Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:901

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
18/05228
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag, beslag ex art. 1:37.1 Algemene douanewet (Adw) op personenauto met verborgen compartiment. 1. Klacht dat geen sprake is van een ‘vervoermiddel, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken’ a.b.i. art. 1.37.1 Adw. 2. Ongegrondverklaring klaagschrift en afwijzing geldelijke tegemoetkoming, art. 33c.2 Sr. De rechtbank heeft bij haar oordeel dat de klaagster door het aan de Staat vervallen van de auto niet onevenredig is getroffen betrokken dat naast het beslag van de Douane, ook klassiek en conservatoir beslag op grond van art. 94 en 94a Sv op de auto is gelegd. Dit oordeel draagt de ongegrondverklaring van het klaagschrift en de afwijzing van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming zelfstandig. Het advies van de AG aan de Hoge Raad is het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05228

Zitting 1 oktober 2019

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de klaagster.

1 Inleiding

1.1

De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 4 december 2018 het namens de klaagster ingediende klaagschrift ex art. 1:37 Algemene Douanewet (Adw) ongegrond verklaard.

1.2

Tegen deze beschikking is namens de klaagster cassatieberoep ingesteld en mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2 Procesgang

2.1

Blijkens de stukken die op de voet van art. 447 lid 2 Sv aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden, gaat het in de onderhavige zaak om het volgende.

(i) Op 9 juli 2018 is de personenauto van klaagster (van het merk Volkswagen, type Golf) in het kader van een witwasonderzoek onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen. Bij de doorzoeking van de auto is door de politie geconstateerd dat ter hoogte van de bijrijdersstoel, bij het voetencompartiment in de linkerhoek tegen het middenconsole, een stuk foam was weggesneden. Daardoor was toegang ontstaan tot een lege/verborgen ruimte waar zaken in verborgen kunnen worden.

(ii) Vervolgens is door de Douane op grond van art. 1:37 lid 1 Adw eveneens beslag gelegd op de personenauto. Het onderzoek van de Douane houdt naast het hiervoor onder i) genoemde in dat de vloerbedekking was losgemaakt zodat de vloerbedekking makkelijk te verwijderen is. Daaronder is een deel van het isolatiemateriaal uitgezaagd/gesneden. Door het terugleggen van de vloerbedekking werd de aangetroffen ruimte afgesloten.

(iii) Op 5 september 2018 is namens de klaagster een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag op de personenauto en tot teruggave aan klaagster. Daarnaast is verzocht een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen op grond van art. 33c Sr.

(iv) De rechtbank heeft het klaagschrift op 20 november 2018 in raadkamer behandeld, op 4 december 2018 ongegrond verklaard en het verzoek tot een geldelijke tegemoetkoming afgewezen.

3 Het eerste middel

3.1

Het eerste middel behelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de inbeslaggenomen auto een vervoermiddel is dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.

3.2

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het klaagschrift ex artikel 1:37, vijfde lid, van de Algemene Douanewet (ADW) van:

[klaagster] ,

(…)

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 5 september 2018 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekkende tot teruggave van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) aan klaagster.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De rechtbank heeft dit beklag op 20 november 2018 in raadkamer behandeld.

Klaagster, bijgestaan door mr. K. Canatan, is in raadkamer gehoord.

Belanghebbende [betrokkene 1] is in raadkamer gehoord.

Namens de Inspecteur van de Belastingdienst/Douane is [betrokkene 2] in raadkamer gehoord.

Beoordeling van het beklag

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het beklag.

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

De standpunten in raadkamer

(…)

Ten aanzien van het klaagschrift heeft de raadsman primair aangevoerd dat er geen sprake is van een geheim compartiment. Subsidiair is er geen sprake van een compartiment als bedoeld in de ADW, nu de ADW zich richt op smokkel over landsgrenzen. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om een geldelijke tegemoetkoming, nu klaagster geen wetenschap heeft gehad van het compartiment. De huidige waarde van de auto is geschat op € 14.000,-. Ten slotte heeft de raadsman verzocht ook de teruggave te gelasten in geval van gegrondverklaring, ongeacht de strafrechtelijke beslagen.

