 1983 ingevoerd met de inwerkingtreding van de Wet vermogenssancties3 en biedt de rechter in het algemeen de mogelijkheid van een rechterlijk pardon, waarbij hij afziet van het opleggen van een straf of maatregel. Voordien was die mogelijkheid – buiten het kinderrecht – voorbehouden aan de kantonrechter (art. 398, onder 9⁰ (oud) Sv). Voor het overige gold dat indien de rechter het tenlastegelegde feit bewezen achtte en de verdachte in verband daarmee strafbaar, hij verplicht was om een straf op te leggen.4

9. Overeenkomstig art. 77f, derde lid (oud), Sr5 spreekt art. 9a Sr van straf of maatregel. Uit de memorie van toelichting op het voorstel van de Wet vermogenssancties blijkt dat het woord maatregel voor het volwassenenstrafrecht zonder betekenis is, omdat voor geen enkele strafrechtelijke maatregel geldt, dat zij in bepaalde gevallen moet worden opgelegd. Daarbij werd opgemerkt:

“In het kinderstrafrecht is dat anders en met het oog daarop is het woord maatregel opgenomen. Daarin geldt als hoofdregel, dat de rechter, indien hij het ten laste gelegde feit bewezen en strafbaar acht, een straf of een maatregel moet opleggen. De commissie [gedoeld wordt op de Commissie vermogensstraffen, D.P.] had in haar eindrapport in artikel 9a de woorden “of maatregel” willen weglaten en artikel 77f, derde lid, in een op artikel 9a afgestemde formulering willen handhaven. Ik geef de voorkeur aan één artikel over rechterlijk pardon, vooral met het oog op verwijzingen. Daar komt bij dat de woorden “of maatregel” voor het volwassenenstrafrecht weliswaar niet noodzakelijk zijn, maar wel bijdragen tot duidelijkheid.”6

10. In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter gebruik gemaakt van de mogelijkheid die art. 9a Sr de rechter biedt om in bepaalde gevallen geen straf op te leggen. Wel heeft zij als sanctie de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en die mogelijkheid had zij gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 november 2015.7 In dit arrest heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag of een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd indien de verdachte “op de voet van art. 9a Sr wordt veroordeeld zonder oplegging van straf”. Deze vraag hangt samen met de sinds 1 januari 2014 in art. 36f Sr gestelde eis voor het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel dat de verdachte wordt veroordeeld tot een straf of een last als bedoeld in art. 37 Sr wordt opgelegd. Niettegenstaande de letterlijke tekst van art. 36f Sr besliste de Hoge Raad dat de schadevergoedingsmaatregel ook kan worden opgelegd indien de verdachte is veroordeeld, maar aan hem op de voet van art. 9a Sr geen straf is opgelegd.

11. De vraag die in de onderhavige zaak centraal staat is of de door de kantonrechter opgelegde schadevergoedingsmaatregel maakt dat de verdachte, ondanks dat art. 9a Sr is toegepast ten aanzien van de straf, nog over een rechtsmiddel beschikt om tegen de schadevergoedingsmaatregel op te komen, dan wel of art. 404, tweede lid, onder a, Sv daaraan in de weg staat.

12. De mogelijkheid van hoger beroep tegen de vonnissen betreffende overtredingen, is sinds de inwerkingtreding van de Wet uitsluiting beroep in lichte overtredingszaken en invoering verplichte schriftuur van een advocaat (Stb. 1999, 467), uitgesloten voor zover in de einduitspraak:

“a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of

b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 50.”8

Met het uitsluiten van hoger beroep in lichte overtredingszaken heeft de wetgever een drempel willen opwerpen voor het instellen van rechtsmiddelen in zogenaamde bagatelzaken, die in de memorie van toelichting zijn aangeduid als “de allerlichtste delicten, de echte bagatellen”.9 Voor de wetgever is daarbij niet de kwalificatie van een feit als overtreding doorslaggevend geweest maar de opgelegde sanctie.

13. De ratio van het uitsluiten van hoger beroep in bagatelzaken brengt mee dat art. 404, tweede lid, onder a, Sv aldus moet worden gelezen dat indien met toepassing van art. 9a Sr weliswaar geen straf is opgelegd, maar de rechter wél aanleiding heeft gezien tot het opleggen van een maatregel, hoger beroep niet is uitgesloten, omdat in dat geval de zaak niet kan worden aangemerkt als bagatelzaak ten aanzien waarvan de wetgever het recht op hoger beroep heeft willen uitsluiten.

14. Terug naar de onderhavige zaak, waarin de kantonrechter gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij geen straf oplegt, maar wel een schadevergoedingsmaatregel, inhoudende de betalingsverplichting aan de staat ten behoeve van het slachtoffer van een bedrag van € 5.432,80, te vervangen door 62 dagen hechtenis.

15. Het middel is gegrond voor zover erover wordt geklaagd dat het hof “ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 404, tweede lid onder a Wetboek van Strafvordering”. Uit het voorgaande volgt immers dat de kantonrechter niet “met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel [heeft] opgelegd”, zoals vermeld in artikel 404, tweede lid, onder a, Sv. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof, door art. 404 Sv toe te passen, inbreuk zou hebben gemaakt op het recht op berechting in twee instanties, kan het daarom onbesproken blijven. Indien de Hoge Raad de klacht dat het hof “ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 404, tweede lid onder a Wetboek van Strafvordering” anders zou beoordelen, zou ik graag in de gelegenheid worden gesteld aanvullend te concluderen over de resterende klacht.

16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Art. 427 lid 2 Sv bevat voor het cassatieberoep een vergelijkbare regeling maar die is op de onderhavige zaak niet van toepassing omdat het hof de verdachte in haar hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en dus geen beslissing heeft genomen als bedoeld in art. 427 lid 2 Sv.

2 Zie HR 10 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1311 r.o. 3.3 waarin de Hoge Raad − onder verwijzing naar HR 29 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1141, NJ 1991/41 – overweegt dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een in art. 404 lid 2 Sv bedoelde uitzondering op de mogelijkheid van de verdachte om hoger beroep in te stellen, niet de bewezenverklaring door de rechtbank, maar de tenlastelegging bepalend is.

3 Stb. 1983, 153.

4 Vgl. Kamerstukken II 1982/83, 17524, 6, p. 7.

5 Art. 77f, derde lid (oud) Sr luidde vóór de invoering van de Wet vermogenssancties (Stb. 1983, 153): “Indien de rechter dit in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden, waaronder het feit is begaan, raadzaam acht, kan hij in het vonnis bepalen, dat geen straf of maatregel zal worden toegepast.”

6 Kamerstukken II 1977/78, 15012, 3, p. 23-24.

7 HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3203, NJ 2015/460.

8 Art. 56 lid 6 (oud) RO zoals dat kwam te luiden met de genoemde wet, is overgebracht naar art. 404 lid 2 Sv met de inwerkingtreding van de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie, Stb. 2001, 584. In het geval dat de kantonrechter van de rechtbank de einduitspraak heeft gegeven, wordt op grond van art. 404 lid 3 Sv in het tweede lid, onder b, in plaats van «€ 50» gelezen: € 25.

9 Kamerstukken II 1997/98, 26027, 3, p. 5-6 (citaat) en 25-26.