Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:937

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/02890
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1751
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Concl. plv. AG. Mishandeling, art. 300 Sr. Voldoende gemotiveerd dat het overgooien van het slachtoffer met de inhoud van een fles urine een hevige onlust veroorzakende gewaarwording "aan" het lichaam tot gevolg had? Plv. AG: Ja. Onderscheid moet worden gemaakt tussen de lichamelijke gewaarwording (in of aan het lichaam) en de hevige onlust die deze gewaarwording veroorzaakt. De gewaarwording betreft in casu die van een over het lichaam van het slachtoffer geleegde fles urine, de hevige onlust betreft landurige misselijkheid, welke misselijkheid blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02890

Zitting 24 september 2019 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 5 december 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “mishandeling”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals bepaald in het bestreden arrest.

  2. Mr. C. Grijsen, advocaat te Almere, heeft namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1

Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde mishandeling onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Het middel klaagt in het bijzonder dat voor een bewezenverklaring van mishandeling bestaande uit een onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam, is vereist dat een handeling of gedraging van de verdachte een ‘fysieke uitwerking’ heeft gehad op het slachtoffer, terwijl het hof niet nader heeft gemotiveerd waarom de bewezenverklaarde handeling, het legen van een fles urine over het lichaam van [slachtoffer] , een onlust veroorzakende gewaarwording ‘aan’ haar lichaam tot gevolg heeft gehad, terwijl dat evenmin uit de bewijsmiddelen volgt.

3.2

Aan de verdachte is (impliciet) primair tenlastegelegd dat:

“zij op of omstreeks 27 september 2016 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door een fles urine over het lichaam van die [slachtoffer] te spuiten/legen, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [slachtoffer] teweeg heeft gebracht”.

3.3

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“zij op 27 september 2016 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door een fles urine over het lichaam van die [slachtoffer] te legen, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam van die [slachtoffer] teweeg heeft gebracht.”

3.4

Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een gewaarmerkt afschrift van een proces-verbaal aangifte d.d. 27 september 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016315696-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 5 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Plaats delict : Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam

Pleegdatum : 27 september 2016

Op 27 september 2016 verscheen voor mij een persoon die opgaf te zijn:

Achternaam : [slachtoffer]

Voornamen : [slachtoffer]

Adres : [a-straat 1]

plaats : [woonplaats]

Zij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict op 27 september 2016:

Sinds een jaar of 6 heb ik ruzie met een buurvrouw. Een maand of 2 a 3 geleden bedreigde mijn buurvrouw mij met de woorden: “Ik zal je krijgen, wacht maar als je een keertje naar je werk gaat, je gaat zien, ik pak jou”.

Zij heeft me enkele maanden geleden na een ruzie aangegeven dat ik maar moest wachten tot er een keer, op weg naar mijn werk wat zou gaan gebeuren.

Vandaag was ik op weg naar mijn werk. Ik werk bij de [A] in Hoogvliet. Ik zag dat de buurvrouw in haar auto achter mij aan reed.

Toen ik mijn auto wilde parkeren werd ik bijna door een auto aangereden. Ik zag dat de bestuurster van dit voertuig mijn buurvrouw van de [a-straat 2] was. Ik zag dat haar auto op ongeveer 2 centimeter van mijn auto stond waardoor ik niet verder kon met inparkeren. Ik stond klem tussen mijn buurvrouw en de autodeur die nog open stond. Door de auto die naast mij geparkeerd was kon ik geen kant op. Ik hoorde dat de buurvrouw zei: “Ik heb je gewaarschuwd”. Ik zag dat de buurvrouw een fles in haar handen had. Ik zag dat het een fles betrof die iets groter was dan een halve liter fles. Ik zag dat de buurvrouw de inhoud van de fles over mij heen spoot. Ik zat compleet onder, mijn gezicht, mond, haren, shirt en ook zit het in mijn auto. Even later kwam ik er achter dat het urine betrof.

Ik raakte helemaal in paniek omdat het ook in mijn mond was gekomen. Ik heb een half uur onder de douche gestaan. Ik ben nog steeds misselijk.

2. Een gewaarmerkt afschrift van een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016315696-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 14 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op dinsdag 26 september 2016 (het hof begrijpt: dinsdag 27 september 2016) werden wij verbalisanten te Hoogvliet door een mevrouw aangesproken die achteraf bleek te zijn genaamd: [slachtoffer] .

Wij zagen dat [slachtoffer] enorm overstuur was, het shirt dat ze aan had op haar schouder nat was en haar handen hevig trilden.

Wij hoorden dat [slachtoffer] verklaarde: "Mijn buurvrouw woont aan de [a-straat 2] te [woonplaats] ".

Wij roken een zeer penetrante urine lucht bij [slachtoffer] . Wij zagen dat haar kleding nat was.

Vervolgens hebben wij aangebeld bij.de [a-straat 2] te [woonplaats] . Wij zagen dat de deur geopend werd door een mevrouw die ons later opgaf te zijn:

[verdachte] geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] .

