Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:898

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
18/02491
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1891
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

CAG inzake doodslag IJmeer. Bewijsklachten m.b.t. het medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, art. 151 Sr. De AG geeft de Hoge Raad in overweging om het cassatieberoep te verwerpen. Samenhang met 18/02390 en 18/05374.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02491

Zitting 17 september 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 17 mei 2018 door het gerechtshof Amsterdam wegens “medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/02390 en 18/05374. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel klaagt dat het medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, dan wel dat verzuimd is uitdrukkelijk te beslissen op het verweer dat verzoeker hooguit een begunstigingsdelict heeft gepleegd welk delict niet als een uitvoeringshandeling van art. 151 Sr kan worden aangemerkt. Het arrest zou om deze redenen onvoldoende met redenen zijn omkleed.

4.1

Deze strafzaak draait om de dood van [slachtoffer] . Zijn zwaar verminkte lichaam werd op 24 februari 2009 aangetroffen in het IJmeer. Het hoofd en onderlichaam van [slachtoffer] waren van de romp gescheiden. Uit forensisch pathologisch onderzoek bleek dat het overlijden kon worden verklaard door zeker twee bij leven opgelopen steekletsels. Politieonderzoek wees uit dat het slachtoffer een Ierse criminele achtergrond had en in Nederland schuil ging onder de identiteit [...] . [slachtoffers] laatste tekenen van leven waren op 17 februari 2009, toen hij zijn vriendin naar Schiphol bracht en om 20.15 uur een sms stuurde naar een Iers telefoonnummer. Het hof is er van uitgegaan dat het slachtoffer later die avond in een woning in Rotterdam om het leven is gebracht. Deze woning stond werd formeel gehuurd door het slachtoffer, maar werd feitelijk bewoond door de verdachte. De verdachte heeft, na aanvankelijk te hebben gezwegen, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangewezen als verantwoordelijken voor de dood van [slachtoffer] én het wegmaken van diens lijk. Later heeft [verdachte] bekend ook zelf een rol gespeeld te hebben bij het wegmaken van het lichaam. De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van de ten laste gelegde moord en doodslag (zaak A) en veroordeeld voor kort gezegd het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (zaak B). Omdat het Openbaar Ministerie uiteindelijk berustte in de vrijspraak, was in hoger beroep ‘enkel’ zaak B aan de orde. Het hof heeft in die zaak bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 17 februari 2009 tot en met 23 februari 2009 te Rotterdam en/of Mijdrecht en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen, weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] te verhelen, immers hebben verdachte en zijn mededaders,

- het lijk van [slachtoffer] in stukken gedeeld en

- delen van het lijk van [slachtoffer] in plastic, een sprei, een hoeslaken, een dekbedovertrek en een handdoek gewikkeld en

- delen van het lijk van [slachtoffer] in een koffer, plastic tassen en vuilniszakken gestopt en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] verplaatst en in de achterbak van een motorvoertuig gelegd en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] naar Amsterdam vervoerd en

- voornoemde koffer, plastic tas en vuilniszak met daarin delen van het lijk van [slachtoffer] in het water gelaten.”

4.2

In het (Promis)arrest heeft het hof, voor zover van belang, het volgende opgenomen:1

Inleiding

Op 24 februari 2009 zijn lichaamsdelen van een jonge man aangetroffen in het water van het IJ-meer aan de Diemerzeedijk te Amsterdam. Het bleek te gaan om een 29-jarige Ierse man genaamd [slachtoffer] . Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] op 17 februari 2009 door messteken om het leven is gebracht in een appartement aan de [a-straat 1] te Rotterdam (hierna: het appartement in Rotterdam ) en dat, op enig moment in de daarop volgende dagen, zijn lichaam met een kettingzaag in stukken is gedeeld die vervolgens zijn verpakt en in het water van het IJ-meer te Amsterdam zijn gelaten. Aan verdachte wordt kort gezegd verweten het (met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) medeplegen van het onttrekken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aan nasporing.

