Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:916

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/00234
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1746
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over 1. criminele organisatie die tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep, diefstal van stroom en witwassen (art. 140 Sr) en 2. schending redelijke termijn in de cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige met toepassing van art. 81 RO. Samenhang met 15/05643, 17/05740, 17/05745 en 18/04966.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00234

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. De verdachte is bij arrest van 1 december 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet alsmede het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 3. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en 4. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. De zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (15/05643), [medeverdachte 1] (17/05740), [medeverdachte 2] (17/05745) en [medeverdachte 4] (18/04966), waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Door het hof is onder meer bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep, diefstal van stroom en witwassen. Voorts heeft het hof bewezen verklaard dat de verdachte zich in de periode van 13 januari 2012 tot en met 21 december 2012 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt in een hennepkwekerij in [plaats 6] . De bestreden uitspraak houdt voorts in dat de opbrengsten uit de jarenlange exploitatie van grote hennepkwekerijen werden witgewassen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte binnen de criminele organisatie een prominente rol had. De verdachte hield zich onder meer bezig met het regelen van panden voor de hennepteelt. In zijn woning werd informatie gevonden over verschillende (vrijstaande) huurwoningen. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de beschikking had over grote contante geldbedragen en dat hij veel moeite heeft gedaan om dat te verhullen. Auto’s en boten die bij de verdachte in gebruik waren, stonden niet op zijn naam. Daarnaast kreeg hij in de jaren 2010, 2011 en 2012 van het bedrijf [B] , gevestigd te [plaats 1] , bedragen op zijn rekening gestort als ‘salaris’ voor zijn werkzaamheden als hoofd wagenparkbeheer, terwijl het hof ervan is uitgegaan dat in werkelijkheid sprake was van een witwasconstructie.

Bespreking van de cassatiemiddelen

5. In cassatie zijn verschillende middelen voorgesteld. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het verweer van de verdediging dat de in de woning aan de [f-straat 1] in [plaats 7] aangetroffen stukken, bescheiden en voorwerpen niet redengevend kunnen zijn voor het bewijs van het bewezen verklaarde aangezien de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde niet in dit pand woonde, onvoldoende met redenen omkleed heeft verworpen. Het tweede middel valt in verschillende deelklachten uiteen. Allereerst bevat het middel de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk en daarmee aan die organisatie heeft “deelgenomen”. Ten tweede behelst het middel de klacht dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte de exploitatie van verschillende hennepkwekerijen heeft meegewogen terwijl de verdachte enkel is veroordeeld voor het medeplegen van hennepteelt in [plaats 6] . Tot slot wordt geklaagd dat het hof niet heeft beraadslaagd op grondslag van de tenlastelegging, aangezien het hof in zijn strafmotivering heeft overwogen dat de verdachte leiding heeft gegeven aan de criminele organisatie, terwijl die strafverzwarende omstandigheid niet ten laste is gelegd. Het derde middel heeft betrekking op overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

6. Alvorens over te gaan tot de bespreking van de middelen, geef ik hierna de bewezenverklaring en de nadere bewijsoverweging van het hof weer. De cassatieklachten bespreek ik vervolgens in de volgorde zoals die in de schriftuur worden gepresenteerd.

Bewezenverklaring en nadere bewijsoverweging

7. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“1. hij in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk
- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of aanwezig hebben van (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zoals strafbaar gesteld in artikelen 3 onder B en/of C en/of 11 lid 2, 3 en/of 5 van de Opiumwet en
- diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 310 en/of 311 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafrecht en
- witwassen, zoals strafbaar gesteld in artikel 420 BIS/TER/QUATER van het Wetboek van Strafrecht;

2. hij in de periode van 13 januari 2012 tot en met 21 december 2012 te [plaats 6] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld grote aantallen hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3. hij in de periode van 13 januari 2012 tot en met 21 december 2012 te [plaats 6] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid stroom, toebehorende aan Liander NV waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking;

4. hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 27 februari 2013 te [plaats 7] en te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) van (een) voorwerp(en), te weten

- een of meer geldbedragen en

- een hoeveelheid voertuigen,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op genoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was of wie bovenomschreven voorwerp, voorhanden had, en/of genoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen en geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

8. De nadere bewijsoverweging van het hof houdt onder meer in:

“Overweging hof

Het hof gaat er van uit dat verdachte verbleef in dezelfde woning als zijn partner [betrokkene 3] en hun kinderen, namelijk de woning aan de [f-straat 1] in [plaats 7] en dat de in die woning aangetroffen spullen zoals administratieve bescheiden en geld (mede) aan de verdachte toebehoorden.

Door de verdediging is herhaaldelijk naar voren gebracht dat verdachte woont aan de [f-straat 2] en niet aan de [f-straat 1] . Dat verdachte (inmiddels) op het adres [f-straat 2] staat ingeschreven en dat de vader van verdachte bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij (samen met de partner en kinderen van verdachte) op de [f-straat 1] woont, doet aan de conclusie van het hof niet af.

Ten tijde van de aanhouding van verdachte op 27 februari 2013 om 5:00 uur in de ochtend, bevond hij zich in perceel [f-straat 1] , terwijl zijn vader zich toen in perceel [f-straat 3] bevond. In perceel [f-straat 3] zijn ook documenten aangetroffen op naam van [medeverdachte 2] . [getuige 1] die op 9 april 2013 is gehoord, heeft verklaard dat hij in het pand aan de [f-straat 2] te [plaats 7] woont en dat [verdachte] in de grote woonwagen op het kamp woont (en dus niet in de woning aan de [f-straat 2] ) . Toen [getuige 1] op [f-straat 2] kwam, was de woning helemaal leeg. [getuige 1] heeft de woning gemeubileerd. In het pand [f-straat 1] zijn tijdens de doorzoeking administratieve bescheiden in beslag genomen waaronder een koopcontract op naam van verdachte, hetgeen eveneens een aanwijzing is dat verdachte in die woning zijn spullen bewaarde.

In de woning aan de [f-straat 1] te Rhenen is een grote hoeveelheid contant geld gevonden (meer dan € 12.000). Verder werden administratieve bescheiden gevonden die in verband gebracht kunnen worden met hennepteelt op grote schaal.

Uit de hierboven genoemde stukken blijkt verder dat verdachte (en zijn partner [betrokkene 3] ) gebruik maakte(n) van auto’s die op naam stonden van een ander. Zo werd gebruik gemaakt van een Hummer die op naam stond van [betrokkene 4] en gebruik gemaakt van een Mercedes AMG die op naam stond van [betrokkene 5] . Verder werd er gebruik gemaakt van een boot ( [D] ) die op naam stond van [betrokkene 6] en waarvan [betrokkene 6] heeft verklaard dat hij de boot op verzoek van verdachte op zijn naam heeft gezet. Ook werd er een boot ( [E] ) aangetroffen in de ruimte aan de [i-straat 2] van welke ruimte verdachte gebruik maakte. Het registratiebewijs van de boot werd aangetroffen in de woning waar verdachte verbleef, namelijk de [f-straat 1] in [plaats 7] . Ook deze boot stond niet op naam van verdachte.