Klaagster heeft in raadkamer verklaard dat zij geen wetenschap heeft gehad van het verborgen compartiment en dat zij niet weet hoe het compartiment is aangebracht.

[betrokkene 2] heeft in raadkamer opgemerkt dat in andere procedures op grond van artikel 1:37 lid 5 ADW de beslagene, in dit geval [betrokkene 1] , tevens belanghebbende was. Voorts heeft zij in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag en daartoe het volgende aangevoerd. Het betreft een feitelijk beoordeling of er sprake is van een geheime bergplaats. De ambtenaren die de auto hebben onderzocht zijn erg ervaren. In dit geval is een wijziging is aangebracht in een reguliere auto en daarmee is een ruimte ontstaan om goederen aan het toezicht te onttrekken. Dat maakt dat de gevonden ruimte een verborgen ruimte is. Voor de toepassing van artikel 1:37 ADW is het niet noodzakelijk dat er daadwerkelijk iets gevonden wordt in de ruimte. Ten aanzien van de geldelijke tegemoetkoming blijkt uit www.autotrack.nl dat soortgelijke auto’s een dagwaarde van € 7.000,- hebben. De Douane is bereid om de auto terug te geven indien er geen strafrechtelijk beslag meer ligt en de auto in de origineel staat wordt teruggebracht.

De belanghebbende heeft in raadkamer verklaard dat klaagster aan hem heeft verteld dat zij wist van het verborgen compartiment in de auto.

Overwegingen van de rechtbank

(…)

Het beklag

De rechtbank dient het beklag te beoordelen aan de hand van het criterium of de auto kan worden aangemerkt als “een vervoermiddel, dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken”.

Uit het proces-verbaal doorzoeking Volkswagen Golf zwart, kenteken [kenteken] , proces- verbaalnummer 620 (p. 1539-1540), blijkt dat de auto op 10 juli 2018 is doorzocht door een verbalisant van de politie Eenheid Den Haan1 en twee buitengewoon opsporingsambtenaren van de Douane Amsterdam, werkzaam als specialisten op het gebied van verborgen ruimtes in vervoersmiddelen. Tijdens deze doorzoeking bleek dat er ter hoogte van de bijrijdersstoel, bij het voetencompartiment, een stuk foam weggesneden was. Uit het rapport Artikel 1:37 Algemene Douanewet blijkt de ruimte geen ander doel kan dienen dan het onttrekken aan het ambtelijk toezicht van voorwerpen die zich in die ruimte zouden bevinden, gelet op de kwaliteit van de afwerking. Inspecteur [betrokkene 2] heeft in raadkamer toegelicht dat het een verborgen bergplaats betreft. Er is namelijk sprake van een wijziging in de originele staat van de auto. Hierdoor is de ruimte ingericht om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.

Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat de auto kan worden aangemerkt als een vervoermiddel in de zin van artikel 1:37 ADW dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.”

3.3

In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het enkele feit dat een voertuig beschikt over een verborgen bergplaats niet zonder meer met zich meebrengt dat het doel daarvan is gericht op het onttrekken van goederen aan het ambtelijk toezicht zoals bedoeld in de Adw. Met een beroep op art. 1:1 Adw in verbinding met art. 1 Douanewetboek van Unie wordt aangevoerd dat het weliswaar mogelijk is om goederen te verbergen in zo’n compartiment, maar het behoeft nadere motivering waarom een auto die in Den Haag is inbeslaggenomen, bestemd zou zijn voor grensoverschrijdend vervoer buiten de Europese Unie, aangezien de Adw daar op grond van de genoemde bepalingen kennelijk op ziet.

3.4

In onderhavige zaak is de inbeslagneming gebaseerd op art. 1:37 lid 1 Adw Deze bepaling luidt:

“Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 1:27, eerste lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een van de hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.”

3.5

Het middel – bezien in samenhang met hetgeen namens klaagster bij de behandeling van het beklag door de rechtbank is aangevoerd – strekt er kennelijk toe te betogen dat voor inbeslagneming van een vervoermiddel op grond van art. 1:37 lid 1 Adw is vereist dat komt vast te staan dat de auto zou worden gebruikt voor de smokkel van goederen over landsgrenzen.

