Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:92

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-02-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
18/01630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Levering MCC-kast voor kaasbehandelingslijn. Uitleg van begrip 'general wet area' in inkoopvoorwaarden in het licht van IP-classificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/01630 mr. W.L. Valk

Zitting: 1 februari 2019 Conclusie inzake:

[eiseres]

tegen

[verweerster]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiseres] respectievelijk [verweerster] .

1 Inleiding en samenvatting

1.1.

Deze zaak betreft de levering van een zogenaamde MCC-kast door [verweerster] in opdracht van [eiseres] , ten behoeve van een installatie die deel uitmaakt van een kaasbehandelingslijn waarvoor [eiseres] op haar beurt opdracht had van de eindgebruiker. Volgens [eiseres] voldeed de kast niet aan de tussen partijen overeengekomen specificaties.

1.2.

Volgens het arrest van het hof is [verweerster] niet tekortgeschoten. Mijns inziens slaagt geen van de door het middel tegen dat oordeel opgeworpen klachten.

2 Feiten en procesverloop

2.1.

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

2.1.1.

Partijen hebben in oktober 2013 een overeenkomst gesloten waarbij [eiseres] aan [verweerster] opdracht heeft gegeven tot ontwikkeling en levering van onderdelen van een installatie, waarmee kaasboxen kunnen worden ont- en beladen (hierna: de behandelingslijn). Eén van die onderdelen betrof een schakelkast, door partijen aangeduid als: de MCC-kast. De eindgebruiker van de behandelingslijn was het in Tasmanië (Australië) gevestigde bedrijf Lion Food & Diary (hierna: Lion).

2.1.2.

[verweerster] heeft de opdracht bij brief van 14 oktober 2013 schriftelijk aan [eiseres] bevestigd (hierna: de opdrachtbevestiging). In de opdrachtbevestiging staat onder meer het volgende vermeld:

‘Geheel op basis van “Turn-Key” te leveren conform de bijgaande leveringsomvang en prijsstelling. Deze opdrachtbevestiging dient als leidraad voor het project en is tevens een samenvatting van alle voorgaande besprekingen en afspraken.

Punten die niet specifiek staan vermeld in de opdrachtbevestiging en/of in de genoemde bijbehorende bijlagen, maken geen deel uit van de levering.’

2.1.3.

De bij de opdrachtbevestiging behorende bijlage vermeldt onder meer het volgende:

‘1. Uitgangspunten

(...)

Besturing:

(...)

De centrale MCC kast zal direct naast de behandelingslijn worden geplaatst en is derhalve voorzien in een RVS uitvoering.

(...)

Standaard toegepaste materialen

In deze opdracht is uitgegaan van het gebruik van [verweerster] standaardmaterialen met de reeds overeengekomen wijzigingen naar de standaard van de eindgebruiker. Verdere afwijkingen in specificaties van de eindgebruiker kunnen leiden tot meerkosten.

MCC kast Riltal TS serie RVS

(...)

3. Leveringsvoorwaarden

Verkoopvoorwaarden: op deze leverantie worden de Lion inkoopvoorwaarden gehanteerd met de wijzigingen en uitsluitingen welke door u met de eindgebruiker zijn overeengekomen.’

2.1.4.

In de inkoopvoorwaarden van Lion (de ‘Lion Electrical Engineering Standards’) is een paragraaf opgenomen met betrekking tot de zogenaamde ‘International Protection Rating’ of ook wel ‘Ingress Protection’ van elektrische installaties. Deze classificatie, uitgedrukt in zogenaamde IP-waarden, ziet op de mate waarin installaties zijn beschermd tegen de inwerking van stof en vocht. De IP-aanduiding heeft twee cijfers: het eerste geeft de beschermingsgraad tegen aanraken en indringen van voorwerpen, het tweede de beschermingsgraad tegen vocht. In de desbetreffende paragraaf staat onder meer vermeld:

‘2.7.4 INGRESS PROTECTION

All electric equipment installations shall comply with the ingress classification of that area. General requirements are:

General minimum Minimum of IP 54

General wet areas including Minimum of IP 56

If an area has not been classified for suitable ingress protection, the Supplier may classify the area with approval.’

2.1.5.

Lion heeft bij e-mailbericht van 10 september 2014 aan (onder meer) [eiseres] en [verweerster] haar zorgen geuit. Aangegeven is dat de MCC-kast is geïnstalleerd naast de behandelingslijn in een natte ruimte (‘general wet area’), zodat gelet op de inkoopvoorwaarden van Lion een beschermingsgraad van minimaal IP56 is vereist. In dit verband is tevens vermeld:

‘The electrical-inspector has reviewed the cabinet and the power will not be ok to be connected to this cabinet in the current state.’

