Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:938

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/03344
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1817
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Concl. plv. AG. Gekwalificeerde doodslag, poging gekwalificeede doodslag, diefstal en afpersing. Middelen onder meer over verjaring en opzet op de dood. 1. Verjaring diefstal? Tenlastegelegd onder 2 is afpersing en/of diefstal met geweld van een fiets. Nu hof heeft vrijgesproken van art. 317 Sr en art. 312 Sr en veroordeeld wegens art. 310 Sr, welke diefstal is verjaard, had het hof het OM niet-ontvankelijk dienen te verklaren in de vervolging van de diefstal. 2. Bewezenverklaarde 'volle' opzet op de dood toereikend gemotiveerd? Hof heeft poging gekwalificeerde doodslag bewezenverklaard. Verdachte heeft slo. meermalen met een mes gestoken in diens rug en het slo. ondertussen beroofd. Opzet op de dood is toereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de tenlastegelegde diefstal en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03344

Zitting 24 september 2019 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1978,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 18 juli 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens 1 subsidiair: “doodslag, voorafgegaan en vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken”, 2: “diefstal en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, meermalen gepleegd” en 3 primair: “poging tot doodslag, voorafgegaan en vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals bepaald in het bestreden arrest.

  2. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In deze zaak heeft het hof - in navolging van de rechtbank - vastgesteld dat er zich in de vroege ochtend van 23 november 2003 in Rotterdam binnen een kort tijdbestek drie ernstige strafbare feiten hebben voorgedaan. In twee gevallen was sprake van het neersteken van het slachtoffer, waarbij een dodelijk slachtoffer valt te betreuren (feiten 1 en 3). In het derde geval zijn twee jongens beroofd dan wel afgeperst onder bedreiging met een mes (feit 2).1 De verdachte heeft zich bijna twaalf en een half jaar nadien, te weten in april 2016, gemeld bij de politie met de mededeling dat hij in 20012 een moord heeft gepleegd en dat hij voordat hij deze man – “die Feyenoordsupporter”3 – met een mes had neergestoken, heeft geroofd en heeft gedreigd met een mes en ook heeft gestoken. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij steevast ontkend de tenlastegelegde delicten te hebben gepleegd.

4 Het eerste middel

4.1

Het middel klaagt dat het hof met betrekking tot de onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde diefstal van een fiets gepleegd op 23 november 2003 heeft verzuimd het openbaar ministerie alsnog wegens verjaring van dit feit niet-ontvankelijk in zijn vervolging te verklaren.

4.2

Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 23 november 2003 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, op/aan de Verlengde Willemsbrug, in elk geval op/aan de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een portemonnee met inhoud, waaronder (waarde)papieren en/of een identiteitskaart en/of een bankpas, en/of

- een fiets, en/of

- enig geldbedrag, en/of

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met inhoud, waaronder (waarde)papieren en/of een identiteitskaart en/of een bankpas en/of een fiets en/of een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte éénmaal of meermalen

- heeft gezegd; do you know this, en/of ‘give me your money’ en/of (daarbij) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp dreigend in de richting van [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of gehouden, en/of

- (toen hij geld gekregen had) [slachtoffer 2] vast heeft gepakt en het mes, althans het scherpe en/of puntige voorwerp in/op/tegen de rug en/of de zij, althans het lichaam van [slachtoffer 2] heeft geprikt en/of gezet en/of gehouden, en/of

- (vervolgens) aan [slachtoffer 1] om geld bleef vragen en/of de portemonnee uit handen van die [slachtoffer 1] heeft gepakt”.

4.3

Het hof heeft het onder 2 aan de verdachte tenlastegelegde bewezenverklaard in die zin dat:

“hij op 23 november 2003 te Rotterdam, op/aan de Verlengde Willemsbrug, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een fiets

toebehorende aan [slachtoffer 1]

en

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met inhoud, waaronder een identiteitskaart en een bankpas en een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte

- heeft gezegd; ‘do you know this’, en/of ‘give me your money’ en daarbij een mes dreigend in de richting van [slachtoffer 2] heeft gestoken en gehouden, en

- (toen hij geld gekregen had) [slachtoffer 2] vast heeft gepakt en het mes, tegen de zij van [slachtoffer 2] heeft geprikt”.

