Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:914

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/04966
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1749
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over 1. criminele organisatie die tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep, diefstal van stroom en witwassen (art. 140 Sr) en 2. schending redelijke termijn in de cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige met toepassing van art. 81 RO. Samenhang met 15/05643, 17/05740, 17/05745 en 18/00234.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/04966

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. De verdachte is bij arrest van 1 december 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet alsmede het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 3. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en 4. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. De zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (15/05643), [medeverdachte 1] (17/05740), [medeverdachte 2] (17/05745) en [medeverdachte 3] (18/00234), waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

Het gaat in deze zaak om het volgende. Door het hof is onder meer bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 7 februari 2011 tot en met 12 maart 2013 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep, diefstal van stroom en witwassen. Voorts heeft hij zich in de periode van 15 juni 2011 tot en met 21 december 2012 schuldig gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt in een hennepkwekerij in Zaandam. De opbrengsten uit de jarenlange exploitatie van grote hennepkwekerijen werden witgewassen.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte samen met zijn vader ( [medeverdachte 2] ), zijn broer ( [medeverdachte 3] ) en [betrokkene 10] de hennepkwekerij in Zaandam heeft geëxploiteerd. Door [betrokkene 8] is verklaard over eerdere hennepkwekerijen waarbij ook de verdachte, zijn broer ( [medeverdachte 3] ) en zijn vader betrokken waren. [betrokkene 10] belde ter waarschuwing de verdachte toen een andere hennepkwekerij door de politie werd ontdekt. Zowel de verdachte als zijn broer had daarnaast de beschikking over grote contante bedragen en één of meer dure auto’s. De eigenaar en huurder van het pand in Zaandam waren relaties van de verdachte en zijn broer. [betrokkene 4] was ook eigenaar van een pand aan de [i-straat] in Veenendaal. Daar zijn voertuigen aangetroffen die toebehoorden aan of in gebruik waren bij leden van de familie [verdachte] , onder wie de broer van de verdachte en zijn vader. Het hof gaat er tot slot vanuit dat de verdachte en zijn broer weliswaar ‘salaris’ ontvingen van het bedrijf [B] ( [B] ), gevestigd te Veenendaal, maar dat zij daar niet daadwerkelijk werkten. De constructie met het bedrijf duidt volgens het hof op een witwasconstructie.

Bespreking van de cassatiemiddelen

4. In cassatie zijn verschillende middelen voorgesteld. Het eerste middel bevat twee deelklachten. Allereerst bevat het middel de klacht dat de bewezenverklaring, inhoudende dat de verdachte in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijf als bedoeld in art. 11 lid 3 Opiumwet, onvoldoende met redenen is omkleed. Het middel bevat ten tweede de klacht dat het hof in het bestreden arrest bij de strafoplegging ten onrechte de exploitatie van verschillende hennepkwekerijen heeft meegewogen, terwijl de verdachte enkel is veroordeeld voor het medeplegen van hennepteelt in Zaandam. Het tweede middel heeft betrekking op de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

5. Hierna bespreek ik de desbetreffende klachten in de volgorde zoals die in de schriftuur worden gepresenteerd.

Het eerste middel

6. Het eerste middel behelst allereerst de klacht dat het bewijs dat de verdachte in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11 lid 3 Opiumwet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen.

7. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezen verklaard dat:

“1: hij in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

  • -

    het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of en/of verwerken en/of vervoeren en/of af leveren en/of verkopen en/of aanwezig hebben van (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zoals strafbaar gesteld in artikelen 3 onder B en/of C en/of 11 lid 2, 3 en/of 5 van de Opiumwet en

  • -

    diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 310 en/of 311 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    witwassen, zoals strafbaar gesteld in artikel 420 BIS/TER/QUATER van het Wetboek van Strafrecht;”

  • -

    2: hij in de periode van 15 juni 2011 tot en met 12 maart 2013 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld

grote aantallen hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;”

8. De verdachte is door het hof vrijgesproken van de ten laste gelegde betrokkenheid bij de hennepkwekerijen in Veenendaal en Leersum.

