Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:926

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/04444
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1759
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Aanhoudingsverzoek. Raadsvrouw heeft verzoek gedaan tot aanhouding van de zaak “voor een bepaalde tijd tot later op deze dag”. Hof heeft onder meer overwogen dat er geen ruimte is de zaak naar een later tijdstip te verplaatsen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04444

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 7 augustus 2018 wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M. Ketting, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek door het hof onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

  4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, heeft de verdachte bij vonnis van 6 augustus 2015 op tegenspraak veroordeeld wegens – kort gezegd – gekwalificeerde diefstal.

(ii) Op 6 augustus 2015 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

(iii) Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juli 2018 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De verdachte genaamd:

(…)

is niet verschenen.

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M. Ketting, advocate te Amsterdam, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.

(…)

De raadsvrouw deelt - zakelijk weergegeven - mee:

Zojuist heb ik een bericht ontvangen van verdachte, waarin hij mij meldt dat hij zich heeft verslapen en dat hij over een uur hier kan zijn. Ik verzoek het hof om de behandeling aan te houden, zodat verdachte zelf een verklaring ter zitting kan afleggen. Ik vraag dus om aanhouding voor een bepaalde tijd tot later op deze dag. Het is van belang dat verdachte bij de behandeling van zijn zaak aanwezig is en dat hij zelf kan verklaren. Zijn aanwezigheid zou ook goed zijn voor het hof om een goed beeld te kunnen krijgen over de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte vraagt mij in zijn bericht of hij nog naar Leeuwarden moet komen. Ik vermoed dat hij met de trein zal reizen.

De advocaat-generaal deelt - zakelijk weergegeven - mee:

Een treinreis vanuit Lelystad zal in een gunstig geval anderhalf uur duren. Hoewel de Hoge Raad veel waarde hecht aan het aanwezigheidsrecht van een verdachte is het in dit geval zo, dat de raadsvrouw gemachtigd is om verdachte te vertegenwoordigen. Daar komt bij dat verdachte aangeeft dat hij zich heeft verslapen. Dat is een reden voor afwezigheid die ik wel aan de Hoge Raad zou willen voorleggen. Er is geen reden voor aanhouding.

De raadsvrouw deelt - zakelijk weergegeven — nog mee:

Een verdachte heeft er recht op aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. Er kunnen heel veel redenen zijn om niet of niet op tijd te kunnen verschijnen. Ik weet niet of verdachte zijn recht heeft verspeeld doordat hij zich heeft verslapen. Hij wil nog wel zijn best doen om naar Leeuwarden te komen.

De advocaat-generaal deelt - zakelijk weergegeven - mee:

Als verdachte nu nog van huis moet vertrekken kost het minimaal nog anderhalf uur voordat hij hier kan zijn. Daardoor zou de hele verdere zitting vandaag ontregeld worden en met het belang van alle andere te behandelen zaken moet ook gerekend worden.


Nadat het onderzoek na een onderbreking voor beraad is hervat, deelt de voorzitter - zakelijk weergegeven - mee:

Het hof wijst het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw af. Verdachte heeft pas tijdens de zitting contact opgenomen met zijn raadsvrouw met de melding dat hij zich heeft verslapen. Daaruit vloeit voort dat hij zich royaal heeft verslapen. Hij is ook niet spoorslags naar Leeuwarden vertrokken, maar neemt eerst ook nog een afwachtende houding aan. De raadsvrouw is gemachtigd om namens verdachte het woord te doen en zij kan het hof omtrent de persoonlijke omstandigheden voorlichten. Daar komt bij dat zij kennelijk ook nog met verdachte in verbinding staat, zodat zij hem desgewenst nog kan bevragen. De verdere zitting vandaag is volledig geappointeerd en er is geen ruimte deze zaak naar een later tijdstip te verplaatsen.”

(iv) Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte wegens – kort gezegd – diefstal in vereniging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

5. Het op 30 augustus 2018 ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van mr. Ketting tot aanhouding van de zaak is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of het belang van het onderzoek de schorsing vordert.

6. Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan ter terechtzitting worden gedaan door de verdachte of diens op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman. Wanneer de rechter het verzoek niet afwijst op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.