4.4

Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop. Het vervolgingsrecht is in duur beperkt door de regeling van verjaring. Art. 348 Sr schrijft voor dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie – en dus ook naar de verjaring van de vervolging – dient te geschieden op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.4 Voor de verjaringsvraag vormt de tenlastelegging het fundament. De rechter dient ambtshalve na te gaan op welk strafbaar feit de tenlastelegging is toegesneden. Aan de hand van dat resultaat dient hij vervolgens de mogelijkheid van verjaring van het recht tot strafvordering te toetsen.5 Indien bij het onderzoek ter terechtzitting mocht blijken dat tussen de datum waarop het feit volgens de tenlastelegging is gepleegd en de behandeling ter terechtzitting de verjaringstermijn is verstreken, zal de rechter moeten nagaan of en in hoeverre de verjaring is gestuit door een tussenliggende daad van vervolging. Blijkt vervolgens dat de verjaring niet of onvoldoende tijdig is gestuit, dan zal de rechter de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dienen uit te spreken omdat het recht tot strafvordering is vervallen (art. 349 Sv jo. art. 70 Sr). In de regel zal de rechter het resultaat van zijn onderzoek slechts in zijn arrest tot uitdrukking brengen voor zover hij toekomt aan een (verdere) beoordeling van het verjaard gebleken tenlastegelegde feit, te weten als geen zwaarder alternatief ten laste is gelegd of als een zwaarder tenlastegelegd alternatief niet kan worden bewezen.6

4.5

Voor zover het middel is gebaseerd op de stelling dat voor het bepalen van de verjaringstermijn als bedoeld in art. 70 Sr het bewezenverklaarde en niet het tenlastegelegde bepalend is, faalt het gelet op het systeem van het Wetboek van Strafvordering en de volgorde waarin de artikelen 348-350 Sv dienen te worden toegepast.7

4.6

Zoals reeds aangegeven, klaagt het middel dat het hof met betrekking tot de onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde diefstal van een fiets gepleegd op 23 november 2003 heeft verzuimd het openbaar ministerie alsnog wegens verjaring van dit feit niet-ontvankelijk in zijn vervolging te verklaren. In de onderhavige zaak heeft het hof vrijgesproken van de beschuldiging betreffende de vervreemding van een fiets voor zover die zag op art. 317 Sr en art. 312 Sr en veroordeeld voor de gewone diefstal van artikel 310 Sr.

4.7

In de onderhavige zaak is het onder 2 tenlastegelegde toegesneden op – kort gezegd – afpersing dan wel diefstal met geweld dan wel diefstal, als bedoeld in respectievelijk artikel 317, eerste lid, Sr, artikel 312, eerste lid, Sr en artikel 310 Sr, begaan op of omstreeks 23 november 2003 te Rotterdam, in elk geval in Nederland. Overtreding van artikel 317, eerste lid, Sr wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. Hetzelfde geldt voor overtreding van artikel 312, eerste lid, Sr. Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 4°, Sr beloopt de verjaringstermijn voor deze feiten sinds de inwerkingtreding op 1 april 2013 van de wet van 15 november 2012, Stb. 2012, 572, twintig jaren.8 Overtreding van artikel 310 Sr wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 3°, Sr beloopt de verjaringstermijn voor dit feit twaalf jaren. Blijkens de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken is op 15 april 2016 de bewaring van de verdachte gevorderd.

4.8

Nu tussen de datum van de vordering van de bewaring (15 april 2016) en de datum van het tenlastegelegde (23 november 2003), meer dan twaalf jaren zijn verstreken, is het recht tot strafvordering ter zake van diefstal vóór de behandeling in hoger beroep verjaard, tenzij de verjaring ingevolge art. 72 Sr door een daad van vervolging mocht zijn gestuit. Ter zake van afpersing en diefstal met geweld, waarvan het hof heeft vrijgesproken, blijkt geen sprake van vervolgingsverjaring. Nu uit de stukken van het geding echter niet blijkt dat gedurende twaalf jaren na 23 november 2003 een daad van vervolging is verricht, moet het ervoor worden gehouden dat de verjaring van de tenlastegelegde diefstal niet vóór 24 november 2015 is gestuit en dat de in art. 70, eerste lid aanhef en onder 3°, Sr bepaalde verjaringstermijn van twaalf jaren dus is vervuld, zodat het recht tot strafvordering in zoverre is vervallen.9

4.9

De verjaring heeft invloed op de kwalificatie van het feit, waardoor de verdachte voldoende belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt.10 De Hoge Raad dient, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de officier van justitie dan ook alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de onder 2 tenlastegelegde diefstal. Voor vermindering van de opgelegde straf bestaat mijns inziens onvoldoende grond, aangezien de aard en de ernst van hetgeen overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door bedoelde partiële niet-ontvankelijkverklaring.11

4.10

Het middel is terecht voorgesteld.