Beoordelingskader

Medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële of intellectuele bijdrage van verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Redengevende feiten en omstandigheden

Verdachte heeft verklaard dat hij na de gewelddadige dood van [slachtoffer] op 17 februari 2009 een laken over diens lichaam heeft gelegd. Verdachte en zijn beide medeverdachten konden de politie niet bellen omdat zij alle drie op de vlucht waren voor de politie. Verdachte heeft tegen zijn medeverdachten gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet kon blijven in het appartement in Rotterdam . Verdachte heeft besloten om die nacht met de medeverdachten naar de woning van [slachtoffer] in Mijdrecht te vertrekken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren daar volgens verdachte nooit eerder geweest. Verdachte heeft de sleutel van de woning van [slachtoffer] in Mijdrecht van diens sleutelbos gehaald. Die sleutels zaten aan de autosleutels van [slachtoffer] . Gedrieën zijn ze in de vroege ochtend van 18 februari 2009 met twee auto’s naar Mijdrecht gereden: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Volkswagen Polo van [slachtoffer] en verdachte in zijn eigen Audi A4. Deze verklaring van [verdachte] wordt ondersteund door de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer in gebruik bij [verdachte] (* [0001] ) en het nummer dat in gebruik was bij de medeverdachten (* [0002] ). Daaruit blijkt dat deze telefoons in de late avond van 17 februari 2009 en in de vroege ochtend van 18 februari 2009 op diverse tijdstippen een zendmast in de omgeving van het appartement in Rotterdam aanstralen en zich vervolgens richting Mijdrecht verplaatsen.

Verdachte heeft verder verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld dat hij, [medeverdachte 2] , het lichaam van [slachtoffer] met een kettingzaag heeft gedeeld. Dit vindt bevestiging in het feit dat in de bemonstering van de stekker van een aangetroffen kettingzaag een DNA-mengprofiel is gevonden waarvan [medeverdachte 2] en [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk twee donoren zijn. Verder zijn er DNA-sporen van [slachtoffer] , vermoedelijk vetweefsel, op de kettingzaag aangetroffen evenals sporen van textiel die overeenkomen met de stoffen waarin de lichaamsdelen van [slachtoffer] waren gewikkeld. Op een van de textielsporen is bovendien bloed van [slachtoffer] gevonden.

Volgens [verdachte] heeft [medeverdachte 1] hem verteld dat de lichaamsdelen van [slachtoffer] zich hebben bevonden in de Volkswagen Polo van [slachtoffer] die buiten voor de woning in Mijdrecht stond geparkeerd. Verdachte is samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het appartement in Rotterdam gegaan om schoon te maken. Verdachte heeft daar bloed verwijderd. Ook is schoonmaakmateriaal zoals doeken, handschoenen en handdoeken weggegooid en voorts hebben zij persoonlijke bezittingen van [slachtoffer] en een TV meegenomen en verkocht. Deze verklaring van [verdachte] wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] die bevestigt dat hij elektronische apparatuur heeft gekocht van Engelssprekende mannen in een Audi.

In de avond van 23 februari 2009 zijn verdachte - nog steeds volgens zijn eigen verklaringen - en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit de woning van [slachtoffer] in Mijdrecht vertrokken en rondom Amsterdam gaan rijden op zoek naar een rivier om de lichaamsdelen van [slachtoffer] , die zich in de VW Polo bevonden, weg te maken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] reden in de Polo met daarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] en verdachte reed achter ze aan in zijn Audi. Terwijl de lichaamsdelen van [slachtoffer] door de medeverdachten in het water werden gelaten stond verdachte op de vluchtstrook bij een oprit van een snelweg op de uitkijk. Verdachte kon aldus de politie afleiden in geval er politie zou verschijnen. Direct na het te water laten van de lichaamsdelen van [slachtoffer] zijn verdachte en zijn medeverdachten via Frankrijk naar Engeland gereden met de Audi van verdachte, nadat de VW Polo van [slachtoffer] in Amsterdam is geparkeerd en achtergelaten.

