Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:925

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/04096
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1750
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Phishing-fraude. Zes middelen met onder meer bewijsklachten (medeplegen, oplichting, diefstal, witwassen, deelneming aan een criminele organisatie) en klacht over de strafoplegging. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04096

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 22 januari 2018 wegens 1 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd, en diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, 3 “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd en medeplegen van oplichting”, 4 “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, en medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd” en 5 “witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft hof beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen en de vorderingen van de benadeelde partijen, één en ander zoals vermeld in het arrest.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte maakte volgens de vaststellingen van het hof onderdeel uit van een organisatie die zich bezighield met oplichting (onder meer in de vorm van phishing-fraude) en diefstal. Daarbij gold de volgende ‘modus operandi’. Aan benadeelden werd gevraagd hun bank-, adres- en persoonsgegevens te verstrekken. Daarbij werd gebruikgemaakt van mailtjes met daarin hyperlinks naar webpagina’s die een sterke gelijkenis vertoonden met webpagina’s van bepaalde banken. Met behulp van die gegevens werden nieuwe bankpassen aangevraagd. De verdachte en één van zijn medeverdachten togen vervolgens naar de adressen waar de bankpassen naartoe werden gestuurd om de post met daarin de bankpassen te onderscheppen. Met de onderschepte bankpassen werden verschillende transacties verricht.

Bespreking van de cassatiemiddelen

4. In cassatie worden enkele bewijsklachten naar voren gebracht. Ook wordt geklaagd over de kwalificatie van het onder 5 bewezen verklaarde (witwassen). Ten slotte bevat de cassatieschriftuur klachten over de motivering van de strafoplegging en over de inzendtermijn in cassatie.

5. Het eerste middel behelst de klacht dat het bewijs van het medeplegen van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, mede in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer, ontoereikend is gemotiveerd.

6. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2, 3 en 4 bewezen verklaard dat:

“2.

hij in de periode van 7 mei 2015 tot en met 30 mei 2015 te Amsterdam , tezamen en in vereniging met een ander althans alleen1 telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- 2512 euro, toebehorende aan [benadeelde 1] ;

- 3500 euro, toebehorende [benadeelde 2] en;

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de weg te nemen geldbedragen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

3.
hij in de periode van 18 maart 2015 tot en met 30 mei 2015 te Haarlem , Gramsbergen en Stedum , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen poststukken toebehorende aan [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

en

hij op 27 mei 2015 te Middenbeemster , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, een postbode in voornoemde gemeente heeft bewogen tot de afgifte van poststukken op naam van [benadeelde 4] , hebbende verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk valselijk zich voorgedaan als geadresseerde van voornoemde poststukken.

4.

hij op 28 mei 2015 in Vlissingen , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een poststuk, toebehorende aan [benadeelde 5] , met een mededader naar voornoemde gemeente is toegegaan waarna hij en zijn mededader

- aan een postbode hebben gevraagd om voornoemd poststuk te overhandigen en

- uit de brievenbus van [benadeelde 5] voornoemd poststuk gepoogd heeft te verkrijgen.


en/of


hij in de periode van 18 april 2015 tot en met 27 mei 2015 te Hoofddorp , Purmerend , Raamsdonkveer , Zwolle en Haarlem , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid postbodes in voornoemde gemeenten te bewegen tot de afgifte van poststukken op naam van [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] en anderen, met vorenomschreven oogmerk valselijk en in strijd met de waarheid met zijn mededader

- naar voornoemde gemeenten is toegegaan,

- voornoemde postbodes heeft aangesproken en

- zich heeft voorgedaan als de geadresseerde van voornoemde poststukken.”

7. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2017 blijkt dat de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities. Uit deze pleitnotities blijkt dat de raadsman heeft aangevoerd dat het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen. Daartoe heeft hij – kort samengevat – betoogd dat niet is komen vast te staan dat de verdachte uitvoeringshandelingen heeft verricht, terwijl de verdachte in de visie van de verdediging een ondergeschikte rol vervulde bij de strafbare feiten.

8. Het hof heeft het verweer verworpen en heeft het volgende overwogen over het bewijs van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde medeplegen2:

“Medeplegen


Het hof stelt voorop dat uit de bewijsmiddelen de navolgende modus operandi naar voren komt.

Aan de benadeelde wordt een e-mail verzonden die afkomstig lijkt te zijn van de ABN AMRO- of de Rabobank . Vervolgens wordt de benadeelde via een hyperlink in deze e-mail naar een 'phishing website' geleid. Daar wordt een pagina getoond die sterke gelijkenis vertoont met een authentieke webpagina van de betreffende bank en wordt benadeelde gevraagd bank-, adres- en persoonsgegevens in te vullen. Nadat de benadeelde deze gegevens heeft verstrekt, wordt door derden met behulp van de gegevens telefonisch een nieuwe bankpas aangevraagd, waarna deze bankpas naar het opgegeven adres van benadeelde wordt verzonden en vervolgens wordt onderschept, waarna met deze pas geldbedragen worden opgenomen en/of pinbetalingen worden verricht. In een aantal gevallen is het bij een poging gebleven.


Beoordeeld zal moeten worden of sprake is van het in vereniging plegen van (poging tot) diefstal (met valse sleutel) en medeplegen van (poging tot) oplichting door [verdachte] . Hiertoe wordt het volgende overwogen.


De hierboven geschetste handelwijze vergt een planmatige aanpak, een intensieve samenwerking en een duidelijke afstemming tussen de betrokken personen, hetgeen bevestiging vindt in de bewijsmiddelen. In dit verband wordt nog het volgende overwogen. Nadat de gegevens van een benadeelde werden verkregen, is met behulp van deze gegevens door - veelal - [medeverdachte 2] een nieuwe bankpas aangevraagd. Nadat de aanvraag had plaatsgevonden, speelde [medeverdachte 2] de persoons-, adres- en bankgegevens door aan [verdachte] en/of [medeverdachte] . Voorzien van die informatie was het aan [verdachte] en [medeverdachte] het betreffende poststuk met daarin de bankpas te bemachtigen. Veelal vanuit Amsterdam verplaatsten [verdachte] en [medeverdachte] zich gezamenlijk, met de auto, te weten de Renault Megane met [kenteken] , in gebruik bij [verdachte] , naar diverse plaatsen in vrijwel het hele land, waaronder Haarlem , Vlissingen en Stedum . Behalve dat [verdachte] de auto ter beschikking stelde, reed hij en gaf ter plaatse [medeverdachte] zo nu en dan aanwijzingen. [medeverdachte] was degene - het enkele geval daargelaten dat [verdachte] zelf in de brievenbus keek - die de postbode benaderde of in de brievenbus van de geadresseerde(n) keek. Blijkens verschillende tapgesprekken hadden [verdachte] en [medeverdachte] ten tijde van de uitvoering van de ten laste gelegde feiten telefonisch contact, waarbij zij instructies en informatie met betrekking tot het bemachtigen van de bankpassen met elkaar deelden. Tijdens deze gesprekken is gebruik gemaakt van kennelijk vooraf afgesproken versluierd taalgebruik, waaronder de woorden " pieter " (het hof begrijpt postbode), "spa" (het hof begrijpt pas) "green"(het Hof begrijpt ABN Amro bank ). Dat de betrokkenheid van [verdachte] verder ging dan enkel het rondrijden van [medeverdachte] blijkt onder meer uit de (in de bewijsmiddelen opgenomen) tapgesprekken van 22 mei 2015 en 4 juni 2015, waaruit volgt dat [verdachte] actief meedacht over en meewerkte aan het achterhalen van de post.