9. Het hof heeft de bewezenverklaring onder meer als volgt gemotiveerd:

“Overweging hof

Het hof gaat er vanuit dat verdachte en zijn broer weliswaar ‘salaris’ ontvingen van het bedrijf [B] , maar niet dat zij er daadwerkelijk werkten. Volgens het contract van verdachte is hij chauffeur/reiniger en werkt hij 38 uur per week. Volgens zijn eigen verklaring bij de politie doet hij het onderhoud van de auto’s en haalt hij auto’s op die kapot zijn. Ondanks dat verdachte daar dagelijks zou moeten zijn, hebben twee werknemers, die in dezelfde periode als verdachte stelt daar werkzaam waren, verklaard verdachte noch van naam, noch van gezicht te kennen. Deze personen kennen de broer van verdachte, [medeverdachte 3] 81, ook niet. Getuige [getuige 2] heeft zelfs verklaard dat beiden daar niet gewerkt hebben. Op een uitgeleverde lijst van telefoonnummers van werknemers komen de naam van verdachte en zijn broer niet voor. De broer van verdachte en verdachte zelf zijn (overdag) geobserveerd door de politie. Ook werden telefoongesprekken afgeluisterd. Door de politie is niet waargenomen dat verdachte en zijn broer werkzaamheden verrichtten voor [B] . Wel werd waargenomen dat de broer van verdachte handelde in auto’s. Het lukt verdachte niet om tijdens zijn verhoor namen van collega’s te noemen, hoewel hij toen (naar eigen zeggen) al jaren bij [B] werkte.

[betrokkene 5] , de eigenaar van [B] , heeft zich tijdens zijn verhoren bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Bij de raadsheer-commissaris heeft hij wel verklaard, onder meer over de werkzaamheden van [verdachte] . Hij heeft daarbij over de inhoud van die werkzaamheden echter anders verklaard dan [verdachte] zelf. Volgens [betrokkene 5] zouden zowel [medeverdachte 3] als [verdachte] werkzaam zijn op een locatie aan de Wiltonstraat. Op de vraag wie daar nog meer werkten heeft [betrokkene 5] de naam van [getuige 2] genoemd. [getuige 2] heeft evenwel verklaard dat zowel verdachte als zijn broer niet bij [B] hebben gewerkt in de tijd dat zij bij [B] werkte. Het hof acht de verklaring van [betrokkene 5] inhoudende dat verdachte en zijn broer [verdachte] daadwerkelijk (fulltime) bij hem gewerkt hebben in de jaren 2010 tot en met 2013 in het licht van de overige verklaringen en waarneming van de politie ongeloofwaardig.

Het hof gaat er verder vanuit dat verdachte samen met anderen (namelijk zijn vader, zijn broer en [betrokkene 10] ) de hennepkwekerij aan [de h-straat] in Zaandam heeft geëxploiteerd. Het hof acht de verklaringen van [betrokkene 8] , zoals hierboven weergegeven betrouwbaar, nu deze op onderdelen worden bevestigd door ander bewijsmateriaal en aansluiten bij andere gegevens. Op papier was [betrokkene 8] huurder en [betrokkene 4] eigenaar. Zowel [betrokkene 8] als [betrokkene 4] zijn relaties van verdachte en zijn broer. Het pand aan de [i-straat 1] in Veenendaal is eigendom van [betrokkene 4] , in welk pand verschillende voertuigen zijn aangetroffen die toebehoorden aan of in gebruik waren bij leden van de familie [verdachte] (waaronder de broer van verdachte en zijn vader). Het pand aan [de h-straat] is (op papier) verkocht aan [betrokkene 4] via (het bedrijf van) de broers [betrokkene 9 en 11] . Deze broers zijn een zakenrelatie van de broer van verdachte.

Dat [betrokkene 10] en de vader van verdachte, zoals [betrokkene 8] heeft verklaard, betrokken waren bij de hennepkwekerij in Zaandam, wordt bevestigd door hetgeen de politie via het afluisteren en observeren heeft waargenomen. Ook [betrokkene 10] en verdachte kennen elkaar. [betrokkene 10] belde verdachte toen een andere hennepkwekerij werd ontdekt door de politie om verdachte te waarschuwen.


