Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:929

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
17/05333
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1576
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Middelen klagen over bewezenverklaring, de verwerping van een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting en de strafoplegging. De AG geeft de Hoge Raad in overweging de zaak met toepassing van art. 81.1 RO af te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/05333

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 11 oktober 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek overeenkomstig art. 27(a) Sr. Verder heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van de in beslag genomen voorwerpen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. I. Appel, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen.

  4. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

“hij op of omstreeks 26 december 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 193 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish) en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

5. Daarvan is bewezen verklaard dat:

“hij op 26 december 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish) en een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep.”

6. Deze bewezenverklaring berust – na aanvulling van de in het arrest weergegeven bewijsmiddelen in een aanvulling op het arrest – op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2017. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik woonde destijds op de [a-straat 1] te [woonplaats] met mijn vrouw en mijn toen vijfjarige zoontje. Ik deelde deze woning en de bijbehorende box alleen met mijn vrouw en mijn zoontje.

2. Een geschrift, te weten een schriftelijke aangifte van de verdachte van 17 januari 2017 ondertekend door de verdachte (doorgenummerde pagina 54 e.v.).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van poging tot moord dan wel (gekwalificeerde) doodslag op 26 december 2016. Die avond heb ik met [betrokkene 1] en twee Albanezen gegeten. Na het eten zijn wij met zijn vieren naar mijn huis gegaan. [betrokkene 1] ging even weg om sigaretten te halen. De Albanezen vroegen mij waar de hash was, dat er meer hash moest zijn geweest dan in de woonkamer lag. Opeens pakte een van die Albanezen een vuurwapen en schoot ermee. Gezien de plek waar ik ben geraakt kan hun bedoeling alleen maar zijn geweest om mij te doden. Ook kan het niet anders dan dat het hun bedoeling was om mij hierna te beroven.

3. Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming (met nummer 2016279660) van 28 december 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina 24 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 27 december 2016 werd in het onderzoek [...] voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in een woning, [a-straat 1] te [woonplaats] . Het betreft een woning gelegen op de tweede etage. Op de begane grond bevindt zich nog een afzonderlijke boxruimte.

Tijdens de doorzoeking zijn er meerdere goederen in beslaggenomen. Het betreft onder andere vermoedelijk verdovende middelen. Na de doorzoeking zijn de in beslag genomen voorwerpen overgedragen aan het onderzoeksteam.

De ruimten zijn voorzien van een unieke letter. Binnen de ruimte is door middel van een cijfer een aanduiding gegeven aan het meubilair. De woning heeft als code [...] en de boxruimte heeft als code [...] box.

E. Woonkamer

3. salontafel

4. bankstel

Beslagcode Omschrijving

[...] E3.2 1 pakketje vermoedelijk verdovende middelen bruin.

[...] E4.1 4 ingetapete pakketten met vermoedelijk verdovende middelen.

[...] -Box diverse dozen met vermoedelijk verdovende middelen.

4. Een proces-verbaal van bevindingen (met nummer 2016279660) van 5 januari 2017 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 36 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

In het onderzoek [...] zijn er diverse goederen in beslag genomen. In dit proces-verbaal van bevindingen een overzicht van een aantal daarvan.

