Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:958

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-09-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
19/01117
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:2010, Gevolgd
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Huwelijksvermogensrecht. IPR. Automatische verandering van toepasselijk huwelijksvermogensrecht ingevolge art. 7 lid 2 Huwelijksvermogensverdrag? Kan een naar Iraans recht overeengekomen bruidsgave worden aangemerkt als een huwelijkse voorwaarde dan wel als rechtskeuze (art. 10-13 Huwelijksvermogensverdrag)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01117

Zitting 27 september 2019

CONCLUSIE

(bij vervroeging)

P. Vlas

In de zaak

[de man], wonende te [woonplaats]

(hierna: de man)

Tegen

[de vrouw], wonende te [woonplaats]

(hierna: de vrouw)

In deze zaak is de vraag aan de orde of de door partijen overeengekomen bruidsgave naar Iraans recht kan worden aangemerkt als een rechtskeuze voor Iraans recht dan wel als een huwelijkse voorwaarde in de zin van het Haagse Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978 (hierna: Huwelijksvermogensverdrag), waardoor geen sprake is van een beperkte automatische verandering van het toepasselijke recht in de zin van art. 7 lid 2, onder 1, van dat verdrag.1

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.2 Partijen zijn op 31 augustus 1993 te Mashhad (Iran) met elkaar gehuwd. Ten tijde van hun huwelijk hadden partijen ieder uitsluitend de Iraanse nationaliteit. Partijen hebben tot 15 oktober 1993 samengewoond in Iran. De man is op 15 oktober 1993 uit Iran gevlucht en heeft zich op 25 november 1993 in Nederland gevestigd. De vrouw heeft zich op 14 augustus 1994 bij de man in Nederland gevoegd. Partijen hebben thans ieder zowel de Iraanse als de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit verkregen in 1998; de vrouw heeft op 24 januari 2000 de Nederlandse nationaliteit verkregen.3 De man heeft op 6 mei 2014 een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Ook de vrouw heeft nevenvoorzieningen verzocht.

1.2

De rechtbank heeft bij beschikking van 1 april 2015 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 30 juli 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Den Haag. In deze beschikking heeft de rechtbank enige voorzieningen getroffen en de behandeling van de zaak aangehouden wat betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding.

1.3

Bij tussenbeschikking van 17 februari 2016 heeft de rechtbank overwogen (rov. 3.9) dat bij eindbeschikking de door de man verzochte verklaring voor recht gegeven kan worden dat Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat daarom sprake is van een algehele scheiding van de vermogens van partijen, met uitzondering van de eenvoudige en/of beperkte gemeenschappen die tussen partijen bestaan of bestaan hebben.

1.4

Bij eindbeschikking van 13 juli 2016 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. De rechtbank heeft een verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap vastgesteld.

1.5

De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de beschikkingen van 17 februari 2016 en van 13 juli 2016. Zij heeft onder meer betoogd dat tussen partijen een gemeenschap van goederen naar Nederlands recht bestond tijdens het huwelijk. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.6

Bij beschikking van 6 maart 2018 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de kwestie van het toepasselijk recht beoordeeld. Het hof heeft vastgesteld dat partijen op 31 augustus 1993 in Mashhad, Iran, zijn getrouwd. Hun huwelijksakte of trouwboekje bestaat uit 20 pagina’s, waarvan een aantal door partijen is ondertekend, maar een aantal andere niet. Het hof heeft een aantal passages weergegeven (rov. 5.1). Een passage waarin afspraken zijn gemaakt over de bruidsschat is door partijen ondertekend:

‘Bruidsschat

Een Nobele Koran ter waarde van 10.000,- rial als cadeau, plus een canonieke traditionele bruidsschat bestaande uit vierhonderd stukken zilveren Dirham en honderdzeventig stukken BaharAzadi hele gouden munt, die als de schuld van de echtgenoot beschouwd wordt en dient aan de echtgenote betaald te worden.

[Ondertekend door het echtpaar]

(pagina 4 trouwboekje)’.

Een passage waarin het volgende staat te lezen is door partijen echter niet ondertekend:

‘Attentie!

De hoofdnotaris is verplicht afzonderlijk alle in deze huwelijksakte vermelde voorwaarden aan het echtpaar uit te leggen. Alleen de voorwaarden die aanvaard en ondertekend zijn door beide echtgenoten worden rechtsgeldig geacht.

