Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:912

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
15/05643
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1741
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over 1. criminele organisatie die tot oogmerk had het bedrijfsmatig telen van hennep en diefstal van stroom (art. 140 Sr) en 2. schending redelijke termijn in de cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige met toepassing van art. 81 RO. Samenhang met 17/05740, 17/05745, 18/00234 en 18/04966.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 15/05643

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. De verdachte is bij arrest van 4 december 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet, alsmede het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. De zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (17/05740), [medeverdachte 2] (17/05745), [medeverdachte 3] (18/00234) en [medeverdachte 4] (18/04966), waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.J. Bussink, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Bespreking van de cassatiemiddelen

4. In cassatie zijn verschillende middelen geformuleerd. Het eerste middel bevat in de kern de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr. Het tweede middel heeft betrekking op overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

Het eerste middel

5. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, aangezien uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte in die periode behoorde tot het samenwerkingsverband en een aandeel had in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr bedoelde oogmerk, dan wel deze gedragingen heeft ondersteund.

6. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk
- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zoals strafbaar gesteld in artikelen 3 onder B en/of C en of 11 lid 2, 3 en/of 5 van de Opiumwet en
- diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 310 en/of 311 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafrecht;

2. hij in de periode van 1 november 2012 tot en met 22 januari 2013 te Veenendaal , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;”

7. De bewezenverklaring berust op 84 bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest.

8. De bestreden uitspraak bevat de volgende overweging ten aanzien van het bewijs:

“De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie, zoals tenlastegelegd onder feit 1 en medeplegen van hennepteelt met betrekking tot de kwekerij aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats 1] . Hij heeft hiertoe -kort gezegd- aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen enkel af te leiden valt dat een huurcontract op naam van verdachte stond terwijl hij nooit bij het pand is gezien. Dit is onvoldoende bewijs voor betrokkenheid als medepleger bij hennepteelt. Er is volgens de raadsman onvoldoende bewijs voorhanden waaruit een wezenlijk aandeel van verdachte blijkt in de criminele organisatie. Indien het hof betrokkenheid bij kwekerijen wel bewezen acht is deze betrokkenheid zo marginaal dat niet gezegd kan worden dat verdachte onderdeel is van de criminele organisatie. Er zijn tot slot geen aanwijzingen dat verdachte inkomsten heeft genoten uit criminele activiteiten.

(…)

Het hof is van oordeel dat het gevoerde verweer wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

Anders dan de raadsman aanvoert is de huurovereenkomst van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats 1] niet het enige bewijsmiddel dat ondersteuning biedt aan de tenlastegelegde betrokkenheid van verdachte bij de kwekerij. [getuige 3] heeft op 28 januari 2013 verklaard dat hij de woning per 1 november 2012 verhuurt aan verdachte. [getuige 3] wist dat verdachte een hennepkwekerij wilde opzetten. Hij heeft verdachte geholpen met het sjouwen van dozen, aluminium platen en hout. Tot slot wordt op 22 januari 2013, de dag dat de hennepkwekerij door de politie wordt ontmanteld, gebeld tussen [getuige 3] en [medeverdachte 3] (geboren in 1984). [getuige 3] merkt op dat ‘alles gepakt is’ en zegt tegen [medeverdachte 3] dat hij ‘ [verdachte] maar even moet bellen’. Uit die bewijsmiddelen leidt het hof niet alleen af dat verdachte wetenschap had van de hennepkwekerij, maar ook - nu hij de huurder van het pand was - dat hij (met een ander of anderen) zeggenschap had over hetgeen zich in die woning bevond, zoals de hennepkwekerij. Gelet hierop is het hof van oordeel dat verdachte (samen met een ander of anderen) hennepplanten aanwezig heeft gehad.

Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat er sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meer personen, welk samenwerkingsverband was gericht op het plegen van misdrijven in verband met grootschalige hennepteelt en dat verdachte tot dat samenwerkingsverband behoorde en er zijn aandeel in had. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het aandeel van verdachte zodanig substantieel is dat gesproken kan worden van deelname aan de criminele organisatie. Dat aandeel blijkt onder meer uit het volgende:

- Bij de hennepkwekerij die is aangetroffen in de op naam van verdachte gehuurde woning aan de [a-straat 1] te [plaats 1] , blijken (behalve verdachte) ook betrokken: [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ) en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] 1984). Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat deze twee personen eveneens betrokken zijn bij andere hennepkwekerijen, waaronder de hennepkwekerij die op 27 februari 2013 in het pand aan de [b-straat 1] te [plaats 2] werd aangetroffen. De hennepkwekerij is aangetroffen op de zolder van dat pand en op dezelfde zolder is een peuk gevonden met daarop DNA-materiaal dat overeenkwam met dat van verdachte. Het hof leidt hieruit af dat verdachte ook enigerlei wijze betrokken is geweest bij die hennepkwekerij (zij het dat het hof niet bekend is wat die betrokkenheid precies heeft ingehouden). In verband met het aandeel van de verdachte zijn ook nog de volgende getapte telefoongesprekken van belang:

- Op 4 december 2012 belt verdachte met een onbekend gebleven man en vraagt verdachte of de man bekend is met het nummer van de zaak van [betrokkene 1] . De man zegt dat [medeverdachte 3] dat nummer wel heeft. Verdachte vraagt dan naar het adres en zegt ‘ [c-straat] ’. De onbekend gebleven man zegt: ‘Ja [c-straat] (p. 3769). Door verbalisanten wordt opgemerkt dat er aan de [c-straat 1] in Amersfoort een growshop zit met de naam ‘ [A] ’. Manager is [betrokkene 1] (p. 3770).

- Op 29 november 2012 is er een telefoongesprek tussen verdachte en [betrokkene 2] , waarin [betrokkene 2] tegen verdachte zegt dat hij moet kijken of hij 10 zakken cocos mee kan krijgen en dat verdachte dat dan maar op de bon moet laten zetten (p.

3773).

- Dezelfde dag, maar anderhalf uur later is er opnieuw contact tussen verdachte en [betrokkene 2] . Verdachte vraagt aan [betrokkene 2] ‘tien keer cocos of die andere’?

[betrokkene 2] zegt dat wat verdachte zegt goed is. Tijdens dat gesprek straalt de telefoon van verdachte de mast aan op de [d-straat] in [plaats 3] (p. 3774).

- Op 26 december 2012 belt [betrokkene 2] met verdachte en zegt hem dat verdachte de volgende dag om 2 uur in [plaats 3] moet zijn (p. 3775).

- Op 27 december 2012 is er een telefoongesprek tussen [betrokkene 2] en verdachte. [betrokkene 2] zegt dat de doosjes morgen wordt, maar dat hij de andere wel kan pakken. [betrokkene 2] zegt ‘twee van Thileen en twee van op de gele slang’ (p. 3776).

- Op 27 december 2012 is er een gesprek tussen [medeverdachte 3] (1984) en zijn vrouw. [medeverdachte 3] zegt dat hij bij zijn moeder is en zegt dat [verdachte] (het hof begrijpt verdachte) zo langs komt. [medeverdachte 3] vraagt zijn vrouw of ze [verdachte] 1500 euro door het raam wil geven.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het oogmerk van de organisatie waartoe verdachte behoorde ook zag op het witwassen.

(…)”

9. De verdachte is vrijgesproken van het (mede)plegen van (onder meer) hennepteelt ten aanzien van de hennepkwekerijen die zijn aangetroffen op het adres [e-straat 1] in [plaats 4] en [b-straat 1] in [plaats 2] . Het hof heeft daarover het volgende overwogen:

“Met betrekking tot zaaksdossier 2: [e-straat 1] te [plaats 4] en zaaksdossier 9: [b-straat 1] te [plaats 2]

Volgens de advocaat-generaal is voor beide kwekerijen voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. De peuken met het DNA zijn aangetroffen op plaatsen waar de woning in gebruik was voor hennepteelt. Verdachte geeft geen enkele aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA aldaar. Betrokkenheid bij andere kwekerijen kan naar de mening van het openbaar ministerie als schakelbewijs dienen voor elke afzonderlijke kwekerij.

Evenals de rechtbank heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte betrokken is geweest bij de hennepkwekerijen aan [e-straat 1] te Maarn en [b-straat 1] te [plaats 2] , zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken, zoals ook bepleit door de raadsman.

