Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:915

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
17/05745
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1745
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over 1. criminele organisatie die tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep, diefstal van stroom en witwassen (art. 140 Sr) en 2. schending redelijke termijn in de cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige met toepassing van art. 81 RO. Samenhang met 15/05643, 17/05740, 18/00234 en 18/04966.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer17/05745

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. De verdachte is bij arrest van 1 december 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet alsmede het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 2. “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en vijf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. De zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (15/05643), [medeverdachte 1] (17/05740), [medeverdachte 3] (18/00234) en [medeverdachte 4] (18/04966), waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Door het hof is onder meer bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 7 februari 2011 tot en met 12 maart 2013 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep, diefstal van stroom en witwassen. Voorts heeft hij zich in de periode van 7 februari 2011 tot en met 29 januari 2013 schuldig gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt in hennepkwekerijen in Zaandam , Maarn en Heelsum .

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een aantal jaren met onder meer zijn zoons ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ), zijn broer ( [medeverdachte 1] ) en [betrokkene 10] zeer omvangrijke hennepkwekerijen heeft geëxploiteerd. De stroom voor die kwekerijen werd illegaal afgenomen. De medeverdachte [medeverdachte 3] hield zich bezig met het regelen van de panden waarin hennep kon worden gekweekt. [betrokkene 8] en [betrokkene 10] huurden panden en [betrokkene 4] kocht het pand in Zaandam . [betrokkene 8] verrichtte werkzaamheden ten aanzien van de planten in verschillende hennepkwekerijen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte verschillende malen is waargenomen bij het pand in Zaandam . Uit afgeluisterde telefoongesprekken is gebleken dat hij contact had met [betrokkene 8] , die daar de kwekerij onderhield. Nadat [betrokkene 8] na zijn aanhouding in verband met die kwekerij weer op vrije voeten was, nam hij contact op met de verdachte. Ook [betrokkene 10] was betrokken bij de kwekerij in Zaandam . [betrokkene 10] huurde voorts het pand in Maarn . In dat pand was een alarmsysteem aanwezig, waaraan het telefoonnummer van de verdachte was gekoppeld. De verdachte is ook bij de hennepkwekerij in Heelsum geweest, samen met zijn broer ( [medeverdachte 1] ). Na de ontdekking van die kwekerij zocht de eigenaar van het pand contact met de verdachte voor het maken van een afspraak. Het hof heeft tot slot vastgesteld dat de verdachte als medepleger daadwerkelijk betrokken was bij een aantal grote hennepkwekerijen. Dat hij een rol van betekenis had, heeft het hof voorts afgeleid uit de hoeveelheid contant geld die is aangetroffen in en bij zijn woning en de dure auto’s die hij tot zijn beschikking had. Om het financiële succes van de hennepkwekerijen te verhullen, werden goederen die met crimineel geld waren aangeschaft op naam van anderen gezet. Daarnaast werd gebruik gemaakt van fictieve arbeidsrelaties als witwasconstructie.

Het eerste middel

5. Het eerste middel valt, bezien in samenhang met de toelichting daarop, uiteen in verschillende deelklachten. Allereerst behelst het middel de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte als medepleger bij de hennepkwekerijen in (met name) Zaandam en Maarn betrokken is geweest. In aansluiting daarop menen de stellers van het middel dat ook de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed.

6. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezen verklaard dat:

“1. hij in de periode van februari 2011 tot en met 27 februari 2013 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of en/of verwerken en/of vervoeren en/of af leveren en/of verkopen en/of aanwezig hebben van (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zoals strafbaar gesteld in artikelen 3 onder B en/of C en/of 11 lid 2, 3 en/of 5 van de Opiumwet en

- diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 310 en/of 311 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafrecht en

- witwassen, zoals strafbaar gesteld in artikel 420 BIS/TER/QUATER van het Wetboek van Strafrecht;

2. hij in de periode van 7 februari 2011 tot en met 29 januari 2013 te Zaandam , gemeente Zaanstad , en Maarn , gemeente Utrechtse Heuvelrug , en Heelsum , gemeente Renkum , telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld, grote aantallen hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

7. Het arrest bevat bewijsoverwegingen. Het hof overweegt onder meer het volgende:

“Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat uit bovengenoemde stukken voldoende blijkt dat verdachte medepleger was het telen van hennep in de panden in Zaandam , Heelsum en Maarn .

