Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:922

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/02290
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1747
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Schuldheling motorscooter. Bewijsklacht schuld. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02290

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 1 mei 2018 wegens “schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.L. Baar, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans met een ontoereikende motivering, het ten laste gelegde bewezen heeft verklaard.

  4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij op 14 maart 2016 te Voorburg , gemeente Leidschendam-Voorburg , een goed te weten een motorscooter (merk Suzuki) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

5. Uit de tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2018 overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de scooter door diefstal was verkregen. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat bij onderzoek aan de in de tenlastelegging bedoelde motorscooter uiterlijke kenmerken zijn vastgesteld die in het maatschappelijk verkeer worden beschouwd als signaal dat tot nader onderzoek naar de herkomst van het te koop aangeboden vervoermiddel noopt. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hem die kenmerken bij verwerving niet zijn opgevallen en dat hij geen reden had om aan de eerlijke herkomst van de motorscooter te twijfelen.

Nu uit gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de motorscooter inderdaad ontvreemd was en derhalve afkomstig van misdrijf, is het derhalve verwijtbaar dat de verdachte deze motorscooter zonder het van hem bij verwerving te vergen onderzoek voorhanden heeft gehad. Derhalve acht het hof het tenlastegelegde bewezen en verwerpt het het daartegen gerichte verweer.”

6. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van aangifte d.d. 5 oktober 2015 met nr. PL1500-2015286468-1. Dit proces- verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 3-4):

Als de op 30 september 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

"Ik ben eigenaar van een grijs/groene motor Suzuki Burgman AN 400, voorzien van kenteken [kenteken 1] en van het chassisnummer [001] . Hierbij doe ik aangifte van diefstal van mijn motor.

Op 29 september 2015 omstreeks 20.00 uur heb ik de motor voor het laatst gezien. Mijn motor stond geparkeerd aan de [a-straat 1] te Voorburg .

Toen ik op 30 september 2015 omstreeks 05:15 uur de motor weer in gebruik wilde nemen, zag ik dat deze was weggenomen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."


2. Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van bevindingen van de politie Eenheid Den Haag, d.d. 15 maart 2016 met nr. PL1500-2016073603-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10-11):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 14 maart 2016 werd ik gestuurd naar de [a-straat] te Voorburg . De melder zou bij zijn in september 2015 gestolen motorscooter staan. Ter plaatse stond de motorscooter voor het portiek van de [a-straat 2] . Ik zag dat deze motorscooter een Suzuki An 400 betrof met de kleur groen. Ik zag dat de motorscooter was voorzien van kenteken [kenteken 2] . Bij navraag in het politiesysteem integraal bevraging bleek deze motorscooter op naam te staan van: [verdachte] ( [verdachte] ), geboren op [geboortedatum] -1994 te [geboorteplaats] .

Mij is ambtshalve bekend dat [verdachte] zelf of familie van [verdachte] woonachtig is op de [a-straat 3] te Voorburg . Dit adres is gelegen in het portiek waar de motorscooter voor stond.

[betrokkene 1] verklaarde mij desgevraagd het volgende : "Er is een ander kenteken opgezet. Ook zijn alle contactsloten vervangen. Mijn sleutel doet het niet.”


Ik zag dat er rondom het contactslot schade op de kap zat. Het soort schade doet mij vermoeden dat er met een schroevendraaier gesleuteld is rondom het contactslot, mogelijk om het oude slot eruit te breken.


3. Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van bevindingen van de politie Eenheid Den Haag, d.d. 15 februari 2017 met nr. PL1500-2016073603-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 12):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 14 maart 2016 zou de melder op de [a-straat] te Voorburg bij zijn gestolen motorfiets staan.

Uit onderzoek blijkt dat het kenteken [kenteken 2] , dat op de gestolen motorfiets was aangebracht, niet bij deze motorfiets behoorde. Het kenteken is sinds 5 mei 2015 op naam gesteld van [verdachte] .

De aangetroffen motorfiets is onderzocht, het kenteken dat bij deze motorfiets hoort, is [kenteken 1] . De melder bleek de eigenaar te zijn van de motorfiets.


4. Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de politie Eenheid Den Haag, d.d. 18 maart 2016 met nr. 4563/2016. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 13-17):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 18 maart 2016 heb ik een onderzoek ingesteld naar de juiste identiteit van het volgende voertuig:

Soort: motorfiets
Merk: Suzuki

Type: AN 400 Burgman

Kleur: groen

Op dat moment voorzien van het kenteken: [kenteken 2] .


Het kenteken [kenteken 2] bleek per 22 maart 2000 afgegeven voor het volgende voertuig:

Soort: motorfiets

Merk: Suzuki

Type: AN 400 Burgman

Voertuigidentificatienummer: [002]


Het kenteken is per 5 mei 2015 op naam gesteld van: [verdachte] .

Bij dit type voertuig behoort het voertuigidentificatienummer (nader te noemen V.I.N.) zichtbaar te zijn aangebracht: rechts op de framebuis onder het zadel. Hier werd geen V.I.N. aangetroffen.


Op de dwarsbuis onder het zadel werd een typeplaatje aangetroffen, waarop het nummer [002] als V.I.N. staat vermeld. Het typeplaatje had kennelijk de functie van het voertuigidentificatienummer.


Met gebruikmaking van een lakverwijderingsmiddel zag ik, dat de lak ter plaatse waar de fabrikant het V.I.N. aanbrengt, eenvoudig te verwijderen was ten opzichte van de lak op andere plaatsen van het voertuig.


Na verwijderen van de laklaag in en nabij het V.I.N. trof ik sporen van een slijpbewerking aan.


Na verwijderen van de lak werd het gehele door de fabrikant aangebrachte V.I.N. zichtbaar. Het nummer luidt als volgt: [001] .


Dit motorvoertuig voerde derhalve een valse identiteit.


Bij navraag bij de RDW bleek dat voor een tweewielig motorvoertuig met het V.I.N. [001] op 23 juni 1999 het kenteken [kenteken 1] was afgegeven voor een motorfiets van het merk Suzuki, type AN 400. Het voertuig staat als ontvreemd geregistreerd.


Het onderzochte voertuig was voorzien van een valselijk aangebracht typeplaatje, dat kennelijk als V.I.N diende. Het originele V.I.N. was gedeeltelijk uit het onderzochte voertuig verwijderd.


5. Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 16 maart 2017 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2015286468-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 24 t/m 27):


Als de op voornoemde datum afgelegde verklaring van de verdachte :


Die Suzuki Burgman. Die staat op mijn naam. Het kenteken begint met [...] . Ik heb hem gekocht voor €600 in Schiedam.


De motor stond aan de [a-straat] .


Ik kijk nu op de site van de RDW naar de voertuiggegevens. De motor is op 5 mei 2015 op mijn naam gezet.


Nadere bewijsoverweging;

Het hof bezigt de verklaring van de verdachte voor zover luidende "De motor is op 5 mei 2015 op mijn naam gezet.” uitsluitend in de zin zoals zij naar het oordeel van het hof moet worden opgevat, te weten dat de verdachte daarmee bedoelt dat hij ziet dat het voertuig identificatienummer [002] is gekoppeld aan een kenteken dat sinds mei 2015 op zijn naam staat.”

7. Ingevolge art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr maakt de verdachte zich schuldig aan schuldheling van een goed indien hij het goed voorhanden heeft, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van het goed.1 Daarvan is sprake indien de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezen verklaard.2 Wat van de verdachte aan in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

8. Voorts geldt dat voor een bewezenverklaring van schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte “ten tijde van” onder meer het verwerven of het voorhanden krijgen van een goed redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. In zijn arrest van 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97 overwoog de Hoge Raad dat de rechter bij de bewijsvoering ter zake van het redelijkerwijs vermoeden van de herkomst uit misdrijf “ten tijde van” onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van een goed mag betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat het redelijkerwijs vermoeden van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen.3

9. Het hof heeft overwogen dat het verwijtbaar is dat de verdachte de motorscooter zonder het van hem bij verwerving te vergen onderzoek voorhanden heeft gehad. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat de verdachte in ernstige mate is tekortgeschoten in zijn onder de door het hof geschetste omstandigheden geldende onderzoeksplicht naar de herkomst van motorscooter, hetgeen meebrengt dat de verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld.4 Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De vraag rijst of dit oordeel begrijpelijk is.