Het hof gaat er verder vanuit dat verdachte en zijn broer weliswaar ‘salaris’ ontvingen van het bedrijf [B] , maar niet dat zij er daadwerkelijk werkten. Volgens het contract van verdachte is hij hoofd wagenparkbeheer en volgens zijn verklaring bij de politie is hij bij het bedrijf een soort van bedrijfsleider. Verder zou verdachte volgens zijn contract daar een fulltime functie hebben. Ondanks dat verdachte daar dagelijks zou moeten zijn en als bedrijfsleider dan ook zichtbaar voor het personeel zou moeten zijn, hebben twee werknemers, die in dezelfde periode als verdachte stelt daar werkzaam te zijn geweest waren, verklaard verdachte noch van naam, noch van gezicht te kennen. Deze personen kennen de broer van verdachte, [medeverdachte 4] , ook niet. [getuige 2] heeft zelfs verklaard dat beiden daar niet gewerkt hebben. Zowel verdachte als zijn broer zijn geobserveerd door de politie. Ook werden telefoongesprekken afgeluisterd. Door de politie is niet waargenomen dat verdachte en zijn broer werkzaamheden verrichtten voor [B] . Wel werd waargenomen dat verdachte handelde in auto’s. Verdachte heeft zich summier uitgelaten over zijn werkzaamheden bij [B] en zich daarna op zijn zwijgrecht beroepen.

[betrokkene 5] , de eigenaar van [B] , heeft zich tijdens zijn verhoren bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Bij de raadsheer-commissaris heeft hij wel verklaard, onder meer over de werkzaamheden van [medeverdachte 4] . Hij heeft daarbij over de inhoud van die werkzaamheden echter anders verklaard dan [medeverdachte 4] zelf. Volgens [betrokkene 5] zouden zowel [verdachte] als [medeverdachte 4] werkzaam zijn op een locatie aan de [g-straat] . Op de vraag wie daar nog meer werkten heeft [betrokkene 5] de naam van [getuige 2] genoemd. [getuige 2] heeft evenwel verklaard dat zowel verdachte als zijn broer niet bij [B] hebben gewerkt in de tijd dat zij bij [B] werkte. Het hof acht de verklaring van [betrokkene 5] inhoudende dat verdachte en zijn broer [medeverdachte 4] daadwerkelijk (fulltime) bij hem gewerkt hebben in de jaren 2010 tot en met 2013 in het licht van de overige verklaringen en waarnemingen van de politie ongeloofwaardig.

Het hof gaat er verder vanuit dat verdachte samen met anderen de hennepkwekerij aan het [h-straat] in [plaats 6] heeft geëxploiteerd. Het hof acht de verklaringen van [betrokkene 8] , zoals hierboven weergegeven betrouwbaar. Op papier was [betrokkene 8] huurder en [betrokkene 4] eigenaar. Zowel [betrokkene 8] als [betrokkene 4] zijn relaties van verdachte. [betrokkene 4] is op papier ook eigenaar van de Hummer waarvan verdachte gebruik maakte en ook heeft [betrokkene 4] (op papier) de speedboot gekocht waarvan het registratiebewijs is gevonden in de woning waar verdachte verbleef. Verder was het pand aan de [i-straat 1] in Veenendaal eigendom van [betrokkene 4] , in welk pand verschillende voertuigen zijn aangetroffen die toebehoorden aan of in gebruik waren bij leden van de familie [verdachte] (waaronder verdachte en zijn vader). Het pand aan het [h-straat] is (op papier) verkocht aan [betrokkene 4] via (het bedrijf van) de broers [betrokkene 9] . Ook deze broers zijn een zakenrelatie van verdachte.

Dat [betrokkene 10] en de vader van verdachte, zoals [betrokkene 8] heeft verklaard, betrokken waren bij de hennepkwekerij in [plaats 6] , wordt bevestigd door hetgeen de politie via het afluisteren en observeren heeft waargenomen.

[betrokkene 8] heeft zich zelf in zijn verklaringen niet gespaard. Hij heeft verklaard over eerdere hennepkwekerijen die hij heeft opgezet, zij het op initiatief van verdachte. Eén van die hennepkwekerijen zou zich hebben bevonden in de woning aan [j-straat] in [plaats 8] . In de woning waar verdachte verbleef zijn acceptgiro’s gevonden die dat adres vermelden. Ook bij die woning in [plaats 8] heeft de zakenrelatie van verdachte, [betrokkene 9] , een rol gespeeld. Via hem is namelijk de woning verhuurd aan [betrokkene 8] .