5 Het tweede middel

5.1

Het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd om met voldoende mate van nauwkeurigheid aan te geven uit welk bewijsmiddel het hof feiten en omstandigheden die redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring en waarop het hof zich heeft beroepen, heeft ontleend.

5.2

Het middel doelt op de volgende overweging in het bestreden arrest:

“Bij sporenonderzoek aan de jas van [slachtoffer 3] zijn vezelsporen aangetroffen die overeenkomen met vezels van de kleding van [slachtoffer 4] . De afstanden tussen de plaatsen delict zijn zodanig dat de afstand tussen het delict tegen [slachtoffer 4] en dat tegen [slachtoffer 3] in de beschikbare tijd niet te voet afgelegd kan worden, maar juist wel met de fiets. Sterker nog, indien wordt uitgegaan van het gebruik van een fiets, zit er net voldoende tijd tussen beide feiten om de afstand tussen beide plaatsen delict te overbruggen. De bewijswaarde van het vezelsporenonderzoek neemt daardoor aanzienlijk toe, en legt een zeer sterke relatie tussen beide strafbare feiten.”

5.3

Blijkens de toelichting op het middel klaagt het middel in het bijzonder dat uit het bestreden arrest noch uit de gebezigde bewijsmiddelen kan blijken aan welk bewijsmiddel het hof zijn vaststellingen omtrent de afstanden tussen de plaatsen delict, de beschikbare tijd en zijn oordeel over de vraag of er ‘voldoende tijd’ was om de afstand tussen beide plaatsen delict te overbruggen, heeft ontleend. Daarmee is de motivering van “alle bewezenverklaarde feiten, althans van de feiten 1 en 3” ontoereikend.

5.4

Voor de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen verwijs ik, gelet op de omvang, naar de aanvulling op het verkorte arrest. Uit deze bewijsmiddelen blijkt het volgende. Na het plegen van het delict tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is geld gepind bij een geldautomaat van de Fortisbank,12 in de gevel van de bibliotheek aan de Hoogstraat 110, om de hoek van de plaats delict tegen [slachtoffer 4] .13 Het delict tegen [slachtoffer 4] vond omstreeks 5:45u plaats op de Binnenrotte.14 Het delict tegen [slachtoffer 3] is gepleegd op de Rosestraat, ter hoogte van het Albedacollege in Rotterdam.15 Dat delict had plaats ergens tussen 5:58u en 6:05u.16 Uit informatie op de website www.google.nl/maps blijkt dat de afstand tussen het Albedacollege, locatie Rosestraat en de Binnenrotte, ter hoogte van de bibliotheek aan de Hoogstraat, per fiets in 12 minuten kan worden afgelegd en te voet in 35 minuten. Gelet daarop is het oordeel van het hof “dat indien wordt uitgegaan van het gebruik van een fiets, er net voldoende tijd tussen beide feiten zit om de afstand tussen beide plaatsen delict te overbruggen” niet onbegrijpelijk.

5.5

Ingevolge art. 339, tweede lid, Sv behoeven feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs. De Hoge Raad kan bij zijn beoordeling van de bewijsvoering in cassatie (dan ook) zelfstandig een beroep doen op feiten van algemene bekendheid.17 In de regel is een gegeven dat aan een internetbron is ontleend van algemene bekendheid indien dat gegeven geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.18 Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het van algemene bekendheid in de zin van art. 339, tweede lid, Sv is dat de afstand tussen het Albedacollege, locatie Rosestraat en de Binnenrotte, ter hoogte van de bibliotheek aan de Hoogstraat, per fiets in 12 minuten kan worden afgelegd en te voet in 35 minuten. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het hof heeft kunnen aannemen dat het voor eenieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen zonder meer duidelijk was dat het hier gaat om een algemeen bekend gegeven met betrekking tot de plaatselijke gesteldheid op of aan de openbare weg dat (ook) uit de algemeen toegankelijke bron "Google Maps" zonder noemenswaardige moeite of specialistische kennis te achterhalen valt.19 Dit gegeven behoefde derhalve niet te worden vervat in een bewijsmiddel. De motivering van de bewezenverklaarde feiten is daarom, voor zover daarover in dit middel wordt geklaagd, toereikend gemotiveerd.