Uit de historische verkeergegevens blijkt dat er op diverse momenten in de periode tussen 17 en 24 februari 2009 telefonisch contact is geweest tussen [verdachte] (* [0001] ) en het nummer dat in gebruik was bij de medeverdachten (* [0002] ), zo ook in de avond van 23 februari 2009. Beide nummers bevonden zich mede in de buurt van de locatie waar de stoffelijke resten van [slachtoffer] in het water zijn gebracht. Voorts valt uit die gegevens af te leiden dat de door de verdachten gebruikte telefoons op 17, 18 en 23 februari 2009 met grote regelmaat in elkaars buurt uitpeilen en overeenkomende reisbewegingen laten zien.

Beoordeling door het hof

Op grond van voornoemde en navolgende feiten en omstandigheden komt hef hof tot het oordeel dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten in de periode van 17 tot en met 23 februari 2009 erop gericht waren om gezamenlijk het lichaam van [slachtoffer] te verbergen, weg te voeren en weg te maken, dit alles met het oogmerk om het overlijden van [slachtoffer] en/of de gewelddadige doodsoorzaak te verhelen en om aan strafvervolging te ontkomen. Het hof overweegt daarbij dat alle drie de verdachten bewust niet de autoriteiten hebben ingelicht en daarmee het door artikel 151 Sr beschermde belang hebben geschonden.

Aan de overige ten laste gelegde gedragingen heeft verdachte, bezien vanuit het hiervoor omschreven vertrekpunt dat hij bewust geen melding van het overlijden en de doodsoorzaak heeft gemaakt, een materiële en intellectuele bijdrage geleverd die naar het oordeel van het hof van voldoende gewicht is om van medeplegen te spreken. Verdachte en zijn medeverdachten hebben het stoffelijk overschot van [slachtoffer] geruime tijd, zes dagen lang, verborgen gehouden. In die dagen zijn de verdachten vaak bij elkaar geweest en hebben zij in nauw (telefonisch) contact met elkaar gestaan. Het was verdachte die tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] had gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet in Rotterdam kon blijven. Verdachte heeft zijn medeverdachten de avond nadat [slachtoffer] was omgebracht meegenomen naar het appartement van [slachtoffer] in Mijdrecht , waar de medeverdachten nooit eerder waren geweest. Hij heeft aan hen de beschikking gegeven over de auto van [slachtoffer] waarin later, naar verdachte wist, de lichaamsdelen van [slachtoffer] werden verborgen en vervoerd. Ze zijn gedrieën naar Rotterdam gegaan om het appartement in Rotterdam schoon te maken en om spullen van [slachtoffer] te verkopen. Verdachte heeft actief geholpen met het schoonmaken van het appartement waar [slachtoffer] om het leven is gebracht, waarbij schoonmaakmateriaal is weggegooid. Hij is met zijn medeverdachten naar de plaats gereden waar het lichaam van [slachtoffer] uiteindelijk is gedumpt en hij heeft ook daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd. Uit de telefonische contacten die hebben plaatsgevonden in de periode tussen 17 en 24 februari 2009 tussen verdachte en zijn medeverdachten leidt het hof af dat er overleg heeft plaatsgevonden over hun voorgenomen vlucht naar Engeland en over het, vóórdat die vlucht kon plaatsvinden, verbergen, wegvoeren en wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] en diens auto en over de locaties waar dat zou dienen te geschieden. Op grond van al deze feiten en omstandigheden merkt het hof verdachte als medepleger aan.”

4.3

Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.2 De overwegingen in voornoemd arrest zijn in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering.3 Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.4 De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.5

4.4

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat enkel gezegd kan worden dat de verdachte bewust geen melding heeft gemaakt van het overlijden en de doodsoorzaak, hetgeen (als overtreding) strafbaar gesteld is in art. 20 Wet op de lijkbezorging. Die omstandigheid kan volgens de steller van het middel niet als een bijdrage van voldoende gewicht in de hiervoor onder 4.3 genoemde zin worden beschouwd. Daarnaast zou art. 189 Sr (begunstiging door dader) in beeld komen, zodat ten onrechte de strafuitsluitingsgrond uit het derde lid van dat artikel buiten beeld is gebleven.

