Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:924

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/02504
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1748
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed (art. 416.2 Sr) door gebruik te maken van gas, licht en water en eet- en drinkwaren bij een uitkeringsgerechtigde. Bewijsklacht opzet. Conclusie strekt tot vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02504

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 23 mei 2018 wegens 1 primair “opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd”, 2 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 3 “voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde (opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken) niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

  4. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 primair bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 1 mei 2009 tot 14 oktober 2015 in de gemeente [plaats] (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning [a-straat 1] te [plaats] en de in die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas, licht en water, en opzettelijk eet- en drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat die voorzieningen en eet- en drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, welke door [betrokkene 1] , die op dat adres woonde en met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde, door opzettelijke verzwijging van benodigde/verplichte informatie aan de betrokken (inter)gemeentelijke sociale dienst (als bedoeld in artikel 227b Wetboek van Strafrecht) was verkregen, hebbende verdachte aldus (telkens) opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken.”

5. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2018 gehechte pleitnota blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte weliswaar veel bij [betrokkene 1] over de vloer kwam, maar dat hij niet met haar samenwoonde. Hij kwam regelmatig bij [betrokkene 1] langs – aldus de raadsman – omdat de kinderen van [betrokkene 1] en hem daar woonden en hij een goede band met hen wilde opbouwen.

6. Het hof heeft dit verweer verworpen en het ten laste gelegde bewezen verklaard zoals weergegeven onder 4. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een schriftelijk stuk, te weten een toekenningsbeschikking van de gemeente [plaats] d.d. 24 januari 2005, getekend door [betrokkene 2] , opgenomen als bijlage 3 bij het dossier met nummer 150007, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Op 15 december 2004 heeft u een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand. Wij hebben besloten u een uitkering toe te kennen met ingang van 17 december 2004. De uitkering zal worden toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf de ingangsdatum van de uitkering gelden voor u de volgende verplichtingen:

- maandelijks een volledig ingevulde en ondertekende inkomstenverklaring op de aangegeven datum inleveren in de speciaal daarvoor bestemde inkomstenverklaring- bus in de centrale hal van het stadhuis;

- alle veranderingen in de financiële of maatschappelijke situatie direct melden op uw inkomstenverklaring, waarna de bijstand nader wordt vastgesteld. Indien mogelijk moet u daarvan bewijsstukken bijvoegen;

- die medewerking verlenen die noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet. Bij het niet nakomen van de genoemde uitkeringsverplichtingen kan uw uitkering worden verlaagd.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van de Intergemeentelijke Sociale Dienst d.d. 15 oktober 2015, opgenomen als bijlage 25 bij het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als een op 14 oktober 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik ontvang al enkele jaren een uitkering. Ik weet dat ik wijzigingen moet doorgeven.

3. Een schriftelijk stuk, te weten een beëindigingsbeschikking d.d. 11 november 2015, getekend door [betrokkene 3] , opgenomen als bijlage 4 bij het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Uw uitkering wordt beëindigd met ingang van 1 oktober 2015, omdat uit een onderzoek van de Sociale Recherche gebleken is dat u een gezamenlijke huishouding voert.


4. Een schriftelijk stuk, te weten een overzicht van observaties, opgenomen als bijlage 13 bij het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

In de periode van 30 maart 2015 tot en met 2 juni 2015 hebben er observaties plaatsgevonden op de [a-straat 1] te [plaats] . Uit de observaties is gebleken dat [verdachte] telkens wordt gesignaleerd bij de woning en hij beschikt over een sleutel.

5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de Intergemeentelijke Sociale Dienst d.d. 14 oktober 2015, opgenomen als bijlage 27 bij het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [betrokkene 4] :

Ik heb van 27 juli 2012 tot 2 juli 2014 gewoond aan de [a-straat 2] in [plaats] . Naast mij op nummer [a-straat 1] woonden een man en vrouw en twee kinderen. In die tijd hebben ze ook een ander kind gekregen.

6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de Intergemeentelijke Sociale Dienst d.d. 14 oktober 2015, opgenomen als bijlage 28 bij het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [betrokkene 5] :

Ik woon vanaf juli 2014 samen met mijn zoon op het adres [a-straat 2] te [plaats] . Naast mij op nummer [a-straat 1] woont een gezin, man vrouw en drie kinderen.

7. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de Intergemeentelijke Sociale Dienst d.d. 22 oktober 2015, opgenomen als bijlage 29 bij het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [betrokkene 6] :

Ik heb vanaf januari 2009 tot november 2014 aan de [a-straat 3] gewoond. Vanuit mijn woning kon ik de woning van [verdachte] zien. Hij woonde op nummer [a-straat 1] . [verdachte] woonde daar samen met [betrokkene 1] . Ze hebben er al die tijd gewoond, samen met hun drie kinderen.

8. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de Intergemeentelijke Sociale Dienst d.d. 14 oktober 2015, opgenomen als bijlage 30 bij het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [betrokkene 7] :

Ik woon al 18 jaren aan de [a-straat 4] te [plaats] . Eind 2004 kwamen op nummer [a-straat 1] [betrokkene 1] en [verdachte] te wonen, samen met één kind. Vanaf die tijd hebben ze hier altijd met zijn allen gewoond. In de tussentijd zijn er twee kinderen geboren.

9. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van de Intergemeentelijke Sociale Dienst d.d. 15 oktober 2015, opgenomen als bijlage 20 bij het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als relatering van [betrokkene 8] :

In perceel [a-straat 1] zijn onder meer inbeslaggenomen: meerdere Apple producten, een Armani en een Breitling horloge, sieraden en bankafschriften van [verdachte] .

10. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van de Intergemeentelijke Sociale Dienst d.d. 14 oktober 2015, opgenomen als bijlage 26 bij het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [verdachte]

Ik heb persoonlijke spullen bij [betrokkene 1] . U houdt mij voor dat ik in de periode van 22 november 2006 tot 1 mei 2009 een gezamenlijke uitkering had met [betrokkene 1] . Dat klopt. Ik heb in die periode met haar samengewoond op de [a-straat] .”

7. De steller van het middel klaagt er in het bijzonder over dat het hof zijn oordeel dat de verdachte samenwoonde met [betrokkene 1] onvoldoende met redenen heeft omkleed en dat de bewijsmiddelen niet inhouden dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van gas, licht en water en opzettelijk eet- en drinkwaren heeft genuttigd. Hij verwijst in dat verband naar hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd. Hij concludeert daarop dat de bewijsmiddelen onvoldoende inhouden om het bewijs dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed te kunnen dragen.

8. De klacht dat het hof zijn oordeel dat de verdachte feitelijk samenwoonde met [betrokkene 1] onvoldoende met redenen heeft omkleed, faalt. De bewijsmiddelen bevatten immers verschillende getuigenverklaringen van buurtbewoners, inhoudende dat de verdachte, [betrokkene 1] en hun kinderen in de bewezen verklaarde periode samenwoonden in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] (bewijsmiddelen 5, 6, 7 en 8), terwijl uit observaties in de periode van 30 maart 2015 tot en met 2 juni 2015 bleek dat de verdachte telkens bij de woning werd gesignaleerd en dat hij een sleutel van de woning had (bewijsmiddel 4). Ook zijn in de woning persoonlijke bezittingen van de verdachte aangetroffen (bewijsmiddelen 9 en 10). Uit de bewijsvoering kan aldus ook worden afgeleid dat de verdachte gebruikmaakte van de in de bewezenverklaring genoemde voorzieningen op dat adres.1

9. De bewijsmiddelen houden echter niets in waaruit kan worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring genoemde voorzieningen (gas, water en licht) en eet- en drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van de uitkering van [betrokkene 1] .2 Evenmin volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] niet had voldaan aan haar inlichtingenverplichtingen uit hoofde van de Wet werk en bijstand. De omstandigheid dat de verdachte in de periode van 22 november 2006 tot 1 mei 2009 met [betrokkene 1] een gezamenlijke uitkering genoot, is daartoe niet toereikend. Daaruit kan immers nog niet worden afgeleid dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] in de bewezen verklaarde periode een uitkering kreeg en dat zij de daaraan verbonden inlichtingenverplichting niet naleefde. De bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld. De bewezenverklaring is aldus niet naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.3

10. Het middel slaagt.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6171, NJ 2006/297.

2 Vgl. onderdeel 7 van de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voor HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:893. Dat voorzieningen werden betaald uit de uitkering volgde wel uit de bewijsvoering in bijvoorbeeld HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2456, HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1457 en HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1362. In deze zaken bevonden zich bij het bewijs verklaringen van de verdachte en / of de uitkeringsgerechtigde, inhoudende dat de uitkeringsgerechtigde (ook) geld aan het gezamenlijke huishouden besteedde.

3 Vgl. HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:21, HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2456, HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1457, HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3489, HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1362, HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:893, HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6015 en HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6171, NJ 2006/297.