Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:889

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
19/03161
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1588
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG in uitleveringszaak. Verzoek tot schorsing van de behandeling van het uitleveringsverzoek vanwege de wens van de opgeëiste persoon om bij die behandeling aanwezig te zijn. Dient het in commune strafzaken geldende beoordelingskader voor met het oog op de verwezenlijking van het aanwezigheidsrecht van de verdachte gedane aanhoudingsverzoeken overeenkomstig te worden toegepast in de uitleveringsprocedure? De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03161

Zitting 17 september 2019 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

hierna: de opgeëiste persoon.

  1. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 23 mei 2019 de uitlevering ter fine van strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Republiek Suriname toelaatbaar verklaard ter zake van “de in het [...] aanhoudingsbevel genoemde feiten”.

  2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat de rechtbank bij haar afwijzing van het verzoek de behandeling ter zitting te schorsen een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, althans deze beslissing onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

  4. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, houdt het proces-verbaal van de zitting van 9 mei 2019 het volgende in:

“De opgeëiste persoon […]
is niet verschenen.

Als raadsman van de opgeëiste persoon is ter zitting aanwezig mr. N.C.J. Meijering. De raadsman verklaart uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de opgeëiste persoon ter zitting te verdedigen.

De voorzitter deelt mede dat de rechtbank vanochtend een e-mailbericht heeft ontvangen van de raadsman van de opgeëiste persoon, waarin hij een e-mailbericht doorstuurt dat hij heeft ontvangen van de Surinaamse huisarts van de opgeëiste persoon. De voorzitter verstrekt een kopie van de e-mail aan de officier van justitie. Voorts vraagt zij aan de raadsman of het mogelijk is het uitleveringsverzoek vandaag te behandelen.

De raadsman voert het woord en bepleit - zakelijk weergegeven - het volgende:

Het verzoek kan worden behandeld, maar niet worden afgedaan. Ik zal een aantal punten naar voren brengen die mogelijk nader onderzoek vergen. Gelet op de medische situatie van cliënt wil ik sowieso dat de zaak zal worden aangehouden, althans niet zal worden afgedaan vandaag. Cliënt wil graag voor u verschijnen en zich verweren. Daarnaast is wat mij betreft sprake van ongenoegzaamheid van de stukken. Om die reden verzoek ik u de zaak vandaag niet af te doen.

De voorzitter deelt mede dat de rechtbank aanvang zal nemen met de behandeling van het uitleveringsverzoek. De raadsman kan aangeven wanneer hij niet verder wenst te gaan.
[...]
De raadsman voert het woord overeenkomstig zijn pleitnota, die hij aan de voorzitter overlegt en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd. De pleitnota is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht. In aanvulling daarop bepleit de raadsman - zakelijk weergegeven - het volgende:
[…]
6. Andermaal zou ik scherp willen aandringen op schorsing van de uitleveringsdetentie onder voorwaarden. Het is meermalen aan de orde gekomen; ik verwijs graag naar de argumenten die daartoe naar voren zijn gebracht en de medische situatie waarvan nu sprake is. Cliënt kan nog steeds verblijven op het adres dat eerder door mij naar voren is gebracht. Hij kan inmiddels ook verblijven bij zijn zoon in Utrecht. Cliënt wenst zich aan iedere voorwaarde te houden tot en met de voorwaarde dat hij de betrokken woning niet zou kunnen of mogen verlaten. Ik heb het Openbaar Ministerie (OM) verzocht onderzoek te doen naar een enkelband. Het OM heeft daar negatief op gereageerd. Ik zou u willen vragen dat niet ten koste van cliënt te laten komen.

Als u wilt meegaan in mijn verzoek om niet tot een uitspraak te komen waarbij de uitlevering sec toelaatbaar wordt verklaard, dan zal deze procedure nog wel even duren. Mogelijk zal u ook wel bekend zijn hoe lang het duurt als er nog cassatie gaat komen. Ik hoop in ieder geval dat u niet tot de uitspraak van een toelaatbaarverklaring wil komen en dan zal het nog even duren voordat de zaak bij u zal worden afgedaan. Dat maakt dat, ook gelet op de medische situatie van cliënt, ik met klem verzoek de uitleveringsdetentie te schorsen.

De voorzitter vraagt de raadsman of hij primair bepleit dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard gelet op de ongenoegzaamheid van de stukken en dat de ongenoegzaamheid met name ziet op nationaliteitskwestie.


In reactie daarop voert de raadsman het woord en bepleit - zakelijk weergegeven - het volgende:

Past de term ongenoegzaamheid als je ook nog aan de rechtbank vraagt om sowieso aan te houden en ook nog informatie op te vragen betreffende zijn gezondheid en de situatie in Suriname? Ik denk dat het OM dat kan doen en ook garanties kan vragen, gelet op die situatie. Daar heb ik ook de term ongenoegzaamheid voor gebruikt.

De voorzitter merkt op dat in de Uitleveringswet een duidelijke taakverdeling is voorzien tussen de uitleveringsrechter en de minister. In het geval een rechtbank een uitlevering toelaatbaar verklaart, is het aan de minister om te beoordelen of de uitlevering van een bijzondere hardheid zal zijn en daar kunnen de detentieomstandigheden en/of de medische situatie in worden meegenomen. Een rechtbank die een uitlevering toelaatbaat verklaart, kan in haar advies aan de minister aan genoemde kwesties veel aandacht besteden. Het is de ervaring van deze rechtbank dat de minister met dat soort adviezen buitengewoon veel doet. Voorts vraagt de voorzitter waarom de rechtbank onderhavige zaak aan zou moeten houden om nadere informatie te verkrijgen over de gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon, waarover zich overigens al zeer veel informatie in het dossier bevindt.

