Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:941

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
18/03860
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1418
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Dodelijk verkeersongeval in Aarle-Rixtel, art. 5, 6 en 8 WVW 1994. Middelen over (1) bewijsmotivering en het ontbreken van respons op verscheidene uossen betrekking hebbende op het bewijs van de nadelige invloed van alcohol en medicatie op de rijvaardigheid van verdachte en (2) (vermeende) gebruik voor het bewijs en voor de strafoplegging van een passage uit de verklaring van verbalisant, inhoudende dat hem ambtshalve bekend is dat verdachte een “notoire alcoholist” en “harddrugsgebruiker” is, waarvan de getuige weet dat hij “gewoon voertuigen bestuurt als hij deze middelen heeft gebruikt”. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03860

Zitting 3 september 2019

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 11 juni 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld (onder 1 en 3) wegens “de eendaadse samenloop van: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet en overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, en (onder 2) wegens “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet” tot, voor het onder 1 en 3 bewezenverklaarde: een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 en 27a Sr, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek als bedoeld in artikel 179 lid 6 WVW, en voor de onder 2 bewezenverklaarde overtreding: een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mrs. R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Deze strafzaak gaat over een ernstig verkeersongeval dat op 9 november 2014, kort na 11.45 uur, heeft plaatsgehad buiten de bebouwde kom van Aarle-Rixtel. De verdachte reed in zijn Land Rover over de Kanaaldijk, een eenbaansweg, in de richting van Helmond. Daar waar de Kanaaldijk vanuit zijn rijrichting een grote, flauwe bocht naar rechts maakt is het door de verdachte bestuurde voertuig, enigszins slingerend steeds meer terechtgekomen op de weghelft die is bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer. De bestuurder van een eerste tegenligger, de getuige [verbalisant 1] , wist de Land Rover te ontwijken. Het voertuig van de verdachte schampte/botste kort daarna (met) een tweede tegenligger, een Kia Picanto. Vervolgens vond een vrijwel frontale botsing plaats met een derde hem tegemoetkomend voertuig, een Renault Twingo, die daardoor over de kop sloeg. De bestuurder van de Renault, [slachtoffer] , is als gevolg van de aanrijding komen te overlijden.

Over deze toedracht bestond ter terechtzitting geen discussie.

Evenmin stond ter discussie dat het voertuig van de verdachte niet onder invloed van externe factoren op de weghelft voor het hem tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen, maar als gevolg van een oorzaak die bij de verdachte zelf is gelegen. De verdediging opperde de mogelijkheid van een TIA of een black-out, en vroeg om vrijspraak van het tenlastegelegde. Het hof acht daarentegen bewezen dat de verdachte verkeerde onder invloed van een of meer stoffen, hetgeen de verdediging had betwist. De verdachte heeft verklaard dat hij die ochtend in een restaurant bij zijn koffie twee likeurtjes “kreeg”, die hij opdronk, en dat hij bovendien slaapmedicatie (lorazepam) gebruikt.

Bewezenverklaard is (1) dat de dood van [slachtoffer] aan de schuld van de verdachte is te wijten (artikel 6 WVW), terwijl hij verkeerde in de toestand van artikel 8 lid 1 WVW, (2) het hinderlijk, respectievelijk gevaarlijk rijgedrag ten opzichte van de inzittenden van het eerste en het tweede hem tegemoetkomende voertuig (artikel 5 WVW), en (3) het besturen van een voertuig onder invloed van lorazepam, in combinatie met een andere stof (artikel 8 lid 1 WVW).

Hieronder (paragraaf 4) zal ik allereerst de bewezenverklaring volledig weergeven. Daarna geef ik de bewijsoverwegingen van het hof volledig weer (paragraaf 5) en de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het bestreden arrest (paragraaf 6).1 Daarna volgt een bespreking van de drie bij cassatieschriftuur voorgestelde middelen.

4. Bewezenverklaard is dat:

1. hij op 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Kanaaldijk (in de richting van Helmond, komend uit de richting van Beek en Donk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend:

- terwijl hij verkeerde onder invloed van een stof (lorazepam) die de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden in combinatie met alcoholhoudende drank (85 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) en aldus verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

- op de rijbaan 2 bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en op die weghelft voor het tegemoetkomend verkeer is blijven rijden en

- daarbij niet is uitgeweken voor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto bestuurd door [slachtoffer] en

- zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden en te blijven rijden, niet heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden en

- vervolgens tegen die hem tegemoetkomende (door die [slachtoffer] bestuurde) personenauto is gebotst,

waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood,

zulks onder de strafverzwarende omstandigheid dat hij, verdachte, toen daar dat motorvoertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 85 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn en in combinatie met het gebruik van lorazepam, een medicijn, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, dat de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden;

2. hij op 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als bestuurder van een voertuig (personenauto (Land Rover)), daarmee rijdende op de weg, de Kanaaldijk,

- in een voor hem naar rechts lopende bocht op een slingerende wijze heeft gereden

- waarbij hij met zijn, verdachtes, personenauto over de middenstreep van de rijbaan is gereden waardoor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto (bestuurd door [verbalisant 1] ) middels een uitwijkmanoeuvre een (frontale) aanrijding wist te voorkomen en

- vervolgens wederom op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en op die weghelft voor het tegemoetkomend verkeer is blijven rijden en

- daarbij niet is uitgeweken voor een hem over die Kanaaldijk over dezelfde rijbaan tegemoetkomende personenauto (Kia Picanto) bestuurd door [getuige 1] en

- zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, niet heeft voldaan aan zijn verplichting zoveel mogelijk rechts te houden en

- vervolgens met zijn linker voorzijde tegen de linkerflank van die hem tegemoetkomende personenauto (Kia Picanto) is gebotst,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt voor de in die Kia Picanto zittende [getuige 1] en [getuige 2] , en het verkeer op die weg werd gehinderd;

3. hij op 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als bestuurder van een voertuig, (personenauto (Land Rover)), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lorazepam, waarvan hij wist dat het gebruik daarvan – in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

5. Het hof heeft in zijn arrest de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Standpunt verdediging

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep primair integrale vrijspraak bepleit.

Daartoe is aangevoerd – kort gezegd – dat op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld dat van de zijde van verdachte sprake is geweest van verwijtbaar gedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel van gevaarzettend rijgedrag in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De raadsman stelt zich – als verwoord in zijn pleitnota – op het standpunt dat de aanwezige concentratie lorazepam in het bloed van verdachte dusdanig laag is geweest dat deze, in samenhang met het feit dat verdachte valt onder de groep personen die gewenning kan worden toegeschreven, geen nadelige invloed meer heeft gehad op zijn rijgedrag. Het verwijt dat verdachte zich niet aan het algemene 72- uurs advies heeft gehouden, gaat hiermee ook niet op. Voor wat betreft het alcoholgehalte in het bloed van verdachte heeft de raadsman gewezen op het rapport van het NFI d.d. 8 december 2014, waaruit naar voren komt dat dit 0,00 mg/l was.

Het enkele feit dat verdachte op onverklaarbare wijze op de verkeerde weghelft is gekomen, mogelijk door een black-out of een TIA, de verdachte kan het zich immers niet herinneren, is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van de artikelen 5, 6 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feiten en omstandigheden

Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden komt onder meer het volgende naar voren.