In de woning van verdachte zijn verder administratieve bescheiden aangetroffen die wijzen op betrokkenheid bij hennepteelt op grote schaal, hetgeen eveneens een aanwijzing vormt van de juistheid van de verklaring van [betrokkene 8] , namelijk dat verdachte wietkwekerijen met veel planten exploiteert.

Verder blijkt dat verdachte de beschikking heeft over grote contante bedragen. Niet alleen is er een groot bedrag bij hem in de woning gevonden, maar ook heeft hij in 2012 met contant geld een Ferrari betaald ter waarde van € 32.500.

Tenslotte blijkt dat verdachte veel moeite doet om te verhullen dat hij de beschikking heeft over grote bedragen. Auto’s en boten die bij verdachte in gebruik waren, stonden niet op zijn naam. Verder kreeg verdachte in de jaren 2010, 2011 en 2012 van [B] forse bedragen op zijn bankrekening gestort, zogenaamd als salaris. Aangezien verdachte geen werkzaamheden verrichte, gaat het hof er vanuit dat verdachte zelf voor zijn ‘salaris’ zorgde door [B] of [betrokkene 5] hier financieel voor te compenseren. Aangezien verdachte nauwelijks legale inkomsten heeft, moet dit gebeurd zijn met illegale inkomsten.

Het feit dat verdachte langere tijd de beschikking had over illegale inkomsten is eveneens een aanwijzing voor de juistheid van de verklaring van [betrokkene 8] voor zover hij heeft verklaard over de jarenlange exploitatie van grote hennepkwekerijen door verdachte.

Het kweken van hennep, de daarmee gepaard gaande misdrijven (diefstal van energie) en de daaruit voorvloeiende misdrijven (witwassen) vonden plaats binnen het kader van een criminele organisatie waarbinnen verdachte een prominente rol had, zoals blijkt uit de verklaring van [betrokkene 8] en de grote bedragen waarover verdachte de beschikking had. Verdachte hield zich onder meer bezig met het regelen van panden voor de hennepteelt zoals kan worden afgeleid uit de verklaring van [betrokkene 8] en het feit dat er in de woning van verdachte informatie werd gevonden over verschillende (vrijstaande) huurwoningen.

De verdiensten werden door verdachte witgewassen via het bedrijf [B] dat hem elke maand in de vorm van een ‘salaris’ een bedrag uitkeerde en via het doen van contante aankopen, waaronder voertuigen.”

Het eerste middel

9. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verweer van de verdediging dat – kort samengevat – inhoudt dat de in de woning aan de [f-straat 1] in [plaats 7] aangetroffen stukken, bescheiden en voorwerpen niet redengevend kunnen zijn voor het bewijs van het bewezen verklaarde aangezien de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde niet in dit pand woonde, onvoldoende met redenen omkleed heeft verworpen.

10. Het hof heeft geen geloof gehecht aan de lezing van de verdachte, die inhoudt dat op het adres [f-straat 1] , waar een woonwagen was gevestigd, zijn vader, partner en kind woonachtig waren, maar hijzelf niet. Dat oordeel is geenszins onbegrijpelijk en leent zich niet voor een verdere toetsing in cassatie. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen dat de [getuige 1] met zijn verklaring dat de verdachte “in de grote woonwagen op het kamp woont” doelt op de woonwagen op het adres [f-straat 1] , dat de verdachte zich ten tijde van de aanhouding op dit perceel bevond en dat in dat pand administratieve bescheiden zijn aangetroffen, waaronder een koopcontract op naam van de verdachte, waaruit het hof niet onbegrijpelijk heeft afgeleid dat de verdachte in die woning zijn spullen bewaarde.

11. Het middel faalt.

Het tweede middel

12. Het tweede middel behelst allereerst de klacht dat het bewijs dat de verdachte in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11 lid 3 Opiumwet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen.

13. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezen verklaard dat hij – kort gezegd – heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van onder meer grootschalige hennepteelt in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 in Nederland. Deze bewezenverklaring is opgenomen onder 7 van deze conclusie.

14. Het middel bevat in de kern allereerst de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk en daarmee aan die organisatie heeft “deelgenomen”. De omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de teelt van hennep in het pand aan de [h-straat 1] in [plaats 6] betekent niet dat dit feit ook door de ‘organisatie’ is gepleegd en/of dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen en hij zich bewust is geweest van een organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven en daaraan heeft deelgenomen, aldus de stellers van het middel.

15. Art. 140, eerste lid, Sr luidt:

“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

16. Het middel is toegespitst op het door het hof aangenomen aandeel van de verdachte in de criminele organisatie. Voor een bewezenverklaring van ‘deelneming’ aan een criminele organisatie is vereist dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en daarnaast een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr bedoelde oogmerk.1

17. Het middel berust kennelijk op de veronderstelling dat het hof zijn oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie uitsluitend heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de teelt van hennep in het pand aan de [h-straat 1] in [plaats 6] . Die veronderstelling is onjuist. Daarmee gaat het middel uit van een te beperkte lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag. Ik wijs voorts op het volgende.

18. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (kort samengevat) beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, diefstal van stroom en witwassen. Naast de bewezen verklaarde betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij in [plaats 6] heeft het hof in aanmerking genomen dat in de woning van de verdachte aan de [f-straat 1] in [plaats 7] administratieve bescheiden zijn gevonden die in verband kunnen worden gebracht met hennepteelt op grote schaal. Daarbij heeft het hof gelet op zijn nadere bewijsoverweging het oog gehad op het aangetroffen groene notitieboekje met daarin namen, bedragen en materiaal2 en de facturen van growshop ‘ [A] ’ waar voor € 48.089,40 aan contante betalingen is gedaan.3 Ook zijn administratieve bescheiden aangetroffen met informatie over diverse (vrijstaande) huurpanden en heeft de verdachte de beschikking gehad over grote contante geldbedragen.4 Het hof heeft verder uit de verklaring van [betrokkene 8] en uit het aantreffen van informatie over vrijstaande huurwoningen in de woning van de verdachte afgeleid dat de verdachte zich onder meer bezighield met het regelen van panden voor de hennepteelt.

19. Het hof heeft voorts bewezen verklaard dat de criminele organisatie waarvan de verdachte deel uitmaakte ook gewoontewitwassen tot oogmerk had. Uit de nadere bewijsoverweging van het hof volgt ook dat bij observaties is gebleken dat de verdachte met regelmaat het autobedrijf [C] bezocht en daar ook werkzaamheden verrichtte. In dat garagebedrijf bevonden zich duurdere auto’s en speedboten die toebehoorden aan de verdachte (en zijn familie) maar die niet op zijn naam stonden.5 Bij een nader onderzoek wordt in december 2012 in het achterste gedeelte van het pand in twee verschillende ruimtes een hennepkwekerij aangetroffen. De verdachte kwam tijdens de ontmanteling van de hennepkwekerij het autobedrijf binnenlopen.6

20. Het voorafgaande brengt mee dat het oordeel van het hof dat het kweken van hennep, de daarmee gepaard gaande misdrijven (diefstal van energie) en de daaruit voortvloeiende misdrijven (witwassen) plaatsvonden in het kader van een criminele organisatie waarbinnen de verdachte een prominente rol had, en dat de verdachte zich onder meer bezig hield met het regelen van panden voor de hennepteelt niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.

21. Het middel bevat ten tweede de klacht dat het hof in het bestreden arrest bij de strafoplegging ten onrechte de exploitatie van verschillende hennepkwekerijen heeft meegewogen terwijl de verdachte slechts is veroordeeld voor het medeplegen van hennepteelt in [plaats 6] en hij ten aanzien van betrokkenheid bij andere hennepkwekerijen (impliciet) is vrijgesproken. Daarmee is art. 6, tweede lid, EVRM geschonden, althans heeft het hof gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de steller van het middel.