Huwelijksvoorwaarden of een aparte bindende overeenkomst

A- Echtgenote heeft bedongen dat ingeval de echtscheiding niet door de echtgenote is aangevraagd en volgens de bevinding van de rechtbank het niet veroorzaakt is door de weigering van de vrouw om haar echtelijke verantwoordelijkheden te voldoen of haar wangedrag, dan is de echtgenoot gehouden tot het overdragen van de helft van het bestaande vermogen dat verkregen is gedurende de gehuwde periode met de vrouw of de gelijke waarde daarvan om niet aan de echtgenote.

Handtekening van de echtgenoot Handtekening van de echtgenote

(blanco) (blanco)

(pagina 6 trouwboekje)’

1.7

Het hof heeft vooropgesteld dat het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijke recht wordt aangewezen door de bepalingen uit het Huwelijksvermogensverdrag. Op het moment van de huwelijksvoltrekking was het Iraanse recht van toepassing (rov. 5.2), maar het Nederlandse recht kan toch van toepassing zijn geworden als gevolg van het feit dat partijen inmiddels de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen (art. 7 lid 2, onder 1, Huwelijksvermogensverdrag) (rov. 5.3). Dit kan slechts anders zijn indien partijen het Iraanse recht als toepasselijk recht hebben aangewezen of huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt (rov. 5.4). In het trouwboekje zijn geen afspraken gemaakt over het huwelijksvermogensregime. De bruidsschat vloeit voort uit het huwelijk van partijen dat naar Iraans recht is gesloten, heeft naar Iraans recht een geheel eigen karakter en is niet gelijk te stellen aan een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak en ook niet aan een onderhoudsverplichting. De man heeft in eerste aanleg zelf betoogd dat de bruidsschat een onderhoudsbijdrage na echtscheiding is. Ook verder zijn in het trouwboekje geen afspraken te vinden die hun huwelijksvermogensregime betreffen. De enige afspraak die onder die kwalificatie gebracht zou kunnen worden, staat op pagina 6 van het trouwboekje en is nu juist niet door partijen ondertekend en daardoor niet tussen partijen van toepassing. Het niet ondertekenen van deze pagina kan niet als een afspraak over het huwelijksvermogensregime worden gezien (rov. 5.7). Een rechtskeuze voor het Iraanse recht moet uitdrukkelijk zijn overeengekomen, dan wel ondubbelzinnig uit de huwelijkse voorwaarden voortvloeien (rov. 5.8). Van een uitdrukkelijke aanwijzing van het Iraanse recht is geen sprake. Een impliciete aanwijzing kan uitsluitend voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden, maar het trouwboekje van partijen bevat geen huwelijkse voorwaarden. De bruidsschat is geen vermogensrechtelijke aanspraak en het niet ondertekenen van pagina 6 van het trouwboekje kan niet worden aangemerkt als het maken van huwelijkse voorwaarden (rov. 5.10). Nu partijen noch het toepasselijke recht hebben aangewezen, noch huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, is het Nederlandse recht van toepassing is geworden vanaf het tijdstip dat ook de vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen (artikel 7 lid 2 onder 1 Huwelijksvermogensverdrag), nu beiden vanaf 1994 hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Ingevolge art. 8 lid 1 Huwelijksvermogensverdrag heeft deze wijziging slechts gevolg voor de toekomst en is het vermogen dat vóór die wijziging aan partijen toebehoorde, niet onderworpen aan het Nederlandse recht. Vanaf het tijdstip waarop de vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen bestaat tussen partijen de wettelijke gemeenschap van goederen. De vrouw heeft op enig moment de Nederlandse nationaliteit gekregen. Het hof heeft het beroep van de man op art. 10:9 BW afgewezen (rov. 5.13-5.14). Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld stukken in het geding te brengen op basis waarvan de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap kan plaatsvinden. Iedere verdere beslissing is aangehouden (rov. 5.15).

1.8

Bij beschikking van 29 november 2018 heeft het hof vastgesteld dat de vrouw per 24 januari 2000 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, zodat vanaf die datum tussen partijen de wettelijke gemeenschap van goederen bestaat (rov. 2.7). Verder heeft het hof beslissingen genomen over de verdeling van een aantal vermogensbestanddelen, en een deskundige benoemd om advies te geven over het bepalen van de waarde van de onderneming van de man. Het hof heeft tussentijds cassatieberoep van deze beschikking opengesteld (dictum).