Door verbalisant [verbalisant 1] is in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2014 (pg. 34) gerelateerd dat hij op 9 november 2014 omstreeks 11.45 uur als bestuurder van zijn privéauto reed op de Kanaaldijk te Aarle-Rixtel, komende uit de richting Helmond en gaande in de richting Beek en Donk. In een grote bocht naar links, gezien vanaf zijn rijrichting, zag [verbalisant 1] uit de richting Beek en Donk een personenauto, Land Rover, enigszins slingerend naderen. Ongeveer 20 meter voordat [verbalisant 1] de Land Rover passeerde, zag hij dat de bestuurder van de Land Rover met zijn voertuig over de middenstreep van genoemde rijbaan reed. [verbalisant 1] week hierop enigszins naar rechts uit om een eventuele aanrijding te voorkomen. In het voorbij rijden zag [verbalisant 1] dat de betreffende bestuurder van genoemde Land Rover de hem bekende [verdachte] , wonende te [woonplaats], was. [verbalisant 1] zag dat deze [verdachte] enigszins naar links onderuit gezakt in zijn auto zat en verder leek het alsof [verdachte] zijn ogen dicht, dan wel nagenoeg dicht, had.

Die ochtend is om 11.48 uur bij de meldkamer van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost de melding binnengekomen dat er een aanrijding had plaatsgevonden op de Kanaaldijk te Aarle-Rixtel. Bij dit ongeval waren betrokken:

- een personenauto, merk Land Rover, kenteken [AA-00-AA] , bestuurd door verdachte [verdachte] ;

- een personenauto, merk Renault Twingo, bestuurd door [slachtoffer] ;

- een personenauto, merk Kia Picanto, bestuurd door [getuige 1] , met als bijrijder [getuige 2] .

Uit de verklaringen van de inzittenden van de Kia Picanto, te weten de getuigen [getuige 1] (pg. 77 e.v.) en [getuige 2] (pg. 79 e.v.) is gebleken dat een grote personenauto op hun weghelft is komen rijden en niet terugstuurde naar zijn eigen weghelft, waarna een aanrijding volgde. [getuige 1] heeft verklaard dat zij de indruk had dat de bestuurder afwezig was.

In het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 18 december 2014 (pg. 51 e.v.) wordt uitgegaan van de rijrichting van de Land Rover, rijdende over de Kanaaldijk in de richting van Helmond. Het ongeval vond plaats in een bocht naar rechts op de openbare weg, de Kanaaldijk, plaatselijk gelegen buiten de bebouwde kom van Aarle-Rixtel in de gemeente Laarbeek. De botspositie van de aanrijding tussen de Land Rover en de Kia Picanto (aanrijding 1) was zichtbaar op het wegdek en was geheel gelegen op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. Hierna liep een ongeveer 18,65 meter lang walkspoor in een nagenoeg rechte lijn door tot de plaats waar de Land Rover nagenoeg frontaal in botsing kwam met de Renault Twingo, op de weghelft van de Renault (aanrijding 2).

Als toedracht van de ongevallen is beschreven dat de bestuurder van de Land Rover (verdachte [verdachte] ) niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en in een flauwe bocht naar rechts op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is terechtgekomen. Daarbij is verdachte met de linker voorzijde van zijn voertuig tegen de linker flank van de tegemoetkomende Kia Picanto gebotst, waardoor de Kia van de weg is geraakt en in de rechterberm tot stilstand is gekomen. Vervolgens is verdachte met de linker voorzijde van zijn Land Rover tegen de linker voorzijde van de tegemoetkomende Renault Twingo gebotst, welke door het grote massaverschil tussen beide voertuigen, achteruit tegen de geleiderail werd geduwd, waarna deze linksom zijn gieras is gedraaid en vervolgens over de kop is geslagen, waarna deze op zijn dak tot stilstand is gekomen.

Alle bij het ongeval betrokken voertuigen raakten zwaar beschadigd. Ten gevolge van de aanrijding is de bestuurder van de Renault Twingo, [slachtoffer] , overleden.

Ten aanzien van de weg en de weersomstandigheden, alsmede de technische staat van de betrokken voertuigen is vastgesteld dat er geen omstandigheden waren die de oorzaak, de gevolgen of de toedracht van het ongeval zouden kunnen hebben beïnvloed.

Direct na het ongeval heeft de verdachte ontkend in slaap te zijn gevallen of een black-out te hebben gehad (pg. 96).

Alcohol

Kort na het ongeval, omstreeks 12.25 uur, wordt bij verdachte op straat een voorlopige alcoholtest gedaan. De verdachte blies P/A, waarna hij is aangehouden. Omstreeks 12.59 uur is van verdachte een ademanalyse afgenomen. Het resultaat van de voltooide ademanalyse bij verdachte betrof 85 µg/l.

De verdachte heeft verklaard dat hij in de ochtend van 9 november 2014 om ongeveer 11.00 uur in een restaurant twee slagroomlikeurtjes bij zijn koffie heeft gedronken.

Lorazepam

Op 9 november 2014 te 14.55 uur werd van verdachte bloed afgenomen.

Het bloedalcoholgehalte van verdachte, zoals vermeld in het deskundigenrapport van het NFI d.d. 8 december 2014, bedroeg 0,00 mg/ml.

Uit het deskundigenrapport van het NFI d.d. 23 december 2014, opgemaakt door dr. K.J. Lusthof, apotheker-toxicoloog (pg. 143 e.v.), is gebleken dat een therapeutische concentratie van lorazepam in het bloed van verdachte is gemeten van 0,057 mg/l.

Lorazepam (merknaam Temesta) is een benzodiazepine en wordt onder andere toegepast bij kortdurende behandeling van slaapstoornissen. De effecten van benzodiazepinen zijn afhankelijk van de mate van gewenning aan benzodiazepinen. Het gebruik van benzodiazepinen kan de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden in een mate die afhankelijk is van het soort benzodiazepinen en de mate van gewenning aan benzodiazepinen. Lorazepam is een geneesmiddel dat waarschijnlijk een ernstig nadelige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid heeft. Gebruikelijke therapeutische concentraties in serum van lorazepam variëren van ongeveer 0,02 tot 0,25 mg/l. De concentratie in bloed is voor de meeste geneesmiddelen niet gelijk aan de concentratie in serum; voor lorazepam is de omrekeningsfactor niet bekend. In het algemeen verschilt de concentratie in serum ten opzichte van de concentratie in bloed niet meer dan een factor twee.

Op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de rijvaardigheid van verdachte ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door de aangetoonde stof lorazepam.

Verklaring verdachte

Tijdens zijn insluiting op het politiebureau op 9 november 2014 omstreeks 17.10 uur is verdachte gevraagd naar zijn medische bijzonderheden. In dit kader heeft verdachte verklaard dat hij al een poos medicatie gebruikte voor het slapen gaan. Verdachte gaf aan dat hij onder meer eenmaal daags twee tabletten lorazepam 2,5 mg gebruikte. Op de vraag van de verbalisant of verdachte deze medicatie de avond daarvoor voor het slapen ook had gebruikt, heeft verdachte bevestigend geantwoord (proces-verbaal van bevindingen, pg. 38). In latere verklaringen heeft de verdachte andersluidend verklaard met betrekking tot de frequentie van het gebruik van het middel lorazepam en met betrekking tot de laatste keer dat hij het middel zou hebben genomen voorafgaand aan het ongeval.