Naar het oordeel van het hof geven de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden blijk van een gelijkwaardige rolverdeling tussen [verdachte] en [medeverdachte] , als ook van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het plegen van diefstal in vereniging en het medeplegen van oplichting.


(…)


Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde, zaaksdossier Haarlem [a-straat] (benadeelde [benadeelde 1] / ABN AMRO )

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het onder 2 en 3 ten laste gelegde voor zover dat ziet op het zaaksdossier Haarlem [a-straat] : de verdachte zou slechts faciliterende handelingen hebben verricht, zodat geen sprake is van medeplegen.

Het hof overweegt als volgt. Op 7 mei 2015 tussen 11:26 uur en 12:46 uur respectievelijk tussen 11.22 uur en 12.55 uur straalden de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte] zendmasten in Haarlem aan. Omstreeks 14:15 uur zag een observant die zich nabij het verblijfadres van [verdachte] ( [b-straat 1] ) ophield, de Renault Megane, met daarin [verdachte] en [medeverdachte] , als respectievelijk bestuurder en bijrijder, rijden. Omstreeks 14:22 uur zag hij dat [medeverdachte] post verscheurde en in een ondergrondse papiercontainer gooide. De auto met [verdachte] en [medeverdachte] reed vervolgens door in de richting van het AMC ziekenhuis. De versnipperde post is door de observant uit de container gehaald: het betrof een brief afkomstig van de ABN Amro Bank , gericht aan het adres [a-straat 1] , [postcode] Haarlem (het hof begrijpt het adres van aangever [benadeelde 1] ). De brief was voorzien van een plakstrip waarop normaliter een nieuwe bankpas is bevestigd. Die middag is op drie momenten geld opgenomen met de bankpas die was bestemd voor [benadeelde 1] . Telkens peilden de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte] uit in de nabije omgeving van deze transacties. [medeverdachte] is op beveiligingsbeelden van de geldautomaat bij het AMC herkend.


Het hof oordeelt dat deze gedragingen van de verdachte hetzelfde zijn als eerder onder ‘medeplegen’ omschreven. Ook voor dit zaakdossier geldt daarom dat de verdachte als medepleger wordt aangemerkt.


Gelet op het voorgaande acht het hof de onder 2 ten laste gelegde diefstal in vereniging van een geldbedrag van € 2.512,00 en de onder 3 tenlastegelegde diefstal in vereniging van een poststuk van [benadeelde 1] wettig en overtuigend bewezen

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde, zaaksdossier Gramsbergen ( [benadeelde 2] )


Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde voor zover dat ziet op de diefstal in vereniging met gebruik van een valse sleutel van € 3.430,00, toebehorend aan [benadeelde 2] . Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de geldopname van € 1.000,00 bij een pinautomaat aan de [c-straat] en de betaling van € 2.430,00 in kledingwinkel Didato heeft verricht. Ten aanzien van de betaling van € 70,00 bij Lacoste heeft de raadsman een beroep op de eigen waarneming van het hof gedaan wat betreft de gestelde herkenning van de verdachte op de beelden. Voorts heeft de raadsman vrijspraak bepleit van de onder 3 ten laste gelegde diefstal in vereniging van poststukken te Gramsbergen en/of het medeplegen van oplichting te Gramsbergen . Ook dient vrijspraak te volgen van het onder 5 ten laste gelegde witwassen van een paar Gourmet Tigerstripes schoenen, nu niet is vastgesteld dat het bij de verdachte aangetroffen paar het bij Didato gekochte paar betreft.


Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Op 28 mei 2015 is bij de ABN AMRO Bank telefonisch een nieuwe bankpas aangevraagd door een persoon die zich voordeed als [benadeelde 2] . Op 29 mei 2015 is de bankpas door ABN AMRO Bank verzonden naar het adres van [benadeelde 2] , namelijk [d-straat 1] te Gramsbergen . Uit de locatiegegevens van de mobiele telefoons van [medeverdachte] en [verdachte] blijkt dat zij zich op 30 mei 2015 in Gramsbergen bevonden. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 30 mei 2015 tijdens haar werkzaamheden als postbode is aangesproken door een jongen. Deze jongen vroeg haar naar post voor het adres [d-straat] en zei dat hij wachtte op een brief van het ziekenhuis bestemd voor zijn moeder. [getuige 1] heeft verklaard dat zij geen post aan deze jongen heeft afgegeven.


Later die dag, namelijk om 16:31 uur vond met de betreffende bankpas (die gelet op de verklaring van [getuige 1] op enig moment daarvoor gestolen moet zijn) een geldopname plaats bij een pinautomaat aan de [c-straat] in Amsterdam. De telefoons van [verdachte] en [medeverdachte] peilden beide uit in de nabije omgeving van deze pinautomaat. Vervolgens is met dezelfde bankpas om 17:05 uur een geldbedrag van € 2.430 betaald bij kledingwinkel Didato aan de [c-straat] . Getuige [getuige 2] , werkzaam bij voornoemde kledingwinkel, heeft verklaard dat de betaling is verricht door een van de vier a vijf mannen die gezamenlijk in de winkel aanwezig waren. [getuige 2] heeft [medeverdachte] en [verdachte] herkend als zijnde twee van deze mannen en heeft op 13 juni 2015 bij de politie verklaard: “Ze pakten willekeurig kleding uit de schappen, paste dit niet allemaal [...] Ze hadden uiteindelijk voor meer dan 3000,- euro aan kleding gepakt, maar het bleek dat ze een maximum bedrag konden betalen dat lager lag. Er zijn een paar kledingstukken teruggelegd.” Vervolgens vond er om 17.24 uur een pinbetaling van € 70,- bij kledingwinkel Lacoste te Amsterdam plaats. [verdachte] is als pinner herkend op de camerabeelden van deze winkel. Het hof ziet in de zich in het dossier bevindende stills van deze beelden geen aanleiding te twijfelen aan deze herkenning.

Op 9 juni 2015 is bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] onder meer een paar schoenen van het merk Gourmet Tigerstripes, maat 44 aangetroffen, welke maat, merk en type schoenen eveneens zijn vermeld op de kassabon behorend bij de op 30 mei 2015 bij Didato gekochte goederen.