Doorzichtige sealbag met daarin verpakte bruine blokken

Goednummer

Omschrijving

Aantal

Gewicht in kg

5311771

Vedomi1

1

9,11 netto hasjiesj

Doos 1

Goednummer

Omschrijving

Aantal

Gewicht in kg

5311831

Vedomi

2

18,22

5311835

Vedomi

1

9,11

Doos 2

Goednummer

Omschrijving

Aantal

Gewicht in kg

5311844

Vedomi

2

18,22

5311846

Vedomi

1

9,11

Doos 3

Goednummer

Omschrijving

Aantal

Gewicht in kg

5311855

Vedomi

2

18,22

5311857

Vedomi

1

9,11

Doos 4

Goednummer

Omschrijving

Aantal

Gewicht in kg

5311869

Vedomi

2

18,22

5311872

Vedomi

1

9,11

Doos 5

Goednummer

Omschrijving

Aantal

Gewicht in kg

5311882

Vedomi

2

18,22

5311883

Vedomi

1

9,11

Turken tas

Goednummer

Omschrijving

Aantal

Gewicht in kg

5311897

50 blokjes per 5 verpakt

50

Nog niet bekend

5311902

1 blokje met daarin 5 pakjes

5

Nog niet bekend

5313962

18 pakketten

18

5,07

Roze koffer

Goednummer

Omschrijving

Aantal

Gewicht in kg

5311920

Donkerbruin blok

1

Nog niet bekend

5313956

Pakketten/pakketjes

17

9,91

Grijze koffer/trolley

Goednummer

Omschrijving

Aantal

Gewicht in kg

5311982

Bruin blok

1

Nog niet bekend

5310444

Ingetapet pakket

4

Nog niet bekend

5313951

Bruine pakketjes

21

5,67

Overige losse aangetroffen goederen

Goednummer

Omschrijving

Aantal

Gewicht in kg

5311914

Kapotte sealbag met losse pakketjes

1

8

5311916

Sealbag met hennep

1

4,46

5313971

Grote pakketten

4

36,44

5311975

Blokken bruin

4

Nog niet bekend

5. Een geschrift, te weten een rapport van het Laboratorium Forensische Opsporing van 6 januari 2017 (nummer 0012N17) opgemaakt door P. Hommerson (doorgenummerde pagina 40).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde deskundige:

Item

Omschrijving

Bevat

5311975

4 plakken bruine substantie, 513 g

Is hasjiesj

5311982

1 pak met 2 pakken met 955g gedroogde plantendelen

Is hennep

6. Een geschrift, te weten een rapport van het Laboratorium Forensische Opsporing van 6 januari 2017 (nummer 0010N17) opgemaakt door P. Hommerson (doorgenummerde pagina 40).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van voornoemde deskundige:

Item

Omschrijving

Bevat

5310444

3 pakken met 37 plakken bruine substantie, 3,34 kg

Is hasjiesj

5311902

1 pak met 5 plakken bruine substantie, 501 g

Is hasjiesj

5311920

1 pak met 5 plakken bruine substantie, 472 g

Is hasjiesj”

7. Verder heeft het hof een door verdediging gevoerd bewijsverweer als volgt samengevat en verworpen:

“Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van dit dossier niet vastgesteld kan worden dat de softdrugs in een ruimte zijn aangetroffen waar (alleen) de verdachte kwam, dat de drugs in zijn machtssfeer waren en dat hij zich in meer of mindere mate daarvan bewust moet zijn geweest, terwijl evenmin kan worden aangenomen dat het om een totaal gewicht van 193 kilogram softdrugs zou gaan. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

(…)

Bewijsverweer

De verdachte heeft schriftelijk aangifte gedaan van poging doodslag en verklaart in die aangifte dat hij op 26 december 2016 is gaan eten met [betrokkene 1] en twee Albanezen (p. 54 e.v.). In de woning van de verdachte aangekomen zouden de Albanezen gevraagd hebben “waar de hash was, dat er meer hash moest zijn dan in de woonkamer lag”. Vervolgens heeft één van de Albanezen de verdachte neergeschoten. Uit de plek waar hij is geraakt leidt de verdachte af dat het de bedoeling was hem te doden en hem vervolgens te beroven. Op vragen over de verdovende middelen en de aanleiding van de schietpartij heeft de verdachte geen antwoord willen geven.

Naar aanleiding van de schietpartij zijn de hulpdiensten gebeld en heeft er een doorzoeking van de woning met bijbehorende box aan de [a-straat 1] te [woonplaats] plaatsgevonden onder de onderzoeksnaam “ [...] ”(p. 24 e.v.). Er zijn diverse goederen in beslaggenomen en vervolgens overgedragen aan het onderzoeksteam. Uit het proces-verbaal van bevindingen ‘Overzicht inbeslaggenomen drugs’ en diverse rapporten blijkt dat in het onderzoek “ [...] ”ten minste (ongeveer) 221 kilogram verdovende middelen in beslag is genomen, bestaande uit hennep en hasjiesj (p. 36 e.v., 40 en 41). Van de aangetroffen verdovende middelen lag één pakketje op de salontafel en vier ingetapete pakketten lagen op het bankstel in de woonkamer (p. 25 en 28).