Het hof zal de verklaring van verdachte, voor zover inhoudende dat hij in de ochtend van 9 november 2014 alcohol heeft genuttigd en dat hij ten tijde van het ongeval het medicijn lorazepam gebruikte, voor het bewijs bezigen. Voor het overige schuift het hof de verklaring van verdachte – gelet op de inconsistenties – ter zijde.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW1994

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van schuld aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat van verwijtbaar gedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 van de zijde van verdachte geen sprake is geweest, aangezien niet is komen vast te staan dat de concentraties in het bloed van verdachte gemeten stoffen (alcohol en lorazepam) zodanig zijn geweest dat deze van invloed zijn geweest op de rijvaardigheid van verdachte.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat verdachte ten tijde van het ongeval wel degelijk verkeerde onder invloed van een stof, te weten een therapeutische concentratie lorazepam in het bloed (0,057 mg/l), in combinatie met alcoholhoudende drank (85 µg/l), waardoor de rijvaardigheid nadelig beïnvloed kon worden.

Het hof verwijst in dit kader naar de hierboven omschreven onderzoeksresultaten van de ademanalyse en de inhoud en conclusies van het deskundigenrapport van het NFI d.d. 23 december 2014, van dr. K.J. Lusthof. In aanvulling hierop neemt het hof in aanmerking het aanvullend toxicologisch onderzoek van het NFI d.d. 29 oktober 2015 opgemaakt door R. Oosting, apotheker-toxicoloog, waarin de eerdere conclusie van het NFI van 23 december 2014 (dat de rijvaardigheid van verdachte ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door lorazepam) wordt gehandhaafd. Voorts acht het hof van belang de verklaring van Oosting als deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 15 september 2015, inhoudende dat lorazepam en alcohol (ethanol) beide rijvaardigheid beïnvloedende stoffen zijn, die elkaar kunnen versterken.

Vorengenoemde omstandigheden, waaruit het middelengebruik door verdachte volgt, in samenhang bezien met de verklaringen van verbalisant [verbalisant 1] en de getuige [getuige 1] , waaruit naar voren komt dat verdachte kort voorafgaand aan het ongeval slingerend reed, onderuit gezakt zat, zijn ogen (nagenoeg) dicht had en afwezig overkwam, maakt dat het hof constateert dat verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde in een dusdanig afwezige toestand dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De verdachte is immers op de weghelft voor het tegemoetkomend [verkeer] terecht gekomen en zonder enige te rechtvaardigen aanleiding of reden gedurende langere tijd aldaar blijven rijden, waardoor de aanrijdingen met de slachtoffers hebben plaatsgevonden. Dat sprake is van een black-out of een TIA of een andersoortig herseninfarct bij verdachte, zoals door de verdediging naar voren gebracht, is in het geheel niet gebleken. Ook van gebreken aan het wegdek dan wel technische mankementen aan de betrokken voertuigen die tot het ongeval zouden hebben kunnen leiden, is geen sprake geweest.

Roekeloosheid

Het hof overweegt op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Toetsend aan deze maatstaf, is het hof – met de verdediging en de advocaat-generaal – van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte, hoe roekeloos ook in de betekenis die in het algemeen spraakgebruik aan dat woord wordt gegeven, gelet op de feiten en omstandigheden die tot het ongeval hebben geleid, in juridische zin niet is aan te merken als de zwaarste vorm van schuld: roekeloos.

Het hof zal de verdachte derhalve partieel vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde roekeloosheid.

Wel acht het hof – anders dan de advocaat-generaal en de verdediging – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, onder de hiervoor genoemde omstandigheden, zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, waardoor hij in botsing is gekomen met twee personenauto’s, te weten een Kia Picanto en vervolgens een Renault Twingo, ten gevolge waarvan de bestuurder van die laatstgenoemde personenauto is overleden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Anders dan de verdediging acht het hof op basis van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] alsmede de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Hieruit volgt dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt en dat het verkeer op die weg werd gehinderd.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte bovendien gereden, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van lorazepam, waarvan hij wist dat het gebruik daarvan – in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

In dit verband verwijst het hof naar de verklaring van verdachte, zoals afgelegd in eerste aanleg, inhoudende dat hij wist dat er een gele sticker op de verpakking van het middel lorazepam zat, dat dit met de rijvaardigheid te maken had en dat hij de bijsluiter van het middel had gelezen. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij wist dat je na inname van lorazepam niet moet gaan rijden.

De verweren van de verdediging worden dan ook verworpen.

6. De aanvulling op het verkorte arrest houdt het volgende in:

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2014162866, afgesloten d.d. 13 januari 2015 (pg. 1-149), nader te noemen: het politiedossier.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2014 (pg. 3-10), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 9 november 2014 te 11:48 uur kwam er bij de meldkamer van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost de melding binnen dat er een aanrijding had plaats gevonden op de Kanaaldijk te Aarle Rixtel.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2014 (pg. 34), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 9 november 2014 omstreeks 11:45 uur reed ik als bestuurder met mijn privéauto, komende uit de richting Helmond, op de Kanaaldijk te Aarle-Rixtel. De Kanaaldijk is gelegen buiten de bebouwde kom van Aarle-Rixtel en ligt in de gemeente Laarbeek. Ter plaatse maakt de Kanaaldijk, gezien mijn rijrichting, een grote bocht naar links. In deze bocht zag ik, komende uit de richting Beek en Donk, een personenauto naderen. Ik zag dat deze personenauto een Landrover betrof die mij enigszins slingerend naderde. Ik zag dat het naderende voertuig slingerend tussen de belijningen reed. Ongeveer 20 meter voordat wij elkaar passeerden, zag ik dat deze bestuurder met zijn voertuig over de middenstreep van de genoemde rijbaan reed. Ik week derhalve enigszins naar rechts uit om een eventuele aanrijding te voorkomen. In het voorbij rijden, zag ik meteen dat de betreffende bestuurder van de genoemde Landrover de mij ambtshalve bekende [verdachte] , wonende te Aarle-Rixtel, was. Ik zag verder dat deze [verdachte] enigszins naar links onderuit gezakt zat in zijn auto. Verder leek het alsof [verdachte] zijn ogen dicht, dan wel nagenoeg, dicht had.

Het is mij ambtshalve bekend dat genoemde [verdachte] , zowel een notoire alcoholist als harddrugsgebruiker is. Verder weet ik ambtshalve dat deze [verdachte] ook gewoon voertuigen bestuurt als hij deze middelen heeft gebruikt.

3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 november 2014 (pg. 77-78), voor zover inhoudende als verklaring van getuige ( [getuige 1] ):

Op 9 november 2014, omstreeks 12 uur, reed ik samen met mijn dochter [getuige 2] in een Kia Picanto. Ik was de bestuurder van de auto. Mijn dochter en ik reden op de Kanaaldijk in de richting van Beek en Donk.

Op een gegeven moment zag ik in de tegemoet komende richting, dus uit de richting van Beek en Donk, een grote auto aan komen. Ik zag dat die auto op de weghelft kwam waarop wij reden. Dit was dus voor die auto de verkeerde weghelft.

Ik heb nog in de auto kunnen kijken. Ik heb maar 1 persoon gezien in de auto. Ik zag dat het een man was. Ik heb geen schrikreactie gezien in het gezicht van de man. Ik had het idee dat de man afwezig was.

Ik voelde dat die grote auto ons aan de zijkant raakte.

4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 november 2014 (pg. 79-80), voor zover inhoudende als verklaring van getuige ( [getuige 2] ):

Ik zat 9 november 2014, tussen 11:45 en 12:00 uur, als bijrijder in de auto van mijn moeder, [getuige 1] . Mijn moeder bestuurde de auto, een grijze Kia Picanto. We reden op de Kanaaldijk.