2.1.6.

De door [verweerster] geleverde MCC-kast is nadien vervangen door een andere MCC-kast.

2.2.

In conventie heeft [verweerster] , na eiswijziging, onder meer gevorderd [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 55.384,07, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 3 november 2014 ter zake van openstaande facturen. [eiseres] heeft zich beroepen op verrekening met door haar geleden schade als gevolg van een tekortschieten van [verweerster] en heeft in reconventie (voorwaardelijk) gevorderd een bedrag van € 61.045,71, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2015.

2.3.

De rechtbank Noord-Holland heeft bij eindvonnis van 20 januari 2016 de vordering in conventie toegewezen en die in reconventie afgewezen. In het daartegen door [eiseres] ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 23 januari 2018 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De overwegingen van het hof laten zich als volgt samenvatten:

1. Het geschil in hoger beroep beperkt zich tot de kwestie van de door [verweerster] geleverde MCC-kast, die volgens [eiseres] niet voldoet aan de overeengekomen specificaties (arrest van het hof onder 3.3).

2. [eiseres] mocht erop vertrouwen dat [verweerster] overeenkomstig de inkoopvoorwaarden van Lion de MCC-kast diende af te leveren conform de IP-waarde 56, indien de kast zou worden geplaatst in een ‘general wet area’ (onder 3.5).

3. Partijen verschillen van mening of de MCC-kast in een ‘general wet area’ is geplaatst. [verweerster] betoogt dat niet zonder meer duidelijk is wat met dit begrip wordt bedoeld, dat zij niet heeft geweten dat de behandelingslijn in een natte ruimte zou worden geplaatst en dat de [feitelijk geplaatste] MCC-kast met IP-waarde 55 ook geschikt was (onder 3.6).

4. Het begrip ‘general wet area’ moet worden uitgelegd in het licht van IP56. [eiseres] heeft onvoldoende toegelicht waarom IP55 niet volstond (onder 3.8).

5. Voorts mocht [verweerster] , verondersteld dat sprake was van plaatsing in een natte ruimte en dat [verweerster] dit wist of moest weten, in het licht van de inhoud van een in 2012 door partijen opgestelde actielijst volgens welke de kast in IP55 zou worden uitgevoerd, het ontbreken van een andersluidende mededeling van [eiseres] en de omstandigheid dat [eiseres] de ruimte klaarblijkelijk niet had geclassificeerd, erop vertrouwen dat IP55 voldoende was (onder 3.9).

6. Omdat geen feiten zijn gesteld die tot andere oordelen zouden kunnen leiden, gaat het hof voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen (onder 3.10).

2.4.

Bij procesinleiding van 20 april 2018 heeft [eiseres] tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 23 januari 2018. Er is geen verweer gevoerd en tegen [verweerster] is verstek verleend. [eiseres] heeft haar standpunt schriftelijk doen toelichten.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1.

Het cassatiemiddel bestaat uit tien veelal onderling nauw samenhangende onderdelen. Bij de bespreking van die onderdelen stel ik voorop dat in het arrest van het hof twee zelfstandig dragende gronden zijn aan te wijzen voor de beslissing dat [eiseres] geen vordering heeft op [verweerster] in verband met de door [verweerster] geleverde MCC-kast, als volgt:

a. Uitgaande van (1) uitleg van het contractuele begrip ‘general wet area’ in het licht van de IP-norm en (2) de feitelijke plaatsing van de MCC-kast zoals toegelicht door [eiseres] , valt niet in te zien waarom IP55 niet volstond (arrest van het hof onder 3.8). Impliciet zegt het hof aldus dat het ervoor moet worden gehouden dat de ruimte waar de MCC-kast is geplaatst, niet een ‘general wet area’ in de zin van de overeenkomst is.

b. Zou dat anders zijn, dus zou de MCC-kast wél in een ‘general wet area’ zijn geplaatst (het hof spreekt in het Nederlands van ‘plaatsing in een natte ruimte’), dan nog is [verweerster] niet aansprakelijk. Het hof baseert dit op een in 2012 door partijen opgestelde actielijst, volgens welke de MCC-kast volgens IP55 zou worden uitgevoerd, die niet door een latere mededeling van [eiseres] is ingehaald, noch door een classificatie door [eiseres] van de ruimte waar de kast is geplaatst, welke classificatie de verantwoordelijkheid van [eiseres] en niet van [verweerster] was (arrest van het hof onder 3.9).