De verslaglegging over de aangetroffen en in beslag genomen goederen verdient geen schoonheidsprijs. Van niet alle goederen kan vastgesteld worden op welke exacte locatie deze zijn aangetroffen. Dat deze goederen in de woning en de bijbehorende box van de verdachte zijn aangetroffen volgt echter uit het dossier: het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming spreekt over doorzoeking van de woning aan de [a-straat 1] , twee hoog, en een afzonderlijke boxruimte op de begane grond in het onderzoek [...] . Het proces-verbaal van bevindingen ‘Overzicht inbeslaggenomen drugs’ geeft vervolgens een overzicht van de in het onderzoek [...] in beslaggenomen vermoedelijk verdovende middelen. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt dat er sprake zou zijn van de doorzoeking van meerdere woningen en/of meerde boxen zodat er onduidelijkheid zou kunnen bestaan over waar welke goederen zijn aangetroffen. De doorzochte woning deelde de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, bovendien alleen met zijn vrouw en zijn vijfjarige zoontje. Een deel van de aangetroffen middelen is onderzocht en dit bleek hennep of hasjiesj te zijn. Het is gebruikelijk dat bij grote partijen vermoedelijk verdovende middelen slechts een deel wordt onderzocht. Het hof leidt uit de aangifte van de verdachte, de aanzienlijke hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen, waaronder op de salontafel en het bankstel in de woonkamer, en de schietpartij (waarover de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen) af dat de verdachte wel degelijk op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs en dat er sprake was van een misgelopen drugsdeal.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman.”

8. Aan het middel is allereerst ten grondslag gelegd dat niet is vastgesteld dat de verdachte weet had van wat zich in de box bevond noch dat hij daar toegang toe had, zodat het hof hetgeen in de box zou zijn aangetroffen ten onrechte heeft laten meewegen voor het bewijs. Verder is volgens de steller van het middel niet vastgesteld dat de in bewijsmiddel 4 genoemde dozen hennep of hasjiesj bevatten, aangezien de inhoud van deze dozen niet is onderzocht. Ten slotte kan niet worden vastgesteld waar de in bewijsmiddel 4 genoemde “Turken tas”, roze koffer, grijze koffer en overige losse goederen zijn aangetroffen.

9. Het hof heeft aangenomen dat alle in bewijsmiddel 4 genoemde goederen in beslag zijn genomen in de woning aan de [a-straat 1] , waaronder begrepen de bijbehorende box. Het hof heeft zulks kunnen afleiden uit de als bewijsmiddelen 3 en 4 gebezigde processen-verbaal, in samenhang bezien. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat noch is gesteld noch door het hof aannemelijk is bevonden dat in het kader van het onderzoek [...] een andere locatie zou zijn doorzocht dan de woning aan de [a-straat 1] met de bijbehorende box.

10. Voor zover aan het middel ten grondslag is gelegd dat van niet alle aangetroffen goederen is vastgesteld dat zij hennep of hasjiesj bevatten, merk ik op dat bewezen is verklaard dat de verdachte een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj en een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep aanwezig heeft gehad. Deze (minimale) omvang kan moeiteloos uit de bewijsmiddelen 4, 5 en 6 worden afgeleid. Daarmee is de bewezenverklaring in zoverre reeds toereikend gemotiveerd.

11. Ten overvloede merk ik op dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk de onderzochte goederen heeft aangemerkt als een representatief monster van al hetgeen was aangetroffen. Daarmee heeft het hof zijn oordeel dat alle in bewijsmiddel 4 genoemde goederen hennep of hasjiesj bevatten toereikend gemotiveerd.