1.9

Tegen de beschikkingen van 6 maart 2018 en 29 november 2018 heeft de man (tijdig) cassatie ingesteld. De vrouw is niet verschenen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat na een inleiding, waarin geen klachten zijn opgenomen, uit drie onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, waarmee het hof heeft miskend dat de bepaling in de huwelijksakte met betrekking tot de bruidsgave een vermogensrechtelijk karakter kan hebben. Onderdeel 2 bouwt op onderdeel 1 voort met het betoog dat partijen met het welbewust niet ondertekenen van onderdeel A op bladzijde 6 van de huwelijksakte wel degelijk hebben beoogd de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk te regelen. Volgens het onderdeel is daarom het oordeel van het hof in rov. 5.10 van de beschikking van 6 maart 2018 onjuist dat geen sprake kan zijn van een geldige rechtskeuze omdat van huwelijkse voorwaarden geen sprake zou zijn. Onderdeel 3 bevat een voortbouwende klacht.

2.2

De onderdelen 1 en 2 kunnen gezamenlijk worden besproken. In cassatie is terecht onbestreden dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het recht dat op grond van het Huwelijksvermogensverdrag van toepassing is. De onderdelen stellen de vraag aan de orde in welke gevallen onder de toepassing van het Huwelijksvermogensverdrag sprake is van een geldige rechtskeuze. Het Huwelijksvermogensverdrag kent de mogelijkheid van het maken van een rechtskeuze vóór het sluiten van het huwelijk (art. 3) dan wel tijdens het huwelijk (art. 6). In beide gevallen is de rechtskeuze beperkt tot de keuze van de in deze artikelen genoemde rechtsstelsels. Bij gebreke van rechtskeuze, geldt het recht dat wordt aangewezen door de conflictregel van art. 4, dat in samenhang moet worden gelezen met art. 5 Huwelijksvermogensverdrag. Art. 7 Huwelijksvermogensverdrag kent in bepaalde gevallen een stelsel van een beperkte veranderlijkheid van het volgens de conflictregel aangewezen recht. Deze bepaling luidt als volgt (in de Nederlandse vertaling):

‘1. Het recht dat op grond van de bepalingen van het Verdrag van toepassing is, blijft van toepassing zolang de echtgenoten geen ander toepasselijk recht hebben aangewezen, zelfs in geval van wijziging van hun nationaliteit of gewone verblijfplaats.

2. Indien de echtgenoten echter noch het toepasselijke recht hebben aangewezen, noch huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, wordt in plaats van het recht waaraan hun huwelijksvermogensregime tevoren was onderworpen het interne recht van de Staat waar de echtgenoten beiden hun gewone verblijfplaats hebben, toepasselijk:

1. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien de nationaliteit van die Staat hun gemeenschappelijke nationaliteit is, dan wel vanaf het tijdstip waarop zij die nationaliteit verkrijgen, of

2. wanneer zij na het huwelijk gedurende meer dan tien jaar daar hun gewone verblijfplaats hebben gehad;

3. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien hun huwelijksvermogensregime, uitsluitend op grond van artikel 4, tweede lid, onder 3, was onderworpen aan het recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit.’

2.3

Art. 7 lid 2 Huwelijksvermogensverdrag kent een systeem van beperkte automatische verandering van het huwelijksvermogensrecht. Deze automatische wijziging doet zich in drie situaties voor, die ik – kort gezegd – aanduid als immigratie (art. 7 lid 2, onder 1), emigratie (art. 7 lid 2, onder 2) en een bijzonder geval (art. 7 lid 2, onder 3).4 In de eerste situatie (immigratie) wordt het recht toepasselijk van de staat waar beide partijen hun gewone verblijfplaats hebben, indien zij beiden de nationaliteit van die staat hebben of die nationaliteit verkrijgen. Dit is de situatie die zich in deze zaak voordoet: man en vrouw waren ten tijde van hun huwelijk in het bezit van de Iraanse nationaliteit, zijn naar Nederland gekomen en hebben hier hun gewone verblijfplaats gevestigd en zijn vervolgens tot Nederlander genaturaliseerd (de man in 1998, de vrouw op 24 januari 2000). Vanaf het moment dat de vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, zijn beide partijen in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en is daarmee voldaan aan art. 7 lid 2, onder 1, Huwelijksvermogensverdrag, waardoor een automatische wijziging optreedt van het toepasselijke huwelijksvermogensrecht. Deze automatische verandering doet zich volgens art. 7 lid 2 Huwelijksvermogensverdrag niet voor in het geval dat partijen een geldige rechtskeuze hebben gemaakt of in het geval dat zij huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.