Op een gegeven moment zag ik uit tegenovergestelde richting een grote personenauto komen, een donkerkleurig jeep-model. Ik zag dat deze op onze weghelft kwam. Ik zag dat de man in de auto op ons af kwam. Ik zag dat de man niet terugstuurde naar zijn eigen helft.

Kennelijk vond daarna een aanrijding plaats tussen die auto en die van ons. Ik weet dat we aan de andere kant van de weg tot stilstand kwamen in het grasveld. Ik zag dat er nog een auto was aangereden.

5. Het proces-verbaal Van aanrijding misdrijf d.d. 10 november 2014 (pg. 12-16), vóór zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op 9 november 2014 kreeg ik kennis van een verkeersongeval op de Kanaaldijk in Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek.

Betrokken voertuig 1 :

Personenauto, [BB-00-BB] , Kia Picanto;

Eigenaar/houder: [getuige 1] .

Betrokken voertuig 2:

Personenauto, [CC-00-CC] , Renault Twingo;

Bestuurder: [slachtoffer] .

Betrokken voertuig 3 :

Personenauto, [AA-00-AA] , Land Rover Freelander 2;

Bestuurder: [verdachte] .

Bij of kort na het ongeval is onderstaand persoon overleden:

Achternaam: [slachtoffer] ;

Voornamen: [...] ;

Geboren: [geboortedatum] 1962;

Aangifte overlijden: 9 november 2014, 12:24 uur.

6. Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 18 december 2014 (pg. 51-72), opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

Op 9 november 2014 stelden wij een onderzoek in naar de juiste toedracht van het hierna bedoelde verkeersongeval. Bij dit ongeval waren betrokken:

- een personenauto van het merk Land Rover, kenteken [AA-00-AA]

- een personenauto van het merk Renault, type Twingo, kenteken [CC-00-CC]

- een personenauto van het merk Kia, type Picanto, kenteken [BB-00-BB] .

In dit proces-verbaal wordt uitgegaan van de rijrichting van de Land Rover, rijdende over de Kanaaldijk in de richting van Helmond.

Het ongeval vond plaats in een bocht naar rechts op de voor het openbaar verkeer openstaande weg de Kanaaldijk, plaatselijk gelegen buiten de bebouwde kom van Aarle-Rixtel in de gemeente Laarbeek.

Er waren ter plaatse geen afwijkende verkeersmaatregelen van kracht. Ten aanzien van de weg en de wegbeheerder hebben wij vastgesteld dat er geen omstandigheden waren die de oorzaak, gevolgen of de toedracht van het ongeval zouden hebben kunnen beïnvloed. Ten tijde van het ongeval was het droog weer.

De botspositie van de aanrijding tussen de Land Rover en de Kia was zichtbaar op het wegdek en was geheel gelegen op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. Op het wegdek waren wringsporen zichtbaar afkomstig van respectievelijk de linker voorband van de Land Rover en de linker achterband van de Kia.

Hierna liep een ongeveer 18,65 meter lang walkspoor in een nagenoeg rechte lijn door tot de plaats waar de Land Rover nagenoeg frontaal in botsing kwam met de Renault.

De botspositie van de aanrijding tussen de Land Rover en de Renault was zichtbaar op het wegdek en was geheel gelegen op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer.

Op het wegdek waren wringsporen zichtbaar afkomstig van respectievelijk de linker voorband van de Land Rover en de linker voorband van de Renault.

Oorzaak

De bestuurder van de Land Rover hield niet zoveel mogelijk rechts.

Toedracht

In een flauwe bocht naar rechts reed de bestuurder van de Land Rover op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer. Daarbij botste hij met de linker voorzijde tegen de linker flank van de tegemoetkomende Kia welke daardoor van de weg raakte en in de rechter berm tot stilstand kwam.

Vervolgens botste de Land Rover met de voorzijde links tegen de voorzijde links van de tegemoetkomende Renault, welke door het grote massaverschil tussen beide voertuigen achteruit tegen de geleiderail werd geduwd waarna deze linksom zijn gieras draaide en vervolgens over de kop sloeg, waarna deze op zijn dak tot stilstand kwam.

Gevolg

Alle bij het ongeval betrokken voertuigen raakten zwaar beschadigd. Ten gevolge van de aanrijding kwam de bestuurder van de Renault om het leven.

7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 november 2014 (pg. 73), voor zover inhoudende als verklaring van getuige ( [getuige 3] ):

U toont mij zojuist een stoffelijk overschot welke ik herken als zijnde mijn broer [slachtoffer] . Volledig is hij genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1962.

8. Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 10 november 2014 (pg. 20-21), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op 9 november 2014, omstreeks 12:25 uur, hield ik als verdachte aan:

Achternaam: [verdachte] ;

Voornamen: [...] .

Bij mij is ambtshalve bekend dat verdachte [verdachte] in het verleden meerdere malen is voorgekomen terzake artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Hierop heb ik bij verdachte [verdachte] op straat een voorlopige alcoholtest afgenomen. Ik zag dat de verdachte een P/A blies.

9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2014 (pg. 35), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , met bijgevoegd testformulier ademanalyse met testnummer 141109026 (pg. 36):

Op 9 november 2014 om 12:58 uur vorderde ik, verbalisant [verbalisant 6] dat verdachte [verdachte] medewerking verleende aan een ademanalyse.

Start datum en tijd: 9-11-2014, 12:59 uur.

Verdachte:

Naam: [verdachte] ;

Voornamen: [...] ;

Geboortedatum: [...] - [...] -1970.

Ademonderzoeksresultaat: 85 µg/l.

NMI goedgekeurd tot 17-12-2014.

De bedienaar verklaart de ademonderzoekprocedure conform de voorschriften te hebben uitgevoerd.

10. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 november 2014 (pg. 96-97), voor zover inhoudende weergave van verhoor van verdachte ( [verdachte] ):

U vraagt mij wat er is gebeurd?

Ik kwam uit de richting Beek en Donk en op eens ontstond er een aanrijding.

U vraagt of ik in slaap ben gevallen of een black-out heb gehad?

Nee, dit is niet het geval.

11. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 november 2014 (pg. 98-100), voor zover inhoudende weergave van verhoor van verdachte ( [verdachte] ):

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord verdachte

V: Kunt u vertellen wat er vandaag (het hof leest: 9 november 2014) is gebeurd?

A: Ik heb bij restaurant [...] koffie gedronken en daar kreeg ik een likeurtje bij. Vervolgens ben ik richting Helmond gereden en in die bocht raakte een tegemoetkomende auto mij linksvoor.

V: In wat voor voertuig reed u?

A: Ik reed in een Land Rover. Het kenteken hiervan is [AA-00-AA] . Ik zat alleen in het voertuig.

V: Hoe laat was u bij restaurant [...] , gelegen langs het kanaal in Beek en Donk te Aarle-Rixtel?

A: Rond 11:00 uur denk ik.

V: U heeft daar een koffie gedronken en u kreeg daar een likeur bij. Heeft u die likeur opgedronken en wat was de inhoud hiervan?

A: Dat was een klein glaasje met onderin iets van sterke drank en daarbovenop zat slagroom. Dit heb ik in mijn koffie gedaan.

V: Hoeveel van deze slagroom likeurtjes heeft u gehad?

A: Twee.

12. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2014 (pg. 38), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :

Op 9 november 2014 was ik werkzaam op het politiebureau als arrestantenverzorger. Omstreeks 17:10 uur kreeg ik de opdracht om de verdachte [verdachte] in te sluiten.