Het hof acht deze feiten en omstandigheden zo bezwarend voor [verdachte] , mede in het licht van hetgeen onder ‘medeplegen’ is overwogen, dat van hem een deze redengevende feiten en omstandigheden ontzenuwende verklaring mocht worden verwacht. Een dergelijke verklaring van [verdachte] is echter uitgebleven; de eerst ter zitting desgevraagd door [verdachte] afgelegde verklaring dat hij de Gourmet Tigerstripes bij ‘ Wiseguys ’ zou hebben gekocht, kan in ieder geval niet als een dergelijke verklaring gelden.


Gelet op het voorgaande acht het hof de onder 2 ten laste gelegde diefstal (deels) in vereniging van een geldbedrag € 3.500,00, de onder 3 ten laste gelegde diefstal in vereniging van een poststuk en het onder 5 ten laste gelegde witwassen van de Gourmet Tigerstripes wettig en overtuigend bewezen.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, zaaksdossier Middenbeemster ( [benadeelde 4] )

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde voor zover dat ziet op diefstal in vereniging van poststukken te Middenbeemster en/of het medeplegen van oplichting te Middenbeemster . Op basis van de inhoud van het dossier kan weliswaar worden vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte] op 27 mei 2015 met de door de verdachte gebruikte auto naar Middenbeemster zijn gereden, maar blijkt niet dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de ten laste gelegde feiten.


Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Door het observatieteam van de politie zijn [verdachte] en [medeverdachte] op 27 mei 2015 herkend in Middenbeemster als respectievelijk de bestuurder en de bijrijder van de Renault Megane, in gebruik bij [verdachte] . Getuige [getuige 3] heeft [medeverdachte] herkend als zijnde de jongen die hem tijdens zijn werkzaamheden als postbode te Middenbeemster heeft aangesproken in verband met post van het ziekenhuis voor het adres [e-straat 1] die door hem werd verwacht. De jongen gaf aan dat hij de post snel nodig had. [getuige 3] heeft verklaard dat hij hem uiteindelijk de post heeft gegeven. Uit het tapgesprek met sessienummer 841 blijkt dat dit niet heel gemakkelijk verliep; [medeverdachte] deelde namelijk het volgende aan [verdachte] mee, waarbij hij de “ pieter ” aanhaalt: “Ja dus die pieter hij stond daar toch maar hij heeft al die sokken in ze waggie, hij zegt tegen mij: ‘Je mag niet in me waggie kijken. [...] Maar omdat die brief zo belangrijk is ga ik in me waggie kijken en dan rij ik naar jou toe. Dan zet ik hem er in.’ Dus ik zeg tegen hem kunnen we niet samen in die auto kijken ofzo, want het is echt heel belangrijk. ” Vervolgens heeft [verdachte] blijkens het tapgesprek met sessienummer 843 instructies aan [medeverdachte] gegeven “mmm volg die waggie zo dan gewoon” en “Wil je niet dadelijk gewoon naar die waggie ook lopen wanneer hij naar ze waggie loopt.” Toen [medeverdachte] de postbode niet meer zag, gaf [verdachte] de locatie van de postbode door: “Maar die ene pieter is hier hoor [...] hiero in de straat voor me”.

Het hof oordeelt dat deze gedragingen van [verdachte] hetzelfde zijn als eerder onder ‘medeplegen’ omschreven. Ook voor dit zaakdossier geldt daarom dat de verdachte als medepleger wordt aangemerkt. Derhalve acht het hof het onder 3 tenlastegelegde medeplegen van oplichting van een postbode in de gemeente Middenbeemster wettig en overtuigend bewezen.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een begin van uitvoering, waardoor poging tot diefstal in vereniging dan wel poging tot het medeplegen van oplichting niet kan worden bewezen verklaard.


Het hof stelt voorop dat van een strafbare poging sprake is in het geval de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Op basis van het dossier kan daartoe het volgende worden vastgesteld.


Vlissingen

Op 26 mei 2015 is bij de ABN Amro Bank telefonisch een nieuwe bankpas aangevraagd door een persoon die zich voordeed als [benadeelde 5] . [benadeelde 5] is woonachtig op het [f-straat 1] te Vlissingen . In de ochtend van 28 mei 2015 zag het observatieteam van de politie in Amsterdam de Renault van [verdachte] rijden met daarin [verdachte] als bestuurder en [medeverdachte] als bijrijder. Vervolgens reden [verdachte] en [medeverdachte] samen naar het [f-straat] te Vlissingen . Omstreeks 11:59 uur arriveerden zij ter plaatse, waarop [medeverdachte] de auto verliet en in de richting van de brievenbussen op voornoemd plein liep. Vervolgens keerde hij terug naar de auto, waarna [verdachte] en [medeverdachte] rond reden in de omgeving. Verbalisant [verbalisant] van het observatieteam sprak een postbode aan, die verklaarde door de jongen op de bijrijdersstoel (het hof begrijpt [medeverdachte] ) te zijn aangesproken. Deze jongen zou hem om post van het ziekenhuis voor het adres [f-straat 1] hebben gevraagd. De postbode is niet tot afgifte van de post overgegaan. Enkele minuten later, omstreeks 12:53 uur kwam de Renault op 50 meter van de woning aan het [f-straat 1] tot stilstand. [medeverdachte] stapte wederom uit, liep in de richting van de brievenbus en keek naar de brievenbus van voornoemd adres. Vervolgens stapte [medeverdachte] weer in de auto. Omstreeks 13:11 uur is de post bezorgd, [verdachte] stapte vlak daarna uit de auto en keek in de brievenbus van voornoemd adres.


Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat sprake is van een begin van uitvoering van het wegnemen van poststukken uit de brievenbus, in het bijzonder in het licht van hetgeen reeds onder ‘medeplegen’ is overwogen. Bij dit oordeel heeft het hof de omstandigheid betrokken dat [verdachte] geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn handelingen, waaruit zou kunnen volgen dat hij en zijn mededader niet bezig waren met het proberen te stelen van poststukken.


Hoofddorp , Purmerend , Raamdonksveer , Zwolle en Haarlem

Op 18 april 2015 omstreeks 12.00 uur werd postbode [betrokkene] tijdens zijn ronde aangesproken door een jongen die vroeg naar post voor [benadeelde 9] , [g-straat 1] te Hoofddorp . De jongen vertelde dat hij belangrijke medische post voor zijn moeder verwachtte en dat hij voor 11.00 uur die ochtend een reactie moest doorgeven. De postbode heeft de betreffende jongen in een hem getoonde foto van [medeverdachte] herkend. De Renault van [verdachte] bevond zich tussen 10.44 uur en 13.00 uur rijdend en stilstaand in de omgeving van de [g-straat] en ook de telefoon van [verdachte] peilde uit in de nabijheid.