5.6

Het middel faalt.

6 Het derde middel

6.1

Het middel klaagt dat ‘s hofs oordeel “omtrent de ondersteuning van het daderschap van de verdachte” onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk is. Daardoor is “de bewezenverklaring” onvoldoende met redenen omkleed.

6.2

Het middel doelt op de volgende overweging van het hof:

Ondersteuning daderschap van de verdachte

Dat de verdachte de dader is geweest van de drie strafbare feiten vindt steun in het door de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] gegeven signalement van de dader. In het bijzonder heeft aangever [slachtoffer 4] , die geen alcohol op had en op weg was naar zijn werk, een beschrijving gegeven die aansluit bij het uiterlijk van de verdachte in die tijd. Ook de lengte die hij opgeeft, 1.70 meter, komt precies overeen met de lengte van de verdachte.”

6.3

Het middel klaagt in het bijzonder dat de overweging van het hof dat het signalement van alle drie aangevers steun geeft voor de aanname dat de verdachte de dader is geweest van de drie strafbare feiten niet begrijpelijk is, nu het signalement wat betreft de lengte van de dader onderling aanzienlijk afwijkt.

6.4

De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden, voor zover van belang, het volgende in. Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard: “Het signalement van de dader is: een licht getinte man, leeftijd 25 à 30 jaar, normaal postuur en kort zwart haar”.20 Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard: “Het was een man met een licht getinte huidskleur. Ik schat hem achterin de 20 jaar oud. Hij was kleiner dan ik. Ik ben 180 centimeter lang. Hij had zware kort krullend haar. Hij had een normaal postuur.”21 Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard: “Ik zag dat de man een donkere huidskleur had. Hij was tussen de 20 en 30 jaar oud en ongeveer 170 centimeter lang. Hij had kort zwart haar met krullen.”22 De ID-staat SKDB van de verdachte houdt ten slotte in: “Lengte: 1.70 meter”.23

6.5

Anders dan de steller van het middel, zie ik niet in dat de overweging van het hof, inhoudende dat de aanname dat de verdachte de dader is geweest van de drie strafbare feiten steun vindt in het door de aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] gegeven signalement van de dader, onbegrijpelijk is. Alle drie de aangevers verklaren immers over een man met een lichtgetinte dan wel donkere huidskleur en kort zwart (krullend) haar, met een leeftijd tussen de 20 en 30 jaar. Bovendien verklaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dat de verdachte een normaal postuur had en verklaren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] dat hij kleiner is dan 180 cm respectievelijk ongeveer 170 centimeter lang is.

6.6

Het middel doet voorts een beroep op door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welke zouden inhouden dat de verdachte 190 cm / 185 cm en/of iets kleiner dan 180 cm is, waardoor het oordeel van het hof dat [slachtoffer 4] een lengte opgeeft van 170 cm, welke lengte precies overeenkomt met de lengte van de verdachte, niet begrijpelijk zou zijn. Het hof heeft de verklaringen van [slachtoffer 1] en of [slachtoffer 2] voor zover inhoudende dat de verdachte 190 dan wel 185 cm lang is, niet gebruikt voor het bewijs. Dat stond het hof vrij. Bovendien is deze keuze niet onbegrijpelijk, nu het hof aangeeft in het bijzonder waarde te hechten aan de verklaring van aangever [slachtoffer 4] , die zonder alcohol te hebben gebruikt op weg was naar zijn werk en die heeft verklaard dat de verdachte een lengte heeft van 1.70 meter.

6.7

Het middel faalt.