7. De voorliggende zaak vertoont enige gelijkenis met de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:65, NJ 2018/324 m.nt. Kooijmans. Ook in die zaak had de verdachte zich verslapen en was hij om die reden tijdens het onderzoek ter terechtzitting afwezig. De raadsvrouw had bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep opgemerkt dat zij had verwacht dat de verdachte die dag ter terechtzitting aanwezig zou zijn, dat zij hem had gebeld en dat hij zich blijkbaar had verslapen. Zij gaf aan uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, maar wees erop dat de verdachte in eerste aanleg niet ter terechtzitting was verschenen en graag bij de behandeling in hoger beroep aanwezig wilde zijn. Zij verzocht daarom de behandeling van de zaak aan te houden. Het hof wees het verzoek af, “omdat verdachte op de hoogte is van deze terechtzitting en het feit dat hij zich verslapen heeft, mede gelet op het huidige tijdstip van 11.30 uur, geen geldig excuus is om niet ter terechtzitting te verschijnen”. De Hoge Raad achtte deze motivering ontoereikend en casseerde. Hij overwoog dat uit de motivering van het hof niet bleek dat het hof de mogelijkheid tot schorsing van het onderzoek tot een later tijdstip op de dag onder ogen had gezien, noch dat het de hiervoor onder 6 bedoelde belangenafweging had gemaakt.1

8. Bij de bespreking van het middel moet eerst acht worden geslagen op de strekking en reikwijdte van het verzoek van de raadsvrouw. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de raadsvrouw heeft verzocht om “aanhouding voor een bepaalde tijd tot later op deze dag”. Uit de motivering van de afwijzing van dit aanhoudingsverzoek blijkt dat het hof dit verzoek aldus heeft opgevat, dat het – niet aanstonds na het uitroepen van de zaak gedane – verzoek zich slechts uitstrekte tot de dag van de zitting en daarmee niet een verzoek tot aanhouding voor eventueel een andere zittingsdag betrof. De uitleg van een dergelijk ter terechtzitting gedaan verzoek is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.2 In cassatie wordt niet opgekomen tegen de desbetreffende uitleg van het verzoek. Bij deze uitleg wordt aansluiting gezocht, daar waar de steller van het middel opmerkt dat is verzocht om “aanhouding voor bepaalde tijd tot nader tijdstip diezelfde dag”. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de raadsvrouw, nadat het hof in de motivering van de afwijzing van het verzoek duidelijk had gemaakt het verzoek aldus op te vatten dat het was beperkt tot aanhouding tot een later tijdstip op dezelfde dag, zich tegen deze uitleg niet heeft verzet en geen nader aanhoudingsverzoek heeft gedaan. In cassatie moet van de – gelet op de bewoordingen niet onbegrijpelijke - uitleg van het verzoek door het hof worden uitgegaan.

9. Het hof heeft aannemelijk bevonden dat de verdachte zich had verslapen. Vervolgens heeft het hof de mogelijkheid tot aanhouding tot een later tijdstip op de dag onder ogen gezien. Het hof heeft daarbij overwogen dat sprake is van een volledige appointering en dat er geen ruimte is de zaak naar een later tijdstip te verplaatsen. Daarin verschilt de zaak van de zaak die leidde tot het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2018. De vaststelling dat het zittingsrooster geen ruimte bood om de zaak later op de dag te laten plaatsvinden, wordt in cassatie niet bestreden. Daarvan zal in cassatie moeten worden uitgegaan.

10. Wel betoogt de steller van het middel dat de behandeling van de zaak tweeëneenhalf uur heeft geduurd en de verdachte dan ook meer dan genoeg tijd had om naar Leeuwarden te reizen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting kan niet worden afgeleid hoe lang de behandeling van de zaak heeft geduurd. Zelfs al zou met de steller van het middel worden aangenomen dat de behandeling zo lang heeft geduurd, valt niet in te zien hoe daardoor de beoordeling van de afwijzende beslissing op het aanhoudingsverzoek kan worden beïnvloed. De grond voor afwijzing was immers dat het zittingsrooster geen ruimte bood voor aanhouding tot een later moment op die dag. Het stond de verdachte bovendien vrij in de trein te stappen in de hoop dat hij nog een deel van de zitting zou kunnen bijwonen.

11. In het genoemde arrest van 23 januari 2018 constateerde de Hoge Raad ook dat uit de motivering van het hof niet bleek dat een belangenafweging was gemaakt. Hetzelfde kan worden gezegd van het arrest van het hof in de onderhavige zaak. Het voert in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad te ver een dergelijke belangenafweging in te lezen. De vraag rijst of die constatering maakt dat de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek tot aanhouding ontoereikend is gemotiveerd. Ik meen dat die vraag in het licht van de bijzondere omstandigheden van het geval ontkennend moet worden beantwoord. Nu het verzoek tot aanhouding was beperkt tot een dag waarop er geen ruimte was voor verplaatsing, behoefde het hof geen blijk te hebben gegeven de in de rechtspraak genoemde belangen te hebben afgewogen. Niemand kan tot het onmogelijke worden gehouden, ook het hof niet. Een belangenafweging is onder die omstandigheden niet aan de orde. Het hof heeft de afwijzing van het aanhoudingsverzoek aldus toereikend gemotiveerd.

12. Het middel faalt.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor een voorbeeld waarin het hof de zaak wel kon aanhouden tot later op de dag HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5100.

2 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 196.