Blijkens gegevens afkomstig van de plaatsbepalingsapparatuur op de door [verdachte] gebruikte Renault Megane is dit voertuig op 23 april 2015 van de [b-straat] te Amsterdam (het hof begrijpt het verblijfadres van [verdachte] ) via de [h-straat] te Amsterdam (het hof begrijpt het verblijfadres van [medeverdachte] ) naar Purmerend gereden. Voorts heeft het observatieteam van de politie voornoemd voertuig, met daarin twee inzittenden, waargenomen in Purmerend . Daarbij heeft de observant gerelateerd dat de bestuurder “een baard en bril droeg en qua postuur en uiterlijk sterke gelijkenissen vertoonde met [verdachte] ''. [getuige 4] heeft verklaard dat zij tijdens haar werkzaamheden als postbode op 23 april 2015 is aangesproken door een jongen die wilde weten of al post was bezorgd op de [i-straat 1] . Het zou post van het ziekenhuis betreffen.


Door het observatieteam van de politie zijn [verdachte] en [medeverdachte] op 22 mei 2015 herkend als respectievelijk de bestuurder en de bijrijder van de meermaals genoemde Renault Megane, waarmee zij gezamenlijk van Amsterdam naar Raamsdonkveer zijn gereden. [getuige 5] heeft verklaard: “Op vrijdag 22 mei 2015 was ik rond 12:00 uur in de wijk [G] in Raamsdonkveer . Ik was daar om als postbezorger poststukken af te leveren. [...] Rond 12:15 uur werd ik op de [o-straat] aangesproken door een man. [...] Ik hoorde dat hij zei: ‘Meneer mag ik u wat vragen. Ik heb een probleem. Bent u de postbode van [j-straat] ? [...] Ik had gisteren een brief moeten ontvangen voor een operatie op maandag. Ik moet die brief insturen en moet hem nu hebben, want de operatie is maandag al”. [getuige 6] heeft verklaard: “Ik werk als postbezorger in Raamsdonksveer. De [j-straat] is mijn vaste wijk. Op 22 mei 2015 omstreeks 12:30 uur kwam NNI naar mij toe. NNI zei dat hij zat te wachten op een oproep van het […] ziekenhuis, omdat hij geopereerd zou worden. NNI vroeg of er post bij zat voor [benadeelde 7] , wonende aan [j-straat 1] .” Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 2 juni 2015 zijn op 22 mei 2015 tussen 12:11 uur en 12:33 uur vier gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] afgeluisterd, waarvan de inhoud correspondeert met het aanspreken van [medeverdachte] van voornoemde getuigen [getuige 5] en [getuige 6] .


Op 23 mei 2015 kunnen [verdachte] en [medeverdachte] op basis van tapinformatie in Zwolle worden geplaatst en blijkens de inhoud van deze gesprekken waren zij daar om een aangevraagde pas te bemachtigen.

Getuige [getuige 7] heeft telefonisch aan de politie verklaard dat hij op 23 mei 2015 tijdens zijn werkzaamheden als postbode te Zwolle is aangesproken door een jongen die belangrijke post wilde ontvangen voor de familie [naam 1] , wonende aan de [k-straat 1] te Zwolle . Het zou post van het ziekenhuis betreffen, waar hij voor 12 uur zijn handtekening op diende te zetten.

Tenslotte kunnen [verdachte] en [medeverdachte] op 26 mei 2015 op basis van tapinformatie in Haarlem worden geplaatst en is [medeverdachte] door getuige [getuige 8] herkend als zijnde de jongen die hem op die dag tijdens zijn werkzaamheden als postbode te Haarlem heeft aangesproken in verband met post van het ziekenhuis voor het adres [l-straat 1] die hij verwachtte. De jongen gaf daarbij aan dat hij de post snel nodig had. Op basis van de tapgesprekken kan worden geconstateerd dat zowel [verdachte] , als [medeverdachte] ter plaatse waren. Zo blijkt uit de tapgesprekken met sessienummers 38420 en 38424 dat [verdachte] en [medeverdachte] elkaar instrueerden over de locatie van de postbode.


Ook deze feiten en omstandigheden, mede bezien in het licht van hetgeen onder ‘medeplegen’ reeds is overwogen, leiden tot het oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] in bewuste en nauwe samenwerking gepoogd hebben de postbodes in voornoemde gemeenten op te lichten op de hieronder onder ‘bewezenverklaring’ weergegeven wijze. In deze gevallen ging het voorgenomen plan gepaard met een specifieke handelwijze, inhoudende dat telkens werd gevraagd naar ‘ziekenhuispost’ voor een bepaald adres, zich daarbij aldus voordoende als de geadresseerde van die post, hetgeen kennelijk enkel was bedoeld om de postbodes te bewegen tot afgifte. Ook ten aanzien van deze feiten geldt dat het hof bij zijn oordeel de omstandigheid heeft betrokken dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn handelingen, waaruit zou kunnen volgen dat hij en zijn mededader niet bezig waren met het proberen te onderscheppen van poststukken.

Het hof beziet het voorgaande in het licht van het gegeven dat verdachte geen (redengevende) verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van het door hem gebruikte voertuig ter plaatse.”

9. Voor het bewijs van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist.3 Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit.4 De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en het helpen bij de vlucht, rust op de rechter de taak om in het geval hij toch tot een bewezenverklaring van medeplegen komt, dat in het kader van de bewijsvoering nauwkeurig te motiveren. Daarbij kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

10. Het hof heeft geoordeeld dat tussen de verdachte en de [medeverdachte] sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof ten aanzien van de verschillende feiten een vaste ‘modus operandi’ heeft vastgesteld, die een planmatige aanpak, een intensieve samenwerking en een duidelijke afstemming tussen de betrokken personen vergt. Het vooraf voor alle deelnemers kenbare plan hield in dat met behulp van door oplichting of diefstal verkregen pinpassen geld zou worden gepind en aldus weggenomen.5 Het hof heeft overwogen dat sprake was van een duidelijke afstemming van de taken tussen de betrokken personen: de [medeverdachte 2] vroeg, nadat de gegevens van de benadeelde waren verkregen, een nieuwe bankpas aan en speelde de persoons-, adres- en bankgegevens van de benadeelde door aan de verdachte en / of de [medeverdachte] . De verdachte en de [medeverdachte] gingen vervolgens samen, in de auto die werd gebruikt door de verdachte, op pad om de aangevraagde bankpassen te bemachtigen. De verdachte bestuurde de auto en de [medeverdachte] benaderde doorgaans de postbode of keek in de brievenbus van de geadresseerde. Verder volgt uit de bewijsoverwegingen van het hof dat de verdachte en de [medeverdachte] tijdens de uitvoering van de ten laste gelegde feiten telefonisch contact hadden, waarbij zij instructies en informatie over het bemachtigen van de bankpassen uitwisselden volgens een kennelijk vooraf afgesproken codetaal. Het kwam ook voor dat de verdachte zelf in de brievenbus keek.