3.6

Mijn ambtgenoot Knigge schreef in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:36322 over art. 1:37 Adw onder meer het volgende:3

“Art. 1:37 Adw is de indirecte voortzetting van het bij Wet van 19 juli 1934, Stb. 403 in de Wet van 4 april 1870, Stb. 61 ingevoegde art. 10bis. De steller van het middel citeert de MvT, waarin gesteld wordt dat uitbreiding van bevoegdheden nodig is om de toegenomen “grensfraude”, die “nog geen teekenen van vermindering” vertoont, in bedwang te houden. Een van de problemen waartegen het wetsvoorstel zich keerde, was dat de automobielen die de smokkelaars gebruiken, in een aantal gevallen zijn toegerust “met middelen van afweer tegen de den ambtenaren ten dienste staande dwangmiddelen”. Dergelijke voertuigen moesten onmiddellijk “aangehaald” (in beslag genomen) kunnen worden, ook als er op dat moment niet mee wordt gesmokkeld. Er was geen gegronde reden waarom de overheid in zo’n geval “zou moeten wachten tot het oogenblik dat met het voertuig een strafbaar feit wordt gepleegd”. “Hetzelfde geldt trouwens”, zo vervolgt de MvT, “van voertuigen, die tot het verbergen van goederen zijn ingericht, bij voorbeeld door geheime bergplaatsen in de benzine-reservoirs, achter de zittingen of in den kap e.d. en in het algemeen van alle voorwerpen, die tot het eene of andere doel kunnen dienen”.

3.7

Uit de memorie van toelichting op het in 1934 ingevoegde art. 10bis volgt dat voor inbeslagneming niet is vereist dat moet worden afgewacht tot het moment dat met het voertuig waarin bijvoorbeeld een geheime bergplaats is aangebracht, een strafbaar feit wordt gepleegd.4 Ook het huidige art. 1:37 Adw vereist niet dat het vervoermiddel op het moment van inbeslagneming moet worden gebruikt voor de smokkel van goederen (over landsgrenzen). Hetgeen door de steller van het middel wordt betoogd vindt dus geen steun in het recht.

3.8

Gelet op hetgeen de rechtbank ten aanzien van het in de inbeslaggenomen Volkswagen Golf aangetroffen verborgen compartiment heeft overwogen, getuigt het oordeel dat de auto kan worden aangemerkt als een vervoermiddel in de zin van art. 1:37 Adw dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

3.9

Het middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1

Het tweede middel komt op tegen de afwijzing van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming.

4.2

Ten aanzien van de geldelijke tegemoetkoming houdt de bestreden beschikking het volgende in:

“Geldelijke tegemoetkoming

Voorts heeft klaagster, indien het beklag leidt tot een ongegrondverklaring, verzocht om een geldelijke tegemoetkoming nu zij in dat geval onevenredig wordt benadeeld zonder dat haar dat is toe te rekenen.

Bij de beoordeling hiervan dient de rechtbank artikel 33c, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de draagkracht als bedoeld in artikel 24 Sr te betrekken. Uit de thans voorhanden stukken in het raadkamerdossier en het verhandelde op raadkamer is het volgende gebleken. Klaagster wordt thans verdacht van witwassen, ten aanzien waarvan ze zich tot nu toe op haar zwijgrecht heeft beroepen. In het kader van die verdenking rust, naast het beslag van de Douane, zowel klassiek beslag op grond van artikel 94 Sv als conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv op de auto. De rechtbank overweegt dat, zoals ook door de raadsman is aangedragen, klaagster bij gegrondverklaring van het onderhavige klaagschrift, de auto niet zal terugkrijgen zolang de beslagen op grond van artikel 94 en 94a Wetboek van Strafvordering nog op de auto rusten. Voorts overweegt dat de rechtbank dat uit de kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 en 94a Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de auto blijkt, dat de auto onder [betrokkene 1] in beslag is genomen. Hieruit leidt de rechtbank af dat klaagster ten tijde van de inbeslagneming feitelijk niet de beschikking had over de auto. Klaagster heeft ter onderbouwing van haar verzoek om een geldelijke tegemoetkoming slechts verwezen naar de dagwaarde van de auto en ze heeft geen aandacht besteed aan de hiervoor genoemde omstandigheden. Ze heeft evenmin iets verklaard over haar draagkracht.