10. Het hof heeft overwogen dat, nu uit gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de motorscooter ontvreemd is, het verwijtbaar is dat de verdachte de motorscooter zonder het van hem bij verwerving te vergen onderzoek voorhanden heeft gehad. Deze motivering schiet tekort. Daarmee wordt immers geen inzicht gegeven op grond waarvan de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het hof verwijst bovendien naar de verklaring van de verdachte, die ertoe strekt dat hem geen verdachte uiterlijke kenmerken van de motor zijn opgevallen en dat hij geen reden had aan de eerlijke herkomst van de motorscooter te twijfelen, terwijl het hof in de motivering van de verwerping van het verweer op deze aspecten niet specifiek ingaat. Ook overigens is de bewezenverklaring niet overvloedig gemotiveerd. Zo blijkt uit de bewijsmiddelen wel dat de verdachte € 600,- voor de motorscooter heeft betaald (bewijsmiddel 5), maar heeft het hof geen bijzondere overwegingen gewijd aan de vraag hoe deze prijs zich verhoudt tot de marktwaarde van de desbetreffende motorscooter. Voor het overige blijkt uit de bewijsmiddelen dat sprake was van (i) schade op de kap rondom het contactslot, waaruit het vermoeden rees dat er met een schroevendraaier was gesleuteld, mogelijk om het oude slot eruit te breken (bewijsmiddel 2), en (ii) geen voertuigidentificatienummer (V.I.N.) zichtbaar was op de daarvoor bestemde plek, terwijl wel een valselijk aangebracht typeplaatje was aangebracht met een V.I.N. (bewijsmiddel 4).

11. Het hof heeft geen bijzondere overwegingen gewijd aan de staat waarin de verdachte de motorscooter ten tijde van de verwerving aantrof. Aangenomen dat het hof ervan is uitgegaan dat de schade aan de kap reeds ten tijde van de verwerving zichtbaar is geweest, is de vraag of zulks reeds leidt tot de conclusie dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De steller van het middel verwijst in dit verband naar HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611, waarin de klacht over het bewijs van de op schuldheling geënte tenlastelegging slaagde. Het ging in deze zaak om een elektrische fiets waarvan het ringslot ontbrak. Op de plek waar het ringslot bevestigd zou zijn, was een afdruk zichtbaar. De verdachte had gezien dat het slot ontbrak. Het hof overwoog verder dat het een feit van algemene bekendheid is dat elektrische fietsen zeer kostbaar zijn. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof. Hij overwoog dat uit de bewijsvoering van het hof bleek dat het hof was uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat hij de fiets had geleend. Uit de bewijsvoering kon volgens de Hoge Raad niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de elektrische fiets in die mate was tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid had gehandeld.5

12. De onderhavige zaak verschilt van de hiervoor besproken zaak, omdat uit de bewijsvoering in de onderhavige zaak blijkt dat de verdachte de motorscooter heeft gekocht (voor € 600,-) en dus niet heeft geleend.6 Het bewijs van schuld kan onder meer worden afgeleid uit de lage prijs die voor het goed is betaald.7 Het hof heeft niet vastgesteld of de door de verdachte betaalde € 600,- een (opvallend) laag bedrag is voor een dergelijke motorscooter, al behoeft het geen nader onderzoek om aan te nemen dat het hier – in de woorden van de verdachte – een ‘koopje’ betrof.8

13. Ik meen echter dat de kern van de bewijsvoering in de onderhavige zaak atypisch is en niet in de eerste plaats steunt op zichtbare, uiterlijke kenmerken van de motorscooter ten tijde van de verwerving daarvan. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat een typeplaatje met V.I.N. op de dwarsbuis onder het zadel was aangebracht dat correspondeert met de eveneens op de motorscooter aangebrachte kentekenplaat, terwijl het originele V.I.N. was weggelakt en de desbetreffende kentekenplaat op naam stond van de verdachte. Het desbetreffende V.I.N. was gekoppeld aan een kenteken dat sinds 5 mei 2015, dus bijna vijf maanden voor de diefstal van de desbetreffende motorscooter, op naam van de verdachte stond. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat de verdachte op de gestolen motorscooter een V.I.N. en bijbehorende kentekenplaat heeft aangebracht of heeft doen aanbrengen teneinde de (vermoedelijke) herkomst van de motorscooter te verhullen.9 In het licht van die door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, acht ik het oordeel van het hof dat sprake is van schuld als bedoeld in art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr niet onbegrijpelijk.