3.2.

De onderdelen 1, 2 en 3 richten zich tegen de eerstbedoelde grondslag, dus tegen rechtsoverweging 3.8. Ik citeer die overweging:

‘3.8 Naar het oordeel van het hof dient het begrip “general wet area” te worden uitgelegd in het licht van IP56, zoals dit immers ook volgt uit paragraaf 2.7.4 van de inkoopvoorwaarden. Dit betekent dat de MCC-kast bestendig diende te zijn tegen stortbuien of krachtige waterstralen, indien deze in een ruimte zou worden geplaatst waar sprake is van dergelijke omstandigheden. [eiseres] heeft in dit verband weliswaar gemotiveerd gesteld dat de MCC-kast in een vochtige omgeving zou worden geplaatst, maar dat maakt niet dat daarom geleverd had dienen te worden conform IP56 en niet conform IP55. [eiseres] licht ook niet concreet toe waarom IP55 niet zou volstaan, nu immers IP55 ook inhoudt dat de MCC-kast bestendig dient te zijn tegen waterstralen. De onderbouwing dat direct naast de kaasbehandelingslijn in een productieomgeving wordt schoongemaakt volstaat daarvoor niet, nu daaruit niet volgt dat bij de schoonmaak krachtige waterstralen worden gebruikt als bedoeld in IP56. Het ter terechtzitting in hoger beroep getoonde filmpje van de schoonmaak van de behandelingslijn met water duidt daar ook niet op.’

3.3.

Volgens onderdeel 1 heeft hof ten onrechte aan de hand van de standaard IP56 beoordeeld of sprake is van een ‘general wet area’, omdat in dit geding niet ter discussie staat dat wanneer de MCC-kast in een ‘general wet area’ zou worden geplaatst, deze volgens de overeenkomst tenminste aan de definitie van IP56 diende te voldoen.

3.4.

Ik begrijp deze klacht aldus dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden. De klacht faalt omdat ze berust op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Uit rechtsoverweging 3.5 blijkt dat ook het hof ervan is uitgegaan dat áls de MCC-kast zou worden geplaatst in een ‘general wet area’ in de zin van de overeenkomst (meer specifiek van paragraaf 2.7.4 van de op de overeenkomst toepasselijke inkoopvoorwaarden van Lion), die kast moest voldoen aan de specificaties van IP56. Rechtsoverweging 3.8 houdt niet iets anders in. Voor een goed begrip van die overweging moeten we ons realiseren dat de IP-classificatie niet alleen specificaties bevat wat betreft de beschermingsgraad tegen aanraken en indringen van voorwerpen respectievelijk tegen vocht, maar ook normen met betrekking tot de vraag onder welke omstandigheden welke specificaties minimaal vereist zijn. Uiteraard kunnen partijen van de bedoelde normen afwijken door ze aan te scherpen (dus een hogere IP-specificatie voorschrijven dan volgens de IP-normen is vereist). Dat partijen zijn overeengekomen dat in geval van plaatsing in een ‘general wet area’ de IP56-specificaties gelden, betekent nog niet per se dat partijen inderdaad een aangescherpte norm zijn overeengekomen. Dat hangt immers af van de vraag wat onder een ‘general wet area’ in de zin van de overeenkomst moet worden verstaan. Het is díé vraag die het hof in rechtsoverweging 3.8 onderzoekt. Het hof is niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.

3.5.

Onderdeel 2 behelst een motiveringsklacht tegen dezelfde overweging van het hof. Onbegrijpelijk zou zijn de overweging van het hof volgens welke uit paragraaf 2.7.4 van de inkoopvoorwaarden van Lion zou volgen dat het begrip ‘general wet area’ dient te worden uitgelegd ‘in het licht van IP56’.

3.6.

Ik begrijp de overweging van het hof aldus dat het hof de norm behorende bij IP56 heeft gebruikt om uit te leggen wat een ‘general wet area’ in de zin van de overeenkomst is. Mij dunkt dat dat alleszins geoorloofd is. In het bijzonder als andere aanknopingspunten voor een bepaalde uitleg ontbreken, ligt het mijns inziens zelfs zeer voor de hand om aan te sluiten bij algemeen aanvaarde normen, waaronder ook de IP-normen.

3.7.