3. Een gewaarmerkt afschrift van een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 27 september 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016315696-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 27 september 2016 hoorde ik de verdachte:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1972

De verdachte verklaarde:

V: vraag verbalisant

A: Antwoord (verklaring verdachte)

V: Waar woont u?

A: [a-straat 2] [woonplaats]

V: Wat is er vandaag voorgevallen in Hoogvliet ter hoogte van de [A] bank aan de [b-straat] ?

A: Ik moest geld halen bij de bank in Hoogvliet. Ik reed achter mijn buurvrouw. Ik heb mijn auto geparkeerd vervolgens ben ik uitgestapt. In mijn auto liggen diverse flessen met urine. Toen ik uit de auto stapte had ik een fles urine in mijn hand. Ik en mijn buurvrouw stonden naast elkaar geparkeerd. Vervolgens kwam er urine over haar heen.

Ik heb wel twee dingen gezegd “Dat heb ik je beloofd” en “stuur niet weer die mensen bij me huis of zoiets”.

3.5

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De strafbaarstelling van mishandeling in onder meer art. 300 Sr strekt ter bescherming van de lichamelijke integriteit.1 De Hoge Raad heeft bepaald dat onder het begrip ‘mishandeling’ in de zin van art. 300 Sr moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede – onder omstandigheden – het opzettelijk bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.2 De Hoge Raad verwijst in HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402, onder meer naar HR 11 februari 1929, NJ 1929, p. 503. Daarin overweegt de Hoge Raad, voor zover van belang:

“dat verder het onder de vastgestelde omstandigheden een ander opzettelijk met geweld in een kanaal duwen, ten gevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden, door het Hof en den Pol.r. terecht als 'mishandeling' is aangemerkt, volgende dit niet alleen uit de taalkundige beteekenis van dit woord, doch ook uit de geschiedenis der totstandkoming van art. 300 Sr.; dat toch in het oorspronkelijke Regeeringsontwerp (art. 324) onder 'mishandeling' werd verstaan het door eenige daad aan een ander opzettelijk lichamelijk leed toebrengen of opzettelijk diens gezondheid benadelen;

dat vervolgens de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal betwijfelend, of het gebruik van de uitdrukking 'lichamelijk leed' wel in de Nederlandsche taal geoorloofd was, aan de Regeering de vraag heeft gesteld, of lichamelijk leed niet een contradictio in terminis vormde, 'omdat leed alleen voor moreele smart gebezigd wordt' (Smidt, II, 2e druk, blz. 475), en ook in verband daarmede voor het artikel een nieuwe redactie heeft aangegeven, welke door de Regeering is overgenomen en waarin het door eenige daad aan een ander opzettelijk lichamelijk leed toebrengen in den algemeenen term 'mishandeling' is opgegaan; dat, gelijk hieruit volgt, het niet de bedoeling is geweest dat de Commissie van Rapporteurs, dat met eenigen vorm van 'lichamelijk leed' bij de bepaling van hetgeen 'mishandeling' zou zijn, geen rekening zou mogen worden gehouden, met andere woorden: om de oorspronkelijke redactie in dien zin te beperken;

dat nu, al kan worden toegegeven, dat alle leed psychisch is, zeer goed kan worden onderscheiden tusschen pijn of ander leed, dat is min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam eenerzijds en de eigenlijk gezegde gemoedsaandoeningen, voor zoover zij leed opleveren, anderzijds, zijnde blijkbaar bij den term 'lichamelijk leed' aan de eerstbedoelde gewaarwordingen te denken; dat derhalve niet alleen het veroorzaken van pijn, doch ook het opwekken van dergelijke 'lichamelijke' gewaarwordingen onder omstandigheden 'mishandeling' kan opleveren en dit ongetwijfeld zoo is in een geval als dit, waarin is telastegelegd en bewezen verklaard, dat de verdachte den getuige Lambert Hooyer opzettelijk met geweld in een kanaal heeft geduwd, tengevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden.”

3.6

Uit het voorgaande blijkt dat de Hoge Raad, in navolging van de wetgever, onderscheid heeft willen maken tussen enerzijds niet onder het in art. 300 Sr bedoelde begrip ‘mishandeling’ vallende gedragingen die uitsluitend ‘emotioneel leed’ opleveren, en anderzijds wél onder het begrip ‘mishandeling’ vallende gedragingen die ‘ander leed’ opleveren, te weten het teweegbrengen van een “min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam”.

3.7

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de volgende gedragingen min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in/aan het lichaam (kunnen) opleveren en daarmee als ‘mishandeling’ kunnen worden beschouwd.