4.5

Het gerechtshof heeft een groot aantal gedragingen van de verdachte in ogenschouw genomen. Ik noem:

- De verdachte heeft na de dood van [slachtoffer] een laken over diens lichaam gelegd;

- De verdachte heeft tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezegd dat het lichaam van [slachtoffer] niet in het Rotterdamse appartement kon blijven;

- Verdachte is met de medeverdachten naar het Rotterdamse appartement gegaan om daar schoon te maken en heeft daar bloed verwijderd. Schoonmaakmateriaal is weggegooid en persoonlijke bezittingen van het slachtoffer zijn meegenomen en verkocht;

- De verdachte is op de avond van 23 februari 2009 achter de auto met daarin de medeverdachten en het stoffelijk overschot aangereden op zoek naar een rivier om de lichaamsdelen weg te maken;

- De verdachte heeft aan de medeverdachten de beschikking gegeven over de auto waarin, naar verdachte wist, de lichaamsdelen van [slachtoffer] werden verborgen en vervoerd;

- Bij het te water laten van het lichaam stond de verdachte op de uitkijk om eventueel de politie af te leiden indien die zouden verschijnen;

- Na het te water laten zijn de medeverdachten, nadat de Volkswagen Polo in Amsterdam is geparkeerd en achtergelaten, met de verdachte meegereden naar Engeland;

- Op diverse momenten tussen 17 februari (de dag van het overlijden van [slachtoffer] ) en 24 februari 2009 (de dag van het aantreffen van de lichaamsdelen door de politie) is er contact geweest tussen de verdachte en het nummer dat in gebruik was bij de medeverdachten. Op 17, 18 en 23 februari 2009 bevonden de door de verdachten gebruikte telefoons zich met grote regelmaat in elkaars buurt en er waren overeenkomende reisbewegingen zichtbaar.

4.6

In de toelichting op het middel worden de voornoemde feiten en omstandigheden er telkens individueel uitgelicht, waarna wordt betoogd waarom het betreffende feit of omstandigheid niet redengevend kan zijn voor het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde. Daarmee wordt er echter aan voorbij gegaan dat het hof de feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang heeft beschouwd om te oordelen dat de verdachte een materiële en intellectuele bijdrage heeft geleverd die van voldoende gewicht is om van medeplegen te spreken. Vanuit dat perspectief, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de bijdrage van de verdachte veel verder is gegaan dan het niet melden van het overlijden en de doodsoorzaak. Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de verdachte een actieve rol gespeeld heeft in het geheel, door vervoer te regelen, de plaats delict te reinigen, op de uitkijk te staan en bij te dragen aan de uiteindelijke vlucht naar Engeland. Wat betreft het bij gelegenheid van het te water laten van het lijk op de uitkijk staan, merk ik op dat dit weliswaar een aspect is dat veelal met medeplichtigheid in verband wordt gebracht, maar in deze zaak liggen de kaarten duidelijk anders. De verdachte heeft immers voor de auto gezorgd waarmee het lichaam vervoerd kon worden, terwijl het hof ook heeft vastgesteld dat de verdachte met de medeverdachten vooraf contact heeft gehad met betrekking tot de daaropvolgende vlucht naar het buitenland.6 Van belang hierbij is dat – ook – het op de uitkijk staan slechts één aspect is van de handelingen die tezamen het verbergen van het lijk omvatten.
Wat betreft hetgeen wordt aangevoerd ter zake van de in art. 189 lid 3 Sr genoemde strafuitsluitingsgrond merk ik slechts op dat deze bepaling ziet op begunstiging van naaste familie, hetgeen zich in deze zaak niet voordoet.

4.7

Gelet op het voorgaande ben ik van oordeel dat het arrest voldoende met redenen is omkleed. Het middel faalt dan ook en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De voetnoten laat ik achterwege.

2 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3.2.1.

3 Zie ook HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, rov. 3.3 en HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1808, rov. 2.4.

4 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3.2.2.

5 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3.2.3.

6 Vgl. bijv. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:967, waarin gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, te weten het lenen van een auto waarmee door de verdachte inbrekers werden vervoerd, desondanks medeplegen oplevert.