Aangrijpingspunt van de klacht is de eerste zin van rechtsoverweging 3.8:

‘Naar het oordeel van het hof dient het begrip “general wet area” te worden uitgelegd in het licht van IP56, zoals dit immers ook volgt uit paragraaf 2.7.4 van de inkoopvoorwaarden.’

Naar aanleiding van die zin merk ik in de eerste plaats op dat het hof kennelijk zowel los van wat uit paragraaf 2.7.4 van de inkoopvoorwaarden volgt, als op grond van die voorwaarden meende dat de norm van IP56 bepalend is voor de uitleg van het begrip ‘general wet area’. Let op de woordcombinatie ‘immers ook’. Enigszins scherp slijpend geldt dus dat [eiseres] bij de klacht geen belang heeft, omdat het hof ook los van wat uit paragraaf 2.7.4 van de inkoopvoorwaarden volgt, de norm van IP56 bepalend heeft geacht.

3.8.

Ik laat het hier niet bij. De steller van het middel leest de overweging van het hof volgens welke ook uit paragraaf 2.7.4 van de inkoopvoorwaarden volgt dat het begrip ‘general wet area’ dient te worden uitgelegd in het licht van IP56 klaarblijkelijk aldus dat volgens het hof uit paragraaf 2.7.4 rechtstreeks volgt dat we voor het begrip ‘general wet area’ te rade moeten gaan bij de norm van IP56. Zó gelezen zou de overweging inderdaad onbegrijpelijk zijn. Paragraaf 2.7.4 verwijst in rechtstreekse zin naar IP56 alleen als specificatie. De lezing van het middel is echter geheel onaannemelijk. Zou die lezing juist zijn dan zou het hof reeds vanaf rechtsoverweging 3.5 de norm van IP56 centraal hebben gesteld en niet die van een ‘general wet area’ in de zin van de overeenkomst.

3.9.

De betekenis van rechtsoverweging 3.8 is een andere. Wat het hof kennelijk bedoelt is dat het aansluit bij de verwijzing in paragraaf 2.7.4 van de inkoopvoorwaarden naar IP-specificaties, dat de bij die specificaties behorende normen kunnen worden gebruikt om uit te leggen wat partijen hebben bedoeld met het begrip ‘general wet area’. Ik kan niet inzien dat de aldus begrepen overweging van het hof onbegrijpelijk zou zijn. Vergelijk hiervoor onder 3.6. Ook indien aangenomen moet worden dat [eiseres] bij de klacht belang heeft, treft de klacht dus geen doel.

3.10.

Volgens onderdeel 3 is onbegrijpelijk de overweging van het hof dat [eiseres] weliswaar gemotiveerd heeft gesteld dat de MCC-kast in een vochtige omgeving zou worden geplaatst, maar dat zulks niet maakt dat daarom geleverd had dienen te worden conform IP56 en niet conform IP55. Volgens [eiseres] is irrelevant dat [eiseres] niet concreet heeft toegelicht waarom IP55 niet zou volstaan, omdat volgens de voorwaarden in geval van plaatsing in een ‘general wet area’ IP56 diende te worden geleverd en niet IP55.

3.11.

De klacht van het onderdeel bouwt voort op die van onderdeel 2 en berust op dezelfde onjuiste lezing van het arrest van het hof. Ook het hof is ervan uitgegaan dat in geval van plaatsing in een ‘general wet area’ de specificaties van IP56 bepalend waren. Het hof heeft slechts de norm van IP56 gebruikt als een hulpmiddel tot uitleg van het begrip ‘general wet area’. Het onderdeel faalt.

3.12.

Van de overige onderdelen zien alleen de onderdelen 8, 9 en 10 mede op de hiervoor onder 3.1 bedoelde eerste grondslag. Daarom bespreek ik nu eerst die onderdelen.

3.13.

Onderdeel 8 richt zich tegen rechtsoverweging 3.6, welke luidt:

‘3.6 Partijen verschillen van mening of de MCC-kast in een ‘general wet area’ is geplaatst. [verweerster] betoogt dat niet zonder meer duidelijk is wat met dit begrip wordt bedoeld. Bovendien zou [verweerster] niet hebben geweten dat de behandelingslijn in een natte ruimte zou worden geplaatst. Ten slotte betoogt [verweerster] dat de MCC-kast met IP-waarde 55 ook geschikt was. Het hof overweegt als volgt.’

3.14.