In het licht van al deze omstandigheden acht de rechtbank dat klaagster door het aan de Staat vervallen van de auto niet onevenredig is getroffen en zal de rechtbank het verzoek tot een geldelijke tegemoetkoming afwijzen.

4.3

Ten aanzien van dit verzoek houdt het proces-verbaal van de terechtzitting van de enkelvoudige raadkamer in strafzaken van 20 november 2018 het volgende in:

“De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

Ik verwijs naar het klaagschrift, ik wil een paar punten maken. (…)

Meer subsidiair verzoek ik u om een geldelijke tegemoetkoming. Zonder de vaststelling dat cliënt wetenschap had van het compartiment is een schadevergoeding op zijn plaats. De huidige waarde is 14.000,- euro. Dit baseer ik op de mededeling van de verbalisant op p. 1134 van het dossier.

Het klopt dat ik indien u het klaagschrift gegrond verklaart, ook om teruggave verzoek. Ik begrijp dat er nog strafrechtelijk beslag op de auto rust. Als u het beklag nu gegrond verklaard, maar geen afgifte beveelt en de officier van justitie heft het strafrechtelijk beslag op, dan heb ik enkel een gegrond verklaard klaagschrift, maar geen bevel tot afgifte. Ik begrijp dat indien u het beklag gegrond verklaard en teruggave gelast, cliënt dan de auto niet terug krijgt, tenzij het strafrechtelijk beslag wordt opgeheven.

[betrokkene 2] voert het woord, zakelijk weergegeven:

(…)

Ten aanzien van de geldelijke tegemoetkoming blijkt uit www.autotrack.nl blijkt dat soortgelijke auto’s een dagwaarde hebben van 7.000 euro.

Ik verzoek u het klaagschrift ongegrond te verklaren. De douane is bereid de bevoegdheid gegeven in artikel 1:37 lid 8 Algemene Douanewet toe te passen indien er geen strafrechtelijk beslag meer op de auto rust. Dit kan enkel bij een ongegrond verklaard klaagschrift.

(…)

De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven:

Stel dat de rechtbank de geldelijke tegemoetkoming toekent. Dan is er sprake van vergoeding van geleden schade. Maar is er ook schade als er nog strafrechtelijk beslag ligt?

[betrokkene 2] voert het woord, zakelijk weergegeven:

De wetgeving maakt het ingewikkeld. Wij kunnen de procedure van lid 8 enkel toepassen na een ongegrondverklaring. De reparatie van het voertuig wordt geschat op 500,- euro.

De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

(…)

De geldelijke tegemoetkoming is enkel van toepassing na ongegrondverklaring, want dan vervalt de auto aan de Staat. Cliënt wilde wel meewerken met de douane en het compartiment verwijderen, maar het strafrechtelijk beslag ligt daaraan in de weg.”

4.4

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de overweging van de rechtbank dat door en namens klaagster geen aandacht is besteed aan de omstandigheden die bij de afwijzing van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming in aanmerking zijn genomen, in het licht van de stukken van het geding niet begrijpelijk is. Uit het strafdossier tegen klaagster blijkt allereerst dat zij, ten tijde van de inbeslagneming, in verzekering gesteld was, zodat zij op dat moment onmogelijk zelf de feitelijke beschikking over de auto kon hebben. Daarnaast blijkt daaruit ten aanzien van haar draagkracht dat zij over een WAO-uitkering beschikt. Tot slot heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat klaagster aandacht had moeten besteden aan de omstandigheid dat zij de auto bij gegrondverklaring niet zou terugkrijgen, vanwege een eerder gelegd beslag op grond van art. 94 en 94a Sv.