2.4

Art. 10 Huwelijksvermogensverdrag bepaalt dat aan de hand van het gekozen recht moet worden bepaald of sprake is van wilsovereenstemming van partijen over het gekozen recht (de materiële geldigheid). Voor de vraag op welke wijze de rechtskeuze moet blijken, bepaalt art. 11 Huwelijksvermogensverdrag dat de rechtskeuze uitdrukkelijk moet zijn overeengekomen of ondubbelzinnig moet voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden.5 Voor de vorm van huwelijkse voorwaarden gelden krachtens art. 12 Huwelijksvermogensverdrag hetzij de vereisten van het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, hetzij de vereisten van het recht van de plaats waar de huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan. In ieder geval geldt als minimumvereiste dat de huwelijkse voorwaarden moeten zijn neergelegd in een gedagtekend en door beide echtgenoten ondertekend schriftelijk stuk. De vorm waaraan de rechtskeuze moet voldoen, is volgens art. 13 Huwelijksvermogensverdrag gekoppeld aan de vorm van huwelijkse voorwaarden. De rechtskeuze moet plaatsvinden in de vorm die is voorgeschreven voor huwelijkse voorwaarden, hetzij van het gekozen recht, hetzij van het recht van de plaats waar de rechtskeuze wordt gedaan. Ook in dit geval geldt het minimumvereiste dat de rechtskeuze moet zijn neergelegd in een schriftelijk stuk dat is gedagtekend en door beide echtgenoten is ondertekend. 6

2.5

In deze zaak betoogt de man dat van een automatische wijziging op grond van art. 7 Huwelijksvermogensverdrag geen sprake kan zijn, omdat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Het hof heeft echter geoordeeld dat geen huwelijkse voorwaarden zijn opgesteld, omdat partijen pagina 6 van het trouwboekje niet hebben ondertekend (zie onder 1.6 van mijn conclusie). Op die pagina staan (voorgedrukte) vermogensrechtelijke afspraken vermeld. De man bestrijdt dit alles niet, maar betoogt dat de op pagina 4 van het trouwboekje overeengekomen bruidsgave als huwelijkse voorwaarde moet worden aangemerkt. Het hof heeft ook dit standpunt verworpen. Daarop ziet onderdeel 1.

2.6

Voor de verdere bespreking van het onderdeel is het nuttig kort aandacht te besteden aan het rechtskarakter van de bruidsgave. Hoewel het hof spreekt van een bruidsschat7, wordt de desbetreffende aanspraak in de praktijk meestal als bruidsgave aangeduid.8 De bruidsgave (mahr of, in Marokko, sadaq) is een rechtsfiguur van het islamitische recht. Het gaat om een betaling van de man aan de vrouw ter gelegenheid van de huwelijkssluiting.9 De bruidsgave komt uitsluitend toe aan de vrouw, die hierover vrijelijk kan beschikken. Vaak wordt overeengekomen dat een deel van de bruidsgave pas later opeisbaar zal worden, namelijk in het geval van overlijden van de echtgenoot of bij ontbinding van het huwelijk.10 De achtergrond hiervan is dat beide echtgenoten naar islamitisch recht in beginsel ieder hun eigen vermogen behouden, zodat de vrouw na ontbinding van het huwelijk geen recht heeft op een deel van het vermogen van de man.11 Hierop bestaan in de verschillende rechtsstelsels weer uitzonderingen. Zo staat het Marokkaanse recht (art. 49 Marokkaanse familiewet (Mudawwanah)) de echtgenoten toe afspraken te maken over het vermogen dat tijdens het huwelijk wordt verworven.12 Ook in Iran lijkt, gelet op pagina 6 uit het trouwboekje in deze zaak, te kunnen worden overeengekomen dat de vrouw na de echtscheiding onder omstandigheden aanspraak kan maken op een deel van het vermogen van de man. Wanneer in islamitische rechtsstelsels een onderhoudsverplichting voor echtgenoten na ontbinding van het huwelijk ontbreekt, voorziet de uitgestelde bruidsgave dus in enige bestaanszekerheid voor de vrouw in geval van overlijden van haar man of echtscheiding.13

2.7

Binnen de verschillende stromingen van de islam bestaan verschillende opvattingen over de betekenis van de bruidsgave.14 Volgens de Malekitische leer, die ten grondslag ligt aan de Marokkaanse familiewet, is een bruidsgave een voorwaarde voor de geldigheid van het huwelijk, hetgeen tot uitdrukking komt in art. 13 onder 2 Mudawwanah, waarin is bepaald dat een huwelijk ongeldig is als partijen in de huwelijksakte zijn overeengekomen dat de bruidsgave wordt kwijtgescholden.15 In de andere rechtsscholen is de bruidsgave een verplicht gevolg van het huwelijk: uit het huwelijk vloeit voor de man de verplichting voort om zijn vrouw een bruidsgave te betalen.16 In alle rechtsscholen geldt dat de bruidsgave een verplicht onderdeel is van het aangaan van een huwelijk. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat als partijen in hun huwelijksakte niets over de bruidsgave hebben opgenomen, na het huwelijk door een daartoe aangewezen persoon of door de rechtbank een ‘passende’ bruidsgave wordt vastgesteld.17 Hoewel alle landen met een islamitisch rechtsstelsel de bruidsgave kennen, verschilt de manier waarop deze in wetgeving is neergelegd.18