11. De vaststellingen van het hof vinden steun in de bewijsmiddelen. Zo blijkt uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 6) dat het telefoonnummer dat vermoedelijk in gebruik was bij de [medeverdachte 2] werd gebruikt om op frauduleuze wijze bankpassen aan te vragen en dat het stemgeluid van degene die de bankpassen aanvroeg sterke overeenkomsten vertoonde met het stemgeluid van de [medeverdachte 2] . Ten aanzien van de rol van de verdachte bij het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde valt in het bijzonder te wijzen op de processen-verbaal waarin verslag wordt gedaan van verschillende observaties en waaruit het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft afgeleid dat de verdachte samen met de [medeverdachte] in de auto die in gebruik was bij de verdachte verschillende plekken in Nederland heeft bezocht, waar vervolgens postbodes werden aangesproken en / of door brievenbussen werd gekeken (bewijsmiddelen 1, 11, 13, 18, 35, 37, 43, 44, 46 en 72). Voorts wijs ik op de tot het bewijs gebezigde getapte telefoongesprekken tussen de verdachte en de [medeverdachte] , waarin – naar het hof heeft vastgesteld – versluierd taalgebruik werd gebruikt6 en instructies werden uitgewisseld over de te volgen handelwijze (bewijsmiddelen 5, 7, 8, 21, 22, 23, 48, 55, 56, 57, 61 t/m 69). Deze tapgesprekken houden onder meer in dat de verdachte zegt dat “er niks in zit” en “bij die andere wel” en dat hij “haar gewoon [gaat] vragen of ze de [m-straat] al heeft gedaan” (bewijsmiddel 7) alsmede dat de verdachte aangeeft dat “die vrouw al heeft bezorgd” en – in reactie op de vraag van de [medeverdachte] waarom hij “d’r niet effe aks” – zegt dat hij “d’r niet kan vinden” (bewijsmiddel 8). Ook blijkt uit deze gesprekken dat de verdachte tegen de medeverdachte zegt dat “hij die waggie moet volgen” (bewijsmiddel 21) en dat hij tegen een onbekende (NN) heeft gezegd “je laat me twee en een half uur rijden, dan zit ik hiero en dan wacht ik totdat die pieter7 komt en dan die pieter er helemaal niets er in en da moet ik weer helemaal twee en een half uur terug rijden” (bewijsmiddel 74). Ten slotte heeft het hof vastgesteld dat de verdachte bij Boutique Lacoste in Amsterdam een bedrag van € 70,- heeft gepind met een pinpas die op naam stond van de benadeelde [benadeelde 2] en dat de verdachte in kledingwinkel Didato aanwezig was met de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 2] toen daar met dezelfde pinpas een transactie werd verricht (bewijsmiddelen 28, 31, 32 en 33). In de woning van de verdachte werd een paar schoenen van het merk Gourmet aangetroffen, terwijl in kledingwinkel Didato een paar schoenen van dat merk is gekocht met de pinpas die op naam stond van de benadeelde [benadeelde 2] (bewijsmiddelen 27 en 34).

12. Voor zover het gaat om het bewijs van het medeplegen van het onder 2 ten laste gelegde ten aanzien van de aangever [benadeelde 1] , geldt daarnaast nog het volgende. Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de verdachte samen met de [medeverdachte] de woonplaats van deze aangever heeft bezocht. Zij zijn daarna samen naar de [n-straat] in Amsterdam gereden, waar de [medeverdachte] aan de benadeelde [benadeelde 1] gerichte post, die – naar later bleek – een vervangende bankpas bleek te hebben bevat, heeft verscheurd en in een ondergrondse container heeft gegooid (bewijsmiddelen 11 tot en met 14). Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de mobiele telefoons van de verdachte en de [medeverdachte] tijdens enkele geldopnames met de bankpas van de benadeelde [benadeelde 1] in Amsterdam in de buurt van de desbetreffende locaties zijn aangestraald dan wel dat zij in de buurt zijn geobserveerd (bewijsmiddelen 11 en 15).

13. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, is voor het bewijs van het medeplegen niet vereist dat de verdachte contact heeft gehad met de [medeverdachte 2] , reeds omdat de volgens het hof door [medeverdachte 2] verrichte gedragingen – het aanvragen van nieuwe bankpassen – niet ten laste van de verdachte zijn bewezen verklaard. Ten laste van de verdachte is telkens bewezen verklaard dat hij “tezamen en in vereniging met een ander” (enkelvoud) de onder 2, 3 en 4 genoemde feiten heeft begaan. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof met de “ander” de [medeverdachte] voor ogen gehad. Ten overvloede merk ik nog op dat de verdachte wel samen met [medeverdachte 2] is aangetroffen in de kledingwinkel Didato , waar aankopen werden gedaan met een gestolen pinpas (bewijsmiddel 32).

14. Ten slotte heeft het hof bij de bewijsconstructie betrokken dat de vastgestelde feiten en omstandigheden zo bezwarend waren voor de verdachte, dat van hem een deze redengevende feiten en omstandigheden ontzenuwende verklaring mocht worden verwacht, maar dat een dergelijke verklaring is uitgebleven. Zulks mocht het hof bij zijn overwegingen betrekken.8 Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof de overeenkomsten in werkwijze bij de verschillende feiten heeft kunnen meewegen.9 De bewezenverklaringen zijn naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

15. Het middel faalt.

16. Het tweede middel behelst de klacht dat het onder 4 bewezen verklaarde, voor zover het gaat om poging tot diefstal van de poststukken op naam van [benadeelde 5] en poging tot oplichting ten aanzien van de poststukken op naam van [benadeelde 6] , mede in het licht van hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd, ontoereikend is gemotiveerd.

17. Voor het onder 4 bewezen verklaarde, verwijs ik naar onderdeel 5 van deze conclusie, terwijl onder 7 de bewijsoverwegingen van het hof zijn geciteerd.

18. Het middel bevat twee klachten. Allereerst wordt geklaagd dat het kijken in de brievenbus om te zien of er post is bezorgd geen begin van uitvoering van diefstal van die post oplevert.