4.5

Ten aanzien van dat laatste punt wijst de steller van het middel erop dat het strafvorderlijk beslag bij een gegrondverklaring weliswaar nog van kracht blijft, maar dat dat kan worden opgeheven, al dan niet door een beslissing van de officier van justitie, een gegrond klaagschrift ex art. 552a Sv of door een last tot teruggave door de strafrechter. In geval van een onherroepelijke veroordeling tot een geldboete of bij oplegging van een ontnemingsmaatregel wordt (de opbrengst van) de auto gebruikt voor verhaal, waardoor de betalingsverplichting van klaagster wordt verminderd. Het oordeel van de rechtbank dat de klaagster niet onevenredig wordt getroffen is daarmee niet begrijpelijk.

4.6

Het gaat in de voorliggende zaak als gezegd om een klaagschrift dat is ingediend op grond van art. 1:37 Adw. Deze bepaling luidt:

“1. Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 1:27, eerste lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een van de hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.
2. Tot inbeslagneming krachtens het eerste lid zijn, behalve de inspecteur, bevoegd de bij of ingevolge artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen.

3. Van de inbeslagneming en van de gronden daartoe doet de inspecteur zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan degene op wie de inbeslagneming heeft plaatsgehad. In geval van inbeslagneming op onbekende personen geschiedt die mededeling in het openbaar volgens bij regeling van Onze Minister van Financiën te stellen regels.

4. Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan de staat, tenzij bij een rechterlijke beslissing als bedoeld in het zesde lid de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.

5. De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming heeft plaatsgehad, daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed klaagschrift indienen.

6. De rechtbank behandelt het klaagschrift op de voet van het bepaalde in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat ook de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de behandeling te worden gehoord en hem, zo hij voor de behandeling is verschenen, tijdig tevoren door de griffier schriftelijk mededeling van de dag der uitspraak wordt gedaan.

7. Artikel 552d van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

8. Onze Minister van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen de aan de staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.”

4.7

Art. 1:37 lid 6 Adw houdt in dat de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank plaatsvindt op grond van hetgeen is bepaald in art. 552b Sv. Volgens de Hoge Raad heeft dat tot gevolg dat bij handhaving van het beslag aan de rechter de bevoegdheid toekomt een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen op grond van art. 33c lid 2 Sr net als dit het geval is bij de verbeurdverklaring en de onttrekking aan het verkeer.5 Mijn voormalig ambtgenoot Fokkens merkte daarover op dat door te bepalen dat het klaagschrift wordt behandeld op de voet van art. 552b Sv, de wetgever tot uitdrukking heeft gebracht dat het vervallen aan de staat van inbeslaggenomen vervoermiddelen op grond van het bepaalde in art. 1:37 lid 4 Adw (en art. 213 lid 4 Wet op de douane (oud)) in sterke mate overeenstemt met de verbeurdverklaring op grond van de art. 33 e.v. Sr. Wanneer de rechter op het klaagschrift ex art. 1:37 lid 5 Adw (art. 213 lid 5 (oud) Wet inzake de douane) afwijzend beslist, wordt een beslissing gegeven die vergelijkbaar is met een verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.6

4.8

Art. 33c lid 2 Sr bepaalt onder meer dat de rechter een geldelijke tegemoetkoming toekent7 wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de verdachte, of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen. Bij de beoordeling van de vraag of de klaagster niet onevenredig is getroffen in de zin van art. 33c lid 2 Sr dient naast de waarde van het inbeslaggenomen vervoermiddel of voorwerp ook de draagkracht als bedoeld in art. 24 Sr te worden betrokken.8 Ook kan worden meegewogen hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen en het eventuele voordeel dat de Staat na het vervallen van het voorwerp aan de Staat met betrekking tot dat voorwerp verkrijgt, bijvoorbeeld door de verkoop (van onderdelen) daarvan.9

4.9

De rechtbank heeft in de voorliggende zaak geoordeeld dat klaagster door het aan de Staat vervallen van de auto niet onevenredig is getroffen en heeft aan haar derhalve geen geldelijke tegemoetkoming toegekend. Anders dan de steller van het middel acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, en wel om de volgende redenen.