2.8

Zowel in de feitenrechtspraak als in de literatuur19 is de vraag aan de orde gekomen hoe de bruidsgave naar Nederlands recht moet worden gekwalificeerd. Vaak probeert de vrouw betaling van de bruidsgave af te dwingen door een hierop gerichte vordering in te stellen of door een nevenvoorziening tot betaling van de bruidsgave in het kader van de echtscheiding. Soms wordt betaling toegewezen zonder de bruidsgave nader te kwalificeren, omdat bijvoorbeeld de betaling van de bruidsgave afgesproken en verschuldigd was. 20 In andere gevallen waarin wel tot kwalificatie wordt overgegaan, passeren verschillende kwalificaties de revue.

2.9

Ik noem de kwalificatie als alimentatie, bijvoorbeeld in het geval dat de vrouw aanspraak maakt op alimentatie en de man zich daartegen verweert met de stelling dat de bruidsgave daarin reeds voorziet dan wel dat met de bruidsgave rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw. Soms is in de rechtspraak geoordeeld dat de bruidsgave als alimentatieovereenkomst moet worden gezien, maar soms ook niet.21 Op de kwalificatie van de bruidsgave als een alimentatieovereenkomst is in de literatuur kritiek geleverd, onder meer omdat naar Nederlands recht een alimentatieovereenkomst alleen kan worden gesloten met het oog op een naderende echtscheiding, terwijl de bruidsgave al bij de huwelijkssluiting wordt afgesproken.22

2.10

Nu de bruidsgave onlosmakelijk met de huwelijkssluiting verbonden is, wordt in de literatuur nog betoogd dat de bruidsgave gekwalificeerd zou moeten worden als te behoren tot de kwesties die betrekking hebben op de geldigheid van het huwelijk.23 In de praktijk lijkt de bruidsgave echter niet vaak in deze context aan de rechter te worden voorgelegd.24

2.11

Wanneer de bruidsgave aan de orde komt bij de verdeling van het huwelijksvermogen waarop Nederlands recht van toepassing is, rijst de vraag of de bruidsgave deel is gaan uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap waarin echtgenoten zijn gehuwd, terwijl de bruidsgave naar islamitisch recht uitsluitend aan de vrouw toekomt.25 Kan in dat geval de bruidsgave als (aan de vrouw) verknocht goed worden aangemerkt?26 Of kan de bruidsgave worden beschouwd als schenking onder (stilzwijgende) uitsluitingsclausule of als voorwaardelijke schenking?27 Maar ook andere oplossingen worden gevonden. Zo oordeelde het hof Den Haag dat de bruidsgave een geheel eigen karakter heeft en dat het ‘gezien haar aard’ niet voor de hand ligt dat een bruidsgave deel is gaan uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap28, terwijl ook beslissingen bekend zijn waarin is geoordeeld dat het in het geheel niet voor de hand ligt om de bruidsgave te zien als behorend tot het huwelijksvermogensrecht, omdat het gaat om een eenmalige vermogensoverdracht.29

2.12

De kwalificatie dat de bruidsgave een rechtsverhouding sui generis is, die een geheel eigen karakter heeft, leidt ertoe dat de bruidsgave niet met een andere (Nederlandse) rechtsfiguur te vergelijken is. Vanuit conflictenrechtelijk perspectief betekent dit dat de bruidsgave niet in een van de bestaande verwijzingscategorieën valt. Met de kwalificatie van een bruidsgave als rechtsfiguur sui generis is echter nog niet bepaald welke rol de bruidsgave speelt bij (bijvoorbeeld) de verdeling van het huwelijksvermogen of bij de bepaling van de alimentatie.30