[betrokkene 8] heeft zich zelf in zijn verklaringen niet gespaard. Hij heeft verklaard over eerdere hennepkwekerijen die hij heeft opgezet en waarbij ook verdachte, zijn broer en zijn vader betrokken waren. Eén van die hennepkwekerijen zou zich hebben bevonden in de woning aan [de j-straat] in Hilversum. In de woning waar de broer van verdachte verbleef zijn acceptgiro’s gevonden die dat adres vermelden. Ook bij die woning in Hilversum heeft de zakenrelatie van de broer van verdachte, [betrokkene 9] , een rol gespeeld. Via hem is namelijk de woning verhuurd aan [betrokkene 8] .

Tenslotte kan enige bevestiging voor de verklaring van [betrokkene 8] worden gevonden in het feit dat zowel verdachte, zijn vader als zijn broer de beschikking hadden over grote contante bedragen en één of meer dure auto’s.

In de woning van verdachte is een groot bedrag aan contant geld gevonden en de constructie met het bedrijf [B] duidt op een witwasconstructie, waarbij het geld dat verdachte van [B] ontving bij wijze van salaris op enigerlei wijze aan [B] of [betrokkene 5] zal zijn gecompenseerd met illegaal verkregen inkomsten.

Het kweken van hennep, de daarmee gepaard gaande misdrijven (diefstal van energie) en de daaruit voorvloeiende misdrijven (witwassen) vonden plaats binnen het kader van een criminele organisatie waarbinnen verdachte een rol had, zoals blijkt uit de verklaring van [betrokkene 8] , het aantreffen van DNA-materiaal in de hennepkwekerij in Leersum en de grote bedragen waarover verdachte de beschikking had.”

10. Het middel bevat, bezien in samenhang met de toelichting daarop, in de kern de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk en derhalve aan die organisatie heeft “deelgenomen”. Daartoe wordt door de stellers van het middel betoogd dat de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt in Zaandam, niet betekent dat dit feit ook door die ‘organisatie’ is gepleegd, en dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen en hij zich bewust is geweest van een organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven. Daarbij nemen de stellers mede in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte bij de hennepkwekerijen een rol heeft gespeeld in de organisatie van het opzetten van de kwekerijen en de financiën.

11. Art. 140, eerste lid, Sr luidt:

“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

12. Het middel is niet gericht tegen het oordeel van het hof dat het kweken van hennep, de daarmee gepaard gaande misdrijven (diefstal van energie) en de daaruit voortvloeiende misdrijven (witwassen) hebben plaatsgevonden in het kader van een criminele organisatie. Voorts wordt niet geklaagd over het (impliciete) oordeel van het hof dat die criminele organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.1 Ik laat een bespreking van deze bestanddelen daarom achterwege. Het middel is toegespitst op het door het hof aangenomen aandeel van de verdachte in de criminele organisatie. Voor een bewezenverklaring van ‘deelneming’ aan een criminele organisatie is vereist dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en daarnaast een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr bedoelde oogmerk.2

13. Het middel berust kennelijk op de veronderstelling dat het hof zijn oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie uitsluitend heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de teelt van hennep in het pand aan de [h-straat 1] in Zaandam. Die veronderstelling is onjuist. Daarmee gaat het middel uit van een te beperkte lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag. Ik wijs voorts op het volgende.

14. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (kort samengevat) beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, diefstal van stroom en witwassen. Naast de bewezen verklaarde betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij in Zaandam heeft het hof in aanmerking genomen dat in de woning van de verdachte aan de [f-straat 3] in Rhenen, net als bij zijn broer [medeverdachte 3] en zijn vader [verdachte] , grote contante geldbedragen zijn aangetroffen en de verdachte ook de beschikking had over een dure auto. Daarnaast was volgens het hof ten aanzien van de verdachte en zijn broer [medeverdachte 3] sprake van een gefingeerd dienstverband bij het bedrijf [B] . Het hof heeft daarover overwogen dat het aangetroffen grote geldbedrag en de constructie met het bedrijf [B] duidt op een witwasconstructie. Het hof heeft ten aanzien van de hennepkwekerij in Zaandam vastgesteld dat ook de vader en de broer van de verdachte daarbij betrokken waren. Tegen die achtergrond is het oordeel van het hof dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De omstandigheid dat de verdachte geen rol heeft gespeeld in de organisatie van het opzetten van de hennepkwekerijen en de financiën doet aan het voorgaande niet af. Voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het telen van hennep, diefstal en witwassen.3