Tijdens de insluiting wordt altijd aan de verdachte nagevraagd of hij medische bijzonderheden heeft waar wij tijdens zijn verblijf hier rekening mee moeten houden. Verdachte [verdachte] gaf aan dat hij al een poos medicatie gebruikt voor het slapen gaan. Verdachte gaf aan dat hij Lorazepam 2,5 mg, 1x daags 2 tabletten gebruikt.

Gezien de hoeveelheid dat ik tijdens mijn werk geconfronteerd wordt met deze medicatie is het mij ambtshalve bekend dat deze medicatie de rijvaardigheid beïnvloedt.

Ik stelde de verdachte de vraag of hij gisterenavond voor het slapen gaan deze medicatie heeft gebruikt. Ik hoorde dat de verdachte [verdachte] zei dat hij deze inderdaad gebruikt had. Tevens zag ik dat hij met zijn hoofd ‘ja’ knikte.

13. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 november 2014 (pg. 101-103), voor zover inhoudende als verhoor van verdachte ( [verdachte] ):

Ik gebruik medicijnen. Ik weet dat ik geen auto mag rijden als ik deze medicijnen gebruikt heb.

14. Het proces-verbaal van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, locatie ‘s-Hertogenbosch, d.d. 16 november 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik wist dat er een gele sticker op het doosje (het hof begrijpt: het doosje Lorazepam) zat en dat dit met rijvaardigheid te maken had. Ik heb de bijsluiter gelezen. Ik weet dat je na inname van dat medicijn niet moet gaan rijden.

15. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2014 (pg. 37), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :

Op 9 november 2014 was ik belast met het onderzoek naar verdachte [verdachte] . Op bevel van de officier van justitie werd de afname van bloed verricht.

Om 14.55 uur zag ik dat de GGD-arts bloed afnam uit de rechterarm van verdachte [verdachte] . Ik zag dat de twee buisjes met het bloed van verdachte [verdachte] door de GGD-arts in het bloedblok werden gedaan. Ik labelde dit bloedblok met het SIN-nummer “TAAK5913NL” (het hof begrijpt: TAAK5914NL) en verzegelde dit.

16. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 23 december 2014 (pg. 143-148), met rapportnummer 2014.12.01.272, opgemaakt door K.J. Lusthof, apotheker-toxicoloog, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

Politie nummer: PL2100-2014162866-23;

Datum aanvraag: 9 november 2014;

Verdachten: [verdachte] , geboortedatum [...] - [...] -1970.

SIN

Omschrijving

TAAK5914NL

Bloed van [verdachte]

De resultaten van het toxicologisch onderzoek in het bloed van [verdachte] staat in tabel 2.

Tabel 2

Stof

Stof(groep)

Concentratie/Resultaat

Lorazepam

Benzodiazepinen

0,057 mg/l

Lorazepam (merknaam Temesta) is een benzodiazepine en wordt onder andere toegepast bij kortdurende behandeling van slaapstoornissen. De effecten van benzodiazepinen zijn afhankelijk van de mate van gewenning aan benzodiazepinen. Het gebruik van benzodiazepinen kan de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden in een mate die afhankelijk is van het soort benzodiazepinen en de mate van gewenning aan benzodiazepinen. Lorazepam is een geneesmiddel dat waarschijnlijk een ernstig nadelige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid heeft. Gebruikelijke therapeutische concentraties in serum van lorazepam variëren van ongeveer 0,02 tot 0,25 mg/l. De concentratie in bloed is voor de meeste geneesmiddelen niet gelijk aan de concentratie in serum; voor lorazepam is de omrekeningsfactor niet bekend. In het algemeen verschilt de concentratie in serum ten opzichte van de concentratie in bloed niet meer dan een factor twee.

In het bloed van [verdachte] is een therapeutische concentratie van lorazepam gemeten van 0,057 mg/l.

Op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door de volgende aangetoonde stof: lorazepam.

17. Het aanvullend rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 29 oktober 2015 met rapportnummer 2014.12.01.272, opgemaakt door R. Oosting, apotheker-toxicoloog, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

SIN

Omschrijving

TAAK5914NL

Bloed van [verdachte]

In het bloed van [verdachte] zijn quetiapine en norquetiapine aangetoond.

De gemeten bloedconcentraties quetiapine en desmethyldiazepam zijn laag en een nadelige beïnvloeding van de rijvaardigheid door alleen deze stoffen is niet waarschijnlijk. In het bloed is geen alcohol aangetoond. Er is sprake van een therapeutische bloedconcentratie lorazepam. De combinatie van lage concentraties quetiapine en desmethyldiazepine met een therapeutische concentratie lorazepam leidt waarschijnlijk tot een marginaal aanvullend negatief effect (op het effect van lorazepam) op de rijvaardigheid. De conclusie van het NFI deskundigenrapport van 23 december 2014 blijft daarom gehandhaafd:

Op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door de volgende aangetoonde stof: lorazepam.”

18. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 15 september 2015, voor zover inhoudende als verklaring van deskundige R.R. Oosting, werkzaam als apotheker-toxicoloog bij het NFI in Den Haag:

Lorazepam en alcohol (ethanol) zijn beide rijvaardigheid beïnvloedende stoffen die elkaar kunnen versterken.”

7. Het eerste middel komt op tegen de bewijsmotivering en tegen het ontbreken van respons op verscheidene uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die betrekking hebben op het bewijs van de nadelige invloed van alcohol en medicatie op de rijvaardigheid van de verdachte. Het middel valt uiteen in vijf klachten.

8. De eerste klacht (randnummer 1.18 van de schriftuur) houdt in dat het hof in navolging van de NFI-deskundige dr. Lusthof is uitgegaan van een onjuiste omrekenfactor voor de concentratie van lorazepam in bloed naar de concentratie van lorazepam in serum en dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het TMFI-rapport van dr. Pennings, wiens conclusie zou afwijken van die van het NFI.

9. Aan deze klacht liggen – anders dan de stellers van het middel betogen – wel degelijk enkele onjuiste veronderstellingen ten grondslag. Ik zal de materie inleiden, want zonder enige toelichting vallen de klacht en de bespreking ervan niet te volgen.

10. Niet ter discussie staat dat de (gebruikelijke) therapeutische concentraties van lorazepam variëren van ongeveer 0,02 tot 0,25 milligram per liter (mg/l) serum.3 Een ‘therapeutische concentratie’ (in serum) betekent dat de stof in de concentraties die binnen de opgegeven bandbreedte zijn gelegen bij de gemiddelde persoon4 een effect sorteert, dat wil zeggen: werkzaam is. Dat kan een medisch beoogd effect zijn, maar daaronder vallen ook bijwerkingen. Dat laatste is immers een relatief begrip. Wat onder bepaalde omstandigheden (liggend in bed) wordt beoogd, versuffing bijvoorbeeld, kan onder andere omstandigheden (bij deelneming aan het verkeer) ongewenst zijn.

Bloedserum, kortweg: serum, is een bestanddeel van bloed, namelijk de vloeistof die overblijft wanneer bloed is gestold. Het bestaat voornamelijk uit water, zouten en andere opgeloste stoffen.5 Voor het onderwerp van bespreking zijn de begrippen ‘(bloed)plasma’6 en ‘(bloed)serum’ inwisselbaar.7 ‘Serum’ of ‘plasma’ enerzijds en ‘bloed’ anderzijds, zijn in dit verband echter niet inwisselbaar.

In de voorliggende zaak is van de verdachte ongeveer drie uur na het ongeval bloed afgenomen voor toxicologisch onderzoek. Hierbij werd in het bloed van de verdachte een concentratie lorazepam van 0,057 mg/l gemeten.