2.13

In de zaak die in cassatie aanhangig is, staat de vraag centraal of een bruidsgave kan worden aangemerkt als huwelijkse voorwaarde in de zin van het Huwelijksvermogensverdrag.31 In het Verdrag is geen definitie van het begrip huwelijkse voorwaarden opgenomen, hoewel duidelijk is dat het moet gaan om afspraken die de echtgenoten hebben gemaakt over hun vermogensrechtelijke betrekkingen.32 Het begrip moet op verdragsautonome wijze worden geïnterpreteerd, dat wil zeggen overeenkomstig het doel en de strekking van het Verdrag. 33 Aan het Verdrag liggen de beginselen van vrijheid van rechtskeuze en partijautonomie ten grondslag. Dat komt onder meer tot uitdrukking in de omstandigheid dat het Huwelijksvermogensverdrag als hoofdregel de toepasselijkheid van het door de echtgenoten gekozen recht op hun huwelijksvermogensregime kent.34 Het beginsel van partijautonomie ligt ook ten grondslag aan het beginsel van onveranderlijkheid van art. 7 lid 1 Huwelijksvermogensverdrag en aan de omstandigheid dat daarop in bepaalde gevallen een uitzondering kan worden gemaakt.35

2.14

Na deze uiteenzetting keer ik terug naar het middel. Onderdeel 1 (onder a) klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de bruidsgave altijd een sui generis-karakter heeft, terwijl de bruidsgave ook een huwelijksvermogensrechtelijk of alimentatierechtelijk karakter kan hebben. Verder klaagt het onderdeel (onder b) dat het hof heeft miskend dat de bruidsgave in dit geval moet worden gezien als een huwelijkse voorwaarde, onder meer omdat partijen deze zijn overeengekomen als ‘compensatie’ voor het feit dat het beding op pagina 6 van de huwelijksakte (over een eventuele aanspraak van de vrouw op een deel van het vermogen van de man na echtscheiding) niet is ondertekend.

2.15

De klacht (onder a) gaat uit van een verkeerde lezing van de beschikking van 6 maart 2018. Het hof heeft in rov. 5.7 niet geoordeeld dat de bruidsgave altijd een sui generis-karakter heeft, maar geoordeeld dat de bruidsgave naar Iraans recht een geheel eigen karakter heeft en niet gelijk is te stellen met een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak of een onderhoudsverplichting. Het hof heeft daarbij gewezen op een eerdere uitspraak van datzelfde hof, die ook betrekking heeft op een bruidsgave naar Iraans recht.36 Het hof heeft terecht van belang geacht op welke wijze de bruidsgave in het Iraanse recht is geregeld. Zoals uit mijn uiteenzetting over de bruidsgave volgt, kennen alle landen met een islamitisch rechtsstelsel weliswaar de bruidsgave, maar kan de regeling van de bruidsgave per land verschillen. Bovendien is van belang welke afspraken partijen over de bruidsgave hebben gemaakt en welke afspraken zij daarnaast nog meer hebben gemaakt. Nu in landen met een islamitisch rechtsstelsel de bruidsgave verschillend kan zijn geregeld, is het dus ook niet mogelijk om een eenduidige kwalificatie te geven die voor alle gevallen waarin een vraag over de bruidsgave speelt, kan worden gehanteerd. Het hof heeft dat ook niet gedaan, omdat zijn oordeel alleen betrekking heeft op het Iraanse recht. Het onderdeel klaagt niet dat de sui generis-kwalificatie van het hof onbegrijpelijk zou zijn in het licht van het Iraanse recht of in het licht van de afspraken van partijen. De klacht faalt dus.

2.16

De klacht (onder b) faalt eveneens. Het oordeel van het hof dat een kwalificatie van de bruidsgave als huwelijkse voorwaarde niet voor de hand ligt, is niet onbegrijpelijk, gelet op de omstandigheid dat de bruidsgave naar Iraans recht een verplicht onderdeel is van de huwelijkssluiting. Bij huwelijkse voorwaarden staat de vrije wil van partijen voorop, zoals ook blijkt uit het Toelichtend Rapport bij het Huwelijksvermogensverdrag, terwijl partijautonomie ontbreekt bij de bruidsgave. Partijen kunnen weliswaar onderhandelen over de invulling van de bruidsgave, maar zij kunnen niet overeenkomen dat geen bruidsgave wordt betaald. Het hof heeft dit in aanmerking genomen, omdat in rov. 5.7 is overwogen dat de bruidsgave voortvloeit uit het huwelijk dat naar Iraans recht is gesloten. Ik merk nog op dat tegen een kwalificatie als huwelijkse voorwaarde ook pleit dat landen met een islamitisch rechtsstelsel in het algemeen geen gemeenschap van goederen kennen, maar uitgaan van een strikte scheiding van vermogens. Dat de bruidsgave exclusief eigendom van de vrouw is, vloeit – althans in Iran – voort uit de wet, waarvan niet (bij huwelijkse voorwaarden) kan worden afgeweken.37 Ook staat de regeling van het Huwelijksvermogensverdrag eraan in de weg dat een huwelijkse voorwaarde impliciet zou zijn overeengekomen, in die zin dat het bestaan van een huwelijkse voorwaarde moet worden afgeleid uit de omstandigheid dat andere bepalingen in de huwelijksakte niet zijn ondertekend. Art. 12 Huwelijksvermogensverdrag bepaalt immers dat een huwelijkse voorwaarde in ieder geval dient te worden neergelegd in een gedagtekend en door beide partijen ondertekend schriftelijk stuk. Daarmee is niet verenigbaar dat het bestaan van een huwelijkse voorwaarde zou blijken uit de omstandigheid dat bepalingen in een huwelijksakte juist niet zijn ondertekend. Het hof heeft in rov. 5.7 dan ook terecht overwogen dat uit het feit dat de voorwaarde op p. 6 van het trouwboekje niet is ondertekend niet kan worden afgeleid dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben willen maken.