12. Ten slotte richt het middel zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte ook de in de box aangetroffen hasjiesj en/of hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. Voor zover in dat kader aan het middel ten grondslag is gelegd dat niet is vastgesteld dat de verdachte toegang had tot de box, ontbeert het middel feitelijke grondslag. De bewijsvoering van het hof houdt immers onder meer in als verklaring van de verdachte dat hij de woning en de bijbehorende box alleen deelde met zijn vrouw en zijn zoontje. Ook het oordeel van het hof zijn oordeel dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs en deze aldus opzettelijk aanwezig had, is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte de woning en de bijbehorende box alleen deelde met zijn vrouw en zoontje, dat de verdachte toegang tot de box had en dat noch in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd noch anderszins in de bewijsvoering een aanknopingspunt is te vinden dat een ander dan de verdachte de verdovende middelen in de box zou hebben gelegd.2 Voorts heeft het hof specifieke omstandigheden van het geval in aanmerking kunnen nemen. Daarbij doel ik op de aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen, die deels op de salontafel en het bankstel in de woonkamer zijn aangetroffen, terwijl sprake is geweest van een – kennelijk met de drugs verband houdende – schietpartij in de woning, waarover de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen. Ook in zoverre is de bewezenverklaring naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede, derde en vierde middel komen op tegen de verwerping door het hof van het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.
Het tweede middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake is van schending van een strafvorderlijk voorschrift maar niet in zodanig mate dat dit een inbreuk oplevert op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM onjuist is, althans onvoldoende is gemotiveerd. Het derde middel bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat ten aanzien van de vastlegging van het beslag sprake is van een structureel vormverzuim. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof de beslissing op een uitdrukkelijk en onderbouwd verweer strekkende tot bewijsuitsluiting ontoereikend heeft gemotiveerd. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

15. Het hof heeft het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verslaglegging van de inbeslaggenomen goederen dusdanig gebrekkig is dat dit op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Hij voert daartoe drie redenen aan: de rommeligheid van de verslaglegging maakt dat bewijs onvoldoende betrouwbaar is; er is sprake van schending van een eerlijk proces op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en, in het geval dat artikel 6 EVRM niet geschonden is, kan, wanneer een ander belangrijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, bewijsuitsluiting noodzakelijk zijn om herhaling te voorkomen.

(…)

Het hof overweegt als volgt.

Bewijsuitsluiting

In het dossier zit een overzicht van welke goederen in beslag zijn genomen in de woning en de box van verdachte (p. 36 e.v.). Aan deze goederen zijn in dit overzicht goednummers toegekend, maar daarbij is niet vermeld in welke ruimte deze goederen zijn gevonden. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming (p. 24 e.v.) vermeldt wel vindplaatsen van categorieën goederen, maar niet de goednummers of andere gegevens waarmee deze goederen kunnen worden geïdentificeerd. Hierdoor is het op basis van het dossier niet mogelijk om vast te stellen waar welke goederen zijn gevonden. Gelet hierop is sprake van verslaglegging van de inbeslagneming in strijd met het voorschrift uit artikel 94 lid 3 Sv. Navraag door de advocaat-generaal heeft niet geleid tot nadere completering van het dossier op dit punt, ondanks dat het openbaar ministerie ruimschoots de gelegenheid hiertoe heeft gehad nu vanaf de uitspraak van de rechtbank de noodzaak reeds duidelijk moet worden geacht. Aldus kan worden vastgesteld dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

De verdediging heeft verzocht de inbeslaggenomen goederen van het bewijs uit te sluiten. Het hof wijst dit verzoek af. Allereerst zijn de inbeslaggenomen goederen niet verkregen door het vormverzuim. De onjuiste verslaggeving heeft immers pas na de inbeslagneming plaatsgevonden. De inbeslagneming zelf was rechtmatig. Daarnaast is weliswaar sprake van een schending van een strafvorderlijk voorschrift, maar zoals hiervoor reeds uiteengezet niet in zodanige mate dat dit zonder meer een inbreuk oplevert op het recht op een eerlijk proces. Op basis van het dossier wordt immers wel voldoende duidelijk dat er zowel in de woning als in de box drugs zijn gevonden en dat het om een aanzienlijke hoeveelheid hasjiesj en hennep gaat. Ten slotte heeft de verdediging niet voldoende aannemelijk gemaakt en is niet gebleken dat sprake is van een structureel vormverzuim waar de verantwoordelijke autoriteiten niets aan doen.