Het onderdeel houdt in dat voor zover het hof in rechtsoverweging 3.6 aan zijn beslissing ten grondslag heeft willen leggen dat de MCC-kast niet in een ‘general wet area’ zou worden geplaatst en dat [verweerster] er niet mee bekend was dat de behandelingslijn en de MCC-kast in een natte ruimte zouden worden geplaatst, dat onbegrijpelijk is, met voorbijgaan aan essentiële stellingen van [eiseres] .

3.15.

Aldus berust ook deze klacht op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. In rechtsoverweging 3.6 doet het hof niet meer dan alleen partijstandpunten weergeven. Enige dragende overweging bevat alinea 3.6 van het arrest niet.

3.16.

Ten overvloede nog iets over de door het onderdeel aangeduide essentiële stellingen. Die stellingen zien met name op de plaatsing van de MCC-kast in een ruimte die eens per 24 uur middels een schuimbad wordt gereinigd. Het hof is hierop ingegaan in rechtsoverweging 3.8 (hiervoor onder 3.2 aangehaald). Daarbij heeft het hof mede verwezen naar het ter terechtzitting in hoger beroep getoonde filmpje van de wijze waarop de behandelingslijn wordt schoongemaakt. Ook wanneer ik de klacht van onderdeel 8 zo opvat dat zij tegen rechtsoverweging 3.8 is gericht (in plaats van tegen rechtsoverweging 3.6), treft zij dus geen doel.

3.17.

Onderdeel 9 richt zich tegen rechtsoverweging 3.10. Die overweging luidt:

‘3.10 Er zijn over en weer geen feiten gesteld die, indien zij zouden komen vast te staan, tot andere oordelen zouden kunnen leiden, zodat het hof voorbij gaat aan de bewijsaanbiedingen van partijen.’

3.18.

Volgens het onderdeel is de beslissing van het hof om het bewijsaanbod van [eiseres] te passeren rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk omdat het bewijsaanbod ter zake doende is en voldoet aan de daaraan (ook in hoger beroep) te stellen eisen. Voor het bewijsaanbod van [eiseres] verwijst het onderdeel naar de memorie van grieven onder 5.1 en de pleitnota in hoger beroep onder 55. Ik citeer die plaatsen:

‘5.1 [eiseres] biedt aan haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, waaronder het doen horen van getuigen. [eiseres] meent echter dat gelet op de door haar overgelegde documentatie geen aanleiding bestaat voor verdere bewijslevering. Het aanbod van [eiseres] tot het leveren van bewijs geldt tevens voor eventueel te leveren tegenbewijs tegen de stellingen van [verweerster] .’

‘55. [eiseres] biedt aanvullend aan haar stellingen te bewijzen door het horen van getuigen. Daarbij valt te denken aan personeel van [eiseres] en van [verweerster] , alsmede personeel van Lion en het genoemde bedrijf Elten Systems.’

3.19.

De rechtsklacht van het onderdeel treft geen doel. Het hof is niet uitgegaan van andere aan het bewijsaanbod te stellen eisen dan die door de klacht worden aangeduid. Volgens het hof zijn er geen door [eiseres] gestelde feiten die, indien zij zouden komen vast te staan, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. Daarvan uitgaande doen de eisen die (overigens) aan een bewijsaanbod mogen worden gesteld (waarop de schriftelijke toelichting onder 2.4 ingaat) niet meer ter zake.

3.20.

Ook de motiveringsklacht is vergeefs opgeworpen. Het onderdeel zelf duidt geen concrete feitelijke stelling van [eiseres] aan, waarop het hof het bewijsaanbod had moeten betrekken. De schriftelijke toelichting onder 2.4 betrekt het bewijsaanbod op de omstandigheid dat de MCC-kast ‘in een natte omgeving (“general wet area”) is geplaatst’. Aldus miskent de cassatieadvocaat van [eiseres] dat de vraag wat onder een ‘general wet area’ moet worden verstaan, een vraag van uitleg is, zodat slechts ter zake doen feitelijke stellingen die voor die uitleg van belang zijn. Dat de MCC-kast in een ‘general wet area’ is geplaatst, zou eventueel het resultaat van de bedoelde uitleg kunnen zijn, maar is zelf geen feitelijke stelling die zich voor bewijslevering leent en dus ook geen feit dat tot de beslissing van de zaak kan leiden in de zin van art. 166 lid 1 Rv.

3.21.

Onderdeel 10 bevat uitsluitend voortbouwklachten en behoeft geen afzonderlijke bespreking.

3.22.