2.17

De klacht (onder c) dat het hof essentiële stellingen van de man heeft miskend, bouwt op de voorafgaande klachten voort en deelt het lot daarvan.

2.18

Onderdeel 2 bouwt voort op onderdeel 1. Het onderdeel klaagt dat nu het oordeel dat partijen geen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen volgens onderdeel 1 onjuist is, eveneens onjuist is dat uit die huwelijkse voorwaarden geen ondubbelzinnige aanwijzing van het Iraanse recht zou blijken.

2.19

Uit de bespreking van onderdeel 1 volgt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Daarmee is juist het oordeel van het hof in rov. 5.10 dat geen sprake kan zijn van een impliciete rechtskeuze in huwelijkse voorwaarden. Het onderdeel (verzoekschrift tot cassatie, p. 11 onderaan) betoogt nog dat het hof heeft miskend dat een rechtskeuze onder het Huwelijksvermogensverdrag niet uitsluitend uit huwelijkse voorwaarden kan voortvloeien, maar ook expliciet kan worden gedaan in een door beide partijen ondertekend en gedagtekend stuk. Ook deze klacht faalt. Het hof heeft een en ander niet miskend, omdat het in rov. 5.10 heeft overwogen dat een uitdrukkelijke aanwijzing van het Iraanse recht ontbreekt en dat bij gebreke van huwelijkse voorwaarden in de zin van art. 11 Huwelijksvermogensverdrag geen sprake kan zijn van een impliciete rechtskeuze. Het onderdeel bestrijdt dat op zichzelf niet. Wel wordt geklaagd dat de huwelijksakte van partijen voldoet aan de vormvoorschriften die het Huwelijksvermogensverdrag voor een rechtskeuze stelt, maar dat betekent uiteraard nog niet dat in die akte ook een rechtskeuze is te lezen. Het onderdeel faalt dus.

2.20

Onderdeel 3 bevat een voortbouwende klacht, die geen bespreking behoeft.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, gesloten te Den Haag op 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (Franse en Engelse authentieke teksten; Nederlandse vertaling).

2 De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1-3.4 van de bestreden (tussen)beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2188.

3 Zie de (eveneens in cassatie bestreden) beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 29 november 2018.

4 Zie ook o.a. I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks IPR, deel 7, 2010, nr. 55-58.

5 Zie hierover ook HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4352, NJ 2013/473, m.nt. Th.M. de Boer (Stelselkeuze in Italiaanse huwelijksakte).

6 Zie o.a. Asser/Vonken 10-II 2016/232-244; Joppe, a.w., nr. 32.

7 Met een bruidsschat wordt over het algemeen een bedrag bedoeld dat de ouders van de vrouw aan haar meegeven, zie bijv. Hof Den Haag 30 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:4051.

8 Zie over de terminologie L. Jordens-Cotran, Nieuw Marokkaans personen-en familierecht, 2007, p. 120; M.S. Berger, Het islamitische echtscheidingsrecht, EB 2019, p. 64.

9 Zie S. Rutten, De bruidsgave: op zoek naar goud, NIPR 2007, p. 101.

10 Rutten 2007, a.w., p. 102.

11 Zie B. Reinhartz, Invloed van islamitische rechtsfiguren in het civiele recht in Nederland, preadvies Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijking, 2012, p. 26.

12 Zie Jordens-Cotran 2007, a.w., p. 768 e.v.

13 Reinhartz, t.a.p.; Rutten 2007, a.w., p. 101; Jordens-Cotran 2007, a.w., p. 120 e.v.

14 Zie ook F.J.A. van der Velden, Betekenis van de islam en het islamitisch recht voor het Nederlandse familie- en jeugdrecht, FJR 2004/21.