- Het opzettelijk iemand met geweld in een kanaal duwen, ten gevolge waarvan deze persoon geheel nat en koud was geworden.3

- Het opzettelijk een vrouw in de Amstel duwen waardoor de kou van het water direct in haar lichaam was doorgedrongen, zij “tot op het bot” nat was en zich door en door koud voelde.4

- Het onder omstandigheden afscheren van een aanzienlijk deel van het hoofdhaar van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer was vastgepakt door de verdachte en haar mededader, die de armen van het slachtoffer op haar rug vasthield.5

- Het onder de gegeven omstandigheden toedienen van roet ten gevolge waarvan iemand benauwd wordt.6

3.8

Uit het voorgaande leid ik af dat een gedraging die lichamelijk contact met het slachtoffer inhoudt (en tot een gewaarwording in of aan het lichaam leidt) onder omstandigheden als mishandeling kan worden beschouwd indien deze gedraging bij het slachtoffer hevige lichamelijke onlust, zoals bijvoorbeeld nat en koud of benauwd worden, tot gevolg heeft.7 Ik ga er vanuit dat in de definitie van de Hoge Raad het begrip ‘lichamelijke’ moet worden ingelezen bij “hevige onlust”, nu immers sprake is van mishandeling vanwege de omstandigheid dat aan het slachtoffer “lichamelijk leed” is aangedaan.

3.9

In de onderhavige zaak klaagt het middel dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het legen van een fles urine over het lichaam van [slachtoffer] een hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan haar lichaam tot gevolg heeft gehad, en tot een bewezenverklaring van mishandeling is gekomen. Daarmee dient in cassatie de vraag te worden beantwoord of het hof voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd dat de ervaring van het slachtoffer een “hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam” oplevert en of de gedraging van de verdachte daarmee kan worden gekwalificeerd als mishandeling als bedoeld in art. 300 Sr.

3.10

Voor zover het middel meent dat de fysieke, lichamelijke uitwerking van de door de Hoge Raad bedoelde “gewaarwording in of aan het lichaam”, niet uit de bewijsvoering van het hof blijkt, faalt het.

3.11

Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte een fles, iets groter dan een halve liter fles, met daarin urine over het slachtoffer (met wie zij al zes jaar ruzie had) heen heeft gespoten, dat daardoor het gezicht, mond, haren en shirt van het slachtoffer onder de urine zaten, dat het slachtoffer nadien een zeer penetrante urinelucht verspreidde en in totale paniek raakte omdat de urine ook in haar mond terecht was gekomen, dat ze een half uur onder de douche heeft gestaan en dat ze tijdens het doen van aangifte nog steeds misselijk was. Uit dit laatste volgt dat de aan de verdachte verweten gedraging bij het slachtoffer misselijkheid heeft veroorzaakt. Dat de onlust “hevig”, dat wil zeggen substantieel, was, heeft het hof eveneens kunnen oordelen gelet op de verklaring van het slachtoffer dat zij “nog steeds misselijk was” en de omstandigheid dat zij deze verklaring bij de politie heeft afgelegd, derhalve enige tijd na het plegen van het feit - in ieder geval nadat zij zich eerst thuis had gedoucht.

3.12

Voor zover het middel klaagt dat het hof heeft bewezenverklaard dat de bewezenverklaarde handeling van de verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording “aan” het lichaam van het slachtoffer teweeg heeft gebracht, faalt het eveneens, nu de gewaarwording die van een over het lichaam van het slachtoffer geleegde fles urine betrof. Dat daarbij ook urine in de mond van het slachtoffer is terechtgekomen, maakt dat niet anders, nu uit de misselijkheid van het slachtoffer mede door het inademen van de door het slachtoffer waargenomen zeer penetrante urinegeur kan worden verklaard.

3.13

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402, r.o. 3.2.

2 Zie HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1077, met verwijzing naar HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402.

3 HR 11 februari 1929, NJ 1929, p. 503. Vgl. ook HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402. De Hoge Raad oordeelde in die laatste zaak dat uit de gebezigde bewijsvoering kon worden afgeleid dat de verdachte bij twee personen een onlust veroorzakende gewaarwording had veroorzaakt door hen in het water te duwen, doch dat dit niet was tenlastgelegd. Dat zij – zoals wel was tenlastegelegd en bewezenverklaard - door die gedraging pijn hadden ondervonden, kon echter uit die bewijsvoering niet worden afgeleid, waardoor het middel van de verdachte slaagde.

4 HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1589. HR: art. 81.1 RO.

5 HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:197 NJ 2015/99. De Hoge Raad oordeelde dat deze gedraging onder omstandigheden, waaromtrent het hof niets had vastgesteld, als een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam kon worden beschouwd. Het hof had echter bewezenverklaard dat het slachtoffer daardoor letsel had bekomen. Dat kon niet uit de bewijsvoering afgeleid, waardoor het middel van de verdachte slaagde.

6 HR 12 december 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB4598, NJ 1970/314. Over het hoofd van het slachtoffer was een linnen kap bevestigd, waaraan een soort slurf was verbonden waarin roet werd gedaan, aan welke kap werd geschud, waarna het slachtoffer roet inademde, waardoor hij zich verslikte en een hoestbui kreeg. De gedragingen van de verdachte waren gepleegd als onderdeel van de installatie van nieuwe leden van een gezelschap, behorend bij het Utrechts Studenten Corps.

7 Vgl. A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, art. 300 Sr, aant.2 (bijgewerkt tot en met 26 mei 2015).