19. Een poging tot misdrijf is slechts dan strafbaar wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard (art. 45 Sr). Van een dergelijk begin van uitvoering is sprake indien de bewezen verklaarde feitelijke handelingen kunnen worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.10 Bij de beoordeling of de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf zullen deze gedragingen in hun onderlinge samenhang moeten worden bezien. Daarbij komt aan de feitenrechter de nodige vrijheid toe. In cassatie staat centraal de vraag of het hof uit (het samenstel van) de gedragingen heeft kunnen afleiden dat sprake was van een begin van uitvoering van diefstal.11

20. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de [medeverdachte] samen naar Vlissingen zijn gereden, dat [medeverdachte] een postbode heeft aangesproken en om post van het ziekenhuis voor het adres [f-straat 1] – waar [benadeelde 5] woonachtig is – heeft gevraagd, dat de postbode niet tot afgifte van de post is overgegaan en dat [medeverdachte] enkele minuten later in de desbetreffende brievenbus keek en de verdachte, nadat de post was bezorgd, ook in deze brievenbus keek. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd, waaruit zou kunnen volgen dat hij en zijn [medeverdachte] niet bezig waren poststukken te proberen weg te nemen. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat sprake is van een begin van een uitvoering van het wegnemen van poststukken uit een brievenbus is niet onbegrijpelijk. Het kijken door een brievenbus laat zich – anders dan de steller van het middel wil – in algemene zin niet vergelijken met het kijken door een raam van een woning of in de vitrine van een winkel, reeds omdat het kijken door een brievenbus doorgaans meer handelingen vergt (bukken, het klepje van de brievenbus optillen en door een nauwe ruimte naar binnen turen). Bovendien kan daarbij worden betrokken dat de aan het kijken voorafgaande gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachte eveneens naar hun uiterlijke verschijningsvorm als strekking hadden de beschikking te krijgen over post die niet voor hen bestemd was. Het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de bewezen verklaarde gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden aangemerkt als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf, is aldus niet onbegrijpelijk. Het hof was niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren. De klacht faalt.

21. Voorts bevat het middel een klacht over het bewijs van de eveneens onder vier ten laste gelegde poging tot oplichting ten aanzien van de poststukken op naam van de benadeelde [benadeelde 6] . Betoogd wordt dat uit de bewijsmiddelen de valse hoedanigheid niet kan worden afgeleid, omdat niet is gebleken dat de verdachte of de [medeverdachte] zich heeft voorgedaan als de geadresseerde van het poststuk.

22. Uit twee processen-verbaal van bevindingen (bewijsmiddelen 43 en 44) blijkt dat de auto die in gebruik is bij de verdachte12 op 23 april 2015 in de ochtend werd geobserveerd in de straten waar de verdachte en de [medeverdachte] wonen. Later in de ochtend zijn een op de verdachte gelijkende persoon (de bestuurder) en een andere man (NN, de bijrijder) in de buurt van de [i-straat 1] in Purmerend (volgens bewijsmiddel 42 het adres van de benadeelde [benadeelde 6] ) geobserveerd in de door de verdachte gebruikte auto. Gezien werd dat NN een postbode aansprak en daarna wegliep in de richting van de auto. Bewijsmiddel 45 houdt onder meer in dat de postbode [getuige 4] op 23 april 2015 het volgende heeft verklaard:

“De jongen die mij net aansprak wilde weten of er al post was bezorgd op de [i-straat 1] . Hij zei mij dat hij op een brief van het ziekenhuis zat te wachten. Ik vertelde hem dat de post daar al was bezorgd. Vervolgens ging de jongen er weer vandoor zonder iets van mij te hebben gekregen.”

23. Kennelijk heeft het hof uit het voorafgaande afgeleid dat de [medeverdachte] zich heeft voorgedaan als de geadresseerde van de post voor het adres [i-straat 1] en aldus de valse hoedanigheid bewezen geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De verklaring van de postbode houdt immers in dat de jongen vroeg of de post op de [i-straat 1] was bezorgd en dat de jongen zei dat “hij” op een brief van het ziekenhuis zat te wachten. De desbetreffende zinnen laten zich moeilijk anders uitleggen dan dat de [medeverdachte] zich heeft voorgedaan als de geadresseerde van de door hem verzochte brief. Dat geldt te meer aangezien hij de suggestie wekte dat het om persoonlijke post ging. Ook in dit verband heeft het hof in zijn oordeelsvorming kunnen betrekken dat sprake was van een ‘modus operandi’ die op essentiële punten overeenkwam met die bij andere bewezen verklaarde feiten en waarbij de [medeverdachte] zich ten opzichte van de postbode eveneens had voorgedaan als de geadresseerde. De bewezenverklaring is ook in zoverre naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

24. Het middel faalt.

25. Het derde middel bevat de klacht dat het onder 5 ten laste gelegde (witwassen) niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, dan wel dat het bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen.

26. Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezen verklaard dat:

“hij op 30 mei 2015 te Amsterdam schoenen (merk: Gourmet Tigerstripes) heeft verworven, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen – middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”

27. De klacht dat uit de bewijsvoering niet volgt dat het in de tenlastelegging genoemde paar schoenen in kledingwinkel Didato met een weggenomen bankpas is aangeschaft, faalt. Het hof heeft overwogen dat op 9 juni 2015 bij een doorzoeking van de woning van de verdachte een paar schoenen van het merk Gourmet Tigerstripes, maat 44, is aangetroffen en dat deze maat en dit merk en type schoenen eveneens zijn vermeld op de kassabon behorend bij de op 30 mei 2015 bij Didato gekochte goederen. Eén en ander blijkt ook uit de bewijsmiddelen (bewijsmiddel 34). De verdachte is herkend als één van de mannen die op 30 mei 2015 in kledingwinkel Didato aanwezig waren (bewijsmiddel 32). Het hof heeft aan deze feiten en omstandigheden kennelijk de conclusie verbonden dat het in de woning van de verdachte aangetroffen paar schoenen afkomstig is uit kledingwinkel Didato en betaald is met weggenomen geld. Dat feitelijk oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Voorts kon het hof, in het licht van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, de niet nader onderbouwde verklaring van de verdachte dat hij de schoenen zou hebben gekocht bij Wiseguys als onaannemelijk terzijde schuiven. De klacht faalt.

28. Het middel bevat voorts de klacht dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als witwassen. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof toepassing had moeten geven aan de zogenoemde kwalificatie-uitsluitingsgrond, of nader had moeten motiveren waarom deze niet van toepassing is.

29. Het volgende kan worden vooropgesteld. Ingeval in een strafzaak die is toegesneden op witwassen het enkele verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf is bewezen verklaard, moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Uit de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.13 Met deze kwalificatie-uitsluitingsgrond wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen.14

30. Het voorafgaande is niet van toepassing op gevallen waarin sprake is van voorwerpen die “middellijk” afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf doordat direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen. In die situatie verschillen de objecten van de misdrijven ook. Dat brengt mee dat de onder 29 genoemde rechtsregel in beginsel niet van toepassing is op dergelijke gevallen, omdat het automatisme dat de rechtsregel beoogt tegen te gaan zich in dergelijke gevallen niet voordoet.15 In zijn arrest van 25 maart 2014 overweegt de Hoge Raad dat voornoemde rechtsregel bij het middellijk verwerven “in beginsel” niet van toepassing is, maar in latere rechtspraak over de kwalificatie-uitsluitingsgrond valt te lezen dat de regel “uitsluitend [ziet] op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard”.16 Die rechtspraak is ook steeds toegespitst op het “onmiddellijk” uit eigen misdrijf verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp.17

31. In de onderhavige zaak is bewezen verklaard dat de verdachte de schoenen “middellijk” heeft verworven, zodat het hof de gedragingen van de verdachte terecht en zonder tot motivering gehouden te zijn heeft gekwalificeerd als witwassen.