In reactie daarop voert de raadsman het woord en bepleit - zakelijk weergegeven - het volgende:

Er is sprake van nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot de gezondheid van cliënt. De rechtbank kan daar aandacht aan besteden in het advies richting de minister en ik hou niet voor onmogelijk dat uw rechtbank dat ook zal doen op basis van de nadere informatie die mijns inziens ingewonnen zou moeten worden.

De voorzitter merkt op dat de minister deze informatie ook kan inwinnen op basis van het advies van de rechtbank, mocht de rechtbank de uitlevering toelaatbaar verklaren. Voorts vraagt zij de raadsman wat de opgeëiste persoon zou willen zeggen in het kader van het opkomen tegen de uitlevering anders dan wat al door de raadsman naar voren is gebracht.

De raadsman voert het woord en bepleit - zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik heb hem twee weken geleden gezien en hij heeft mij over zijn medische situatie verteld. Vervolgens is hij daar door extreme vermoeidheid weer opgehaald en heb ik hem niet inhoudelijk over de zaak kunnen spreken. Wel heb ik – in eerdere gesprekken – begrepen dat hij wil vertellen over de strafzaak die loopt in Suriname en over het al dan niet hebben van de Nederlandse nationaliteit.

De oudste rechter vraagt de raadsman of het soms nodig is dat de rechtbank naar de PI afreist om de opgeëiste persoon te horen, nu zijn gezondheidssituatie volgens de raadsman zo onzeker is.

In reactie daarop geeft de raadsman aan dat hij daar nog niet over heeft nagedacht, maar het wellicht een mogelijkheid zou zijn.

De officier van justitie vraagt de raadsman of er na 2 mei 2019 nog nieuwe ontwikkelingen zijn geweest betreffende de gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon.

De raadsman voert het woord en bepleit – zakelijk weergegeven – het volgende:


Die zullen er ongetwijfeld zijn, maar die ken ik niet. Wat ik weet en dat heb ik ook naar uw collega geschreven, nota bene op een zondag, is dat er allemaal testen worden gedaan. Ik weet niet of ik daar – aangezien dit een openbare zitting is – meer over wil en kan zeggen. Er is in ieder geval bloed en urine afgenomen en hier wordt onderzoek naar gedaan. Het is afwachten op de uitkomst daarvan. Er zijn diverse mogelijkheden, ziektebeelden, waarvan sprake zou kunnen zijn. Ik weet niet hoever men daar nu mee is.

De voorzitter deelt mede dat zij zojuist een afstandsverklaring heeft ontvangen die ziet op de zitting van vandaag en is ondertekend met [opgeëiste persoon] . Als weigeringsgrond is opgegeven “in verband met ziekte”.

De raadsman voert het woord en bepleit - zakelijk weergegeven - het volgende:

Daarover heb ik gisteren al gemaild. Cliënt kan niet verschijnen, maar hij doet uitdrukkelijk geen afstand van zijn aanwezigheidsrecht. U zult denk ik wel bekend zijn met de gang van zaken in de PI; op het moment dat iemand zegt “ik wil niet mee” of “ik kan niet mee” dan wordt er al vrij snel gezegd “dan moet je hier even tekenen”. Hij heeft getekend om niet mee te gaan, maar het is absoluut geen afstand - zo moet het niet worden opgevat. Ik betwist dan ook dat hij afstand heeft gedaan.

De officier van justitie voert het woord en stelt – zakelijk weergegeven – het volgende:

[...]

Ik zal ingaan op de pleitnota van de raadsman. De raadsman is kort ingegaan op de strafzaak die loopt in Suriname, maar binnen de uitleveringsprocedure doet dat niet ter zake. Als het uitleveringsverzoek er ligt, dan moeten wij er vanuit gaan dat het op goede gronden is gedaan. Er is niet bepleit dat sprake is van kennelijke onschuld. Het is mijns inziens dan ook niet nodig om opgeëiste persoon daarover te horen.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat er onduidelijkheid is over het wel/niet aanwezig zijn van Nederlanderschap. Mijn collega heeft het geformuleerd als een ‘contra-indicatie’, zelf zou ik willen stellen dat er geen indicatie is dat de opgeëiste persoon Nederlander is. Uit de brief van de gemeente kan dat niet worden afgeleid en ook in het uitleveringsverzoek wordt uitgegaan van de Surinaamse nationaliteit. Er zijn geen aanwijzingen dat sprake is van twee nationaliteiten. Daarbij merk ik nog op dat zelfs indien dat wel het geval zou zijn, dat niet ziet op de genoegzaamheid van de stukken.

De voorzitter heeft voorgehouden wat er zich in het dossier bevindt. De stukken zijn mijns inziens genoegzaam en ik verzoek u dan ook de uitlevering toelaatbaar te verklaren. Ik verzoek u daartoe vandaag te beslissen. Ik ben tot op de dag van vandaag niet overtuigd dat de reden die door de raadsman naar voren is gebracht, een reden is om de zaak vandaag aan te houden.
U heeft er kort op gewezen dat er een drugsdropping zou gaan plaatsvinden, dat klopt. U heeft ook aangegeven dat meneer getipt zou zijn. In Suriname zijn een aantal mensen aangehouden. Meneer is kort daarna naar Nederland gegaan in verband met zijn medische situatie, terwijl hij daartoe geen afspraak had. Er zijn geen stukken waaruit zou blijken dat meneer ongeneeslijke ziek is of detentieongeschikt. Ik wil zijn klachten niet bagatelliseren, maar het staat onvoldoende vast. Daarnaast is dat iets waarover de minister zich moet uitlaten. Meneer acht zich onschuldig, maar wil niet naar Suriname en zal gebruikmaken van alle rechtsmiddelen. Ik zie geen reden om de zaak aan te houden, laat staan om de uitleveringsdetentie te schorsen. Daarbij wil ik nog terugkomen op het penitentiaire systeem in Suriname. De rapporten waarnaar de raadsman verwijst zijn verouderd en schetsen een algemeen beeld. Het is niet zo dat het systeem in Suriname een gevaar vormt voor de gezondheid van meneer. Het is een huisarts die stelt dat hij verwacht dat het penitentiaire systeem ongeschikt is. Op dit moment staat niet onomstotelijk vast dat de medische situatie zo is dat de zaak moet worden aangehouden en de uitleveringsdetentie moet worden geschorst.
[…]
De raadsman voert het woord en bepleit - zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik persisteer graag. Ik denk dat het betoog van de officier van justitie duidelijk maakt dat u cliënt zelf moet zien. Cliënt reist veel voor zijn werk en was ook in dat verband op reis. Tijdens die reis zijn de klachten ontstaan en heeft hij medische hulp gezocht. De kwalificatie dat het vluchtgevaar van het dossier zou afdruipen is onjuist.