Anders dan de rechtbank ziet het hof evenmin aanleiding voor strafvermindering en volstaat het hof met de enkele constatering dat sprake is van een vormverzuim. Uit het dossier (zoals bij de bespreking van het bewijsverweer uiteengezet) kan genoegzaam worden afgeleid dat zich een aanzienlijke hoeveelheid hasjiesj en hennep in de woning van de verdachte met bijbehorende box aan de [a-straat 1] te [woonplaats] is aangetroffen en waarvan de verdachte op de hoogte was. Daarnaast heeft de verdachte zelf verklaard dat hij de doorzochte woning met bijbehorende box alleen met zijn vrouw en vijfjarige zoontjes deelde. Door de gebrekkige verslaglegging valt weliswaar niet de exacte vindplaats in de woning van de verdachte en de bijbehorende box vast te stellen, gelet echter op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat door dit vormverzuim de verdachte daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.”

16. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat bewijsuitsluiting als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde kan komen indien het bewijsmateriaal door het vormverzuim is verkregen.3

17. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat het bewijs niet is verkregen door het vormverzuim. Dat oordeel, dat in cassatie niet wordt bestreden, draagt de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting zelfstandig.

18. Voor de volledigheid merk ik nog het volgende op. Voor zover wordt betoogd dat niet is vast te stellen dat de in beslag genomen goederen verdovende middelen betreffen en evenmin waar de verdovende middelen zouden zijn aangetroffen, verwijs ik naar de bespreking van het eerste middel. Daaruit volgt dat het hof niet onbegrijpelijk uit de bewijsmiddelen heeft afgeleid dat de verdovende middelen in de woning, met bijbehorende box, van de verdachte zijn aangetroffen. Het oordeel van het hof dat onder de desbetreffende omstandigheden geen sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

19. Voor zover in de schriftuur een beroep wordt gedaan op art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, wijs ik erop dat het in dezen gaat om een verweer als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv.4

20. Het tweede, derde en vierde middel falen.

21. Het vijfde middel behelst de klacht dat de strafoplegging en de strafmotivering onbegrijpelijk zijn, althans het hof in strijd met artikel 359, tweede lid, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die ertoe hebben geleid dat zijn beslissing afwijkt van het hieromtrent namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.

22. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2017 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden – voor zover hier van belang – het volgende in:

“34. Rest mij nog een opmerking te maken over de strafmaat. (…) Voorts betoog ik dat de straf die door de rechtbank is opgelegd hoog is. In vergelijkbare zaken worden lagere straffen opgelegd. Temeer als we uitgaan van een first-offender.

35. Ik wijs op een uitspraak van uw hof d.d. 25 september 2012 onder ECLI:GHAMS:2012:BX8201. Die verdachten hebben ramen ingetikt en hashish gestolen uit die auto, vervolgens haalden zij levensgevaarlijke capriolen uit terwijl er bijna 200 kg softdrugs in de auto lag, bestuurder macht over het stuur verloren gebotst en verdachten gevlucht door sloten. Verdenking poging moord/doodslag (feit 1/2/3), (lichtere variant: bedreiging door met 215 km over de snelweg scheuren en pakketten hashish uit de auto gooien), vervoeren/aanwezig hebben van 193, 65 kg hashish, WWM, diefstal met geweld/braak, heling auto. Bovendien al veroordeeld ter zake zeer ernstige strafbare feiten. Ter zake de Opiumwet, diefstal in vereniging met braak en heling: 10 maanden gevangenisstraf. Cliënt zonder strafblad, neergeschoten en toch 11 maanden (na korting!) krijgen. Ik kan dit niet uitleggen.

