Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:927

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/03970
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1740
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Aanhoudingsverzoek, mede gedaan met het oog op het verkrijgen van een machtiging a.b.i. art. 279 Sv. Klacht dat het hof heeft verzuimd de vereiste belangenafweging te maken. Conclusie strekt tot vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03970

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 13 september 2018 met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 november 2017. Daarbij is de verdachte wegens 1 “poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en 2 “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof de afwijzing van het ter terechtzitting in hoger beroep gedane aanhoudingsverzoek ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof heeft verzuimd bij de beoordeling van het verzoek alle daartoe in aanmerking komende belangen af te wegen.

  4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft de verdachte bij vonnis van 13 november 2017 bij verstek veroordeeld wegens – kort gezegd – poging tot gekwalificeerde diefstal en gekwalificeerde diefstal.

(ii) Op 21 november 2017 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Op de akte instellen hoger beroep staat als adres van de verdachte vermeld [a-straat 1] in [woonplaats].1 Volgens de ID-staat SKDB van 13 augustus 2018 is het desbetreffende adres sinds 1 juli 2017 het BRP-adres van de verdachte.

(iii) De dagvaarding is, nadat op 1 augustus 2018 tevergeefs is geprobeerd deze aan de verdachte op diens BRP-adres ( [a-straat 1] in [woonplaats] ) uit te reiken, op 13 augustus 2018 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant.

(iv) Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2018 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt mee dat de dagvaarding overeenkomstig de wettelijke voorschriften is betekend en vraagt de als raadsman ter terechtzitting verschenen mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, naar zijn cliënt.

Deze verklaart:

Ik verzoek uw hof om de zaak aan te houden, in de eerste plaats zodat mijn cliënt zijn aanwezigheidsrecht uit kan oefenen en in de tweede plaats om mij in de gelegenheid te stellen een machtiging voor het voeren van de verdediging te verkrijgen. Ik heb geen contact gehad met mijn cliënt. Ik stond hem bij in eerste aanleg en er is kort daarna, op het moment van instellen van hoger beroep, nog een laatste contact geweest. Ik voel me nu niet gemachtigd.

De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede:

Het verzoek tot aanhouding dient te worden afgewezen. Het verzoek is niet nader onderbouwd. De dagvaarding is correct betekend. Ik vraag verstek.

De raadsman reageert:

Ik kan het verzoek tot aanhouding niet onderbouwen, want ik heb geen contact gehad met cliënt. Het is een algemeen verzoek.

Na een korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter de volgende beslissing van het hof mede:

Er is gelet op de inhoud van het dossier en gelet op hetgeen de raadsman zojuist heeft opgemerkt geen aanleiding te veronderstellen dat de verdachte een volgende keer wel zal verschijnen of bereikt zal worden. Het verzoek tot aanhouding van de zaak wordt afgewezen.”

(v) Het hof heeft de verdachte bij arrest van 13 september 2016 met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 november 2017.

5. Het op 30 augustus 2018 ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van mr. Van de Bergh tot aanhouding van de zaak is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of het belang van het onderzoek de schorsing vordert.

6. Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan ter terechtzitting worden gedaan door de verdachte of diens op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte kan ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in art. 279, eerste lid, Sv bedoelde machtiging. Wanneer de rechter het verzoek niet afwijst op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.2

7. In het licht van het voorafgaande, heeft het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd. Het aanhoudingsverzoek is (mede) gedaan met het oog op het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in art. 279 Sv. Het hof heeft aan de afwijzing slechts ten grondslag gelegd dat het geen aanleiding heeft te veronderstellen dat de verdachte een volgende keer wel zal verschijnen of bereikt zal worden. Daarmee heeft het hof er geen blijk van gegeven de vereiste belangenafweging te hebben gemaakt.3 Weliswaar kan een eventuele moeilijke bereikbaarheid van de verdachte gewicht in de schaal leggen bij de belangenafweging zoals hiervoor onder 6 bedoeld4, maar van enige afweging van belangen, in die zin dat de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde gronden daarbij worden betrokken, blijkt niet. Reeds daarom kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven.

8. Daarbij komt dat de motivering, voor zover deze inhoudt dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de verdachte een volgende keer wel zal (verschijnen of zal) worden bereikt, niet begrijpelijk is in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd. De raadsman heeft opgemerkt bij het instellen van hoger beroep nog contact met de verdachte te hebben gehad, terwijl het hof niet motiveert waaruit zou volgen dat het onaannemelijk is dat de raadsman de verdachte zou kunnen bereiken teneinde alsnog een machtiging te verkrijgen. Daarin verschilt de onderhavige zaak van de zaak leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1144, waarin eveneens een aanhoudingsverzoek was gedaan met het oog op het verkrijgen van een machtiging.5 In die zaak had de raadsman in hoger beroep aangevoerd dat hij namens de verdachte hoger beroep had aangetekend maar geen contact meer met hem had gehad en dat hij hem wel had uitgenodigd voor een gesprek maar dat de verdachte daarop niet had gereageerd.

9. Het middel slaagt.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ook de cassatieakte vermeldt [a-straat 1] in [woonplaats] als adres van de verdachte.

2 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934. Dit kader is herhaald in HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:669 en – ten aanzien van de niet-gemachtigde raadsman – HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2020 en HR 25 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1014.

3 Zie ook HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:779. Daarin verschilt de onderhavige zaak van de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1144.

4 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1144 (PHR:2019:757), onder 3.6.

5 Zie voorts HR 17 september 2013, nr. 11/04516 (niet gepubliceerd), waarin eveneens een aanhoudingsverzoek was gedaan met het oog op het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in art. 279 Sv. Het hof wees dit aanhoudingsverzoek af en legde aan die afwijzing onder meer ten grondslag dat de dagvaarding in hoger beroep in persoon was betekend. De Hoge Raad liet dat oordeel in stand (art. 81, eerste lid, RO). Ik wijs er nog op dat in de onderhavige zaak de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon is betekend.