Ten aanzien van het pand in Zaandam geldt dat verdachte daar verschillende malen is waargenomen. Verder is uit afgeluisterde telefoongesprekken gebleken dat hij met betrekking tot de kwekerij contact had met [betrokkene 8] die daar de kwekerij onderhield. Nadat [betrokkene 8] in verband met die kwekerij was aangehouden en vervolgens weer in vrijheid was gesteld, nam hij contact op met verdachte. Gelet verder op de verklaringen die [betrokkene 8] heeft afgelegd, acht het hof voldoende vaststaan dat verdachte een zodanige significante rol had, dat van medeplegen kan worden gesproken.

Een van die personen met wie verdachte in Zaandam samenwerkte, was [betrokkene 10] . [betrokkene 10] was degene die het pand in Maarn huurde. Ten aanzien van het pand in Maarn geldt dat het telefoonnummer dat bij verdachte in gebruik was gekoppeld was aan het alarmsysteem. Dat het telefoonnummer ten tijde van het in bedrijf zijn van de kwekerij in gebruik was bij een ander, is niet aannemelijk geworden. Verder is er een DNA-spoor van verdachte aangetroffen in het pand, welk pand slechts gebruikt werd voor het telen van hennep. Uit de combinatie van gegevens leidt het hof af dat ook ten aanzien van de kwekerij in Maarn , verdachte een zodanig significante rol had dat gesproken kan worden van medeplegen.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de hennepkwekerij in Heelsum . Gezien is dat verdachte daar samen met zijn broer [medeverdachte 1] is geweest. Toen de kwekerij werd opgerold, werd door de eigenaar van het pand contact opgenomen met verdachte voor het maken van een afspraak. Uit het feit dat verdachte gezien is bij het pand waar de kwekerij zich bevond en hij kennelijk het aanspreekpunt is op het moment dat het misgaat, kan worden afgeleid dat verdachte een zodanige significante rol heeft gespeeld dat van medeplegen kan worden gesproken.

Uit het bovenstaande en de eventueel later nog in de aanvulling op te nemen bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een aantal jaren met onder meer zijn zoons, zijn broer en [betrokkene 10] zeer omvangrijke hennepkwekerijen heeft geëxploiteerd. Ten aanzien van die hennepkwekerijen gold dat stroom illegaal werd afgenomen. Voor het opzetten van die hennepkwekerijen waren panden nodig, welke panden gezocht en gehuurd of gekocht dienden te worden. Uit de stukken kan worden afgeleid dat [medeverdachte 3] 1981 zich hiermee bezig hield. Vervolgens moesten er personen worden gezocht die bereid waren het pand (op naam) te huren of te kopen. [betrokkene 8] en [betrokkene 10] hebben panden gehuurd, terwijl [betrokkene 4] (op papier) het pand in Zaandam kocht. Ook moesten er personen worden gezocht die in het pand verbleven om de werkzaamheden te verrichten en te waken over de planten. [betrokkene 8] heeft dat gedaan in Zaandam en voordien in andere panden.

De hennepkwekerijen waren in financieel opzicht een succes. Er werden grote contante bedragen aangetroffen in de woningen van de verschillende deelnemers. Ook werden dure auto’s en boten door de deelnemers van de criminele organisatie aangeschaft en vervolgens op naam gezet van anderen om te verhullen dat die goederen met crimineel geld waren aangeschaft. Bovendien werd gebruik gemaakt van fictieve arbeidsrelaties als witwasconstructie.

Verdachte had niet bepaald ondergeschikte rol binnen de criminele organisatie. Hij was daadwerkelijk betrokken (in de zin van medeplegen) bij een aantal grote hennepkwekerijen. Dat hij een rol van betekenis had blijkt verder uit de hoeveelheid contant geld die is aangetroffen in en bij zijn woning en de dure auto’s die hij had.”

8. Ik begin met de bespreking van de eerste deelklacht. Deze deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger bij de hennepkwekerijen in Zaandam en Maarn betrokken is geweest. Ten aanzien van de kwekerij in Zaandam betogen de stellers van het middel dat uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 8] niet zonder meer volgt dat de verdachte als medepleger bij die hennepkwekerij is betrokken. Met name waar getuige [betrokkene 8] in het kader van de stroomvoorziening en het ophalen van de weed verklaart over “ [verdachte] ” is niet duidelijk of hij doelt op de verdachte of zijn zoon, [medeverdachte 4] , aldus de stellers van het middel.