14. In de hiervoor genoemde vaststellingen van het hof ligt voorts als zijn niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat aanwijzingen ontbreken dat het redelijkerwijs vermoeden van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van de motorscooter. Dat geldt in het bijzonder voor de vaststelling dat het kenteken dat op de motorscooter was aangebracht maanden voordat de aanschaf van de motorscooter op naam van de verdachte stond. Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof, mede in het licht van het door de verdediging aangevoerde, niet gehouden. 10 Daarbij wijs ik erop dat het in hoger beroep gevoerde verweer inhield dat niet zeker is of de in de tenlastelegging genoemde motorscooter de van de aangever ontvreemde motorscooter is en dat er geen omstandigheden zijn die voor de verdachte aanleiding moeten zijn geweest om te twijfelen aan de herkomst van de framenummers. De verwerping van deze verweren ligt besloten in de bewijsvoering, in het bijzonder in de bewijsmiddelen 1 en 4.

15. Ten overvloede wijs ik nog op het volgende. De politierechter heeft de verdachte veroordeeld voor opzetheling. In hoger beroep is primair opzetheling, subsidiair schuldheling ten laste gelegd. Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens schuldheling. De bewijsvoering, zoals deze in het bovenstaande is geduid, wijst veeleer in de richting van opzetheling. Ik meen dat die omstandigheid niet maakt dat de bewezenverklaring niet met voldoende redenen is omkleed. Uit rechtspraak van de Hoge Raad in de context van witwassen blijkt dat de omstandigheid dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld op zichzelf niet uitsluit dat, indien zulks is ten laste gelegd, bewezen kan worden verklaard dat de verdachte “redelijkerwijs moest vermoeden” dat het geld uit misdrijf afkomstig was en dat het handelen van de verdachte daarom kan worden aangemerkt als schuldwitwassen als bedoeld in art. 420quater Sr.11 Ik meen dat deze benadering ook geldt voor opzet- en schuldheling. De strafbaarstellingen vertonen in dit verband immers een sterke gelijkenis met die van witwassen en schuldwitwassen.12

16. Het middel faalt.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 17 december 1985, NJ 1986/428, rov. 5.2.1.

2 Zie ten aanzien van schuldheling HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:647, HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:772, rov. 5.2, HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8631, NJ 2009/608, rov. 2.5, HR 13 mei 2003, NJ 2003/460, rov. 3.4 en HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, NJ 2003/177, rov. 4.5. Vgl. ten aanzien van schuldwitwassen HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1588, rov. 3.3.

3 Zie in dit verband ook HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:132, HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:125, HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:128 en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:723.

4 Vgl. HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:772, rov. 5.2.

5 Zie in dit verband ook HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:647, waarin uit de bewijsvoering bleek dat dat de verdachte op een schoolplein een rondje had gereden op een bromfiets waarvan het contactslot ontbrak en dat hij het “wilde laten voorkomen of hij niet bij de brommer was geweest of erop had gereden”. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof.

6 Over de verhouding tussen de betaalde prijs en de marktwaarde van de motorscooter heeft het hof geen vaststellingen gedaan. Zie in dit verband HR 15 juni 1976, NJ 1976/514, onderdeel 3.7 van de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1694 en onderdeel 6 van de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voorafgaand aan HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3191.

7 HR 15 juni 1976, NJ 1976/514. Zie in dit verband ook onderdeel 3.7 van de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1694..

8 Zie de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep (proces-verbaal, p. 2). Vgl. in dit verband ook onderdeel 6 van de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voorafgaand aan HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3191.

9 Uit het proces-verbaal van onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2018 blijkt dat aan de verdachte is gevraagd hoe het kan dat het kenteken al op 5 mei 2015 op zijn naam stond, terwijl de motor in september 2015 is gestolen, dat aldus een oud nummer van de verdachte in het motorvoertuig is gegraveerd en wie dit – anders dan de verdachte zelf – kan hebben gedaan. De verdachte heeft daarop geantwoord dat hij dat niet weet en dat hij de motor heeft gekocht, zoals deze in beslag is genomen.

10 Vgl. ten aanzien van opzetheling HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:132, HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:125, HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:128 en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:723.

11 HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1660.

12 Zie de onderdelen 33 en 34 van mijn conclusie voor HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1660.