7 Het vierde middel

7.1

Het middel klaagt dat het onder 3 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, nu gelet op de aard van de verwondingen – te weten drie messteken in de rug, waarvan twee in de onderrug - niet gezegd kan worden dat het handelen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht was op het toebrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer 4] , dat het niet anders kan dan dat het opzet van de verdachte - in weerwil van zijn daarbij gebezigd taalgebruik - op het toebrengen van dodelijk letsel was gericht.

7.2

Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij op 23 november 2003 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet, meermalen, met een mes in de rug van die [slachtoffer 4] heeft gestoken, welke vorenomschreven poging doodslag werd vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld, welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken.”

7.3

Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 24 november 2003 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 2003419942-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 21 e.v.):

als de op 23 november 2003 afgelegde verklaring van [slachtoffer 4] :

Op 23 november 2003 omstreeks 5:45 uur fietste ik over de Binnenrotte te Rotterdam. Ik droeg op dat moment mijn uniform van de Nederlandse Spoorwegen. Ik was op weg naar mijn werk. (...) Ik zag een man mij tegemoet komen fietsen. Deze man fietste over de Binnenrotte, komende vanuit de richting De Meent. Hij fietste op dat moment ter hoogte van de Bibliotheek. Ik zag dat de man een donkere huidskleur had. Hij was tussen de 20 en 30 jaar oud en ongeveer 170 centimeter lang. Hij had kort zwart haar met krullen. Op het moment dat hij naast mij fietste gaf de man mij een duw waardoor ik ten val kwam. (...) Ik ben met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd waar ik direct ben geopereerd. Er is geconstateerd dat ik drie steekwonden in mijn rug had. Een van de steekwonden heeft mijn linkerlong geraakt waardoor deze is ingeklapt.

2. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 28 november 2003 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 2003419942-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 26 e.v.):

als de op 23 november 2003 afgelegde verklaring van [slachtoffer 4] :

De man had een vouwmes in zijn handen. Ik zag dat de man het mes openvouwde. Terwijl hij het mes openvouwde hoorde ik de man zeggen: "Ik ga je steken. Geef je geld." (...)

Ik lag op de grond op mijn zij in een foetushouding. (...) Volgens mij heeft hij toen een of twee keer op mij ingestoken. Ik hoorde hem roepen: "Geef je spullen". Ik haalde mijn portemonnee uit mijn jas en heb die voor mij op de grond gegooid. Ik hoorde dat de man bleef roepen dat ik alles aan hem moest geven. Terwijl hij dat deed bleef hij op mijn insteken. Ik heb toen mijn horloge afgedaan en voor mij neergegooid. Ik heb toen ook mijn rugzak van mijn rug gehaald en volgens mij voor mij op de grond gegooid.

De man bleef roepen dat ik alles moest geven en bleef op mij insteken. (...) Ik zag dat de man mijn portemonnee opraapte en erin keek. Kennelijk had hij mijn pinpas gezien en zei hij tegen mij dat ik mijn pincode moest geven. (...) De man begon te schreeuwen: "Je pincode, je pincode. Ik vermoord je!". Vervolgens pakte de man mij in mijn nek vast en trok mij overeind. Hij hield daarbij het mes tegen mijn rug of zij. Toen de man mij overeind had getrokken, hoorde ik hem zeggen: "Meelopen naar de pinautomaat, anders steek ik je dood." (...)

Volgens mij had hij drugs gebruikt. Hij zag er niet echt uit als een verslaafde. Hij zag er redelijk verzorgd uit. (...) In het ziekenhuis bleek ik maar drie steekwonden te hebben. De verdachte heeft echter veel vaker op mij ingestoken. Ik denk dat een aantal van de messteken zijn opgevangen door mijn rugzak en mijn riem.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2004 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 2003419942-18. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 37 e.v.) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 26 januari 2004 hebben wij, verbalisanten, samen met [slachtoffer 4] , een onderzoek ingesteld op de Binnenrotte te Rotterdam naar aanleiding van het feit dat genoemde aangever aldaar op 23 december 2003 (het hof begrijpt: 23 november 2003) was beroofd en neergestoken.

Gedurende dit onderzoek gaf hij aan dat hij, nadat hij was neergestoken, door de verdachte overeind werd getrokken en vervolgens mee moest lopen naar de pinautomaat. Hierbij wees de aangever in de richting van de openbare bibliotheek alwaar aan de buitenzijde een pinautomaat is gevestigd. Wij, verbalisanten, zagen dat dit een pinautomaat van de Fortis betrof.