15 Jordens-Cotran 2007, a.w., p. 25-26 en p. 122.

16 Rutten 2007, a.w., p. 101. Zie bijvoorbeeld over Egypte: Friso Kulk, Laverend langs grenzen. Transnationale gezinnen en Nederlands en islamitisch familie- en nationaliteitsrecht, 2013, p. 34-35, en over Iran: K. Cherry, Marriage and Divorce Law in Pakistan and Iran: the Problem of Recognition, Tulsa Journal of Comparative and International law 2001, p. 335.

17 Zie Rutten 2007, a.w., p. 101; voor Marokko: Jordens-Cotran 2007, a.w., p. 127; voor Egypte: Kulk, t.a.p. p. 34.

18 Zie voor een overzicht van de wetgeving van verschillende islamitische landen: Rutten 2007, a.w., p. 109-115.

19 Zie Rutten 2007, a.w., alsmede haar bijdrage, Een andere aanpak van de Islamitische bruidsgave, FJR 2009, p. 329 e.v.; Reinhartz, t.a.p.; A.H. Onay, De mahr gekwalificeerd, FJR 2016, p. 156 e.v.; L. Jordens-Cotran, De kwalificatie van de bruidsgave, NIPR 2000, p. 391 e.v.; Groene Serie Personen- en familierecht, 5.D.1 (Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978), art. 1, aant. 6.4 (F. Ibili); M. Sayed, 'The Muslim Dower (mahr) in Europe - with special Reference to Sweden', in: K. Boele-Woelki en T. Sverdrup (reds.), European Challenges in Contemporary Family Law, 2008, p.187-208. Zie ook de uitvoerige bespreking van de bruidsgave in een conclusie in een belastingzaak door A-G Niessen (ECLI:NL:PHR:2014:583) vóór HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2874, BNB 2014/251, m.nt. J.P. Boer.

20 Zie bijv. Rb. Amsterdam 2 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2742, rov. 2.4.7. Zie ook Rb. Amsterdam 10 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6291, rov. 4.2; Hof Amsterdam 2 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1123, rov.5.5 e.v.; Hof Amsterdam 15 februari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8540, rov. 4.5-4.8.

21 Hof Den Haag 12 december 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BG9476, rov. 17-19 (bevestigend); Rb. Utrecht 30 januari 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BC2923, rov. 4.15-4.16 (bevestigend); Rb. Utrecht 10 december 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BH3018, rov. 3.10-3.11 (bevestigend); Hof Amsterdam 2 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1123 (ontkennend).

22 Zie Onay, a.w., p. 157; Reinhartz, a.w., p. 31. In gelijke zin hof Arnhem-Leeuwarden 24 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9906, rov. 7.19.

23 Rutten 2007, a.w., p. 104-105; Jordens-Cotran 2000, a.w., p. 392.

24 Zie voor een voorbeeld Rb. Den Haag 5 december 2005, NIPR 2007-107.

25 Zie Hof Den Haag 23 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2540; Hof Den Bosch 17 januari 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AV5175, NIPR 2006-105; Hof Den Haag 19 april 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AY5780, NIPR 2007-99.

26 Bijvoorbeeld Hof Den Haag 19 april 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AY5780, NIPR 2007-99. Zie Rutten 2007, a.w., p. 106-107.

27 Rutten 2007, a.w., p. 106; Onay, a.w., p. 159-160.

28 Hof Den Haag 23 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2540, rov. 15.

29 Rb. Utrecht 10 december 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BH3018, rov. 3.9; Rb. Utrecht 30 januari 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BC2923, rov. 4.19.

30 Zie over nadere complicaties ook Reinhartz, a.w., p. 38-39.

31 Zie hierover ook Reinhartz, t.a.p., p. 29-30.

32 Zie bijvoorbeeld Toelichtend rapport van A.E. von Overbeck, nrs. 73: het verdrag heeft als doel “de wil die zij [de echtgenoten, A-G] te kennen hebben gegeven om hun betrekkingen in het kader van het objectief toepasselijke recht te regelen, te respecteren”. (Kamerstukken II 1988-1989, 21 272 (R 1378), nr. 3 (MvT)).

33 Toelichtend rapport van A.E. von Overbeck, nrs. 24-26.

34 Toelichtend rapport van A.E. von Overbeck, nrs. 31 e.v.

35 Toelichtend rapport van A.E. von Overbeck, nr. 73.

36 Hof Arnhem-Leeuwarden 24 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9906. In deze zaak stond aan een kwalificatie van de bruidsgave als onderhoudsverplichting in de weg dat partijen daarover een afzonderlijke bepaling hadden opgenomen in hun huwelijkscontract.

37 Zie Rutten 2007, a.w., p. 109.