9. In de eerste plaats merk ik op dat het hof in de bewijsconstructie de betrokkenheid van de verdachte bij de verschillende hennepkwekerijen niet geïsoleerd heeft bezien, maar acht heeft geslagen op de “combinatie van gegevens”. Het hof heeft daarmee klaarblijkelijk te kennen gegeven in aanmerking te hebben genomen dat de werkwijze bij de verschillende hennepkwekerijen op essentiële punten overeenkomt.1 Een dergelijke overeenkomst in werkwijze bij verschillende feiten kan redengevend zijn voor het bewijs van het medeplegen.2

10. Daarbij komt het volgende. Uit de bestreden uitspraak volgt dat het hof in zijn nadere bewijsoverweging is uitgegaan van de verklaringen die getuige [betrokkene 8] heeft afgelegd bij de politie. Dat stond het hof vrij, gelet op de aan de feitenrechter toekomende vrijheid van selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal. Het hof heeft voorts de inhoud van de persoonsdossiers van [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] tot het bewijs gebezigd.3 Daaruit blijkt dat [verdachte] ook wel [verdachte] wordt genoemd en dat hij de vader is van de broers [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Deze laatste wordt ook wel [medeverdachte 4] genoemd. De verklaringen van [betrokkene 8] hebben betrekking op drie verschillende hennepkwekerijen, te weten die in Barneveld , in Hilversum en in Zaandam .

11. Op 11 december 2012 werd op de locatie [h-straat 1] in Zaandam een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. [betrokkene 8] was daar op dat moment aanwezig en hij verklaarde dat hij daar woonde (aanvulling bewijsmiddelen, p. 12). In zijn bij de politie afgelegde verklaringen heeft [betrokkene 8] de gang van zaken ten aanzien van de drie kwekerijen uiteengezet.4 De kern van die gang van zaken is dat [medeverdachte 3] de ‘grote man’ achter de kwekerijen is. Hij bepaalde in welk pand [betrokkene 8] moest wonen en in opdracht van [medeverdachte 3] moest [betrokkene 8] in die panden hennep kweken. [betrokkene 8] betaalde geen huur voor de woningen. [medeverdachte 3] bracht af en toe geld. De handelingen in de kwekerijen in Hilversum en Barneveld werden verricht door medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [verdachte] , de verdachte. Zo kwamen [medeverdachte 3] en [verdachte] langs voor het regelen van de stroom. De medeverdachte [betrokkene 10] bracht voorts spullen voor de hennepkwekerij en hij heeft ook een keer hennep afgevoerd. Ook [medeverdachte 3] en [verdachte] brachten spullen en kwamen weed ophalen. In de kwekerij in Zaandam kwamen de medeverdachte [betrokkene 10] , [verdachte] en zijn zonen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ook bij [betrokkene 8] . Daarbuiten kwamen er nooit mensen in het pand. Ten aanzien van de hennepkwekerij in Zaandam blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte verschillende malen telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 8] , onder meer over het water geven van de planten. Op 9 november 2012 en 11 december 2012 is de verdachte bij de hennepkwekerij gezien. Toen [betrokkene 8] op 13 december 2012 weer in vrijheid was gesteld, zocht hij telefonisch contact met de verdachte en werd een afspraak gemaakt voor de volgende dag.

12. In het licht van de in het voorafgaande weergegeven vaststellingen van het hof, is het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van het telen van hennep in het pand in Zaandam , niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is in zoverre naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed. In zoverre faalt het middel.

13. Ten aanzien van de kwekerij in Maarn betogen de stellers van het middel dat voor een bewezenverklaring van het medeplegen van hennepteelt onvoldoende is dat in de op 9 januari 2012 aangetroffen hennepkwekerij een sms-alert systeem aanwezig was, dat was gekoppeld aan een bepaald telefoonnummer en dat een flesje Fanta is aangetroffen met celmateriaal dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte.

14. Ook in zoverre kan het middel niet slagen. Het hof heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat het ‘uit de combinatie van gegevens’ afleidt dat de verdachte ook ten aanzien van de kwekerij in Maarn een zodanig significante rol had dat gesproken kan worden van medeplegen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de kwekerij in Zaandam onder meer samenwerkte met de medeverdachte [betrokkene 10] . Ten aanzien van de hennepkwekerij in Maarn heeft het hof vervolgens vastgesteld dat deze kwekerij op 9 januari 2012 werd aangetroffen in een woning aan de [e-straat 1] en dat [betrokkene 10] de huurder was van het pand waarin deze kwekerij is aangetroffen (aanvulling bewijsmiddelen, p. 15). In het pand was een sms-alert alarmsysteem aanwezig. Daarin is een simkaart aangetroffen met daarop het telefoonnummer [telefoonnummer] als enige contact. Het hof heeft uit tapgesprekken die hebben plaatsgevonden vanaf 3 oktober 2012 afgeleid dat dit nummer in gebruik was bij de verdachte (aanvulling bewijsmiddelen, p. 15). Het hof heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het telefoonnummer ten tijde van het in bedrijf zijn van de kwekerij in gebruik was bij een ander dan de verdachte. Tot slot heeft het hof vastgesteld dat in het pand, dat slechts werd gebruikt voor hennepteelt, celmateriaal is aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte (aanvulling bewijsmiddelen, p.15).