De bandbreedte van de therapeutische concentraties lorazepam in bloed is onbekend. Om die reden moet de concentratie lorazepam in bloed worden geconverteerd in (‘omgerekend’ naar) de concentratie lorazepam in serum.

Indien een stof geheel gelijkmatig zou zijn gemengd in bloed, dan is de concentratie van die stof in serum (of bloedplasma) identiek aan de concentratie van die stof in het totale bloed (volbloed). Zo eenvoudig is de werkelijkheid echter niet; de concentratie van een stof in serum kan groter of kleiner zijn dan de concentratie van die stof in het totale bloed. Er is dus een ‘omrekenfactor’ nodig. Er zijn in deze zaak echter twee problemen. (1) Kennelijk varieert de omrekenfactor (per mens). (2) De omrekenfactor van lorazepam is onbekend.

Om die twee redenen wordt door de deskundigen geschat binnen welke interval die omrekenfactor zich moet bevinden. NFI-deskundige Lusthof houdt een interval (een bovengrens en een ondergrens) aan van een factor 2. Dat wil zeggen dat de concentratie lorazepam in serum (maximaal) twee keer hoger, maar ook (minimaal) twee keer lager kan zijn dan de vastgestelde hoeveelheid lorazepam in bloed. TMFI-deskundige Pennings is specifieker. Daarop kom ik hieronder terug.

11. De klacht houdt zoals gezegd in dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat NFI-deskundige dr. Lusthof is uitgegaan van een onjuiste omrekenfactor en dat het hof in dat verband had moeten ingaan op het TMFI-rapport van dr. Pennings.

12. Het hof heeft het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging omtrent het gebrek aan bewijs dat de verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde onder invloed van lorazepam (en alcohol) uitdrukkelijk besproken. Het hof heeft daarop namelijk gerespondeerd met een verwijzing naar de rapportages van NFI-deskundigen Lusthof en Oosting en de verklaring van Oosting ter terechtzitting in eerste aanleg. Juist is dat het hof daarbij niet expliciet melding heeft gemaakt van het rapport van TMFI-deskundige Pennings. Dat hoefde het hof ook niet, en ik zal nu uitleggen waarom.

13. In de eerste plaats blijkt uit het bestreden arrest niet dat het hof én de NFI-deskundige Lusthof de omrekenfactor onjuist zouden hebben begrepen of toegepast. Er is (dus) geen reden om aan te nemen dat het hof zich geen rekenschap heeft gegeven van de omstandigheid dat de omrekenfactor 2, zowel de bovengrens (twee keer hoger) als de benedengrens (twee keer lager) afbakende voor het omrekenen van de concentratie lorazepam in bloed naar de concentratie lorazepam in serum.

14. In de tweede plaats is het rapport van TMFI-deskundige Pennings verenigbaar met de conclusie van NFI-deskundigen Lusthof en Oosting. Pennings is in zijn beantwoording van de aan hem gestelde vragen echter wel uitgebreider en specifieker dan het NFI. Zijn conclusie is bovendien méér belastend voor de verdachte. Om dat te laten zien zal ik Pennings op het springende punt, anders dan de stellers van het middel, volledig citeren. De lezer moet wel begrijpen dat Pennings in eerste instantie spreekt over de omrekenfactor voor (psychotrope) stoffen in het algemeen, en dat hij zijn beschouwingen daarna toespitst op de groep van psychotrope stoffen die ‘benzodiazepinen’ worden genoemd, waaronder lorazepam wordt geschaard. Hij schrijft:

Om deze redenen is de omrekenfactor van bloed naar serum (en plasma) niet groter dan twee. Dit betekent dat de concentratie in het serum een factor twee hoger en een factor twee lager kan zijn. Men drukt dit uit in de zogenoemde bloed-plasmaverhouding (b/p-ratio). Voor benzodiazepinen loopt, voor zover bekend, de b/p-ratio van 0,5 tot 1,3 (Tabel 1). Op basis hiervan is de plasmaconcentratie 2 tot 0,77 maal de bloedconcentratie.”8

Deze omrekenfactoren toepassend op de concentratie van lorazepam in het bloed (TAAK5914NL) van [verdachte] is de concentratie van lorazepam in zijn plasma ten minste 0,044 mg/L (0,77 x 0,057 mg/L) geweest en maximaal 0,11 mg/L (2 x 0,057 mg/L).”9

De bekende bloed-plasmaverhoudingen (Tabel 1) van benzodiazepinen liggen tussen 0,5 en 1,3. Op basis hiervan ligt de vermenigvuldigingsfactor voor de omrekening van bloedconcentraties naar plasmaconcentratie tussen 2 en 0,77. Op basis van deze gegevens voor verschillende benzodiazepinen is de concentratie van lorazepam ten minste 0,057 x 0,77 = 0,044 mg/L geweest in het serum van [verdachte].”10

Volgens Pennings ligt de minimale concentratie van lorazepam in serum bij de verdachte op het moment van bloedafname (0,044 mg/l) dus ruim tweemaal boven de therapeutische ondergrens (0,02 mg/l). Pennings schrijft dan ook niet dat de vastgestelde en vervolgens omgerekende concentratie lorazepam in serum rond de therapeutische ondergrens is gelegen. In dat (zich niet voordoende) geval zou volgens hem door deskundigen geen uitspraak kunnen worden gedaan over de waarschijnlijkheid van de beïnvloeding van de rijvaardigheid op het moment van bloedafname door het gebruik van (in dit geval) lorazepam; dat is mogelijke conclusie nr. 4 in het NFI-rapport. Pennings schrijft uitsluitend dat indien de therapeutische ondergrens wordt benaderd conclusie 4 van toepassing zou zijn.11

15. Terzijde veroorloof ik mij nog een opmerking van bewijsrechtelijk meer principiële aard, die ik hier overigens niet verder zal uitwerken. Het zogeheten ‘voordeel van de twijfel’, dat besloten ligt in de onschuldpresumptie, is van toepassing op de bewijsbeslissing van de rechter na beschouwing ‘in onderling verband en samenhang’ van de gehele collectie van door hem in aanmerking te nemen bewijsmateriaal, met inbegrip van ontlastend bewijs. Dat ‘voordeel van de twijfel’ is echter niet van toepassing op ieder bewijsmiddel afzonderlijk. De enkele mogelijkheid dat de concentratie van lorazepam in het serum van de verdachte op het moment van bloedafname was gelegen beneden of in de buurt van de ondergrens van de therapeutische bandbreedte is niet doorslaggevend. Uitschieters zijn namelijk altijd mogelijk. Het gaat om de vraag naar de waarschijnlijkheid van die mogelijkheid. Het hof mag bij de – aan hem voorbehouden – weging en waardering van het bewijsmateriaal de meest waarschijnlijke toestand in aanmerking nemen en in een zekere mate voorbijgaan aan onwaarschijnlijke mogelijkheden. Dat de ondergrens van de concentratie van lorazepam in serum van de verdachte na toepassing van de voor de verdachte meest gunstige omrekenfactor (namelijk die van het NFI) enigszins in de buurt komt van de ondergrens van de therapeutische concentraties in serum behoefde het hof er dus niet van te weerhouden om de resultaten van het toxicologisch onderzoek in de bewijsvoering te betrekken.