Overigens begrijp ik niet waarom de officier van justitie de lat legt bij ongeneeslijk ziek zijn. Als een huisarts stelt dat hij verwacht dat het penitentiaire systeem niet voldoende is, dan toont dat de terughoudendheid van de arts. Mijns inziens is dat een goed startpunt voor verder onderzoek, zoals ook door mij is bepleit.

De rechtbank trekt zich terug in raadkamer voor beraad.

Na beraadslaging deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mede dat de rechtbank op dit moment geen aanleiding ziet om het onderzoek te schorsen voor het horen van de opgeëiste persoon. De rechtbank onderstreept dat het niet om een strafprocedure maar om een uitleveringsprocedure gaat, welke wezenlijk van elkaar verschillen. De rechtbank heeft niets gehoord waarover de opgeëiste persoon zelf zou willen verklaren, wat nog niet door zijn raadsman in het kader deze procedure is betoogd. Daarnaast is er geen begin van een concretisering of aanwijzing wanneer de opgeëiste persoon denkt wel in staat te zijn om te worden gehoord. De rechtbank ziet op dit moment dan ook geen reden om het onderzoek te schorsen, dat kan tijdens het beraad na sluiting van het onderzoek anders komen te liggen. In dat geval zal de rechtbank het onderzoek heropenen.

Ook het verzoek tot aanhouding opdat meer informatie kan worden verkregen over de nationaliteit van de opgeëiste persoon, zijn medische situatie en het penitentiaire systeem in Suriname, zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om deze nadere informatie op te vragen gezien de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister. In het geval dat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar zou verklaren, is het aan de minister om na te gaan of de opgeëiste persoon Nederlander is en dan om een terugkeergarantie te vragen. Ook is het aan de minister om te oordelen of de persoonlijke omstandigheden, de medische situatie en de detentieomstandigheden in Suriname aan een uitlevering in de weg zouden staan of op dat punt garanties te vragen.
[...]”

5. De in het proces-verbaal van de zitting genoemde pleitnota bevindt zich onder de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken en houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“I.

Cliënt is vanwege zijn gezondheid niet in staat te verschijnen en verzoekt daarom aanhouding van de behandeling t.t.z.

P.M.: dit verzoek is aan het begin van de zitting reeds gedaan en wordt nu nog eens herhaald o.m. met verwijzing naar de medische stukken die zijn ingebracht/overgelegd.

II.

Bijzondere zaak/achtergrond

[...]

Conclusie:

Gelet op:
- genoemde hardheidsclausule;

- het geschetste zorgelijke penitentiaire systeem in Suriname;

- het ontbreken adequate medische zorg voor cliënt aldaar;
- de gezondheid van cliënt;

- het feit dat cliënt niet op zitting kan zijn/u hem niet kunt zien en horen/cliënt zich (met name vanwege zijn gezondheidsproblemen) persoonlijk op zitting tegen de uitlevering wenst op te komen:

dreigt flagrante schending EVRM (art. 5)/IVPR indien tot het oordeel zonder meer zou worden gekomen dat de uitlevering toelaatbaar zou zijn.

Het is daarom dat uw rechtbank hier verzocht wordt:
primair: de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren;

subsidiair: de Minister te adviseren niet over te gaan tot de feitelijke overlevering;

meer subsidiair: vast te stellen dat sprake is van ongenoegzaamheid der stukken nu nadere informatie dient te worden ingewonnen omtrent 1) de gezondheid van cliënt; 2) de vraag of in Suriname voldoende adequate medische zorg kan worden verleend vanuit het penitentiaire systeem;”

6. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“3.9 Tot slot
Het namens de opgeëiste persoon aangevoerde omtrent zijn gezondheidstoestand is geen omstandigheid die de rechtbank als uitleveringsrechter tot het oordeel kan leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Uit artikel 10, tweede lid, van de UW volgt immers dat het de minister is die heeft te beslissen of zich het geval voordoet dat de gevolgen van de uitlevering voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn gelet op diens slechte gezondheidstoestand. Namens de opgeëiste persoon is ter zitting ook overigens niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.

De rechtbank wijst het verzoek tot – naar de rechtbank begrijpt – heropening van het onderzoek en aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek af. De rechtbank overweegt daartoe dat zij als uitleveringsrechter dient te toetsen of het uitleveringsverzoek voldoet aan de gestelde verdragseisen en of er dwingende weigeringsgronden zijn die maken dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. De onderdelen waarover de opgeëiste persoon zou willen verklaren zijn door zijn raadsman reeds uitvoerig naar voren gebracht. De rechtbank acht zich gelet op haar toetsingskader voldoende voorgelicht.”