15. Tegen deze achtergrond, waarbij het hof de feiten en omstandigheden ten aanzien van de kwekerij in Zaandam en in Maarn in hun onderling verband heeft kunnen bezien, is het in het middel bestreden oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre is de bewezenverklaring naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

16. Voor zover het middel de klacht bevat dat uit de bewijsmiddelen slechts volgt dat de verdachte een flinke periode na de inval gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] , terwijl hij heeft verklaard dat hij die telefoon in de zomer van 2012 van [betrokkene 10] heeft gekregen, geldt het volgende. In de overweging van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat het genoemde telefoonnummer ten tijde van het in bedrijf zijn van de kwekerij in gebruik was bij een ander, ligt als zijn oordeel besloten dat het hof de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig heeft geacht. Anders dan door de stellers van het middel wordt betoogd, is dat oordeel niet onbegrijpelijk, terwijl evenmin sprake is van een omkering van de bewijslast. Het middel faalt in zoverre.

17. Het middel behelst voorts de klacht dat geen sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daartoe wordt in de kern betoogd dat niet is gebleken dat de familieleden van de verdachte die (mogelijk) misdrijven hebben begaan of die misdrijven doelbewust hebben ondersteund, de in de familie bestaande gezagsverhoudingen, relaties, rolverdeling, structuur en regels doelbewust en met een zekere stelselmatigheid en bestendigheid hebben ingezet om te kunnen komen tot het plegen van deze misdrijven.

18. Art. 140, eerste lid, Sr luidt:

“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

19. Onder “een organisatie” als bedoeld in art. 140 Sr wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.5 Het is geen vereiste dat de organisatie al daadwerkelijk is toegekomen aan het plegen van misdrijven, of aan uitvoerings- of voorbereidingshandelingen daartoe. Het oogmerk om tot het plegen van misdrijven te komen is voldoende.6

20. Het hof heeft onder verwijzing naar de bewezen verklaarde betrokkenheid van de verdachte bij de verschillende hennepkwekerijen, overwogen dat de verdachte gedurende een aantal jaren met onder meer zijn zoons, zijn broer en [betrokkene 10] zeer omvangrijke hennepkwekerijen heeft geëxploiteerd. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat dit samenwerkingsverband kan worden aangemerkt als een criminele organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik er voor de volledigheid nog op dat het hof de familie [verdachte] niet vereenzelvigt met een criminele organisatie. Het hof heeft in dit verband slechts aangenomen dat een aantal leden van de familie [verdachte] deel uitmaakte van de desbetreffende organisatie.7 Dat is wat anders. Ook het oordeel dat de criminele organisatie het oogmerk tot het plegen van misdrijven had, is in het licht van de vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk.

21. Tot slot behelst het middel de klacht dat de bewijsmotivering ten aanzien van de deelname aan de criminele organisatie tekortschiet aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de hennepkwekerijen in Zaandam en Maarn . De klacht miskent dat het er in het kader van art. 140, eerste lid, Sr in zijn algemeenheid niet om gaat of het opzet van de verdachte was gericht op het plegen van misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de) organisatie gepleegde misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het telen van hennep en witwassen.8 Reeds op die grond kan het middel ook in zoverre niet slagen.

22. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

23. Het tweede middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

24. Namens de betrokkene is op 4 december 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 7 november 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.

25. Het voorafgaande brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

26. Het tweede middel is terecht voorgesteld. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, NJ 2018/84.

2 HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5370.

3 Aanvulling bewijsmiddelen p. 1 t/m 6.

4 De verklaringen van [betrokkene 8] zijn ook opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen (p. 12 en 13).

5 Vgl. HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5193, rov. 4.3 en HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008, 72, rov. 4.3.

6 Zie daarover ook J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018, p. 446.

7 Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8570 onder 6.

8 HR 15 mei 2007, NJ 2008/559.