4.10

De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat naast het beslag van de Douane, zowel klassiek als conservatoir beslag op grond van art. 94 en 94a Sv op de auto is gelegd. De overweging dat de klaagster bij gegrondverklaring van het klaagschrift dat op de voet van art. 1:37 lid 5 Adw is ingediend, de auto niet zal terugkrijgen zolang de beslagen ex. art. 94 en 94a Sv daarop nog rusten, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond van art. 1:37 lid 4 Adw vervalt de auto door de ongegrondverklaring van het beklag weliswaar aan de Staat, maar in het geval reeds voorafgaand aan het beslag op grond van art. 1:37 lid 1 Adw beslag was gelegd op de voet van art. 94 en 94a Sv, doet zich daarmee niet een situatie voor die in sterke mate overeenstemt met de verbeurdverklaring op grond van art. 33 e.v. Sr. Op dat strafvorderlijke beslag moet immers nog een beslissing worden genomen door de (hulp)officier van justitie op grond van art. 116 lid 1 Sv terwijl daarover voorts op grond van art. 552a Sv kan worden geklaagd.10 Dat betekent in de voorliggende zaak dat na het vervallen van de auto aan de Staat, er nog geen sprake is van mogelijk voordeel voor de Staat door de verkoop (van onderdelen) van de auto, aangezien van die verkoop nog geen sprake kan zijn.11

4.11

Anderzijds kan worden opgemerkt dat met het vervallen van de auto aan de Staat, gelet op het strafvorderlijke beslag, ook (nog) geen sprake is van een onevenredige benadeling van de klaagster. Het is immers niet uitgesloten dat zij de auto terugkrijgt doordat op grond van art. 116 Sv, de beklagprocedure ex art. 552a Sv12 of in de strafzaak door de strafrechter de beslissing wordt genomen de auto aan klaagster terug te geven. Als de auto in de strafzaak wel verbeurd wordt verklaard, komt art. 33c Sr (wederom) in beeld. Gelet op het voorafgaande is het niet onbegrijpelijk dat de rechtbank bij haar afwijzende beslissing heeft betrokken dat namens klaagster onder meer aan deze omstandigheid geen aandacht is besteed.

4.12

De overweging van de rechtbank dat op de auto ook nog strafvorderlijk beslag rust kan tegen de achtergrond van het voorafgaande de afwijzing van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming zelfstandig dragen. Daarbij was de rechtbank niet gehouden de draagkracht van de klaagster of de waarde van de auto bij haar beoordeling te betrekken.13 In het oordeel dat de klaagster bij gegrondverklaring van het onderhavige klaagschrift de auto niet zal terugkrijgen zolang de beslagen op grond van art. 94 en 94a Sv nog op de auto rusten ligt genoegzaam besloten dat de klaagster niet onevenredig is getroffen.

4.13

Het middel faalt.

5 Conclusie

5.1

Het eerste en tweede middel falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

5.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 AG TS: bedoeld zal zijn Den Haag.

2 Zie ECLI:NL:PHR:2014:2058 onder 7.3.

3 Met weglating van voetnoten.

4 Kamerstukken II 1933-1934, 381 nr. 3, p. 3-4.

5 HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1210, NJ 1998/863 en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:3632, rov. 5.2.

6 Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Fokkens voorafgaand aan HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1210, NJ 1998/863 onder 9.

7 Terzijde merk ik op dat de toekenning van deze tegemoetkoming in het kader van de beklagprocedure op grond van art. 1:37 Adw gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad een bevoegdheid betreft, en geen verplichting.

8 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:3632.

9 Vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156, rov. 3.4.1.

10 Daarbij wijs ik er ten overvloede op dat het namens klaagster ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift, dat zich ook bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, niet is gericht tegen de inbeslagneming onder [betrokkene 1] van de auto van klaagster en (dus) ook niet is verzocht om teruggave van de auto.

11 Door de Inspecteur van de Belastingdienst/Douane is bij de behandeling van het klaagschrift op grond van art. 1:37 Adw opgemerkt dat de Douane bereid is tot toepassing van art. 1:37 lid 8 Adw. Die bevoegdheid staat op zichzelf niet in de weg aan de toekenning van een geldelijke tegemoetkoming. Zie HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1210, NJ 1998/863 en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:3632, rov. 5.2.

12 Zie echter ook hetgeen hiervoor in voetnoot 10 is opgemerkt.

13 Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1080 onder 3.6.