7. Hoewel de rechtsgang in uitleveringszaken sterk afwijkt van de in strafzaken te volgen procedure, vinden diverse zittingsvoorschriften uit het Wetboek van Strafvordering ingevolge art. 29, eerste lid, Uitleveringswet (hierna: UW) overeenkomstige toepassing in de uitleveringsprocedure. Zo ook de artikelen 281, 328, 330 en 331 Sv. In onderling verband beschouwd, regelen deze wettelijke bepalingen de bevoegdheid van de rechtbank om de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting te schorsen (art. 281 Sv), verlenen zij de officier van justitie en de verdachte (art. 328), alsmede de raadsman van laatstgenoemde (art. 331 Sv), de bevoegdheid schorsing van het onderzoek ter terechtzitting te vorderen, respectievelijk te verzoeken, en verbinden zij aan het verzuim op zo een vordering of verzoek te beslissen de sanctie van nietigheid van het onderzoek ter (terecht)zitting (art. 330 Sv). Op grond van de schakelbepaling van art. 29, eerste lid, UW mag derhalve ook de uitleveringsrechter een verzoek tot aanhouding niet stilzwijgend passeren.1

8. De rechterlijke beoordeling in strafzaken van aanhoudingsverzoeken wegens de verhindering van de verdachte of diens raadsman, is onderwerp van veel recente rechtspraak van de Hoge Raad.2 Meest in het algemeen richtinggevend is een tweetal uitspraken van 16 oktober 2018, waarin de Hoge Raad twee gronden voor de afwijzing van een verzoek van de verdediging tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting onderscheidt.3 De rechter kan het verzoek – ten eerste – afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde reden van verhindering niet aannemelijk is. In dat verband is het wel mede afhankelijk van de aangevoerde reden of de rechter, alvorens te beslissen op het verzoek, gelegenheid dient te geven om het verzoek van een nadere toelichting te voorzien of met bewijsstukken te onderbouwen. In het bijzonder bij zich onverwacht aandienende omstandigheden, zoals ziekte van de verdachte, zal niet zonder meer kunnen worden volstaan met het oordeel dat die omstandigheid niet aannemelijk is geworden. Kan de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet als niet-aannemelijk terzijde worden gesteld, dan dient de rechter alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen af te wegen, welke afweging – ten tweede – kan leiden tot de conclusie dat het verzoek moet worden afgewezen. Bij die belangenafweging gaat het in het bijzonder om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht en het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting, aldus de Hoge Raad.

9. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat de maatstaven voor de beoordeling van een aanhoudingsverzoek van de verdachte die aanvoert wegens ziekte verhinderd te zijn, door de rechtbank in de onderhavige zaak eveneens hadden moeten worden toegepast op het aanhoudingsverzoek dat namens de opgeëiste persoon ter zitting naar voren is gebracht. Het middel werpt aldus de vraag op of het ten dienste van strafzaken ontwikkelde beoordelingskader ook in uitleveringszaken van overeenkomstige toepassing is op de rechterlijke beoordeling van een verzoek tot schorsing van de zitting dat is gebaseerd op de wens van de opgeëiste persoon om bij de behandeling van het uitleveringsverzoek aanwezig te zijn.

10. Bij de beantwoording van de opgeworpen vraag stel ik evenwel voorop dat de Hoge Raad in het hiervoor genoemde standaardarrest van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m.nt. Mevis allereerst benadrukt dat de inhoudelijke opmerkingen die hij zal maken uitsluitend betrekking hebben op “verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting die verband houden met het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht, waaronder ook wordt begrepen het recht van de verdachte om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen.” Dit beschouw ik als een aanwijzing dat de Hoge Raad niet heeft beoogd het desbetreffende beoordelingskader een breder toepassingsbereik te geven dan waarvoor het is geschreven. Analoge toepassing in andere procedures dan strafzaken,4 of op aanhoudingsverzoeken die zijn ingegeven door andere belangen dan het aanwezigheidsrecht van de verdachte, ligt derhalve a priori niet voor de hand.

11. Tegen analoge toepassing in de uitleveringsprocedure in het bijzonder, pleit dat het de Hoge Raad enkel gaat om aanhoudingsverzoeken die strekken tot daadwerkelijke effectuering van het in art. 6, derde lid onder c, EVRM vervatte aanwezigheidsrecht. Anders dan de steller van het middel meent, is niet “algemeen aanvaard [...] dat art. 6 EVRM ook van toepassing is in uitleveringszaken”. Althans, niet op de wijze waarop dat in een strafzaak het geval is. Binnen het bereik van de verdragsbepaling valt – ik zou zeggen: uiteraard – wel de strafprocedure ten behoeve waarvan de uitlevering is verzocht, maar die procedure valt onder de jurisdictie van de verzoekende staat. De met de beslissing op het uitleveringsverzoek belaste autoriteiten van de aangezochte staat dragen daarnaast een verantwoordelijkheid te voorkomen dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering in de verzoekende staat wordt blootgesteld aan schending van zijn mensenrechten, waaronder ook zijn recht op een eerlijk (straf)proces. Schending van art. 6 EVRM door de in een uitleveringsprocedure aangezochte staat kan derhalve in Straatsburg worden bepleit, maar alleen met succes in het exceptionele geval dat de opgeëiste persoon “has suffered or risks suffering a flagrant denial of a fair trial in the requesting country”. Voor zo een ‘flagrant denial of justice’ is nodig dat de procedure in de verzoekende staat manifest in strijd is met art. 6 EVRM.5 Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de opgeëiste persoon in de verzoekende staat reeds bij verstek is veroordeeld zonder uitzicht op een herbeoordeling van zijn zaak nadat hij is uitgeleverd.6 In zoverre werkt art. 6 EVRM in het algemeen, en het aanwezigheidsrecht in het bijzonder, inderdaad door in de uitleveringsprocedure. Dat de uitleveringsrechter zich niet onverschillig mag tonen voor de (on)eerlijkheid van het strafproces dat de opgeëiste persoon in de verzoekende staat heeft gekregen of nog te wachten staat, betekent echter niet dat ook de uitleveringsprocedure zelf op grond van het verdragsrecht aan de “fairness”-maatstaven van art. 6 EVRM dient te voldoen. Buiten twijfel staat dat het verdragsrecht tot dit laatste niet noopt. Vaste Straatsburgse rechtspraak is immers dat de uitleveringsprocedure niet “the determination of a criminal charge” als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM behelst en evenmin “the determination of [...] civil rights or obligations” genoemd in die verdragsbepaling oplevert.7 De inrichting van de uitleveringsprocedure valt derhalve buiten de reikwijdte van art. 6, eerste lid, EVRM. Over schending van het aanwezigheidsrecht in die procedure kan dus bij het EHRM niet met vrucht worden geklaagd. Ook EU-richtlijn 2016/343, betreffende – kort gezegd – het vermoeden van onschuld en het aanwezigheidsrecht, is niet van toepassing in de uitleveringsprocedure.8