36. Of: gerechtshof Amsterdam d.d. 9 december 2015, 23/001823-14 (bijlage 4). Bewezenverklaring: bij elkaar 315 kg hasjiesj vervoerd en aanwezig gehad en valsheid in geschrifte. Was eerder veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten (o.m. een geldboete ivm overtreding Opiumwet). Verdachte krijgt 5 maanden opgelegd. Met dat in het achterhoofd is de straf van de rechtbank te hoog en verzoekt de verdediging u met de richtlijnen zoals die volgens uit de jurisprudentie rekening te houden.”

23. Het bestreden arrest bevat de volgende strafmotivering:

“De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht rekening te houden met de lichamelijke gevolgen van de schietpartij voor de verdachte. De verdachte is bovendien first offender.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in zijn woning en box bewaren van een grote hoeveelheid hennep en hasjiesj. Gelet op de grote hoeveelheid moeten deze drugs bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding. Hennep en hasjiesj bevatten voor de volksgezondheid schadelijke stoffen en zijn daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Voorts brengt de handel en het gebruik van verdovende middelen andere vormen van criminaliteit met zich mee. Het aanwezig hebben van grote hoeveelheden verdovende middelen is immers niet zonder risico’s, zoals ook in casu is gebleken. Het hof rekent het de verdachte daarbij extra aan dat hij – door de verdovende middelen in zijn woning en box te bewaren – voornoemde risico’s in de directe omgeving van zijn gezin heeft aanvaard.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 september 2017 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk voor een soortgelijk feit veroordeeld.

Het hof heeft acht geslagen op een reclasseringsadvies van 28 februari 2017. De reclassering adviseert om bij schuldigverklaring een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat er sprake is van een zeer grote hoeveelheid hennep en hasjiesj. Het hof is van oordeel dat als uitgangspunt voor het aanwezig hebben van tweehonderd kilogram hennep of hasjiesj een gevangenisstraf voor de duur van minimaal twaalf maanden dient te worden genomen.

Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om het schietincident en de gevolgen daarvan voor de verdachte als straf verminderende factor mee te wegen. Voor zover dit incident immers samen hing met het bewaren van drugs in de woning en box, is dit een risico dat verdachte gelet op de hoeveelheid en de straatwaarde daarvan heeft moeten kunnen voorzien en dus heeft aanvaard.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.”

24. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof bij de strafoplegging in aanmerking heeft genomen dat er sprake is van een grote hoeveelheid hennep en hasjiesj, terwijl het hof de verdachte had vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van 193 kilogram hennep en hasjiesj. Verder heeft het hof volgens de steller van het middel verzuimd te reageren op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de in vergelijkbare zaken opgelegde straffen.

25. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van factoren die hij voor de strafoplegging van belang acht, terwijl deze keuze geen motivering behoeft.5 Wel dwingt art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv de rechter tot een nadere motivering, indien hij afwijkt van een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. Alleen wanneer de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en daardoor onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen.6

26. Het hof heeft de strafoplegging uitgebreid gemotiveerd. De strafoplegging wekt, mede in het licht van de uit de bewijsvoering naar voren komende zeer grote hoeveelheid hennep en hasjiesj die de verdachte aanwezig heeft gehad, geen verbazing. Het hof heeft hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de in vergelijkbare zaken opgelegde straffen kennelijk en niet onbegrijpelijk niet opgevat als een zelfstandig, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafoplegging dat een bijzondere, met redenen omklede weerlegging behoefde.

27. Gelet op het voorafgaande, is de strafoplegging niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, ook in het licht van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

28. Het middel faalt.

29. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

30. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof begrijpt hier en verder: verdovende middelen.

2 Zie mijn conclusie voorafgaand aan HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:897 (PHR:2019:612), met nadere verwijzingen.

3 Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Buruma, rov. 3.6.4, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. Keulen, rov. 2.4.2, en HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2777, rov. 2.5.

4 Vgl. HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2052, NJ 2012/253, m.nt. Mevis.

5 HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805.

6 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 265.