22. Het hof heeft onder de aanhef “Oplegging van straf en/of maatregel”, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie, het medeplegen van hennepteelt met een bedrijfsmatig karakter, het medeplegen van diefstal van stroom en gewoontewitwassen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen van grote hoeveelheden hennep. Van een verdovend middel als hennep is algemeen bekend dat het gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. De omvang van de hennepkwekerijen vergde, zowel in de voorbereiding als in de verwerking van oogsten, een professionele opzet. De organisatie - waaraan verdachte deelnam - zocht vastgoed en verschafte zich het bezit door (onder)huur daarvan, regelde inrichting, elektrische installatie en bewatering plantenstekken, voeding, groeimiddelen en alarmering. Tijdens de groei werd regelmatig gecontroleerd. Gelet op de vermogensbestanddelen van verdachte blijkt hoezeer hij heeft geprofiteerd van grote winsten die voortkomen uit de hennepteelt. Zowel uit speciaal als uit generaal preventief oogpunt dienen aan degenen die zich op zo grote schaal met hennepteelt bezighouden langdurige gevangenisstraffen te worden opgelegd. De rol van verdachte kan worden beschreven als de persoon die wat meer afstand neemt van het handwerk, maar een leidinggevende rol heeft in de organisatie van het opzetten en van hennepkwekerijen en de financiën (…).”

23. Ook deze klacht faalt. Het hof heeft in de strafmotivering meegewogen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het (medeplegen van) het opzettelijk telen van grote hoeveelheden hennep. Die overweging vindt steun in de bewezenverklaring van feit 2, waarbij ten laste van de verdachte het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen van grote aantallen hennepplanten is bewezen verklaard. Daarbij komt dat de verdachte eveneens schuldig is bevonden aan de deelneming aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had hennepteelt met een bedrijfsmatig karakter, diefstal van stroom en gewoontewitwassen.

24. In dit verband kan nog worden verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2007, NJ 2008/559. In de desbetreffende zaak was ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij had deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het meermalen telkens afleveren en vervoeren van een handelshoeveelheid cocaïne. In cassatie werd onder meer geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kon volgen dat de verdachte ‘in meerdere misdrijven heeft geparticipeerd’. De Hoge Raad oordeelde dat het middel op dat punt niet kon slagen en overwoog:7

“Het gaat immers niet erom of het opzet van de verdachte was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, doch of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het meermalen telkens afleveren en vervoeren van een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Daarom is (…) ook niet van belang dat de verdachte is vrijgesproken van betrokkenheid bij het als poging tot invoer in Nederland tenlastegelegde transport van de bedoelde partij cocaïne.”

25. Van strijd met het bepaalde in art. 6, tweede lid, EVRM dan wel met beginselen van een behoorlijke procesorde is aldus geen sprake, terwijl de bestreden uitspraak evenmin innerlijk tegenstrijdig is.

26.Het middel behelst tot slot de klacht dat het hof niet heeft beraadslaagd op grondslag van de tenlastelegging, aangezien het hof in zijn strafmotivering heeft overwogen dat de verdachte leiding heeft gegeven aan de criminele organisatie, terwijl die strafverzwarende omstandigheid niet ten laste is gelegd.

27. Het middel berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Met zijn overweging dat de verdachte een leidinggevende rol had in de organisatie van het opzetten van de hennepkwekerijen en de financiën heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte ten aanzien van het opzetten van de hennepkwekerij en de financiën een prominente rol had. Van grondslagverlating is geen sprake.

28. Het middel faalt.

29. Het derde middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

30. Namens de betrokkene is op 6 december 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 7 november 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden.8 Het middel is terecht voorgesteld.