12. Daarmee wil ik de wens van de opgeëiste persoon om bij de behandeling van zijn uitleveringszaak aanwezig te zijn uiteraard niet geheel van zijn betekenis ontdoen. Dat art. 6 EVRM niet is toegesneden op de uitleveringsprocedure, neemt immers niet weg dat ook in de uitleveringsprocedure een behoorlijk niveau van procedurele rechtvaardigheid moet worden bereikt. Remmelink schreef daarover reeds: “ook al is art. 6 EVRM niet rechtstreeks toepasselijk, [er zal] behoorlijk, fair, geprocedeerd moeten worden.”9 En volgens Swart “behoort het vanzelf te spreken dat ook een opgeëiste persoon het recht wordt toegekend op zaken als informatie over het uitleveringsverzoek en kennisneming van het dossier, tijd en faciliteiten voor het voorbereiden van verweren, rechtsbijstand en bijstand van een tolk, afdoening van een verzoek binnen redelijke termijn.”10 Het komt mij voor dat de gelegenheid om aanwezig te zijn bij een procedure waarin men zelf de hoofdrol vertolkt een tamelijk basale voorwaarde is, die ook in de uitleveringsprocedure tot uitgangspunt behoort te worden genomen.11 Dat een aanspraak op aanwezigheid in elk geval tot op zekere hoogte bestaat, zou ook kunnen worden afgeleid uit de overeenkomstige toepassing van zittingsvoorschriften uit het Wetboek van Strafvordering, welke meebrengt dat in strafzaken primair aan de verdachte toekomende procesbevoegdheden in de uitleveringsprocedure primair bij de opgeëiste persoon liggen en als afgeleide ook bij diens raadsman.

13. Het voorgaande neemt echter niet weg dat de aanspraak op aanwezigheid in de uitleveringsprocedure niet als verdragsrechtelijk beschermd mensenrecht kan worden aangemerkt en dus niet hetzelfde fundamentele karakter draagt als in een commune strafzaak. Daarvoor bestaan bovendien goede redenen. Dat art. 6 EVRM niet voor de uitleveringsprocedure is geschreven, hangt ermee samen dat de uitleveringsprocedure naar zowel aard als doel wezenlijk van een strafzaak verschilt. Uitgangspunt is dat de uitleveringsrechter niet onderzoekt of de opgeëiste persoon het feit waarvoor uitlevering ter fine van strafvervolging wordt verzocht, heeft begaan.12 Centraal staat de aan een vreemde staat te verlenen hulp bij vervolging of bestraffing, voorafgaand waaraan moet worden nagegaan of het verzoek daartoe voldoet aan de daaraan te stellen eisen.13 De verschillen in aard en doel rechtvaardigen dat de uitleveringsprocedure een summierder karakter heeft dan een strafproces. Voor materieel onderzoek naar de onderliggende (strafbare) feiten is de uitleveringsprocedure niet bedoeld, en voor de kwaliteit van juist dat feitenonderzoek is de aanwezigheid van de verdachte in strafzaken van potentiële meerwaarde. Het bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek veelal tegenover de met aanwezigheid gemoeide belangen staande belang van een voortvarende afdoening van de zaak, is in de uitleveringsprocedure buitengewoon zwaarwegend. Dat is een belangrijke overweging geweest bij de inrichting van de uitleveringsprocedure, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in de ten aanzien van de in uitleveringszaken open te stellen rechtsmiddelen gemaakte keuzes.14 De bij een aanhoudingsverzoek wegens verhindering van de opgeëiste persoon in een uitleveringsverzoek te betrekken en af te wegen belangen verschillen derhalve naar hun aard en gewicht van de belangenafweging naar aanleiding van een aanhoudingsverzoek in een strafzaak. Ook dit pleit ertegen de aan de beoordeling van een aanhoudingsverzoek in een strafzaak te stellen eisen zonder meer overeenkomstig toe te passen op de beslissing op een aanhoudingsverzoek van de uitleveringsrechter.

14. Voorts wijzen de wetsgeschiedenis van de Uitleveringswet en de daaraan door de Hoge Raad gegeven uitleg erop dat de voortzetting van de behandeling ter zitting van het uitleveringsverzoek in afwezigheid van de opgeëiste persoon niet moet worden gehinderd door aan de beslissing daartoe al te hoge (motiverings)eisen te stellen. Toen de huidige Uitleveringswet in 1967 kracht van wet kreeg, voorzag deze nog niet in de mogelijkheid het uitleveringsverzoek ter zitting bij afwezigheid van de opgeëiste persoon te behandelen.15 In verstekverlening voorziet de Uitleveringswet vandaag de dag nog steeds niet. Met het uitgangspunt dat de opgeëiste persoon op de zitting steeds aanwezig zal (moeten) zijn, heeft de wetgever nochtans expliciet gebroken door in art. 29, eerste lid, UW ook art. 279 Sv te vermelden. De memorie van toelichting bij de wetswijziging waarin deze vermelding is toegevoegd, houdt dienaangaande in:

“De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 25 en 29 van de Uitleveringswet dienen in onderlinge samenhang te worden bezien.