32. Het middel faalt.

33. Het vierde middel behelst de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

34. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 1 februari 2015 tot en met 11 juni 2015 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte, [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en een of meer andere perso(o)n(en) welke organisatie tot oogmerk had het plegen

van misdrijven, namelijk het:

- plegen van oplichting,

- plegen van diefstal van poststukken en bankpassen, en

- plegen van diefstal van geldbedragen door middel van een valse sleutel.”

35. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2017 gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman van de verdachte vrijspraak heeft bepleit van de ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie. Hij heeft daartoe betoogd dat er geen duidelijk beeld is ontstaan van hoe de criminele organisatie eruit ziet, dat geen sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband en dat de verdachte slechts een faciliterende rol heeft gehad als chauffeur en daarom niet als deelnemer in de zin van art. 140 Sr kan worden aangemerkt.

36. Het hof heeft onder meer het volgende overwogen over het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde:

“Uit het hiervoor overwogene in samenhang met de overige bewijsmiddelen volgt dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van misdrijven zoals weergegeven in de bewezenverklaring gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook een belangrijk aandeel heeft gehad in gedragingen die strekten tot verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk.”

37. Voor een veroordeling ter zake van art. 140, eerste lid, Sr is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.18 De verdachte dient te behoren tot het samenwerkingsverband en een aandeel te hebben in, dan wel ondersteuning te bieden aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.19 Voor een veroordeling wegens deelneming aan een criminele organisatie is niet vereist dat komt vast te staan dat de verdachte bekend is geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie.20

38. De klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, faalt. Ik verwijs kortheidshalve naar de bespreking van het eerste middel, waar is uiteengezet dat het hof heeft vastgesteld dat sprake is geweest van een planmatige aanpak, een intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de betrokkenen. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk daarbij ook de aard van de feiten betrokken, die een dergelijke planmatige aanpak en intensieve samenwerking vergen. Ten aanzien van de rolverdeling heeft het hof vastgesteld dat de [medeverdachte 2] bankpassen van de benadeelden aanvroeg en dat de verdachte en de [medeverdachte] gedurende enkele maanden op verschillende plekken in Nederland poststukken met daarin bankpassen hebben onderschept dan wel hebben getracht te onderscheppen en vervolgens met de verkregen bankpassen verschillende transacties hebben verricht. Beide verdachten hadden daarbij vaste taken en wisselden informatie en aanwijzingen uit. Voor zover het middel de klacht bevat dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte of de [medeverdachte] in contact stond met anderen, onder wie de door het hof genoemde [medeverdachte 2] , faalt het, aangezien voor een veroordeling niet is vereist dat de verdachte (of de [medeverdachte] ) bekend is geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie.21 Overigens is de verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 2] herkend in kledingwinkel Didato (bewijsmiddel 32), waar aankopen werden gedaan met een gestolen bankpas. Ook is er contact geweest met niet-geïdentificeerde anderen, zoals blijkt uit tot het bewijs gebezigde tapgesprekken tussen de verdachte en ‘NN’ (bewijsmiddelen 74 en 75) en de [medeverdachte] en ‘NN’ (bewijsmiddel 51).

39. Het middel bevat voorts de klacht dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. De steller van het middel betoogt in dat verband dat uit de bewijsvoering slechts blijkt dat de verdachte de chauffeur van de [medeverdachte] is geweest en dat zulks niet voldoende is om te concluderen dat hij een aandeel heeft geleverd aan gedragingen die strekken tot de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Die klacht faalt. Bij de bespreking van het eerste middel kwam reeds naar voren welk aandeel de verdachte volgens de (niet onbegrijpelijke) vaststellingen van het hof heeft gehad in de bewezen verklaarde feiten. Daaruit volgt ook dat het bewijs van deelneming aan de criminele organisatie naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed.22

40. Het middel faalt.

41. Het vijfde middel behelst de klacht dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van een door de verdediging gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafoplegging.

42. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 15 december 2017 gehechte pleitnota blijkt dat de raadsman van de verdachte het volgende heeft aangevoerd ten aanzien van de strafoplegging:

“Ik verzoek uw hof in het kader van de eventuele strafmaat cliënt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te geven die langer is dan de duur van het reeds ondergane voorarrest (cliënt zat vast van 11 juni 2015 - 13 november 2015 plus 21 januari 2016 - 10 februari 2016). Dit kan desgewenst aangevuld worden met een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en eventueel ook met de bijzondere voorwaarde van elektronische controle bij een voorwaardelijk strafdeel. Het toepassen van een enkelband is goed uitvoerbaar gebleken. De verdediging acht echter het opnieuw toepassen van e.c. weliswaar mogelijk maar niet noodzakelijk. Daarbij speelt een rol dat cliënt tijdens de schorsingen van het voorarrest reeds meerdere maanden (zelfs ongeveer een halfjaar) een enkelband heeft moeten dragen.


Ik meen dat recht gedaan kan worden aan de ernst van de feiten zonder dat cliënt opnieuw naar de gevangenis zou moeten. Hierbij is relevant om te wijzen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS afspraken voor fraude, waarbij voor in het geval van een benadelingsbedrag van E 10.000,- tot E 70.000,- een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden of alternatief een taakstraf wordt voorgesteld.

Het totale benadelingsbedrag van alle voltooide feiten (inclusief de kwestie [benadeelde 4] / [F] waarvan de rechtbank cliënt vrij sprak) betreft in de zaak van cliënt zo'n E 30.000,—, wat royaal binnen deze marge valt.


Ik meen ook dat dit in lijn zou zijn met de rechtspraak in het vergelijkbare onderzoek 13Baron (ECLI:NL:RBAMS:2015:8031, 8033-8037 en 8441). Hierin werd vervolgd voor vergelijkbare feiten, zij het gedurende een langere periode dan in 13Borelli. Er werden onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd van 49 dagen (8036), 81 dagen (8034), 6 maanden en 1 maal 8 maanden. Telkens werd er tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd met voorwaarden, plus een taakstraf.


In het kader van het bepalen van de strafmaten heeft uw rechtbank hierbij het volgende overwogen:


“Mede in de nog jeugdige leeftijd van de meeste verdachten, het feit dat zij de juiste weg lijken te zijn ingeslagen of willen inslaan, maar hoofdzakelijk in het uiteindelijke belang dat de maatschappij erbij heeft dat verdachten niet opnieuw strafbare feiten zullen plegen, ziet de rechtbank aanleiding hen niet terug te sturen naar de gevangenis. Wel zal aan hen, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een forse taakstraf worden opgelegd.”