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij nooit in de woning aan [e-straat 1] te Maarn is geweest en ontkent elke betrokkenheid bij de aldaar op 9 januari 2012 aangetroffen kwekerij. Hetzelfde geldt voor de hennepkwekerij in de woning in [b-straat 1] te [plaats 2] . De voorhanden zijnde bewijsmiddelen voor beide kwekerijen, het DNA van verdachte op een respectievelijk in de asbak van de keuken ( [plaats 4] ) en op de zoldervloer ( [plaats 2] ) aangetroffen sigarettenpeuk plaatsen verdachte hooguit op enig moment in de ‘woning’. Uit die bewijsmiddelen kan naar het oordeel van het hof echter onvoldoende worden afgeleid - ook niet in samenhang met de bewijsmiddelen ten aanzien van andere hennepkwekerijen - welke rol de verdachte heeft gespeeld ten aanzien van de hennepkwekerijen in Maarn en Nijmegen . In ieder geval is uit die bewijsmiddelen niet gebleken dat de rol van de verdachte zodanig was dat gesproken kan worden van plegen dan wel medeplegen ten aanzien van de gedragingen, zoals tenlastegelegd onder feit 2.”

10. Art. 140, eerste lid, Sr luidt:

“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

11. Het middel is niet gericht tegen het oordeel van het hof dat het telen van hennep en de diefstal van stroom hebben plaatsgevonden in het kader van een criminele organisatie. Voorts wordt niet geklaagd over het (impliciete) oordeel van het hof dat die criminele organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.1 Ik laat een bespreking van deze bestanddelen daarom verder rusten. Het middel is toegespitst op het door het hof aangenomen aandeel van de verdachte in de criminele organisatie. Voor een bewezenverklaring van ‘deelneming’ aan een criminele organisatie is vereist dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en daarnaast een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr bedoelde oogmerk.2

12. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging overwogen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat – kort gezegd – sprake is geweest van een criminele organisatie die was gericht op het plegen van misdrijven in verband met grootschalige hennepteelt en dat de verdachte tot deze organisatie behoorde en daar zijn aandeel in had. Naar het oordeel van het hof was het aandeel van de verdachte zodanig substantieel dat gesproken kan worden van deelname aan een criminele organisatie. Tegen dit oordeel van het hof richt het middel zich.

13. Daartoe wordt allereerst aangevoerd dat de overweging van het hof dat uit het aantreffen van een sigarettenpeuk met celmateriaal waarvan het DNA matcht met het DNA-profiel van de verdachte in de hennepkwekerij in de woning aan de [b-straat] te [plaats 2] kan worden afgeleid dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij die hennepkwekerij, onbegrijpelijk is. De steller van het middel wijst erop dat het hof van oordeel is dat de rol van de verdachte bij de kwekerij aan de Zwanenveld heeft bijgedragen aan het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie, terwijl het hof daarentegen ook – in het kader van de vrijspraak van het (mede)plegen - heeft overwogen dat de rol van de verdachte bij deze hennepkwekerij niet helder is geworden. Uit de inhoud van de tapgesprekken kan evenmin worden afgeleid dat die betrekking hebben op het plegen of ondersteunen van strafbare feiten, aldus de steller van het middel.

14. De beide deelklachten kunnen niet slagen. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het (mede)plegen van onder meer het telen van hennep in de hennepkwekerijen in Maarn en Nijmegen . Tegen deze vrijspraak is het cassatieberoep niet gericht, waardoor de onderliggende overwegingen niet aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onderworpen.3 Daarbij komt dat het hof niet heeft overwogen dat de verdachte niet betrokken zou zijn bij de hennepkwekerij, maar dat de (precieze) rol van de verdachte niet kan worden vastgesteld. Die overweging laat onverlet dat het hof op grond van de uitkomsten van het DNA-onderzoek heeft kunnen aannemen dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij die hennepkwekerij. Daarnaast heeft het hof overwogen dat bij de hennepkwekerij in [plaats 1] ook de medeverdachten [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ) en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) waren betrokken en dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat zij tevens bij de kwekerij in Nijmegen betrokken waren.