De Uitleveringswet voorziet niet in een verstekprocedure. Redenen hiervoor vormen dat het belangrijk wordt geacht zekerheid te verkrijgen over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon in Nederland, de juistheid van zijn identiteit en dat het belangrijkste verweer dat in een uitleveringsprocedure kan worden gevoerd, nl. het onverwijld aantonen van zijn onschuld, bedoeld in artikel 26, derde lid, bij afwezigheid van de opgeëiste persoon niet aan de orde kan komen. Indien de opgeëiste persoon niet is verschenen is de rechtbank ingevolge het bestaande vierde lid van artikel 25 gehouden de opgeëiste persoon tegen een nadere datum te dagvaarden. Dat betekent een verlenging van de procedure. Dit komt de laatste tijd meer voor, met name doordat sedert de in 1988 gecreëerde mogelijkheid van uitlevering van Nederlanders heeft geleid tot een toename van het aantal zaken waarin - wegens het ontbreken van vluchtgevaar - is afgezien van uitleveringsdetentie.

Mede hierdoor is in de praktijk de vraag gerezen of het noodzakelijk is onverkort aan de aanwezigheid van de opgeëiste persoon vast te houden. Wij zijn van oordeel dat de bovengenoemde bezwaren tegen een verstekprocedure onverkort gelden. Daarentegen achten wij het wel verantwoord om de bij de wet herziening onderzoek ter terechtzitting (wet van 15 januari 1998, Stb. 33) in het Wetboek van Strafvordering getroffen voorziening, waarbij de verdachte zich kan laten verdedigen door een daartoe gemachtigd raadsman (artikel 279) ook in de uitleveringsprocedure in te voeren. De aanwezigheid van een gemachtigd raadsman biedt een redelijke mate van zekerheid dat de opgeëiste persoon inderdaad in Nederland verblijft. Verder verschilt het belang van de identiteitsvaststelling in uitleveringszaken niet van dat in commune strafzaken. Ten slotte, wordt het genoemde onschuldsverweer veelal gevoerd door overlegging van schriftelijke bescheiden waaruit moet blijken dat de opgeëiste persoon op het tijdstip van het strafbare feit dat aan het uitleveringsverzoek ten grondslag ligt niet op de plaats van het feit kan zijn geweest. Dergelijke stukken kunnen ook door een gemachtigd raadsman worden overgelegd.

Uiteraard dient ook in een uitleveringsprocedure te gelden, dat de enkele aanwezigheid van een raadsman op het voor het verhoor vastgestelde tijdstip niet voldoende is; de raadsman dient uitdrukkelijk te kennen te geven door zijn cliënt te zijn gemachtigd.

Uiteraard dient voor de uitleveringsrechter de mogelijkheid te blijven bestaan de aanwezigheid van de opgeëiste persoon af te dwingen. Dit komt aan de orde, indien er op het tijdstip van het verhoor niemand verschijnt of alleen de raadsman verschijnt, maar deze niet gemachtigd blijkt te zijn. Voorts kunnen er andere redenen zijn, waarom naar het oordeel van de rechter de aanwezigheid van de opgeëiste persoon gewenst is. De wijziging van het vierde lid van artikel 25 (onderdeel H) strekt daartoe. Daarnaast wordt artikel 29 van de Uitleveringswet aangevuld met een verwijzing naar artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (onderdeel I).”16

15. De Hoge Raad heeft deze wetsgeschiedenis niet zo uitgelegd dat voortzetting van de behandeling van het uitleveringsverzoek in afwezigheid van de opgeëiste persoon enkel toelaatbaar is als hij ter zitting wordt vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. In HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6597, NJ 2003/610 heeft de Hoge Raad uit art. 29, eerste lid, UW en de bovenstaande wetsgeschiedenis afgeleid dat de wetgever weliswaar van een verstekprocedure niet heeft willen weten, maar dat dagvaarding van de afwezige en niet door een raadsman vertegenwoordigde opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip uitsluitend dient te worden gelast indien de rechtbank zijn aanwezigheid bij het verhoor als bedoeld in art. 25 UW wenselijk acht. Art. 25, vierde lid, en art. 29, eerste lid, UW staan dus niet in de weg aan de behandeling van een uitleveringsverzoek ingeval noch de opgeëiste persoon noch een gemachtigde raadsman ter zitting is verschenen, behalve als de rechtbank de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het verhoor wenselijk oordeelt. Gelet op de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis kan die wenselijkheid worden geacht te ontbreken wanneer geen twijfel bestaat dat de opgeëiste persoon degene is om wiens uitlevering is verzocht, hij zich in Nederland bevindt, en hem tevens op de voet van art. 24, tweede lid, UW mededeling is gedaan van het voor zijn verhoor bepaalde tijdstip, aldus nog steeds de Hoge Raad. Voor deze uitleg gaf de Hoge Raad nog een additioneel argument: de opvatting dat uitlevering niet toelaatbaar kan worden verklaard wanneer noch de opgeëiste persoon noch zijn gemachtigde raadsman dienaangaande is gehoord, zou tot de “onaannemelijke uitkomst” leiden dat de opgeëiste persoon (meer in het bijzonder indien hij niet is gedetineerd) zelf zou kunnen bewerkstelligen dat de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard dan wel dat de behandeling van het uitleveringsverzoek onaanvaardbaar wordt vertraagd. Dit nam (uiteraard) niet weg dat de rechtbank was gehouden een (gemotiveerde) beslissing te nemen op het namens de opgeëiste persoon gedane aanhoudingsverzoek, welke motivering de Hoge Raad in cassatie op haar begrijpelijkheid en genoegzaamheid toetste. In de desbetreffende zaak achtte de Hoge Raad de motivering van de afwijzing toereikend, ofschoon de rechtbank niet kenbaar een afweging had gemaakt van alle betrokken belangen. De eis van een afweging van alle betrokken belangen werd in strafzaken ook destijds al wel aan de motivering van de afwijzing van een aanhoudingsverzoek gesteld.17

16. Ik zie derhalve voldoende steekhoudende argumenten om de motiveringslat voor de afwijzing van een aanhoudingsverzoek in uitleveringszaken juist niet, althans niet steeds en in zijn algemeenheid, even hoog te leggen als in commune strafzaken het geval is. De in de cassatieschriftuur naar voren gebrachte argumenten voor analoge toepassing van het beoordelingskader overtuigen mij niet.