Uit het voorgaande volgt dat alle tegen de hiervoor onder 3.1 als eerst aangeduide grondslag voor de beslissing van het hof aangevoerde klachten vergeefs zijn opgeworpen. Mijns inziens is daarmee het pleit beslist. Ook als een of meer klachten die zich richten tegen de tweede door het hof gebezigde grondslag doel treffen, kan dat niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Bij die klachten heeft [eiseres] dus geen belang.

3.23.

Ten overvloede zal ik de onderdelen 4, 5, 6 en 7 toch bespreken. Die onderdelen richten zich tegen rechtsoverweging 3.9 van het arrest van het hof. Ik citeer die overweging:

‘3.9 Voorts geldt het volgende. In 2012 is op een door partijen opgestelde actielijst het volgende door [verweerster] vermeld:

“The [verweerster] Main MMC Cabinet and field cabinets for remote I/O will be Rittal Stainless Steel IP55”.

Blijkens de verklaring van de raadsman van [eiseres] , mr. Dallinga, ter comparitie in eerste aanleg is de actielijst op 18 juni 2012, dus vóór de contractsluiting in oktober 2013, ontvangen door [verweerster] . Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] nadien (impliciet of expliciet) heeft meegedeeld dat IP55 niet volstaat voor plaatsing in de betrokken ruimte, in aanmerking genomen dat de ruimte waarin de MCC-kast is geplaatst, blijkens de verklaring van [eiseres] ter comparitie in eerste aanleg, niet is gewijzigd. Verder is de ruimte klaarblijkelijk niet geclassificeerd. Dit had conform paragraaf 2.7.4 van de inkoopwaarden wel op de weg van [eiseres] gelegen, wat zij heeft nagelaten. [verweerster] wijst in dit verband terecht op wat is vermeld in paragraaf 2.7.4:

“If an area has not been classified for suitable ingress protection, the Supplier may classify the area with approval.”

[eiseres] betoogt in dit verband dat [verweerster] bij eventuele twijfel over de classificatie instemming van de opdrachtgever had moeten worden gezocht, maar [eiseres] gaat er in dit verband aan voorbij dat niet [verweerster] maar zijzelf contractspartij is van Lion en derhalve de Supplier is als bedoeld in paragraaf 2.7.4. van de inkoopvoorwaarden. [verweerster] is immers geen partij bij die overeenkomst. [verweerster] mocht aldus, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake was van plaatsing in een natte ruimte en dat [verweerster] dit wist of moest weten, erop vertrouwen dat IP55 voldoende was. De slotsom is dat de grieven 2 en 3 falen.’

3.24.

Volgens onderdeel 4 is onbegrijpelijk dat het hof de zogenaamde actielijst uit 2012 (mede) aan zijn oordeel ten grondslag legt. Daarbij verwijst het onderdeel naar stellingen van [eiseres] – volgens het onderdeel betreft het onbestreden stellingen – volgens welke de zogenaamde actielijst een verkennende, informele inventarisatie is geweest, daterend van een jaar vóór de onderhavige overeenkomst en gericht aan een andere mogelijke opdrachtgever (namelijk Tetra) met het oog op eventuele levering aan deze opdrachtgever en de daarvoor overeen te komen specificaties, terwijl de notitie uitdrukkelijk geen deel uitmaakt van de overeenkomst tussen partijen.

3.25.

Zoals gezegd poneert de steller van het middel, ook al doet hij dat tussen haakjes, dat de bedoelde stellingen onbestreden zijn. Dat is evident bezijden de waarheid. [verweerster] heeft bij memorie van antwoord onder 17-24 in een betoog van bijna twee bladzijden onder meer naar voren gebracht:

1. Volgens de verklaring van dhr. [eiseres] ter comparitie is in de actielijst afgesproken om een MCC-kast met een IP-waarde van 55 te plaatsen. Ook was de prijs gebaseerd op een MCC-kast met beschermingsgraad IP55 (memorie van antwoord onder 19).

2. Aanvankelijk was het plan dat [eiseres] het ‘Logistieke Systeem’ niet rechtstreeks aan Lion maar aan Tetra zou leveren. Tetra zou vervolgens dat systeem als onderdeel van een complete kaasfabriek aan Lion leveren. Lion ging echter niet met Tetra in zee, maar verstrekte de opdracht aan een Deense firma, met dien verstande dat het Logistieke Systeem van die opdracht geen onderdeel uitmaakte. Lion ging wat betreft dat systeem rechtstreeks een overeenkomst met [eiseres] aan. Het wegvallen van Tetra maakte in de verhouding tussen [verweerster] en [eiseres] geen verschil (memorie van antwoord onder 22 en 23).