31. Reeds gelet op het voorafgaande is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

32. Het derde middel is terecht voorgesteld. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

33. Ambtshalve heb ik geen (overige) gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, NJ 2018/73 m.nt. T. Kooijmans, rov. 3.5, HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161, NJ 2012/657 m.nt. N. Keijzer, rov. 2.3, HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21, rov. 3.5.2 en HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225, rov. 5.3.

2 De bewijsoverweging van het hof houdt in dit verband in: “Op 2 mei 2013 werd [verdachte] (1981) verhoord. Tijdens dat verhoor werd hij geconfronteerd met een aantal documenten die in beslag waren genomen in de woning aan de [f-straat 1] te Rhenen . Verdachte beriep zich op zijn zwijgrecht. De documenten zijn als bijlage toegevoegd en betroffen onder meer een Neon groen notitieboekje, memo vrouwennamen en bedragen, memo’s met namen en bedragen en materiaal (p. 261). Op p. 263, 264 en 265 staan kopieën van verschillende aantekeningen uit het notitieboekje (bijlage 1), zoals ‘500 isolatie’, ‘1.000 stek’, ‘385 knip’, 400 stek (….)”.

3 In dit verband houdt die bewijsoverweging van het hof in: “Tijdens de doorzoeking van de woonwagen [f-straat 1] Rhenen werden diverse facturen van [A] (het hof begrijp: een growshop) in beslag genomen. In totaal werd er voor € 48.089,40 aan contante betalingen gedaan. Het gaat om facturen uit de jaren 2012 en 2013 (p. 4482).”

4 Het hof heeft overwogen dat uit het persoonsdossier van de verdachte onder meer blijkt dat in de woning [f-straat 1] te Rhenen de volgende goederen in beslag werden genomen: “ Een geldbedrag van € 995, een envelop met € 8.650 (17 biljetten van € 500 en 3 biljetten van € 50), een portemonnee met daarin € 740 (1 biljet van € 500, 1 biljet van € 100, 2 biljetten van € 50 en 2 biljetten van € 20), een geldbedrag van € 2905 (5 biljetten van € 500, 2 biljetten van € 200 en 1 biljet van € 5), ING stortingsbewijzen, een kluis en administratieve bescheiden, waaronder een koopcontract op naam van [verdachte] , geboren op 29 juni 1981, wonende te Rhenen , [f-straat 1] (p. 261 en 284) en informatie over diverse (vrijstaande) huurpanden (p. 267 e.v.)”.

5 De nadere bewijsoverweging van het hof houdt onder meer in dat [betrokkene 6] heeft verklaard dat de verdachte hem heeft gevraagd om een boot op zijn naam te zetten. [betrokkene 7] heeft verklaard dat hij aan [betrokkene 4] een boot van het merk [E] met registratienummer [0001] heeft verkocht. In de woonwagen van de verdachte en [betrokkene 3] is een registratiebewijs van deze boot aangetroffen.

6 De nadere bewijsoverweging van het hof houdt hierover in: “Bij observaties is gebleken dat verdachte [verdachte] met regelmaat autobedrijf [C] , gevestigd aan de [i-straat 1] te Veenendaal bezocht en daar ook werkzaamheden verrichtte. Bij een observatieactie in het garagebedrijf werden meerdere kentekens van duurdere auto’s en speedboten genoteerd. Op 21 december 2012 werd op de [i-straat 1] te Veenendaal een nader onderzoek ingesteld. In het achterste gedeelte van het pand werden in twee verschillende ruimtes in totaal 547 hennepplanten aangetroffen. In het gedeelte waarin garagebedrijf [C] gevestigd is, was op dat moment ook verdachte [verdachte] aanwezig”. De aanvulling op het verkort arrest houdt in: “Op 21 december 2012 werd een hennepkwekerij in een loods aan de [i-straat 1] ontmanteld. Tijdens die ontmanteling kwam verdachte het autobedrijf [C] binnen lopen.”

7 HR 15 mei 2007, NJ 2008/559.

8 Op het moment van het instellen van cassatie was de verdachte niet preventief gedetineerd.