17. Kortom, voor zover het middel berust op de opvatting dat het beoordelingskader voor (op het aanwezigheidsrecht steunende) aanhoudingsverzoeken in strafzaken van overeenkomstige toepassing is in uitleveringszaken, faalt het mijns inziens omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is.

18. Het middel klaagt tevens over de begrijpelijkheid en toereikendheid van de motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek. Daarover nog het volgende.

19. De raadsman heeft ter zitting betwist dat de opgeëiste persoon afstand heeft gedaan van zijn recht bij de behandeling van het uitleveringsverzoek aanwezig te zijn. Aan de vermeende afstand heeft de rechtbank niet kenbaar aandacht besteed, zodat in cassatie niet ervan kan worden uitgegaan dat (vrijwillig en ondubbelzinnig) afstand is gedaan van de mogelijkheid aanwezig te zijn. De stelling van de raadsman dat de opgeëiste persoon vanwege zijn medische gesteldheid ter zitting niet aanwezig kon zijn, heeft de rechtbank niet als niet-aannemelijk aangemerkt.

20. Bij zijn beslissing de behandeling van het uitleveringsverzoek desondanks niet te schorsen, heeft de rechtbank allereerst onderstreept dat het verzoek niet is gedaan in een strafprocedure, maar in een uitleveringsprocedure. Zoals hiervoor is besproken, acht ik dat inderdaad een factor van (wezenlijk) belang. Vervolgens heeft de rechtbank aan de afwijzing van het verzoek in de kern ten grondslag gelegd dat (1) er geen “begin van een concretisering of aanwijzing [is] wanneer de opgeëiste persoon denkt wel in staat te zijn om te worden gehoord”, en (2) dat de aspecten van de zaak waarover de opgeëiste persoon zou willen verklaren door zijn raadsman reeds uitvoerig naar voren zijn gebracht, zodat de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht.

21. Onbegrijpelijk komen deze overwegingen mij niet voor. Een te plaatsen kanttekening bij de gegeven motivering is wel dat de rechtbank – door enkel te overwegen dat onduidelijk is wanneer de opgeëiste persoon wel zal verschijnen en dat de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht – de wens van de opgeëiste persoon om bij de behandeling van het uitleveringsverzoek aanwezig te zijn, niet kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. Temeer indien de opgeëiste persoon – zoals in casu – (i) zich in detentie bevindt, (ii) een aannemelijke reden van voldoende gewicht voor zijn verhindering opgeeft en (iii) niet eerder heeft verzocht de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden, zal die aanwezigheidswens in voorkomende gevallen mijns inziens toch ook in uitleveringszaken de nodige aandacht vragen.

22. Ik acht de afwijzing van het aanhoudingsverzoek in het voorliggende geval niettemin toereikend gemotiveerd, mede gelet op het verhandelde ter zitting in de onderhavige zaak. De raadsman heeft ter zitting de gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon uitvoerig en meermalen aan de orde gesteld. De bespreking van de (medische) toestand van de opgeëiste persoon, geschiedde echter niet steeds in hetzelfde verband. De gesteldheid van de opgeëiste persoon is onder meer ter sprake gebracht in het kader van de toelaatbaarheid van de uitlevering, in relatie tot een eventuele schorsing van de uitleveringsdetentie en dus ook in verband met de wenselijkheid het onderzoek ter zitting te schorsen om de opgeëiste persoon te horen en de gelegenheid te geven alsnog ter zitting aanwezig te doen zijn. Deze laatste wens van de opgeëiste persoon om zelf te verschijnen en zich tegen de uitlevering te verweren heeft de raadsman bepaald niet indringend en aanhoudend aan de orde gesteld. Bij aanvang van de behandeling heeft de raadsman die wens weliswaar aangestipt, maar hij heeft zich toen eveneens op het standpunt gesteld dat het uitleveringsverzoek op die dag wel kon worden behandeld, echter niet kon worden afgedaan. De voorzitter van de rechtbank heeft daarop medegedeeld dat de rechtbank aanvang zal nemen met de behandeling van het uitleveringsverzoek en dat de raadsman kan aangeven wanneer hij niet verder wenst te gaan. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat nadien op enig ogenblik een punt is bereikt waarop de raadsman de wens van de opgeëiste persoon om te verschijnen een belemmering vond om de behandeling ter zitting voort te zetten. Veeleer heeft hij zich bij momenten ten aanzien van specifieke onderwerpen op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon zelf over het besproken onderwerp zou kunnen of moeten verklaren. Op de vraag of de raadsman zou wensen dat de rechtbank zich naar de penitentiaire inrichting begeeft om de opgeëiste persoon aldaar te horen, heeft de raadsman geantwoord dat dat wellicht een mogelijkheid was. Ook dat wijst erop dat het de raadsman vooral erom te doen was dat de opgeëiste persoon zou worden gehoord over (specifieke) aspecten van de zaak en dus niet (zozeer) om de wens van de opgeëiste persoon om aanwezig te zijn als zodanig. Tegen deze achtergrond moet de overweging van de rechtbank dat het zich over de onderwerpen waarover de opgeëiste persoon zou kunnen verklaren, door de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman voldoende voorgelicht acht, worden begrepen.