3.26.

Vat ik de klacht van het onderdeel aldus op dat de overweging van het hof met betrekking tot de actielijst uit 2012 onbegrijpelijk is omdat de stellingen van [eiseres] omtrent die lijst door [verweerster] niet zijn bestreden, dan volgt uit het voorgaande dat de klacht feitelijke grondslag mist.

3.27.

Vat ik de klacht anders op – het onderdeel is mijns inziens weinig duidelijk – in die zin dat de aangevallen overweging van het hof onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de door het onderdeel aangeduide stellingen van [eiseres] , die in deze lezing volgens de kennelijke bedoeling van de steller van het middel een essentieel karakter dragen, dan geldt het volgende.

3.28.

Het hof verwijst in de aangevallen overweging naar de verklaringen ter comparitie van de advocaat van [eiseres] in eerste aanleg en van [eiseres] zelf. Die verklaringen houden onder meer in (cursiveringen toegevoegd):

‘Mr. Dallinga: (…) U vraagt wanneer het stuk dat door [verweerster] als productie 10 is overgelegd bij [verweerster] is terechtgekomen. Dat was op 18 juni 2012. Het stuk is onderdeel geweest van hetzelfde project met Tetra Melbourne, een derde partner. Uiteindelijk heeft [eiseres] besloten om alleen een samenwerking aan te gaan met [verweerster] .’

‘Dhr. [eiseres] : (…) Aangezien (…) Tetra Melbourne uiteindelijk niet aan het project heeft gewerkt kan geen waarde worden toegekend aan het als productie 10 overgelegde stuk, waarin is afgesproken om een MCC-kast met een IP-waarde van 55 te plaatsen. (…)’

‘Dhr. [eiseres] : (…) U vraagt of de opstelling is veranderd nadat met Tetra Melbourne is afgesproken om [de] MCC-kast met een IP-waarde van 55 te plaatsen (productie 10). Dit is het geval. De MCC-kast is daarbij niet verschoven. Deze is in dezelfde ruimte gebleven als oorspronkelijk met Tetra Melbourne is afgesproken. (...)’

3.29.

In het licht van deze verklaringen van de zijde van [eiseres] zelf is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering, ook niet in het licht van de stellingen van [eiseres] die het onderdeel aanduidt. In dit verband merk ik op dat niet doorslaggevend is dat uiteindelijk niet Tetra als opdrachtgever optrad, maar Lion zelf. Naar het kennelijke oordeel van het hof was er ondanks die omstandigheid sprake van een zodanige continuïteit dat de actielijst uit 2012 wel degelijk van betekenis is voor hetgeen waarvan [verweerster] uit mocht gaan. Ook in zoverre treft het onderdeel dus geen doel.

3.30.

Onderdeel 5 richt zich tegen de overweging van het hof volgens welke de ruimte waarin de MCC-kast is geplaatst niet is geclassificeerd, terwijl zulke classificatie volgens de inkoopvoorwaarden wel op de weg van [eiseres] lag. Volgens het onderdeel is de overweging van het hof onbegrijpelijk, omdat het achterwege blijven van een classificatie van de ruimte voor de beoordeling van de onderhavige zaak irrelevant is. Daarnaast voert het onderdeel aan dat namens [eiseres] (onbestreden) de essentiële stelling is betrokken dat als een ruimte niet is geclassificeerd, de voorwaarden van Lion (waaraan [verweerster] zich heeft verbonden) voorschrijven dat indeling alleen kan plaatsvinden met instemming van Lion.

3.31.

Ik lees de overweging van het hof omtrent het ontbreken van een classificatie van de ruimte waarin de MCC-kast is geplaatst aldus dat volgens het hof het vertrouwen dat [verweerster] aan de actielijst uit 2012 mocht ontlenen, niet door een classificatie van de ruimte teniet is gedaan. De aangevallen overweging draagt de beslissing van het hof dus niet.

3.32.