15. De omstandigheden die het hof in aanmerking neemt bij de motivering van zijn oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie moeten voorts in hun onderlinge samenhang worden bezien. De tapgesprekken waarnaar het hof verwijst houden immers in dat [betrokkene 2] op 29 november 2012 tegen de verdachte zegt dat hij moet kijken of hij ’10 zakken cocos’ mee kan krijgen en de verdachte [betrokkene 2] anderhalf uur later belt met de vraag ‘tien keer cocos of die andere?’, waarbij zijn telefoon de mast aanstraalt op de [d-straat] in Amersfoort . Die weg ligt vlakbij4 de [c-straat] . Daaraan voeg ik nog toe dat uit bewijsmiddel 1 blijkt dat in de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] te [plaats 1] hennepplanten stonden en de plantenbakken waren gevuld met kokos. De ‘zaak van [betrokkene 1] ’ uit het tapgesprek van 4 december 2012 betreft volgens de vaststellingen van het hof een growshop met de naam ‘ [A] ’, waar [betrokkene 1] de manager is. De growshop is gevestigd aan de [c-straat 1] in Amersfoort . Eind december 2012 vinden er tussen de verdachte en [betrokkene 2] gesprekken plaats waarin de verdachte is verteld dat hij naar [plaats 3] moest gaan en ‘twee van Thileen en twee van op de gele slang’ kon pakken. Op 27 december 2012 vraagt [medeverdachte 3] zijn vrouw om aan de verdachte 1500 euro te geven.

16. Mede gelet op de door het hof vastgestelde betrokkenheid van [betrokkene 2] en [medeverdachte 3] bij onder meer de hennepkwekerijen in Veenendaal en in Nijmegen , kan, anders dan de steller van het middel wil, niet worden gezegd dat het oordeel van het hof dat de inhoud van de gevoerde tapgesprekken betrekking heeft op het plegen of ondersteunen van strafbare feiten onbegrijpelijk is. In de bestreden uitspraak ligt besloten dat de verdachte met zijn gedragingen het gevaar van verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie daadwerkelijk heeft vergroot.5 Dat oordeel is in het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

17. Tot slot bevat het middel de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte gedurende de periode van 7 februari 2011 tot en met 27 februari 2013 een bijdrage heeft geleverd aan de criminele organisatie. Daartoe wordt aangevoerd dat de redengevende contacten hebben plaatsgevonden in de periode tussen 29 november 2012 en 27 december 2012. Ten tweede is volgens de steller van het middel uit de bewijsmiddelen niet af te leiden dat de organisatie zich gedurende de gehele bewezen verklaarde periode bezighield met hennepteelt en diefstal van elektriciteit.

18. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat een bewezenverklaring, inhoudende dat de verdachte in een bepaalde periode een feit heeft gepleegd, meebrengt dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht. Die opvatting is onjuist.6 Daarop strandt het middel. Vereist is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte in de bewezen verklaarde pleegperiode de daarin genoemde handelingen heeft verricht en niet dat de verdachte zich gedurende de gehele periode schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Aan dit vereiste voldoet de bestreden uitspraak. De bewezenverklaring is naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

19. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

20. Het tweede middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

21. Namens de betrokkene is op 7 december 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 7 november 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden ruimschoots is overschreden. De Hoge Raad zal voorts uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken.

22. Het voorafgaande brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

23. Het tweede middel is terecht voorgesteld. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

24. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor de uitleg van deze bestanddelen uitgebreider J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018: p. 445-448.

2 Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, NJ 2018/73 m.nt. T. Kooijmans, rov. 3.5, HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161, NJ 2012/657 m.nt. N. Keijzer, rov. 2.3, HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21, rov. 3.5.2 en HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225, rov. 5.3. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442, m.nt. Corstens.

3 Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010/117 m.nt. N. Keijzer.

4 Een korte blik op Google maps leert dat de afstand tussen de [c-straat] in [plaats 3] en de [d-straat] in [plaats 3] 450 meter betreft.

5 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018: p. 447. Vgl. ook de annotatie van Keijzer bij HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658 onder 4 en A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie. Een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr, Nijmegen: WLP, p. 54-55.

6 Vgl. onder meer HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, NJ 2002,536 (rov. 3.4), HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 m.nt. Corstens (rov. 6.1 en 10.2), HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425 (rov. 8.1), HR 11 november 1986, NJ 1987, 536 (rov. 7.3).