23. Ik meen dat de rechtbank voldoende aandacht heeft besteed aan de gronden waarop het aanhoudingsverzoek berust. Met de overweging dat geen uitzicht bestaat wanneer de opgeëiste persoon wel zal kunnen verschijnen heeft de rechtbank zich bovendien rekenschap gegeven van het bijzondere gewicht dat aan een voortvarende afdoening van uitleveringsverzoeken moet worden gehecht.

24. Al met al acht ik de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

25. Het middel faalt.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het verzuim van de uitleveringsrechter op een aanhoudingsverzoek uitdrukkelijk te beslissen, leidde tot cassatie in HR 4 maart 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB8695, NJ 1987/63 en HR 27 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0024, NJ 1989/128. Vgl. ook HR 4 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4250, waarin het verzuim niet tot cassatie behoefde te leiden, omdat het verzoek slechts had kunnen worden afgewezen.

2 Zie o.a. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1957, NJ 2019/286, m.nt. Mevis; HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:90, NJ 2019/66; HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:131; HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:669, NJ 2019/289, m.nt. Mevis; HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:709, NJ 2019/290, m.nt. Mevis; HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142 en HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1145. Zie voorts M.J. Dubelaar, ‘Het aanwezigheidsrecht in strafzaken anno 2019’, DD 2019/47.

3 Ik doel op HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285 en HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1957, NJ 2019/286, m.nt. Mevis.

4 In de geciteerde woorden van de Hoge Raad ligt een beperking tot strafzaken besloten. In verschillende andere (neven)procedures is immers geen sprake van een verdachte en in de uitleveringsprocedure evenmin van een terechtzitting.

5 Zie o.a. EHRM (GK) 15 juni 2017, nr. 71537/14, dec., par. 62-65 (Harkins/Verenigd Koninkrijk) en EHRM 9 juli 2019, nr. 3598/10, par. 106-108 (Kislov/Rusland).

6 Vgl. bijv. EHRM (GK) 1 maart 2006, nr. 56581/00, par. 82-84 (Sejdovic/Italië) en EHRM (GK) 15 juni 2017, nr. 71537/14, dec., par. 62-65 (Harkins/Verenigd Koninkrijk).

7 Zie onder meer: EHRM 8 januari 2004, nr. 56271/00, dec. (Sardinas Albo/Italië); EHRM (GK) 4 februari 2005, nrs. 46827/99 en 49551/99, par. 82 (Mamatkulov en Askarov/Turkije); EHRM 27 november 2014, nr. 47593/10, par. 92 (Khomullo/Oekraïne). In deze zin ook de rechtspraak van de Hoge Raad; zie bijv. HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6597, NJ 2003/610 (rov. 3.10).

8 Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn. Zie i.h.b. art. 2: “Deze richtlijn is van toepassing op natuurlijke personen die verdachten of beklaagden zijn in strafprocedures.” De overwegingen in de preambule zijn op dit punt wat dubbelzinnig, maar zij roepen louter de vraag op of de reikwijdte van de richtlijn nog beperkter is dan die van art. 6 EVRM; zie daarover J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2018, p. 198.

9 J. Remmelink, ‘Bijlage 1. Uitlevering’, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, losbl. suppl. 70 (februari 1990), p. 42.

10 A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 358.

11 Vgl. over het recht door een rechter te worden gehoord de Aanbevelingen van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, betreffende de praktische toepassing van het Europese Uitleveringsverdrag, Resolutie nr. (75) 12 en Resolutie nr. (80) 7. Vgl. in dit verband tevens HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6597, NJ 2003/610, waarin de Hoge Raad onder meer zelf vaststelde dat de opgeëiste persoon “afstand heeft gedaan van zijn recht (mijn cursivering, EH) dienaangaande ter zitting te worden gehoord.” Dat de niet-gemachtigde raadsman ter zitting een aanhoudingsverzoek had mogen doen, legde de Hoge Raad zo uit dat de rechtbank het verzoek kennelijk aldus had opgevat dat het betrekking had op een onderwerp waarover een niet-gemachtigde raadsman het woord mag voeren, “namelijk het verzoeken om aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de opgeëiste persoon (mijn cursivering, EH).”

12 HR 7 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB9737, NJ 1988/313. Vgl. ook V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering (diss.), Wolf Legal Publishers, 2013, p. 38 en V.H. Glerum, ‘91. Uitlevering en overlevering’, in: Handboek strafzaken, aant. 91.4. J. Remmelink, Uitlevering, vierde druk, 1990, p. 37 schreef al: “De uitleveringsrechter is geen Überprūfungsrichter.”

13 In deze zin ook Swart, a.w. 1986, p. 360 en Glerum, a.w., aant. 91.4.

14 Zie Kamerstukken II 1964/65, 8054, nr. 3, p. 13: “Uiteraard zal de regeling van de procedure er op gericht moeten zijn zo spoedig mogelijk tot een beslissing omtrent de gevraagde uitlevering te komen. Voor een gerechtelijke behandeling in twee feitelijke instanties, en voor bezwaarschriften gericht tegen het voornemen om de zaak ter zitting te behandelen, is hier dan ook stellig geen plaats. Ook de mogelijkheid van verwijzing naar een ander gerecht, bij de beslissing op een beroep in cassatie, is hier bezwaarlijk te aanvaarden.”

15 Wet van 9 maart 1967, houdende nieuwe regelen betreffende uitlevering en andere vormen van internationale rechtshulp in strafzaken, Stb. 1967/139.

16 Kamerstukken II 1998/99, 26 697, nr. 3, p. 20-21.

17 Al lijkt het dat die kennelijke afweging toen wat eerder werd ingelezen in de beslissing van de feitenrechter; vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294.