Ik meen dat deze overweging ook kan gelden in de zaak van cliënt.


Ik acht het ook relevant om te wijzen op een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 mei jl. (ECLI:NL:RBROT:2015:3488). Ook dit was een phishing zaak die resulteerde in een bewezenverklaring voor computervredebreuk meermalen gepleegd, diefstal met valse sleutel, oplichtingen en pogingen daartoe. Een vordering ben. pij. a E 44.159,53 werd toegewezen. De straf die werd opgelegd was 47 dagen onvoorwaardelijk, 180 dagen voorwaardelijk plus een taakstraf.


Cliënt is al geruime tijd in vrijheid. Afgelopen woensdag ontving ik een update van de reclassering waarin voor mij werd bevestigd dat cliënt het goed doet. Sinds deze zaak geen nieuwe justitie contacten, hij is een verantwoordelijke en trotse vader geworden die de juiste keuzes wil maken en maakt. Hij heeft zijn opleiding afgerond en heeft ivm de financiële lasten helaas af moeten zien van een vervolgopleiding. Hij heeft af en toe werk en zoekt een meer bestendige baan. Kortom, het gaat goed met cliënt.


Ruim 2,5 jaar na de feiten en bijna 2 jaar na de laatste invrijheidstelling van cliënt verzoek ik om bij veroordeling het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen en een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf de duur van het reeds ondergane voorarrest niet te laten overstijgen.”

43. Het hof heeft de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden opgelegd, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het heeft het volgende overwogen over de strafoplegging:

“De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3,4 en 5 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.


De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

(…)

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.


Het hof heeft ten aanzien van de op te leggen gevangenisstraf in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich gedurende een geruime periode schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie, die tot doel had misdrijven te plegen die verband houden met phishing. In dat kader heeft de verdachte zich op de bewezen verklaarde wijze meermalen schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van diefstal, het medeplegen van oplichting en pogingen daartoe. Verdachte en zijn mededaders zijn daarbij volgens een tevoren opgezet plan te werk gegaan, waarbij verdachte belast was met een wezenlijke uitvoerende rol. In het verlengde daarvan heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij louter uit winstbejag heeft gehandeld, zonder zich rekenschap te geven van de gevolgen van zijn handelwijze. Met zijn handelen heeft hij bijgedragen aan het ontstaan van (financiële) schade, is de integriteit van het economische en financiële verkeer geschaad, zijn de betrokken rekeninghouders gedupeerd dan wel is het vertrouwen dat zij in hun bank behoren te kunnen stellen, ondermijnd.


Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 december 2017 is hij eerder voor vermogensdelicten strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in zijn nadeel.


Het voorgaande rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze op de terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen, ziet het hof geen aanleiding hiervan af te wijken. Het hof zal deze straf dan ook opleggen.”

44. Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd uiteengezet waarom het, in afwijking van het door de verdediging aangevoerde, geen grond aanwezig acht om te volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf, gelijk aan de duur van het voorarrest. Het hof heeft in het bijzonder acht geslagen op de planmatige aanpak van de verdachte en zijn medeverdachten bij het plegen van de strafbare feiten, de uitvoerende rol van de verdachte daarbij en de gevolgen van zijn handelen. Ik wijs erop dat ten laste van de verdachte verschillende strafbare feiten bewezen zijn verklaard, te weten – kort gezegd – (poging tot) (gekwalificeerde) diefstal in vereniging, medeplegen van (poging tot) oplichting, deelneming aan een criminele organisatie en witwassen. Tot een nadere motivering van de strafoplegging was het hof niet gehouden.

45. Het middel faalt.

46. Het zesde middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is geschonden.

47. Namens de verdachte is op 5 februari 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn zeven maanden later, op 4 september 2018, bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De inzendtermijn van acht maanden23 is daarmee nageleefd. Het middel, dat kennelijk berust op een rekenfout, faalt.

48. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

49. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

50. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft als gevolg van een kennelijke vergissing verzuimd de woorden ‘althans alleen’ door te halen in de bewezenverklaring.

2 Met weglating van voetnoten.

3 Zie ten aanzien van gevallen waarin medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering in het bijzonder HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis, rov. 3 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3. Zie voorts HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713, rov. 3.2. Vgl. voorts HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412, rov. 3, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1321, NJ 2016/416, rov. 3 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, rov. 3. Zie nader J. de Hullu, Materieel strafrecht, zevende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 457-476.

4 Vgl. De Hullu 2018, p. 469-473 en onderdeel 4.7 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:882.

5 Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:967, rov. 2.4 en HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420 m.nt. Rozemond, rov. 2.6. Zie voorts over de gehanteerde ‘modus operandi’ HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, NJ 2015/396 m.nt. Mevis.

6 Vgl. in dit verband onderdeel 23 van mijn conclusie voorafgaand aan HR 12 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:218.

7 Uit de bewijsmiddelen blijkt dat ‘ pieter ’ versluierd taalgebruik is en ‘postbode’ betekent (bewijsmiddel 73).

8 HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413 m.nt. Rozemond en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412 m.nt. Rozemond, rov. 4.2.2.

9 Vgl. HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5370, NJ 2008/61.

10 Vgl. HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806 en HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373 (Cito), waarin deze omschrijving voor het eerst is gebruikt.

11 Vgl. onderdeel 12 van mijn conclusie voorafgaand aan HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:4124.

12 Zie in dat verband bewijsmiddel 1.

13 Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.3 en 3.8 en HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. N. Keijzer, rov. 2.4.

14 Vgl. onder meer HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 m.nt. Borgers, rov. 2.3.2, HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 m.nt. Keijzer, rov. 3.8 en HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, rov. 2.5.1.

15 Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.8.

16 HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. Keijzer, rov. 2.4.

17 Zie bijv. HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:78, HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2344 en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1069.

18 Onder meer HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2631, rov. 7.4.

19 Zie bijv. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21 en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, rov. 4.3.

20 HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008/72, rov. 4.3.

21 HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008/72, rov. 4.3.

22 Ten overvloede wijs ik op HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21, waaruit volgt dat gedragingen zowel medeplichtigheid aan enig misdrijf waarop het oogmerk van de organisatie is gericht als deelneming aan die organisatie kunnen opleveren. Zelfs al zou de klacht over het bewijs van het medeplegen (het eerste middel) slagen omdat het hof te weinig zou hebben overwogen over de rol van de verdachte bij de bewezen verklaarde feiten, dan zou dit dus niet zonder meer gevolgen hoeven te hebben voor de veroordeling wegens deelneming aan een criminele organisatie. Vgl. De Hullu 2018, p. 447.

23 Het gaat om een niet gedetineerde verdachte.