15. De eerste deelklacht faalt.

16. Het middel bevat ten tweede de klacht dat het hof in het bestreden arrest bij de strafoplegging ten onrechte de exploitatie van verschillende hennepkwekerijen heeft meegewogen, terwijl de verdachte slechts is veroordeeld voor het medeplegen van hennepteelt in Zaandam en hij ten aanzien van betrokkenheid bij de andere hennepkwekerijen is vrijgesproken. Daarmee is volgens de stellers van het middel art. 6, tweede lid, EVRM geschonden, althans heeft het hof gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

17. Het hof heeft onder de aanhef “Oplegging van straf en/of maatregel”, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie, het medeplegen van hennepteelt met een bedrijfsmatig karakter, het medeplegen van diefstal van stroom en gewoontewitwassen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen van grote hoeveelheden hennep. Van een verdovend middel als hennep is algemeen bekend dat het gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. De omvang van de hennepkwekerijen vergde, zowel in de voorbereiding als in de verwerking van oogsten, een professionele opzet. De organisatie - waaraan verdachte deelnam - zocht vastgoed en verschafte zich het bezit door (onder)huur daarvan, regelde inrichting, elektrische installatie en bewatering plantenstekken, voeding, groeimiddelen en alarmering. Tijdens de groei werd regelmatig gecontroleerd. Gelet op de vermogensbestanddelen van verdachte blijkt hoezeer hij heeft geprofiteerd van grote winsten die voortkomen uit de hennepteelt. Zowel uit speciaal als uit generaal preventief oogpunt dienen aan degenen die zich op zo grote schaal met hennepteelt bezighouden langdurige gevangenisstraffen te worden opgelegd.
(…)”

18. Ook deze klacht faalt. Het hof heeft in de strafmotivering meegewogen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het (medeplegen van) het opzettelijk telen van grote hoeveelheden hennep. Die overweging vindt steun in de bewezenverklaring van feit 2, waarbij ten laste van de verdachte het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen van grote aantallen hennepplanten is bewezen verklaard. Daarbij komt dat de verdachte eveneens schuldig is bevonden aan de deelneming aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had hennepteelt met een bedrijfsmatig karakter, diefstal van stroom en gewoontewitwassen.

19. In dit verband kan nog worden verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2007, NJ 2008/559. In de desbetreffende zaak was ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij had deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het meermalen telkens afleveren en vervoeren van een handelshoeveelheid cocaïne. In cassatie werd onder meer geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kon volgen dat de verdachte ‘in meerdere misdrijven heeft geparticipeerd’ en dat uit de bewijsmiddelen slechts zou volgen dat de verdachte ‘enkel betrokken is bij en opzet heeft op het laatste gedeelte’ van het uit die bewijsmiddelen blijkende transport van een partij cocaïne. De Hoge Raad oordeelde dat het middel op dat punt niet kon slagen en overwoog:4

“Het gaat immers niet erom of het opzet van de verdachte was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, doch of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het meermalen telkens afleveren en vervoeren van een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Daarom is (…) ook niet van belang dat de verdachte is vrijgesproken van betrokkenheid bij het als poging tot invoer in Nederland tenlastegelegde transport van de bedoelde partij cocaïne.”

20. Van strijd met het bepaalde in art. 6, tweede lid, EVRM dan wel met beginselen van een behoorlijke procesorde is aldus geen sprake, terwijl de bestreden uitspraak evenmin innerlijk tegenstrijdig is. Het middel faalt.

Het tweede middel

21. Het tweede middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

22. Namens de betrokkene is op 6 december 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 7 november 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn is overschreden.

23. Reeds op grond van het voorafgaande moet worden geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

24. Het tweede middel is terecht voorgesteld. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

25. Ambtshalve heb ik geen (overige) gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor de uitleg van deze bestanddelen uitgebreider J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018: p. 445-448.

2 Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, NJ 2018/73 m.nt. T. Kooijmans, rov. 3.5, HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161, NJ 2012/657 m.nt. N. Keijzer, rov. 2.3, HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21, rov. 3.5.2 en HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225, rov. 5.3.

3 HR 15 mei 2007, NJ 2008/559.

4 HR 15 mei 2007, NJ 2008/559.