4. Een geschrift, zijnde medische informatie/ letselbeschrijving van FARR d.d. 2 december 2003, opgemaakt en ondertekend door de forensische arts [betrokkene 1]. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (blz. 34):.

als relaas van deze arts:

Gelokaliseerd midden op de rug net links naast de wervelkolom een verticaal verlopend huiddefect met korstvorming, lengte +/- 2 cm. Tevens op de onderrug links een horizontaal verlopend dieper huiddefect, met roodheid en scherpe [randen], lengte +/- 1,5 cm. Tevens op de onderrug rechts een horizontaal verlopend diep huiddefect, lengte. +/- 3 cm met scherpe [randen]. Deze wonden passen bij steekwonden.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 april 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nummer 2016121250. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (blz. 3 e.v.):

als de op 14 april 2016 afgelegde verklaring van de verdachte:

V: Ben je die nacht op de fiets geweest?

A: Ja, die had ik ergens gevonden of zo.

V: Vertel jij het maar.

A: Het was een rare dag. Ik was ook heel raar opgestaan. Mijn moeder was jarig. Ik was daar. Ik heb toen veel gedronken. Toen ben ik weggegaan en met een paar kennissen, vrienden ergens nog geweest, gedronken, maar veel te veel. Toen ging ik alleen verder en toen heb ik onderweg in de stad een paar rare dingen gedaan. En toen die man die ik neergestoken heb.

V: Wat voor rare dingen heb jij in de stad gedaan?

A: Mensen beroofd van hun geld en zo. Onder bedreiging van een mes. Als ze het niet gaven ja volgens mij heb ik bepaalde ook nog gestoken.

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] :

d.d. 30 juni 2016 van de politie Team Opsporing (RT) met documentcode 1606301300.G (Zaaksdossier Rosestraat). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (blz. 215 e.v.):

De getuige betreft de moeder van de verdachte. De geboortedatum van [getuige 1] is [geboortedatum 2] 1953.

7. Een geschrift, zijnde een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 8 juli 2004, zaaknummer 2003.11.24.024, opgemaakt en ondertekend door Ing. M.T.A. Vasconcellos-Kamperveen, gerechtelijk deskundige. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (FO-dossier):

Vezel(contact)sporenonderzoek naar aanleiding van twee steekincidenten, waarvan één met dodelijke afloop, in Rotterdam op 23 november 2003.

In één beschadiging van de jas van slachtoffer [slachtoffer 3] werd een vezelspoor aangetroffen overeenkomend met vezelmateriaal van de jas en drie vezelsporen overeenkomend met vezelmateriaal van het gilet van slachtoffer [slachtoffer 4] (het hof begrijpt: [slachtoffer 4] ). Hieruit volgt dat het voorwerp, dat een of meerdere beschadigingen in de kleding van slachtoffer [slachtoffer 4] heeft veroorzaakt, zeer wel mogelijk daarna gebruikt is om tenminste een beschadiging in de jas van slachtoffer [slachtoffer 3] te veroorzaken.

8. Een geschrift, zijnde een ID-staat SKDB van de verdachte, d.d. 13 april 2016. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-

(persoonsdossier):

Lengte: 1.70 meter.”

8. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat het zich grotendeels kan vinden in de in het vonnis van 1 juli 2017 opgenomen overwegingen van de rechtbank en dat het hof derhalve de overwegingen in dat vonnis zal overnemen en waar nodig zal aanvullen en aanpassen.24

9. De rechtbank heeft ten aanzien van het opzet van de verdachte het volgende overwogen:

“Verdachte heeft [slachtoffer 4] meermalen in zijn rug gestoken. De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht was op het toebrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer 4] , dat het niet anders kan dan dat het opzet van verdachte daar op was gericht. De rechtbank acht dit dan ook bewezen.”

9.1

Het hof heeft vervolgens geen specifieke overweging gewijd aan het opzet op levensberoving van [slachtoffer 4] . Daaruit moet worden afgeleid dat het hof zich heeft verenigd met de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het opzet van de verdachte en deze heeft overgenomen zonder deze aan te vullen of aan te passen. Het hof is daarmee van oordeel dat het handelen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht was op het toebrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer 4] , dat het niet anders kan dan dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Contra-indicaties daarvoor heeft het hof kennelijk niet aanwezig geacht.25 Het hof heeft derhalve, met de rechtbank, “vol opzet” aangenomen.