16. Ik voeg daaraan toe dat het hof het bewijs van de toestand waarin de verdachte kort voorafgaande aan het ongeval verkeerde niet alleen heeft ontleend aan de hiervoor besproken resultaten van het toxicologisch onderzoek, maar ook aan de getuigenverklaringen van [verbalisant 1] (bewijsmiddel 2) en [getuige 1] (bewijsmiddel 3). Zij waren de bestuurders van de eerste twee voertuigen die de verdachte tegemoetkwamen toen hij slingerend op de Kanaaldijk in de grote bocht naar rechts steeds meer op de voor hen bestemde rijstrook ging rijden, niet lang nadat hij was vertrokken uit het restaurant waar hij die ochtend twee likeurtjes had genuttigd. Zij zagen als de bestuurder een man die enigszins onderuitgezakt zat, (half) met z’n ogen dicht, respectievelijk die ‘afwezig’ leek en niet schrok van het op dat moment reeds onvermijdelijke ongeval. Tevens heeft het hof de eigen verklaring van de verdachte, over zijn gebruik van alcohol en lorazepam, in aanmerking genomen. ’s Hofs bewijsoordeel kan uit die bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, zonder meer worden afgeleid.

17. Dit gezegd hebbend constateer ik dat de eerste klacht faalt. Dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging omtrent de omrekenfactor blijkt niet. Bovendien hoefde het hof de inhoud van het TMFI-rapport van Pennings niet uitdrukkelijk te bespreken, omdat dit rapport niet afwijkt van de door het hof omarmde conclusies van het NFI.

18. De tweede klacht (randnummer 1.19 van de schriftuur) houdt in dat het hof heeft verzuimd te responderen op het standpunt dat de vaststelling van een ademalcoholgehalte van 85 microgram per liter (µg/l) uitgeademde lucht wordt weerlegd door de veel meer betrouwbare bloedanalyse, waaruit het resultaat van 0,00 milligram alcohol per liter bloed volgde.

19. Volgens de vaststellingen van het hof werd de verdachte ruim een uur na het ongeval, omstreeks 12.59 uur, onderworpen aan een ademanalyse. Het resultaat van de voltooide ademanalyse betrof een ademalcoholgehalte van 85 µg/l. Twee uur later, om 14.55 uur, werd van de verdachte bloed afgenomen, dat onder meer is onderzocht op het alcoholgehalte. In het bloed werd géén alcohol vastgesteld.

20. De klacht dat het hof op het standpunt van de verdediging omtrent de discrepantie tussen deze onderzoeksresultaten had moeten ingaan snijdt geen hout. Het enige argument dat aan dat standpunt ten grondslag is gelegd, te weten dat het resultaat van bloedalcoholonderzoek meer betrouwbaar zou zijn dan het resultaat van ademanalyse, is verder niet onderbouwd. Bovendien is de verdediging niet ingegaan op de mogelijkheid dat het verschil in resultaat wordt verklaard door de afbraak van alcohol in het lichaam van de verdachte tussen het moment van de ademanalyse en het moment van de bloedafname.12 Het standpunt kan dus niet worden aangemerkt als een op zichzelf staand uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

21. Met de derde klacht (randnummer 1.20 van de schriftuur) komen de stellers van het middel op tegen het gebruik tot het bewijs van een conclusie van een verbalisant, te weten dat het deze verbalisant ambtshalve bekend is dat lorazepam de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt. Hetgeen deze verbalisant concludeert gaat zijn waarnemingsvermogen ruim te boven en bevat mededelingen van deskundige aard, aldus de stellers van het middel, die kennelijk doelen op een passage uit bewijsmiddel 12, de verklaring van [verbalisant 8] , arrestantenverzorger.

22. Dat deze klacht faalt, is vrij evident. Het hof heeft deze – overigens onbetwiste – conclusie overgenomen van de NFI-deskundigen Lusthof (bewijsmiddel 16) en Oosting (bewijsmiddel 18), zodat de gewraakte passage probleemloos uit de bewijsvoering kan worden weggedacht.

23. De vierde klacht (randnummers 1.20 en 1.21 van de schriftuur) komt op tegen het bewijsoordeel dat de verdachte wist dat hij een voertuig bestuurde onder zodanige invloed van lorazepam in combinatie met alcohol dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht. Bovendien heeft het hof volgens de stellers van het middel niet gerespondeerd op het standpunt ter zake dat is weergegeven onder het kopje ‘kinetiek’ in de pleitnota, zonder overigens dat de stellers van het middel zelf überhaupt een poging ondernemen om hiervan een begrijpelijke samenvatting te geven.

24. Ik wil het kort houden. Volgens de in cassatie onbestreden vaststellingen van het hof heeft de verdachte nog geen uur voor het ongeval twee likeurtjes gedronken en heeft hij de avond tevoren twee tabletten van elk 2,5 mg lorazepam tot zich genomen. Van beide stoffen wist hij dat zij de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden en hij wist ook dat je na het innemen van lorazepam niet mag gaan rijden, aldus eveneens de vaststellingen van het hof. Het komt mij voor dat hieruit het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte geenszins onbegrijpelijk kan worden afgeleid.

Het standpunt van de verdediging, in de pleitnota vermeld onder de noemer ‘kinetiek’, berust op het – op basis van de halfwaardetijd van lorazepam – terugrekenen van hoeveelheden lorazepam in het bloed van de verdachte en op de notie van een ‘steady state’ waarin de aan dit slaapmiddel gewende verdachte zou verkeren. Het standpunt steunt echter op zodanig wankele aannames en speculaties13 dat het hof hieraan zonder meer voorbij mocht gaan en kon volstaan met de bewijsmotivering waarvan ik reeds opmerkte dat die in cassatie als geenszins onbegrijpelijk moet worden aangemerkt.

25. Met de laatste klacht (randnummer 1.22 van de schriftuur) werpen de stellers van het eerste middel op dat in de bewezenverklaring van de strafverzwarende omstandigheid van de onder 1 bewezenverklaarde – kort gezegd – ‘dood door schuld in het verkeer’ het bestanddeel opzet ontbreekt, althans de vermelding dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van deze hoeveelheid alcohol, al dan niet in combinatie met lorazepam, de rijvaardigheid kan verminderen.

26. Mij ontgaat het belang bij het succes van deze klacht. Ook zonder de kwalificatie van de strafverzwarende omstandigheid blijft de opgelegde straf ver onder het – alsdan toepasselijke – strafmaximum.

27. Het eerste middel faalt.

28. Het tweede middel klaagt dat onder meer het hof in strijd met artikel 6 EVRM en artikel 359 Sv voor het bewijs en voor de strafoplegging gebruik heeft gemaakt van een passage uit de verklaring van de getuige [verbalisant 1] (een politieambtenaar).

29. De gewraakte passage is opgenomen onder bewijsmiddel 2, dat onder meer inhoudt als de verklaring van [verbalisant 1] :

“Het is mij ambtshalve bekend dat genoemde [verdachte] , zowel een notoire alcoholist als harddrugsgebruiker is. Verder weet ik ambtshalve dat deze [verdachte] ook gewoon voertuigen bestuurt als hij deze middelen heeft gebruikt.

30. Meer specifiek houdt de klacht in dat uit het arrest volgt dat het hof deze passage redengevend voor het bewijs en de strafoplegging heeft beschouwd, terwijl de verdachte hiervoor nooit bij onherroepelijke uitspraak van een rechter is veroordeeld. Gelet hierop heeft het hof gehandeld in strijd met artikel 6 lid 2 EVRM, zodat het arrest, althans de bewezenverklaringen en/of strafoplegging onvoldoende met redenen is/zijn omkleed, aldus de stellers van dit middel.