Ook los daarvan geldt dat het hof de stelling van [eiseres] dat de voorwaarden van Lion voorschrijven dat de bedoelde classificatie alleen kan plaatsvinden met instemming van Lion, niet heeft miskend. De overweging van het hof ziet uitsluitend op het ontbreken van een classificatie van de ruimte waarin de MCC-kast is geplaatst (en niet op het bestaan van een classificatie zonder instemming van Lion). Ik wijs er nog op dat [eiseres] geen klacht heeft gericht tegen de overweging van het hof dat niet [verweerster] , maar zijzelf contractspartij is van Lion en daarom de ‘Supplier’ als bedoeld in par. 2.7.4 van de inkoopvoorwaarden. In die overweging ligt besloten dat volgens het hof het ontbreken van de bedoelde classificatie een omstandigheid is die voor rekening van [eiseres] is. Kortom, de klacht faalt om meer dan één reden.

3.33.

Onderdeel 6 klaagt dat het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.9 dat [verweerster] , veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake was van plaatsing in een natte ruimte en dat [verweerster] dit wist of moest weten, erop mocht vertrouwen dat IP55 voldoende was, onbegrijpelijk is, omdat dit niet eraan afdoet dat [verweerster] conform de inkoopvoorwaarden van Lion diende te leveren.

3.34.

Ook deze klacht faalt. Het vertrouwen dat [verweerster] volgens het hof aan de actielijst van 2012 mocht ontlenen, kan volgens de kennelijke gedachtegang van het hof ertoe leiden dat in de verhouding tussen [eiseres] en [verweerster] de overeenkomst anders moet worden uitgelegd dan eventueel de inkoopvoorwaarden inhouden (volgens het hof is volgens die voorwaarden intussen eveneens IP55 voldoende, omdat geen sprake is van plaatsing in een ‘general wet area’, zie hiervoor). Dat is allerminst onbegrijpelijk. De inhoud van de overeenkomst wordt immers niet uitsluitend door de bedoelde inkoopvoorwaarden bepaald, ook niet als die voorwaarden in beginsel tussen partijen gelding hebben, maar door al hetgeen redelijkerwijs van invloed is op hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs mogen begrijpen en verwachten.

3.35.

Onderdeel 7 richt zich tegen de overweging van het hof volgens welke [verweerster] geen partij is bij de overeenkomst tussen [eiseres] en Lion. Die overweging is volgens het onderdeel onbegrijpelijk, waarbij het onderdeel verwijst naar hetgeen het hof in rechtsoverweging 3.5 heeft overwogen, namelijk dat [verweerster] zich had verbonden om aan de inkoopvoorwaarden van Lion te voldoen.

3.36.

Aldus berust de klacht van het onderdeel geheel op dezelfde onjuiste gedachtegang als onderdeel 6. Dat [verweerster] zich had verbonden om aan de inkoopvoorwaarden van Lion te voldoen, verhindert niet dat andere feiten en omstandigheden van invloed zijn op hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs mochten begrijpen en verwachten.

3.37.

Uit de bespreking van de onderdelen 4, 5, 6 en 7 volgt dat geen van de klachten tegen de tweede door het hof voor zijn beslissing gebezigde grondslag doel treft. Dit betekent dat indien, anders dan hiervoor uiteengezet, een of meer van de klachten tegen de eerste door het hof gebezigde grondslag doel zou treffen, het cassatieberoep niettemin moet worden verworpen.

3.38.

In het voorgaande ligt bovendien besloten dat ook indien mijn lezing van het arrest van het hof onjuist zou zijn, in die zin dat in de rechtsoverwegingen 3.8 en 3.9 niet twee zelfstandige grondslagen mogen worden gelezen, maar in plaats daarvan cumulerende overwegingen, die dus het oordeel van het hof tezamen dragen, mijns inziens voor vernietiging van het arrest van het hof geen grond bestaat.

3.39.

Ten slotte nog een opmerking over het voorbehoud waarmee de procesinleiding in cassatie eindigt. Er is geen proces-verbaal van de pleitzitting van 16 mei 2017 door [eiseres] in het geding gebracht en de advocaat van [eiseres] is op het voorbehoud ook niet meer teruggekomen. Terzijde nog: het hof refereert in geen van de aangevallen overwegingen aan wat bij gelegenheid van die zitting zou zijn gezegd en ook de cassatieklachten van [eiseres] doen dat niet.

3.40.

Uit het voorgaande volgt dat geen van de onderdelen doel treft. Ik geef uw Raad in overweging om de zaak af te doen met toepassing van art. 81 Wet RO.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vergelijk het arrest van het hof van 23 januari 2018 onder 2.2-2.7 (en voor het procesverloop tot in appel ook rechtsoverweging 3.1-3.3). [eiseres] heeft de feitenvaststelling door de Rechtbank Noord-Holland (met succes) bestreden, zie onder 2.1 van het bestreden arrest.