9.2

De rechtspraak van de Hoge Raad bevat veel arresten betreffende poging doodslag door iemand met een mes te steken waarin de feitenrechter voorwaardelijk opzet op de dood had aangenomen.26 De arresten waarin de feitenrechter uitging van “vol opzet” bij poging doodslag (al dan niet door iemand met een mes te steken) zijn dun gezaaid. Ik kwam wel tegen: HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:151. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk met toepassing van art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt van een AG. De verdachte was veroordeeld voor poging doodslag door het slachtoffer met een mes in het bovenlichaam te steken. Een van de cassatiemiddelen klaagde over het bewezenverklaarde opzet op de dood. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen had het hof vastgesteld dat het slachtoffer een steekwond in de rug bij de linker oksel had, dat het wondkanaal reikte tot in de borstholte en dat dit heeft geleid tot een klaplong, welke klaplong volgens het tot het bewijs gebezigde NFI-rapport verstikking en potentieel fataal letsel tot gevolg kon hebben.

9.3

Terug naar de onderhavige zaak. Dat de verdachte [slachtoffer 4] meermalen doelbewust heeft gestoken, kan zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. De verdachte riep immers: “Ik ga je steken, geef je geld”. Dat de verdachte wist dat het iemand steken met een mes de dood tot gevolg kan hebben blijkt uit de omstandigheid dat hij riep: “Je pincode, je pincode. Ik vermoord je!” en “Meelopen naar de pinautomaat, anders steek ik je dood”. Dat het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte de dood van [slachtoffer 4] gewild heeft, blijkt uit de omstandigheid dat [slachtoffer 4] zijn NS-uniform aanhad en een klaplong heeft opgelopen, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte met tenminste enige kracht moet hebben gestoken, en uit de plaats waar [slachtoffer 4] is gestoken, te weten onder meer net naast zijn wervelkolom, derhalve op een plaats waar zich vitale organen (zenuwbanen en longen) bevinden27. Ten slotte heeft het hof bij zijn oordeel kunnen betrekken dat namens de verdachte geen contra-indicaties zijn aangevoerd die erop zouden moeten wijzen dat en waarom de verdachte geen opzet had op de dood.

9.4

Het oordeel van het hof dat het opzet van de verdachte was gericht op het teweegbrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer 4] , is daarmee niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

9.5

Het middel faalt.

10 Het vijfde middel

10.1

Het middel klaagt dat het hof, nu het de verdachte heeft vrijgesproken van de kwalificerende omstandigheid van geweld, ten onrechte in zijn strafmotivering in aanmerking heeft genomen dat sprake is geweest van diefstal met geweld. Daarmee heeft het hof een aanmerkelijk ernstiger delict bij de strafmaat betrokken dan bewezenverklaard.

10.2

De strafmotivering houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 23 november 2003 in het zeer korte tijdsbestek van ongeveer een half uur schuldig gemaakt aan een reeks van zeer ernstige strafbare feiten, te weten afpersing, diefstal, een poging tot gekwalificeerde doodslag en een gekwalificeerde doodslag.

Er is op 23 november 2003 allereerst sprake geweest van afpersing, diefstal met geweld en bedreiging met geweld. De verdachte heeft daarbij geen enkel respect getoond voor de persoonlijke eigendommen van zijn slachtoffers en hun persoonlijke levenssfeer. Daarnaast heeft hij voor de betrokkenen overlast en financiële schade veroorzaakt. Voorts is sprake geweest van een poging tot gekwalificeerde doodslag en vervolgens een gekwalificeerde doodslag, één van de zwaarste delicten die de Nederlandse wetgeving kent en een delict dat in het Wetboek van Strafrecht wordt bedreigd met levenslange gevangenisstraf.”

10.3

Het hof heeft bij zijn strafoplegging zowel in aanmerking genomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan “diefstal” als aan “diefstal met geweld”. Gelet daarop en gelet op de omstandigheid dat het hof de verdachte inderdaad heeft vrijgesproken van de kwalificerende omstandigheid “met geweld”, ga ik ervan uit dat het in de strafoplegging vermelde “met geweld” als een kennelijke vergissing moet worden beschouwd. Daarmee komt de grondslag aan het middel te ontvallen.