31. Vooropgesteld zij dat het middel niet klaagt over de (on)wettigheid van deze door het hof onder de bewijsmiddelen opgenomen passage uit de verklaring van [verbalisant 1] . Mochten dergelijke mededelingen over feiten die niet door een verbalisant zelf zijn waargenomen of ondervonden wél kunnen doorgaan voor wettige bewijsmiddelen, dan zou dat de bewijslast van het Openbaar Ministerie in deze en andere strafzaken overigens aanzienlijk verlichten (“Mij is ambtshalve bekend dat de verdachte het misdrijf heeft begaan”).

32. Dit onderdeel van het middel valt uiteen in twee deelklachten, namelijk over (1) het gebruik van deze passage tot het bewijs, en (2) het gebruik daarvan voor de strafoplegging. Wanneer eerst de bewijsvoering in ogenschouw wordt genomen blijkt dat het hof deze passage weliswaar onder de bewijsmiddelen heeft opgenomen, maar dat zij geen enkele rol vervult in de bewijsvoering, direct noch indirect. De bewezenverklaring houdt immers niet in dat de verdachte voertuigen heeft bestuurd na het gebruik van harddrugs. Lorazepam is geen harddrug, en alcohol net zo min. Deze passage is klaarblijkelijk niet redengevend geweest voor het bewijs. De eerste deelklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

33. De tweede deelklacht roept de vraag op of het hof deze passage ten grondslag heeft gelegd aan de strafoplegging. De strafoplegging is in het bestreden arrest als volgt gemotiveerd:

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat ten gevolge van het aan de schuld van de verdachte te wijten ongeval [slachtoffer] is komen te overlijden, als gevolg waarvan groot leed en verlies is toegebracht aan de familie en naaste omgeving van het slachtoffer;

- de omstandigheid dat ten gevolge van de gedragingen van verdachte een aanrijding heeft plaatsgevonden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt voor de inzittenden [getuige 1] en haar zwangere dochter [getuige 2] .

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2018.

Daaruit blijkt dat verdachte eerder reeds meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtredingen van de Wegenverkeerswet, waarbij meermalen onder invloed van alcohol is gereden.

Voorts heeft het hof bij de straftoemeting acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof houdt tevens rekening met het feit dat de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten in eendaadse samenloop zijn gepleegd.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

In dat verband wordt overwogen dat de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, voor het veroorzaken van een verkeersongeval – ingeval ernstige schuld na gebruik van alcohol < 570 mg/l met een dodelijk slachtoffer tot gevolg – als indicatie een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en een rijontzegging voor de duur van drie jaren aangeven. In beginsel geldt een dergelijke bestraffing dus als een passende reactie op een misdrijf als onder 1 bewezen is verklaard. Het hof is echter van oordeel dat die reactie in het onderhavige geval niet passend is, met name gelet op de omstandigheid dat verdachte in het verleden reeds meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake het rijden onder invloed, alsmede ter zake openbare dronkenschap, hetgeen wijst op ernstige problematiek met betrekking tot middelengebruik.

Alles overziende is het hof van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Daarenboven zal de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde – mede ter bescherming van de verkeersveiligheid – voor de duur van 4 jaren en zes maanden de bevoegdheid worden ontzegd om motorrijtuigen te besturen. De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde zal het hof aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

In hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, ziet het hof geen aanleiding om een strafmatiging toe te passen.

34. Deze overwegingen wijzen uit dat het hof de straftoemeting niet heeft doen steunen op de mededeling van [verbalisant 1] over diens ambtshalve wetenschap dat de verdachte “gewoon” voertuigen bestuurt na het gebruik van harddrugs. Ook ter terechtzitting, bij de bespreking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is deze kwestie niet ter sprake gekomen. Het moet er dus voor worden gehouden dat deze passage niet redengevend is geweest voor de strafoplegging. Ook in zoverre faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.

35. Bovendien klaagt het middel tot slot nog dat het hof niet heeft gerespondeerd op het standpunt van de verdediging dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het tijdsverloop. De klacht faalt eveneens bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers overwogen dat het in hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, geen aanleiding ziet om een strafmatiging toe te passen.

36. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

37. Het derde middel klaagt over een overschrijding van de redelijke termijn na het instellen van cassatie.

38. Het bestreden arrest is gewezen op 11 juni 2018. Cassatieberoep is ingesteld op 14 juni 2018. De dossierstukken met onder meer de aanvulling op het verkorte arrest zijn negen maanden later ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, namelijk op 14 maart 2019. Hierover klaagt het middel terecht. Ik heb ter compensatie hiervan getracht bij te dragen aan een voortvarende afdoening van de zaak in cassatie. Ik ga er vooralsnog van uit dat de Hoge Raad mij hierin volgt. Dan faalt het middel.

39. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 RO ontleende overweging.

40. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik heb enkele kennelijke verschrijvingen verbeterd.

2 Daar waar de bewezenverklaring melding maakt van ‘rijbaan’ is tekens bedoeld: rijstrook.

3 Zie bewijsmiddel 16, het NFI-rapport d.d. 23 december 2014. In het TMFI-rapport van dr. Pennings d.d. 15 februari 2018 wordt dit niet weersproken.

4 De deskundigen definiëren het begrip ‘therapeutische concentratie’ in deze zaak niet nauwkeurig en spreken in dit verband over een merkbaar effect op een ‘gemiddeld (gezond) persoon’. Ik vermoed dat hiermee wordt bedoeld dat bij klinisch onderzoek onder gezonde personen bij 95% van de leden van de onderzochte groep personen een effect (werkzaamheid) wordt waargenomen ingeval de concentratie van de stof in bloedserum is gelegen binnen het genoemde interval. Bij hogere concentraties wordt de stof toxisch. Bij lagere concentraties is de stof ‘subtherapeutisch’ bij 95% van de onderzochte personen, dat wil zeggen dat bij hen geen (duidelijk) effect is waargenomen.

5 Over de samenstelling van bloed en het onderscheid tussen bloed, bloedplasma en serum is op internet veel informatie ontsloten. Een helder schemaatje vond ik op: https://www.hematologienederland.nl/book/export/html/1338. Zie in deze zaak ook het TMFI-rapport van dr. Pennings d.d. 15 februari 2018, onder vraag 6.

6 Bloedplasma, kortweg plasma, is gelijk aan serum waarin de stollingseiwitten nog aanwezig zijn. Zie voorgaande voetnoot.

7 Voor de chemische analyse van lichaamsvreemde stoffen zijn plasma en serum aan elkaar gelijk. Voor toxicologische interpretatie zijn concentraties in plasma gelijk aan concentraties in serum”, aldus dr. Pennings in het TMFI-rapport.

8 Zie p. 6 van het TMFI-rapport van Pennings d.d. 15 februari 2018. Hij herhaalt die passage vrijwel letterlijk op p. 7 bovenaan.

9 Zie p. 7.

10 Pennings, TMFI-rapport d.d. 15 februari 2018, p. 11.

11 Pennings, TMFI-rapport d.d. 15 februari 2018, p. 9.

12 Pennings bespreekt in het TMFI-rapport d.d. 15 februari 2018 deze afbraak van alcohol in het lichaam wel degelijk. Zie daarover het TMFI-rapport, p. 11 onderaan.

13 De verdediging ging er bovendien aan voorbij dat volgens Pennings de Cmax in bloed na inname van 2 x 2,5 mg lorazepam eenmaal daags niet kan worden teruggerekend, omdat de tijdstippen van achtereenvolgens één en twee halfwaardetijden vóór het innametijdstip van lorazepam liggen. Zie het TMFI-rapport d.d. 15 februari 2018, p. 9.