10.4

Het middel faalt.

11. Het eerste middel is terecht voorgesteld. Het tweede, derde, vierde en vijfde middel falen en het tweede, derde en vijfde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de onder 2 tenlastegelegde diefstal, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van de onder 2 tenlastegelegde diefstal en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Zie het arrest van het hof, p. 5-6.

2 Later verklaart hij dat het ook 2003 kan zijn geweest.

3 In de media was nadien veel aandacht voor deze steekpartij.

4 Zie A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, (diss. Tilburg), Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 282.

5 Vgl. ibidem, p. 283.

6 Vgl. HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3498. Een uitzondering trof ik aan in Hof Amsterdam 22 juli 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT9964, waarbij het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte heeft verklaard ter zake van de onder 1 primair onder b subsidiair tenlastegelegde doodslag en tot een veroordeling kwam ter zake van de onder 1 primair onder b primair tenlastegelegde moord.

7 Vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6810, NJ 2008/316. Zie ook Cleiren in Tekst & Commentaar Strafvordering, aant. 1b bij art. 348 Sv (online versie, actueel t/m 1 juli 2019).

8 Hiervoor is van belang dat op 1 april 2013 de in art. 70, aanhef en onder 3°, (oud) Sr bepaalde verjaringstermijn van twaalf jaren nog niet was voltooid.

9 Vgl. bijvoorbeeld HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6357.

10 Vgl. HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2457 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3056 waarin de Hoge Raad oordeelde dat de partiële niet-ontvankelijkverklaring geen invloed had op de kwalificatie.

11 Vlg. HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:666, NJ 2018/262 voor een geval waarin twee feiten waren verjaard maar de aard en de ernst van de overige bewezenverklaarde feiten niet werden aangetast door de partiële niet-ontvankelijkverklaring.

12 Zie de ten aanzien van feit 2 als bewijsmiddel gebezigde verklaring van [slachtoffer 1] .

13 Zie den ten aanzien van feit 2 als bewijsmiddel 6 gebezigde geschrift, zijnde een mutatie van de politie.

14 Zie de ten aanzien van feit 3 primair als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van [slachtoffer 4] .

15 Zie het ten aanzien van feit 1 als bewijsmiddel 5 gebezigd proces-verbaal van bevindingen.

16 Zie het ten aanzien van feit 1 als bewijsmiddel 7 gebezigd proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat de getuige [getuige 2] om 5:58u een telefoontje van [slachtoffer 3] kreeg, dat [slachtoffer 3] tijdens dat telefoongesprek is neergestoken en dat de telefoon om 6:05u wegviel.

17 Vgl. HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6787, NJ 2010/601.

18 Vgl. HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, NJ 2016/249, rov. 2.4 en HR 7 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1125, NJ 2018/344.

19 Vgl. HR 7 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1125, NJ 2018/344.

20 Zie de ten aanzien van feit 2 als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van [slachtoffer 1] .

21 Zie de ten aanzien van feit 2 als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring van [slachtoffer 2] .

22 Zie de ten aanzien van feit 3 als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van [slachtoffer 4] .

23 Zie de ten aanzien van feit 3 als bewijsmiddel 8 gebezigde ID-staat SKDB.

24 Zie p. 5 van het arrest van het hof.

25 Daarbij merk ik op dat door of namens de verdachte op dit punt geen verweer is gevoerd.

26 Zie bijvoorbeeld HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008/233, HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8482, HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1871 en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:975. Voor zover iets uit deze behoorlijk casuïstische rechtspraak kan worden afgeleid, is het dat voor de vaststelling van voorwaardelijk opzet bij messteken in de rug onder meer betekenis wordt toegekend aan de volgende omstandigheden: of met kracht is gestoken, in welk deel van de rug is gestoken, wat de aard en gevolgen van de verwondingen zijn, kortom: welke risico’s op de dood het steken van de verdachte in het leven heeft geroepen.

27 Vgl. het reeds genoemde arrest HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:151, waaruit mijns inziens kan worden afgeleid dat het hof uit de plaats op het lichaam waar het slachtoffer was gestoken en de ernst van de verwondingen, het volle opzet op de dood heeft kunnen afleiden.